De icoon van Pinksteren

 DE ICOON VAN PINKSTEREN

Op Pinksteren vieren we de KERK!
“De lichamelijke aanwezigheid van Christus onder ons is ten einde, de handelingen van de Geest beginnen” (H. Gregorios van Nazianze, Homilie van Pinksteren, 81)
De dag van Zijn Hemelvaart naar de Vader, gaf Christus aan Zijn leerlingen de opdracht om “niet uit Jeruzalem heen te gaan, maar de Belofte van de Vader af te wachten” (Hand. I: 4). Hij vroeg hen om samen te blijven om de gave van de Geest te ontvangen:
“Gij zult kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over u komt; en gij zult Mijn getuigen zijn in Jeruzalem en geheel Judea en Samaria, ja tot aan het einde der aarde” (Hand. I: 8).
De leerlingen waren bijeen in het Cenakel, toen dit gebeurde. In de Handelingen der Apostelen staat:
“Toen na vijftig dagen het Pinksterfeest aanbrak, waren allen op één plaats bijeen. Plotseling kwam er vanuit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, en vervulde het gehele huis waar zij waren samengekomen. Er verschenen hun tongen als van vuur, die zich verdeelden en zich op ieder van hen neerzetten. Allen werden vervuld met de Heilige Geest en zij begonnen te spreken in vreemde talen, zoals de Geest hun ingaf om zich te uiten.” (Hand. II: 1-4). Die dag gebeurden er drieduizend bekeringen.
Het feest van Pinksteren herdenkt de gave van de Heilige Geest aan de Apostelen, de geboorte van de Kerk en het begin van haar zending in de wereld.
Pinksteren komt van het Grieks pentecosti en duidt een periode aan van vijftig dagen, de vijftig dagen die volgen na de Opstanding (zoals saracosti staat voor de veertig dagen van de Vasten). Het is belangrijk om zich bewust te zijn van de continuïteit die Pasen, Hemelvaart en Pinksteren verbindt. Pinksteren vormt de afsluiting van deze periode.
Maar vooraleer Pinksteren een christelijk feest werd, is het een joods feest, Shavouot in het Hebreeuws, dat elk jaar trouw gevierd wordt door de Joden. Het joodse paasfeest herdenkt de bevrijding van de slavernij in Egypte en de doortocht van de Rode Zee. Vijftig dagen later ontvangt Mozes op de berg Sinaï de Stenen Tafelen der Wet waaronder het volk van Israël zal moeten leven. Het is de goddelijke openbaring van de Sinaï waarvan het joodse Pinksterfeest de herdenking is.
Het is niet zonder betekenis dat de Heilige Geest naar de Apostelen gezonden werd op deze verjaardag van het eerste Verbond met het volk der Hebreeërs. Na de tafelen der Wet komt het onderricht van Christus.

Wat stelt de icoon van Pinksteren voor?

De icoon is de geschilderde uitdrukking van de heilige Traditie van de Kerk, traditie die leeft in de heilige Schrift en in de liturgische teksten. Zij drukt de theologische inhoud van de gewijde teksten uit in grafische termen en is niet enkel een eenvoudige illustratie. Door middelen die behoren tot de zichtbare wereld brengt zij ons in contact met de onzichtbare wereld, zij drukt een geestelijke realiteit uit, en daardoor is zij altijd een beetje in discrepantie met de natuurlijke wereld. Zij staat boven de wet van tijd en ruimte: bij voorbeeld voor wat de ruimte betreft, bekommert ze zich niet om volume of perspectief, ze beperkt de voorstellingen niet tot een bepaald gebouw. Dit betekent dat de zin van de gebeurtenissen die de icoon voorstelt zich niet beperkt tot hun historische plaats, maar daar bovenuit stijgt. Zij wil ook de schijn van de werkelijke wereld overschrijden en zich situeren in een wereld die niet onderworpen is aan de wetten van de tastbare wereld. Voor wat betreft de tijd, maakt ze de toeschouwer tijdgenoot van de gebeurtenis, er is een deelname, hier en nu, van diegene die de icoon aanschouwt.

We bekijken nu een icoon van Pinksteren :

Pinksteren4.jpg

We zien een bijeenkomst van mannen, die in een halve cirkel gezeten zijn, op een bank met hoge leuning. Het is een scène van een interieur, zoals blijkt uit de huizen op de achtergrond en het gordijn.
Er zijn twaalf protagonisten en ze dragen elk iets in de hand: de ene een perkamentrol, de andere een boek. Hun houding is kalm en plechtig, de sfeer lijkt hartelijk, ze onderhouden zich met elkaar. Men merkt ook een ruimte op tussen de twee middelste figuren, alsof de centrale plaats leeg gebleven is.
Boven het huis ziet men de hemel, van waaruit stralen komen die uitlopen in vlammen -vuurtongen- die afdalen en zich boven elk personage plaatsen.
Onderaan het beeld ziet men een donkere holte, waaruit een gekroonde figuur naar voren komt, met witte baard. Hij draagt een linnen doek met twaalf rollen.
De compositie is symmetrisch: zes mannen en zes vuurtongen langs elke kant.
De scène is lichtgevend: de hemel wordt voorgesteld als een gouden achtergrond, er is de zon en de lichtstralen op de banken, de lichtweerkaatsingen op de klederen.
De twaalf personages zijn de Apostelen, van het Grieks apostoloi, zij die gezonden zijn.
Bovenaan Petrus en Paulus, dan de vier evangelisten, die het Heilige Boek vasthouden, links Mattheus en Lucas en rechts Johannes en Marcus en verder waarschijnlijk Simon, Bartholomeus en Filippus (of Judas) links en Andreas, Jacobus en Thomas rechts.
Waarom is de heilige Paulus op deze icoon afgebeeld, kunt u zich afvragen, vermits hij niet aanwezig was op die dag en hij zelfs nog niet bekeerd was?
Dit komt omdat deze icoon niet enkel de gebeurtenissen beschreven in de teksten voorstelt, maar ook de zin en betekenis ervan toont. De betekenis van deze aanwezigheid lijkt klaar, de icoon toont niet enkel de historische ooggetuigen, maar de draagwijdte van het beeld wordt uitgebreid door een evocatie van de apostolische volheid en daardoor ecclesiale volheid; en kan men zich deze voorstellen zonder Paulus? Ze is ondenkbaar zonder hem en daarom zit hij tegenover Petrus. Doordat Paulus toegevoegd wordt, getuigt de icoon van de kerkelijke realiteit.
De icoon is niet een eenvoudige illustratie van de heilige Schrift, zij heeft een dogmatische en didactische inhoud, en onderwijst het geloof van de Kerk. Dit is zeker waar voor de icoon van Pinksteren die daarenboven het symbool is van de Kerk.
De onderrichtscène

Wat betekent de lege plaats midden tussen de apostelen?
Deze plaats is die van Christus. De leeg gelaten plaats in het centrum betekent dat Christus aanwezig is, zelfs als Hij niet zichtbaar is. “Waar twee of meer in Mijn naam verenigd zijn, ben Ik in hun midden” (Mt. XVIII : 2).
De plaats van Christus is in het centrum, hij is de leider van de Gemeenschap, Hij is de leider (d.w.z. het hoofd) van de Kerk en het is de Kerk – Lichaam van Christus – die de taak heeft om Zijn Onderricht te verspreiden; met de gave van de Heilige Geest, “Die bij u zal blijven in eeuwigheid” (Jo. XIV, 16).
De Heilige Geest neemt in zekere zin het onderricht over, want Hij leert hen alles, zelfs dat wat ze niet konden dragen wanneer Christus onder hen was: “De Trooster, de Heilige Geest Die de Vader zenden zal in Mijn naam, Hij zal u alles leren, en u herinneren aan alles wat Ik u gezegd heb.” (Jo. XIV, 26)
Christus zegt ook: “Nog veel meer heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu nog niet dragen. Maar wanneer Hij komt, de Geest der Waarheid, dan zal Hij u tot volle waarheid geleiden.” (Jo. XVI, 12-13).
De Heilige Geest, die voor altijd gegeven is, zal de apostelen helpen om de apostolische zending te volbrengen die hun is toevertrouwd, toevertrouwd aan hen die niet erudiet of filosoof waren, maar eenvoudige mensen, zondaars…
Waarom kozen de iconografen een onderrichtscène die doet denken aan de filosofische onderrichtscènes van de Oudheid?
Bekijken we de icoon:
De apostelen zijn gezeten op een bank met hoge rugleuning in een halve cirkel, dezelfde die men gebruikte in de Oudheid in de scholen van filosofie. Men denkt onmiddellijk aan Plato, aan Pythagoras…, die hun leerlingen onderwezen.
De verwijzing naar de Oudheid is duidelijk, ze richt zich tot de Grieken, tot de vertegenwoordigers van het filosofisch denken, wat de absolute referentie was, en zegt dat het onderricht van Christus veel verder gaat dan de eenvoudige filosofie, die menselijk blijft. Het is een nieuw tijdperk dat aanvangt voor de mensheid, want het woord van Christus, “dit woord dat gij hoort,” zegt Christus, “is niet van Mijzelf, maar van de Vader die Mij gezonden heeft” (Jo. XIV: 24).
Het is dus het Woord van de Vader dat ons werd overgebracht door de Zoon en dat de Geest verduidelijkt.
We weten ook dat Christus in het Oude Testament werd aangekondigd onder de naam Wijsheid, Christus is Sofia. Toen God Zijn Zoon schonk aan de mensen, heeft Hij deze Wijsheid medegedeeld, en deze Wijsheid heeft Hij aan de Apostelen doorgegeven en heeft hun gevraagd om ze aan de hele wereld te verkondigen: “Gaat uit over de gehele wereld en predikt het Evangelie aan alle schepselen”. (Mc. XVI: 15).
Het beeld van de onderwijzende Christus is reeds vroeg voorgesteld in de vroegchristelijke iconografie. In de Catacomben van Domitilla, vierde eeuw, bevindt zich één van de eerste voorstellingen van Christus die onderricht geeft; Hij is gekleed als in de Oudheid, zoals de filosoof te midden van zijn leerlingen. De vroegchristelijke kunst is zeer geïnspireerd door de antieke kunst, de fresco’s, de miniaturen, het half­verheven beeld­­houwwerk.

icoon ivoor pinksteren (2).jpg

Een ivoor uit de zesde eeuw (Rome of Noord-Italië) toont ons de twaalf apostelen, gezeten rond Christus. Op dit gebeeldhouwd ivoor, ziet men dat de plaats van Christus in het centrum is, bijna als een centrale zuil, en dat de apostelen zich rond Hem bevinden. Ze zitten op stoelen in een halve cirkel, en ze worden gezien in een verhoogd perspectief, men zou kunnen zeggen een ‘omgekeerd perspectief’ (dus de personages worden kleiner afgebeeld, niet als ze verder van de toeschouwer verwijderd zijn, maar als ze dichterbij komen).
Indien we ons inbeelden dat de plaats van Christus leeg is, komen we tot de klassieke schikking van het college van apostelen van Pinksteren, het college van apostelen is de basis van de Kerk, de twaalf zuilen waarop het gebouw rust, gebouwd op de hoeksteen die Christus is (cfr. De twaalf stammen van Israël).
Dat Christus op de Pinkstericoon gesuggereerd wordt door een lege ruimte, is sterk, is symbolisch erg sterk: de aanwezigheid wordt gesuggereerd door de afwezigheid…

Symbool van de Kerk

De icoon van Pinksteren is dus niet een eenvoudige illustratie van een historische gebeurtenis, zij is een symbool, zij is het symbool van de Kerk.
We moeten hier even stilstaan bij het woord symbool. Symbolon (Grieks; betekent: wat verzamelt) is het tegenovergestelde van diabolon (Gr., wat verdeelt). Oorspronkelijk was het symbolon een voorwerp dat men in twee had gesneden en dat slechts betekenis had wanneer de twee delen terug verenigd waren. Het was een teken van herkenning.
Het symbool verenigt twee delen, aan de ene kant een realiteit van de zichtbare wereld, en aan de andere kant een realiteit van de onzichtbare wereld die tegenwoordig wordt gesteld. Het symbool is niet een eenvoudig allegorisch beeld, er bestaat een organische band tussen de twee delen die het verenigt.
De icoon als symbool beïnvloedt ook diegene die haar aanschouwt. Zij kan ons helpen om ons om te vormen door ons uit te nodigen om ons te richten naar wat gesymboliseerd is en om ons ermee te vereenzelvigen.
De icoon handelt op deze wijze, ze verenigt een zichtbaar en onzichtbaar deel, een materieel deel en een spiritueel deel, ze openbaart ons een andere wereld met een volheid die niet te vergelijken is met het leven van de gevallen wereld.
Zich verenigen in de Kerk heeft betrekking op de natuur en het doel van de vereniging, niet op de plaats: het woord kerk komt van het Grieks ekklesia, wat bijeenkomst betekent (het werkwoord ekklesiazo betekent oproepen, een bijeenkomst samenroepen, een samenkomst bijwonen). De icoon toont ons het prototype van deze bijeenkomst, de eerste bijeenkomst, de stichtende vergadering, die van de apostelen. “Zich verenigen in de kerk” betekent dus zulke gemeenschap vormen, waarvan het doel is de Kerk te vertegenwoordigen, te realiseren. Deze eerste samenkomst bevestigt het bestaan van de Kerk.
Een orthodoxe theoloog, vader Alexander Schmemann, schrijft: “We moeten goed beseffen dat we ons naar de tempel begeven, niet om er individueel te bidden, maar om ons te verenigen in de Kerk. De zichtbare tempel is slechts de afbeelding van de onzichtbare waarmee hij zich bekleedt en die niet door mensenhanden gemaakt is… Wanneer ik zeg dat ik me naar de kerk begeef, betekent dit dat ik ga naar de gemeenschap van gelovigen om met hen de Kerk te vormen, om diegene te zijn die ik geworden ben op de dag van mijn doop: een lidmaat van het Lichaam van Christus, in de volle betekenis van het woord… Ik ga naar de kerk om mezelf als lid te manifesteren, om te getuigen voor God en de mensen van het Koninkrijk, reeds gekomen in kracht” (A. Schmemann: de Eucharistie). Dit is het mysterie van de Kerk, van het Lichaam van Christus dat wij vormen, nu, want Christus is met ons, zelfs al is Hij onzichtbaar zoals op de icoon.
De scène die wordt afgebeeld op de icoon is meer dan een onderrichtscène, het is de voorstelling van de Bijeenkomst van de Apostelen op het moment dat zij de doop van de Geest ontvangen.
Deze Gemeenschap is de initiële en fundamentele vorm van de Kerk. Het is het model van de Kerk die WIJ nu vormen, want WIJ zijn de Kerk, wij zijn in Christus en Christus is in ons. Wij zijn de Kerk en wij manifesteren en belijden de aanwezigheid van Christus in de wereld.
De aanwezigheid van Christus en Zijn Koninkrijk in de wereld bevestigen en belijden, was de eerste zending van de Apostelen, daarom draagt de ene een boek en de andere een schriftrol.

Boek en schriftrol

Degenen die het Boek, het Evangelie, vasthouden, zijn: Paulus, Johannes, Lucas, Mattheus en Marcus. De overigen houden een schriftrol in de hand. Op andere iconen houden de apostelen allemaal een schriftrol vast; de schrift­rol symboliseert het Woord van God, dat ze gaan overbrengen dankzij de Heilige Geest.
We zien hier tegelijkertijd de parallel en de overstijging van de parallel tussen Christelijk en joods Pinksteren: de Tafelen der Wet zijn aan Mozes gegeven vijftig dagen na de doortocht van de Rode Zee. De Heilige Geest, die alles leert aan de Apostelen (dus aan de Kerk) en hen herinnert aan alles wat Christus hun gezegd had, is gezonden aan de Kerk in wording op de dag van het joodse Pinksterfeest. Het onderricht van Christus, dat komt van de Vader, is daar bovenop gegeven aan de mensheid op de weg van het heil.

Harmonie en kalmte

In de Handelingen der apostelen staat dat de Nederdaling van de Heilige Geest gebeurde met groot lawaai en in een totale verwarring. Nochtans zien we op de icoon helemaal het tegenovergestelde: een harmonische orde, een nauwkeurige compositie. De strakke houding van de Apostelen drukt kalmte en plechtigheid uit. De icoon toont ons het gebeuren van binnen, zoals het beleefd werd door de apostelen, en zo laat ze ons deelnemen aan het innerlijke gebeuren, wij beleven het zoals de apostelen het beleefd hebben. De icoon openbaart ons de innerlijke betekenis van de gebeurtenissen, zij openbaart de eschatologische betekenis

De vuurtongen: de doop van de Kerk door het vuur

De icoon van Pinksteren is de voorstelling van de Bijeenkomst van de Apostelen, d.w.z. van de Kerk, op het moment dat deze de Doop van de Geest ontvangt.
“Want Johannes doopte met water, maar gij zult gedoopt worden met de Heilige Geest” (Hand. I: 5), zegt Christus tegen de apostelen. “Er verschenen hun tongen als van vuur, die zich verdeelden en zich op ieder van hen neerzetten.” (Hand. II: 3).
De icoon toont ons de doop van de apostelen, dus van de Kerk, met het vuur van de Heilige Geest. Het is tegelijkertijd de geboorte en de doop van de Kerk.
De duif is soms afgebeeld op de icoon van Pinksteren (ook op de icoon die hier getoond wordt), maar er is geen enkele reden om dit te doen. Noch de Schrift, noch de hymnografie maken er melding van voor Pinksteren. Dit beeld behoort tot de icoon van de Doop van Christus, een andere openbaring van de Heilige Drieëenheid.
De vuurtongen die op de apostelen vallen zijn essentieel in de oudste Pinkstericoon die we kennen, bewaard in het klooster van de H. Katarina van de Sinaï.
De Apostelen zijn verenigd in de Heilige Geest, maar elk van hen ontvangt persoonlijk het vuur van de Geest: de tongen verdelen zich. Uit dit verbond van eenheid in verscheidenheid van de apostelen komt heel de geschiedenis van de Kerk voort met haar concilies.

De zending van de apostelen

Een heel bijzonder gevolg van de Nederdaling van de Geest op de apostelen was dat ze begonnen te spreken tegen mensen “van alle volkeren onder de hemel”, verenigd in Jeruzalem en dat “iedereen hen hoorde spreken in zijn eigen taal”. De H. Lucas zegt: “Nu verbleven er te Jeruzalem Joden, godvrezende mannen uit alle volkeren onder de hemel. Toen dit gerucht zich verspreidde, stroomde het volk te samen, uitermate verbaasd, want ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken.” (Hand. II: 5-6)
Pinksteren herstelt dat wat gebroken was bij de toren van Babel. Bij de toren van Babel had zich het onbegrip tussen de mensen gevestigd, met als gevolg de verdeeldheid onder de volkeren. In de Heilige Geest is de communicatie tussen de mensen hersteld, en de eenheid wordt weer mogelijk in het respect voor het anders-zijn (alle volkeren).
Het volk van God is uitgebreid tot zover dat er geen enkele scheiding meer is van ras, cultuur, ruimte noch tijd. Het heil is ook gegeven aan de niet-Joden.
De icoon toont dit op verschillende wijzen:

Ten eerste door haar compositie die niet gesloten is: men ziet dat de rangen van apostelen open blijven. De opening van de icoon zelf (en van alle iconen) die de scènes niet opsluit in een bepaald gebouw -men ziet de gebouwen op de achtergrond- maakt duidelijk dat de betekenis van de gebeurtenissen die de icoon voorstelt, zich niet beperkt tot hun historische plaats, maar de plaats en het moment waarop ze plaatshadden overstijgt.

De oude koning – kosmos

Ten tweede ziet men onderaan op de icoon een keizerlijk personage, dat de tijdelijke wereld voorstelt. Deze allegorische figuur ziet men op de icoon vanaf de XIVe eeuw. Zij benadrukt de kosmische dimensie van Pinksteren. Byzantium, het nieuwe Rome, was uitverkoren als hoofdstad door de Romeinse keizer Constantijn, die haar herdoopte met de naam Constantinopel. Constantijn was de eerste keizer die zich bekeerde tot het christendom. Het Romeinse Rijk dat christelijk geworden was werd nadien om administratieve redenen in twee verdeeld. Constantinopel werd de hoofdstad van het Oost-Romeinse Rijk.

Deze keizer op de icoon houdt in een gebaar van dankzegging aan God een linnen doek vast met de twaalf schriftrollen van de apostolische verkondiging.
Dit soort linnen doek ziet men ook in de antieke kunst bij de afbeelding van de allegorieën van de seizoenen van de aarde; het doek bevat dan meestal vruchten en verbeeldt de overvloed van de vruchten van de aarde. Men kan dit linnen doek ook zien als een bootje. Het schip is vaak gebruikt om de Kerk voor te stellen. De H. Clemens (IIIe eeuw) zegt: “Het lichaam van de Kerk is als een groot schip dat in een grote storm mensen van verschillende herkomst vervoert, die in het Koninkrijk willen wonen. Beschouw dus God als de kapitein van dit schip, Christus als de stuurman, de bisschop als de man op de uitkijkpost, de priesters als de bemanningsleden, de gemeenschap van broeders als de passagiers, de wereld als de onpeilbare diepte van de dood…”
De apostelen waren eenvoudige vissers en werden geroepen om in zee te gaan aan boord van het schip dat de Kerk is, om vissers van mensen te worden. Alle volkeren moeten de Blijde Boodschap horen: dat de gave van de Heilige Geest voor iedereen is.

De icoon laat het Koninkrijk intreden in de geschiedenis.
De Nederdaling van de Heilige Geest is de eerste dag van een nieuw tijdperk. Pinksteren is de vijftigste en de eerste dag. De vijftigste dag: 7 x 7 + 1 (zo ook het joodse feest van de zeven weken: Sjavoeot). Deze periode van vijftig dagen is een week van weken (7×7); de achtste dag (Pink­steren) is zoals de zondag de achtste en de eerste dag.
De Heilige Geest deelt Zichzelf mede aan de leden van het Lichaam van Christus en vergoddelijkt hen door Zijn genade. Dit is het eigenlijke onderwerp van de icoon: de vergoddelijking van de mens, zijn deelhebben aan de genade en door de genade aan het Koninkrijk, hier en nu. De aangezichten van de icoon tonen de mens die getransformeerd is door de werking van de Heilige Geest, de mens in het licht van de Heilige Drieëenheid.
Dit is de weg die wordt aangeboden aan elke Christen, de weg van de Transfiguratie, en de icoon toont ons de weg, want sinds het goddelijke zich heeft vermengd met onze menselijke natuur, is onze natuur in waarheid verheerlijkt. (H. Johannes van Damascus)

Marie Lavie – iconograaf
Vertaling uit het Frans: Mia (Orthodoxe Parochie van de Heilige Georgios – Antwerpen)

 

pinksterenpla321%20(2).jpg

de oerkerk

Herinneringen in Nederland aan oerbegin van kerk

Beschouwingen over het ontstaan van de kerk gezien door een protestantse broeder.

 

We kennen ze allemaal: vluchtelingen. Ook in Nederland. Maar weten we ook van hun kerken? Onder de zogenaamde migrantenkerken in Nederland treffen we ook de oudste kerken uit de begintijd van het christendom aan: de Oriëntaals-Orthodoxe Kerken. Ze herinneren ons aan het christelijke oerbegin van de kerk.

De Oosters-Orthodoxe Kerken nemen een aparte plaats in naast de Rooms-Katholieke Kerk en de kerken van de Reformatie. Zij bezitten een eigen geschiedenis en een eigen kijk op liturgie, dogma en traditie. De Oosters-Orthodoxe Kerken, die verdeeld zijn over verschillende landen, zijn officieel ontstaan bij het bekende schisma van 1054, toen de kerk van het Griekse Oosten na een lange geschiedenis van wrijving en conflicten, zoals over de positie van de paus zich losmaakte van het Latijnse Westen. Een zelfstandige gemeenschap was in het leven geroepen: de “orthodoxe” kerken; “orthodox” in de zin van “rechte lofprijzing” of “rechte leer”.

“” frameborder=”0″ marginwidth=”0″ marginheight=”0″ scrolling=”no” style=”border: 0px currentColor; border-image: none; vertical-align: bottom;”

De theologische basis van de Orthodoxe Kerken bestaat in het algemeen uit de leer van de eerste zeven algemene concilies (325-787). De eerste twee stelden de leer van de Drie-eenheid vast, de volgende vier het ware mens-zijn van Christus en het zevende de legitimiteit van de iconen. Iconen zijn de geschilderde afbeeldingen van Christus, Maria (de “Moeder Gods”), heiligen en martelaren, of gebeurtenissen uit de Bijbel. Zij vormen een wezenlijk bestanddeel van het oosters-orthodoxe geloof, dat deze afbeeldingen beschouwt als tastbare symbolen van de goddelijke werkelijkheid.

De oosterse orthodoxie kenmerkt zich door een accent op liturgie, dat wil zeggen de viering in de gemeenschappelijke eredienst. Een optimistische visie op mens en wereld is haar niet vreemd. Woorden zoals zonde en schuld krijgen geen nadruk. Daartegenover spelen de begrippen vergoddelijking, liefde en opstanding (het paasfeest is ook het grote feest in de orthodoxie) een grote rol.

Een westers begrip zoals “verzoening door voldoening” of de gedachte van een (juridische) rechtvaardiging door het geloof is afwezig. De nadruk ligt op de menswording en de opstanding van Christus, die consequenties heeft voor de gehele kosmos. Verder is de Orthodoxe Kerk sterk hiërarchisch ingericht, evenals Rome, hoewel ze van de zogenaamde onfeilbaarheid van de paus gruwt en in de plaats daarvan de autoriteit van de concilies stelt. Maar evenals Rome kent zij wel ook de zeven sacramenten, een rijk ontwikkeld kloosterleven (hoewel nu teruglopend) en een uitbundige Mariaverering.

In gevaar

Een van de varianten van de orthodoxie zijn de Oriëntaals-Orthodoxe Kerken. Deze vormen feitelijk de oudste christelijke kerken. De taal in de liturgie van de Syrisch-Orthodoxe Kerk is bijvoorbeeld Aramees, verwant aan de Aramese taal, die Jezus sprak, en aan het Hebreeuws.

Deze kerken in het Midden-Oosten (vandaar: oriëntaals) en in delen van Noord-Afrika bevinden zich in zwaar weer. In sommige regio’s, zoals Syrië en Irak, is het voortbestaan van christelijke kerken zelfs in gevaar. Veel oosterse christenen zijn gevlucht, onder andere naar Europa, ook naar Nederland. Momenteel is er in meerdere grote en middelgrote steden een oriëntaals-orthodoxe gemeenschap te vinden.

Dr. Jaap van Slageren, oud-secretaris van de Nederlandse Zendingsraad (NZR) en adviseur van het Overleg Episcopale Kerken (OEK), heeft de verschillende Oriëntaals-Orthodoxe Kerken in Nederland in kaart gebracht. Doel is de Nederlandse christenen kennis te laten maken met deze snel groeiende groep van gelovigen in Nederland. Het resultaat is een rijk geïllustreerd boekwerk: “Wijzen uit het Oosten, uit zo verren land”.

Onder de Oriëntaals-Orthodoxe Kerken vallen de Syrisch-Orthodoxe Kerk (en de nauw met haar verwante Malankara Orthodox-Syrische Kerk van Kerala, in India), de Koptisch-Orthodoxe Kerk van Egypte, de Armeens-Apostolische Kerk, de Ethiopisch-Orthodoxe Tewahedo Kerk en de Eritrees-Orthodoxe Tewahedo Kerk.

“” frameborder=”0″ marginwidth=”0″ marginheight=”0″ scrolling=”no” style=”border: 0px currentColor; border-image: none; vertical-align: bottom;”

Van Slageren geeft behalve een historische schets van deze kerken ook een aantal voorbeelden van hun kerstverhalen. Daarin is iets te proeven van de beleving van het mysterie van de neerdaling van God onder de mensen. Met een rijkdom aan symbolen wordt dit mysterie in de liturgische traditie van deze kerken gevierd. De eucharistie en de rol van de priester nemen daarbij een belangrijke plaats in, een overeenkomst met de Rooms-Katholieke Kerk, die een grote verwantschap kent met de Orthodoxe Kerken. Door de beschrijving van de liturgische gewoonten, naast eucharistie ook de doop en het vasten, maakt Van Slageren de geloofstraditie concreet en inzichtelijk.

Andere traditie

De Oriëntaals-Orthodoxe Kerken zijn onderscheiden van de Oosters-Orthodoxe Kerken, zoals de Russisch-Orthodoxe en de Grieks-Orthodoxe Kerk, die in Nederland niet zo veel aanhangers hebben en ook een geheel andere liturgische en geloofstraditie vertegenwoordigen.

De Oriëntaals-Orthodoxe Kerken beroepen zich op de eerste oecumenische concilies van de ongedeelde kerk, zoals Nicea (325) en Constantinopel (381), waar respectievelijk de godheid van Christus en de Heilige Geest werd vastgelegd. Tijdens het concilie van Efeze (431) werd eveneens vastgelegd dat het goddelijke en het menselijke op volmaakte wijze in Jezus verenigd zijn, zonder vermenging en ongedeeld. De Oriëntaals-Orthodoxe Kerken hebben afstand genomen van het latere concilie van Chalcedon in 451, waarin het wezen van Christus, met inachtneming van de eenheid van Zijn persoon, toch ook als twee duidelijk van elkaar te onderscheiden naturen wordt voorgesteld.

De Oriëntaals-Orthodoxe Kerken hanteren de juliaanse kalender, onderscheiden van de gregoriaanse kalender, die in de meeste westerse kerken gehanteerd wordt. Daardoor vallen de feestdagen, zoals Pasen en Pinksteren, op andere data. De Oriëntaalse Kerken hebben zich elk op eigen wijze ontwikkeld. Pas in de twintigste eeuw ontstond het besef dat al deze kerken samen één confessionele familie vormen. Op 15 januari 1965 vond in Addis Abeba (Ethiopië) de eerste conferentie plaats van hoge vertegenwoordigers van deze kerken. Besloten werd tot een voortgaand oriëntaals overleg, dat in 1989 onder supervisie van de Wereldraad van Kerken werd verbreed tot een beraad samen met de Oosters-Orthodoxe Kerken.

Omdat zij uiteindelijk tot dezelfde geloofsfamilie behoren, worden de gelovigen in beide kerken tot elkaars heilige communie toegelaten. Binnenkort wordt er aan de Vrije Universiteit een priesteropleiding geopend waaraan zowel oriëntaalse als oosters-orthodoxe studenten de mogelijkheid krijgen om opgeleid te worden tot priester. Veel van de Oriëntaals-Orthodoxe Kerken hebben in Nederland een onderkomen gevonden in voormalige rooms-katholieke kerkgebouwen. Dat is ook niet vreemd, gezien hun liturgische setting. Veel kerken hebben ook nieuwe kerkelijke centra gesticht, die voorzien in de behoefte aan nevenruimtes voor gemeentebijeenkomsten en activiteiten onder jongeren.

Sterke groei

Van Slageren merkt op dat er sprake is van een sterke groei van de Oriëntaalse Kerken in Nederland. Zo bouwen de kopten momenteel een kerk in Assen en verrijst er in Enschede een koptisch klooster. Ook het aantal christenen uit Eritrea en Syrië groeit. In Nederland wonen nu al meer dan 25.000 Syrische christenen.

Van Slageren: Velen van hen verblijven nog in azc’s en hebben het daar niet gemakkelijk. Ze willen hun christelijke tradities in praktijk brengen, maar worden niet geaccepteerd door de moslims, ten opzichte waarvan zij een minderheid zijn.” Samen met aartsbisschop Polycarpus van de Syrisch-Orthodoxe Kerk in Nederland is Van Slageren bezig een actie op te zetten om deze christenen de gelegenheid te geven de diensten van hun geloofs- en volksgenoten te bezoeken door te zorgen voor reisgeld of een taxi.

Er zijn volgens Van Slageren nauwelijks theologische verschillen met de Oosters-Orthodoxe Kerken. Men staat niet meer vijandig tegenover elkaar, zoals in het verleden. Men beseft dat de uitspraken op Chalcedon maar kleine toevoegingen zijn geweest die misverstanden hebben opgeroepen, maar die nu toenaderingen niet meer in de weg staan. Dank zij de Wereldraad van de Kerken is er meer overeenstemming gekomen. Wel is het zo dat de Oriëntaalse Kerken een bestaan hebben opgebouwd. Voor de Nederlandse kerken is het een uitdaging om deze kerken te leren kennen. In Frankrijk is met name de Rooms-Katholieke Kerk daarmee al verder. De Oriëntaalse Kerken zijn de oudste kerken uit de begintijd van het christendom. De protestantse kerken moeten de dialoog met deze kerken nog beginnen. Ze krijgen daarvoor nu een historische kans.”

 

Boekgegevens

Wijzen uit het Oosten, uit zo verren land. Oriëntaals-Orthodoxe Kerken in Nederland. Over hun geschiedenis, liturgie en geboorteverhalen van Christus, Jaap van Slageren; uitg. Bar Hebraeus, Glanem 2016; ISBN 9789050470537; 204 blz.; € 19,95.

(bron : gereformeerd dagblad)

wat is orthodoxie

Over het Orthodox geloof

Wat betekent Orthodoxie?
De Griekse naam orthodox betekent letterlijk “rechtgelovig”, het ware geloof behoudend. Deze kerk ziet zichzelf als de voortzetting van de ene, heilige, katholieke en apostolische kerk.
De kerk is in de eerste plaats een liturgische en aanbiddende kerk. De eminente orthodoxe theoloog George Florovskie verwoordde het zo: Het christendom is een liturgische religie. Eerst komt de aanbidding, vervolgens de doctrine en de discipline. Het woord orthodox kan daarom beter vertaald worden met “ware aanbidding”.
De Orthodoxe Kerk aanvaardt alleen als dogma, deze die vastgelegd zijn in de zeven oecumenische concilies. Deze gingen naast de vaststelling van de christelijke dogma’s ook over de verhoudingen met de toenmalige Romeinse maatschappij en de omgang met de niet-christelijke en eventueel ketterse stromingen. Deze erkende concilies zijn de volgende:
– Eerste concilie van Nicea (325);
– Eerste concilie van Constantinopel (381);
– Concilie van Efeze (431);
– Concilie van Chalcedon (451);
– Tweede concilie van Constantinopel (553);
– Derde concilie van Constantiopel (680);
– Tweede concilie van Nicea. (787).
Er zijn ook nog heel wat lokale bijeenkomsten geweest (een kleine 60 in het totaal). De Orthodoxe Kerk kent een groot aantal kerken die nationaal georganiseerd zijn.

Kenmerken van de Orthodoxe Kerk:
1.Zij is trouw aan het onveranderlijke apostolische geloof.
2. Zij is trouw aan de kerkelijke hiërarchische structuur. De Heilige Geest wordt beschouwd als de “Gever van de onfeilbaarheid” aan de kerk waarvan Christus het hoofd is.
3. Het hoofd van de Orthodoxe Kerk is haar stichter Jezus Christus.
4. Zij heeft een gedecentraliseerde structuur. Zij is het geestelijk “Lichaam van Christus”.
5. De orthodoxe theologie is uitdrukking van de Goddelijke Openbaring.
6. De leer van de kerkvaders is voor de orthodoxe gelovige gezaghebbend. Het gebedsleven en persoonlijke ascese spelen een grote rol. Orthodoxe theologie is het antwoord op de manifestatie van de Heilige Geest uitgedrukt in liturgie, gebed en heiliging van elk levensaspect.
7. Ze wordt niet centraal geleid. Ze kent geen equivalent voor de hoogste autoriteit. De oecumenische patriarch van Constantinopel is de ere-primaat van de gehele kerk. Hij is de “Primus inter Pares” of de eerste onder de gelijken. Hij is de voorzitter. Hij is ook verantwoordelijk daar waar orthodoxe christenen een minderheid vormen.

De voornaamste verschil- en geschilpunten tussen de Rooms-Katholieke en de Orthodoxe Kerk:
   a. De universele jurisdictie en onfeilbaarheid van de paus wordt door de orthodoxe kerk niet erkend. De pauselijke suprematie wordt niet aanvaard omdat deze tegen de conciliaire structuur van de kerk is.
   b. Bisschoppen werden aangesteld door de apostelen die op hun beurt zijn aangesteld door Christus. Vandaar dat de laatmiddeleeuwse bewering van de paus van Rome, dat hij de plaatsvervanger van Christus zou zijn, voor de orthodoxen onaanvaardbaar is. Tijdens het eerste millennium van de onverdeelde Kerk werd hij canoniek enkel als een opvolger van de apostel Petrus erkend, zijnde de eerste onder de gelijken. De bewering “Plaatsvervanger van Christus” te zijn verdeelt de Hemelse en de aardse kerk in twee entiteiten. Christus is voor orthodoxen hoofd van beiden.
   c. Een historisch strijdpunt met de westerse kerken is de theologische kwestie over de voortkomst van de Heilige Geest. In het westen heeft men in de 8e eeuw aan de geloofsbelijdenis van Nicea – Constantinopel het zogenaamde “Filioque” toegevoegd. Vanaf dat ogenblik leerde de R.K.-Kerk dat de Heilige Geest niet alleen uit de Vader maar ook uit de Zoon voortkomt. Deze toevoeging ontstond in de 8e eeuw in Spanje en is door de orthodoxen nooit aanvaard geworden. De orthodoxe kerk leert echter dat de Heilige Geest uit de Vader door de Zoon voortkomt. Dit is niet zomaar een geschil over het gebruik van een voorzetsel. Het is essentieel voor het begrip van de Drie-eenheid. De Vader schept door de Zoon in de Heilige Geest. De Zoon en de Geest zijn als de handen van de Vader (Athanasius de Grote). De Geest rust ten allen tijde op de Zoon, komt uitsluitend uit de Vader voort en wordt door de Zoon aan de mensen geschonken. Wij zijn geschapen naar het beeld van God en dus naar het beeld van de Drie-eenheid. Het beeld van de Drie-eenheid is in ons.
   d. De Orthodoxe Kerk verwerpt de leer van het Vagevuur, de doop met enkel besprenkeling (alleen volledige onderdompeling), het niet toestaan van een scheiding tussen man en vrouw (in de orthodoxe kerk tot tweemaal toegestaan) en het gebruik van ongedesemd brood bij de liturgie. De Onbevlekte Ontvangenis van Maria en de Tenhemelopneming van Maria zijn geen dogma’s in de orthodoxe Kerk.
   e. Kenmerkend is, naast fresco’s en mozaïeken , het gebruik van de vele iconen in de Orthodoxe Kerk.
   f. De liturgie is anders en wordt als onveranderlijk beschouwd. De mensen staan in plaats van te zitten. Tussen altaar en gelovigen bevindt zich de iconenwand of iconostase. Deze vormt de scheiding tussen het altaar en het schip van de kerk.
   g. De orthodoxe spiritualiteit is sterk beïnvloed door het monnikendom. Het Jezus-gebed is een kort gebed dat door de monniken, maar ook door veel leken, voortdurend herhaald wordt bij alle bezigheden.
   h. Priesters kunnen gehuwd zijn. Hun priesterwijding bevestigt hun gehuwde of celibataire levensstaat (vergelijkbaar met de diakens in de katholieke kerk). Bisschoppen worden altijd uit monniken gekozen en zijn altijd ongehuwd.

Al met al lijken dit geen al te grote verschillen. De orthodoxe filosoof en theoloog Steinhardt zei echter: “Het orthodoxe en het katholieke geloof zijn zustergeloven van elkaar. Het verschil tussen beide geloven is echter even groot als de afstand tussen hemel en aarde”.

Hoe maken orthodoxen het kruisteken?
Richt u naar de icoon, laat de armen langs uw lichaam hangen, sta rechtop, breng duim, wijs- en middelvinger bij elkaar (zij representeren de drie-eenheid: Vader, Zoon en H. Geest), de twee andere vingers buig je naar de handpalm toe (zij staan voor de twee naturen van Christus: volledig God en volledig mens). Door de hand te bewegen naar uzelf, maakt u het teken van incarnatie (menswording) van God. Raak het voorhoofd aan, de borst, de rechterschouder en tot slot de linkerschouder. Zo offeren wij onze gedachten (hoofd), gevoelens (borst), onze goede daden (rechts), en onze slechte daden (links) op aan God en vragen om vergeving. Het teken van rechts naar links herinnert ons aan de “Goede” rover die tegelijk met Christus werd gekruisigd, berouw toonde en naar het paradijs ging. Dit doet men tweemaal. Na elk kruisteken buigt men en raakt men de grond aan. Dan gaat men met de mond tot bij de icoon en kust deze (ons hart, onze emoties). Dan met het voorhoofd (onze rede, ons verstand). Tenslotte maakt men nog een derde kruisteken. Door de grond aan te raken erkennen we onze onvolkomenheid door ons aards geschapen zijn.

 

Nog enkele praktische zaken:
   I. Wanneer men een huis binnengaat zal men eerst de gastheer begroeten. Men doet hetzelfde in een orthodoxe kerk want dit is het huis van Christus. Op de analoi ligt de Verrijzenisicoon of de Icoon van het Feest. Dus is het maar normaal dat men eerst aandacht schenkt aan de gastheer. Men gaat eerst deze icoon begroeten (men maakt een kruisteken en buigt). Vervolgens gaat men naar de iconen van Christus en de Moeder Gods. Daarna kan men het overige deel van de kerk bezoeken. Bij het verlaten van de kerk doet men hetzelfde. In het dagelijks leven neemt men na een bezoek ook afscheid van de bewoner.
   II. Het vereren van een icoon gebeurt met de armen langs of losjes gekruist voor het lichaam. (Dus niet met de armen op de rug). Als men zit slaat men de benen niet over elkaar, noch kruist men de voeten. Ook met de armen voor de borst gekruist wordt niet gewaardeerd. Men is geen toeschouwer aan de Heilige Diensten, maar een deelnemer.
   III. Sta recht wanneer het altaar, de iconen en de gelovigen gezegend of bewierookt worden door de priester of diaken. Sta ook recht bij het lezen van het H. Evangelie, de Geloofsbelijdenis, de Eucharistische Canon en het Onze Vader.
   IV. De Intercommunie bestaat – net zoals in de R.K.-Kerk – in onze Kerk niet. De scheuring tussen de verschillende Kerken is een zeer trieste feit. Verschillende kerkleiders zijn heden ten dage heel hard bezig om als Kerk weer één te worden. De H. Communie hoort deze eenheid uit te drukken; zij is doel, en géén middel om deze eenheid te bereiken. U mag hier anders over denken, maar respecteer onze opvatting en stel de priester niet voor een voldongen feit om toch tot de H. Communie te naderen. Het is voor hem al triest genoeg dat deze scheuring in de Kerken bestaat; het wordt voor hem alleen nog triester als hij door deze scheuring de H. Communie moet weigeren aan een dopeling van een niet-Orthodoxe Kerk.

De Goddelijke Liturgie
De Goddelijke Liturgie is de beste manier om de verbondenheid met het mysterie van God te beleven. Zoals het in een van de gebeden luidt; “Gij zijt onze God, niet in woorden te vangen, in onze gedachten niet te vatten, met onze ogen kunnen wij U niet zien, ons verstand kan U niet peilen”.

Het is een liturgie waarvan het verloop vast ligt, en die niet afhankelijk is van de persoonlijke stempel van de voorgangers. Ze biedt ruimte om de aandacht te vestigen op het heilige, om uit te stijgen boven het individuele en het alledaagse.
De viering is een voortdurende gezongen dialoog tussen de aanwezigen: priesters, diakens, lezers, het koor, en iedereen die bij de viering aanwezig is. Zo draagt iedereen bij aan de viering; we zijn geen toeschouwers, maar deelnemers. De hele gemeenschap, voorgangers en gelovigen, richten zich samen tot God. Daarom is het woord “Amen”, uitgesproken door de ganse gemeenschap zo belangrijk. Iconen spelen een grote rol. De iconen zijn niet bedoeld als kunstwerk of illustratie, maar willen uitdrukken dat God zich in ieder mens laat zien, in verleden, heden en toekomst. Ieder mens is een icoon, geschapen naar Gods beeld.
De Goddelijke Liturgie spreekt alle zintuigen aan: door de kleurrijke iconen , de brandende lampjes en kaarsen (zicht), de geurende wierook (reuk), het melodieuze gezang (gehoor), de buigingen (tastzin) en zeer zeker het nuttigen van de H. Communie.

De Koninklijke Deuren
De centrale deuren van de iconostase worden de Koninklijke Deuren genoemd. De Koninklijke Deur is de triomfpoort van de zegepralende Christus. Deze deuren zijn heilig en blijven soms gesloten. Heden ten dage is er een tendens om ze te openen bij het begin van de Goddelijke Liturgie en ze voor de ganse duur ervan open te laten (dit verschilt wel van land tot land). Het is enkel tijdens de Goddelijke Liturgie dat de priester ze opent om het heiligdom binnen te treden, waar hij het brood en de wijn consacreert.

Op vrijwel alle Koninklijke Deuren is de voorstelling van de Verkondiging aan de Moeder Gods afgebeeld. Het begin van de heilsgeschiedenis wordt aldus in beeld gebracht. Het Woord van God is mens geworden en is tot ons gekomen door de deur van de Maagd Maria. Op de deur staan ook de vier Evangelisten afgebeeld. Zij hebben de Blijde Boodschap, het Evangelie van Jezus Christus opgeschreven en aan ons overgeleverd. Boven de Koninklijke Deuren zien we de icoon van het Laatste Avondmaal. Het is aan de Koninklijke Deur dat de gelovigen het Lichaam en Bloed van Christus (Communie) ontvangen. De centrale plaats van het Laatste Avondmaal leert ons dat het fundament van het christelijk leven de Communie is.

Bron : orthodoxe kerk Breda

didache in Italiaans

LA DIDACHÈ
Dottrina dei Dodici Apostoli

 

 

 

La Didachè o Dottrina dei dodici Apostoli può essere considerato come il più antico catechismo cristiano, essendo stata scritta qualche decennio dopo la morte di Cristo. Dava suggerimenti pratici per la preparazione dei catecumeni al battesimo (nel primo secolo cristiano i battesimi erano quasi tutti di persone adulte). Da essa possiamo trarre un’immagine molto viva dello spirito e dell’organizzazione della comunità cristiana primitiva.

Per quanto riguarda l’autore, il suo nome e la sua nazionalità ci sono sconosciuti. Secondo alcuni studiosi, la Didachè sarebbe un’opera compilativa, in cui la prima sezione è di chiara redazione giudaica, e le parti successive descrivono l’antica liturgia cristiana e la vita delle primitive comunità cristiane. Secondo altri sarebbe stata redatta da un cristiano convertitosi dal giudaismo: infatti i giorni della settimana vengono computati al modo ebraico e nello scrivere in greco vengono usati molti ebraismi.

La Didachè era tenuta in grande considerazione dalle prime generazioni cristiane ed è citata da Erma nel Pastore, da Clemente Alessandrino, da Origene, da Eusebio, da Atanasio. Nella seconda metà del IV sec. essa fu incorporata nelle cosiddette Costituzioni Apostoliche. Forse proprio per la sua inclusione ed assimilazione in opere di tanto valore, la Didachè finì col perdere la grande notorietà che aveva nei primi secoli e dopo il XII sec. di essa non si hanno più tracce. Nel 1873 ne venne scoperta per caso una copia in un codice greco di Costantinopoli risalente all’anno 1056 dal Metropolita Filoteo Bryennios ed in seguito ne furono trovati larghi frammenti in papiri del IV sec., nonché una versione in georgiano fatta sul testo greco nell’anno 430 da un vescovo di nome Geremia. Sulla scorta di tutti questi preziosi documenti, possiamo oggi avere la sicurezza di leggere la Didachè nel suo testo originale.

 


La Didachè

 

CAPITOLO 1

1. Due sono le vie, una della vita e una della morte, e la differenza è grande fra queste due vie.

2. Ora questa è la via della vita: innanzi tutto amerai Dio che ti ha creato, poi il tuo prossimo come te stesso; e tutto quello che non vorresti fosse fatto a te, anche tu non farlo agli altri.

3. Ecco pertanto l’insegnamento che deriva da queste parole: benedite coloro che vi maledicono e pregate per i vostri nemici; digiunate per quelli che vi perseguitano; perché qual merito avete se amate quelli che vi amano? Forse che gli stessi gentili non fanno altrettanto? Voi invece amate quelli che vi odiano e non avrete nemici.

4. Astieniti dai desideri della carne. Se uno ti dà uno schiaffo sulla guancia destra, tu porgigli anche l’altra e sarai perfetto; se uno ti costringe ad accompagnarlo per un miglio, tu prosegui con lui per due. Se uno porta via il tuo mantello, dagli anche la tunica. Se uno ti prende ciò che è tuo, non ridomandarlo, perché non ne hai la facoltà.

5. A chiunque ti chiede, da’ senza pretendere la restituzione, perché il Padre vuole che tutti siano fatti partecipi dei suoi doni. Beato colui che dà secondo il comandamento, perché è irreprensibile. Stia in guardia colui che riceve, perché se uno riceve per bisogno sarà senza colpa, ma se non ha bisogno dovrà rendere conto del motivo e dello scopo per cui ha ricevuto. Trattenuto in carcere, dovrà rispondere delle proprie azioni e non sarà liberato di lì fino a quando non avrà restituito fino all’ultimo centesimo.

6. E a questo riguardo è pure stato detto: “Si bagni di sudore l’elemosina nelle tue mani, finché tu sappia a chi la devi fare”.

 

CAPITOLO 2

1. Secondo precetto della dottrina:

2. Non ucciderai, non commetterai adulterio, non corromperai fanciulli, non fornicherai, non ruberai, non praticherai la magia, non userai veleni, non farai morire il figlio per aborto né lo ucciderai appena nato; non desidererai le cose del tuo prossimo.

3. Non sarai spergiuro, non dirai falsa testimonianza, non sarai maldicente, non serberai rancore.

4. Non avrai doppiezza né di pensieri né di parole, perché la doppiezza nel parlare è un’insidia di morte.

5. La tua parola non sarà menzognera né vana, ma confermata dall’azione.

6. Non sarai avaro, né rapace, né ipocrita, né maligno, né superbo; non mediterai cattivi propositi contro il tuo prossimo.

7. Non odierai alcun uomo, ma riprenderai gli uni; per altri, invece, pregherai; altri li amerai più dell’anima tua.

 

CAPITOLO 3

1. Figlio mio, fuggi da ogni male e da tutto ciò che ne ha l’apparenza.

2. Non essere iracondo, perché l’ira conduce all’omicidio, non essere geloso né litigioso né violento, perché da tutte queste cose hanno origine gli omicidi.

3. Figlio mio, non abbandonarti alla concupiscenza, perché essa conduce alla fornicazione; non fare discorsi osceni e non essere immodesto negli sguardi, perché da tutte queste cose hanno origine gli adultèri.

4. Non prendere auspici dal volo degli uccelli, perché ciò conduce all’idolatria; non fare incantesimi, non darti all’astrologia né alle purificazioni superstiziose, ed evita di voler vedere e sentire parlare di simili cose, perché da tutti questi atti ha origine l’idolatria.

5. Figlio mio, non essere bugiardo, perché la menzogna conduce al furto; né avido di ricchezza, né vanaglorioso, perché da tutte queste cose hanno origine i furti.

6 Figlio mio, non essere mormoratore, perché ciò conduce alla diffamazione; non essere insolente, né malevolo, perché da tutte queste cose hanno origine le diffamazioni.

7. Sii invece mansueto, perché i mansueti erediteranno la terra.

8. Sii magnanimo, misericordioso, senza malizia, pacifico, buono e sempre timoroso per le parole che hai udito.

9. Non esalterai te stesso, non infonderai troppo ardire nel tuo animo; né l’animo tuo si accompagnerà con i superbi, ma andrà insieme ai giusti e agli umili.

10. Tutte le cose che ti accadono accoglile come dei beni, sapendo che nulla avviene senza la partecipazione di Dio.

 

CAPITOLO 4

1. O figlio, ti ricorderai notte e giorno di colui che ti predica le parole di Dio e lo onorerai come il Signore, perché là donde è predicata la (sua) sovranità, è il Signore.

2. Cercherai poi ogni giorno la presenza dei santi, per trovare riposo nelle loro parole.

3. Non sarai causa di discordia, ma cercherai invece di mettere pace tra i contendenti; giudicherai secondo giustizia e non farai distinzione di persona nel correggere i falli.

4. Non starai in dubbio se (una cosa) avverrà o no.

5. Non accada che tu tenda le mani per ricevere e le stringa nel dare.

6. Se grazie al lavoro delle tue mani possiedi (qualche cosa), donerai in espiazione dei tuoi peccati.

7. Darai senza incertezza, e nel dare non ti lagnerai; conoscerai, infatti, chi è colui che dà una buona ricompensa.

8. Non respingerai il bisognoso, ma farai parte di ogni cosa al tuo fratello e non dirai che è roba tua. Infatti, se partecipate in comune ai beni dell’immortalità, quanto più non dovete farlo per quelli caduchi?

9. Non ritirerai la tua mano di sopra al tuo figlio o alla tua figlia, ma sin dalla tenera età insegnerai loro il timor di Dio.

10. Al tuo servo e alla tua serva che sperano nel medesimo Dio non darai ordini nei momenti di collera, affinché non perdano il timore di Dio, che sta sopra gli uni e gli altri. Perché egli non viene a chiamarci secondo la dignità delle persone, ma viene a coloro che lo Spirito ha preparato.

11. Ma voi, o servi, siate soggetti ai vostri padroni come a una immagine di Dio, con rispetto e timore.

12. Odierai ogni ipocrisia e tutto ciò che dispiace al Signore.

13. Non trascurerai i precetti del Signore, ma osserverai quelli che hai ricevuto senza aggiungere o togliere nulla.

14. Nell’adunanza confesserai i tuoi peccati e non incomincerai mai la tua preghiera in cattiva coscienza. Questa è la via della vita.

 

CAPITOLO 5

1. La via della morte invece è questa: prima di tutto essa è maligna e piena di maledizione: omicidi, adultèri, concupiscenze, fornicazioni, furti, idolatrie, sortilegi, venefici, rapine, false testimonianze, ipocrisie, doppiezza di cuore, frode, superbia, malizia, arroganza, avarizia, turpiloquio, invidia, insolenza, orgoglio, ostentazione, spavalderia.

2. Persecutori dei buoni, odiatori della verità, amanti della menzogna, che non conoscono la ricompensa della giustizia, che non si attengono al bene né alla giusta causa, che sono vigilanti non per il bene ma per il male; dai quali è lontana la mansuetudine e la pazienza, che amano la vanità, che vanno a caccia della ricompensa, non hanno pietà del povero, non soffrono con chi soffre, non riconoscono il loro creatore, uccisori dei figli, che sopprimono con l’aborto una creatura di Dio, respingono il bisognoso, opprimono i miseri, avvocati dei ricchi, giudici ingiusti dei poveri, pieni di ogni peccato. Guardatevi, o figli, da tutte queste colpe.

 

CAPITOLO 6

1. Guarda che alcuno non ti distolga da questa via della dottrina, perché egli ti insegna fuori (della volontà) di Dio.

2. Se infatti puoi sostenere interamente il giogo del Signore, sarai perfetto; se non puoi fa’ almeno quello che puoi.

3. E riguardo al cibo, cerca di sopportare tutto quello che puoi, ma comunque astieniti nel modo più assoluto dalle carni immolate agli idoli, perché (il mangiarne) è culto di divinità morte.

 

CAPITOLO 7

1. Riguardo al battesimo, battezzate così: avendo in precedenza esposto tutti questi precetti, battezzate nel nome del Padre, del Figlio e dello Spirito Santo in acqua viva.

2. Se non hai acqua viva, battezza in altra acqua; se non puoi nella fredda, battezza nella calda.

3. Se poi ti mancano entrambe, versa sul capo tre volte l’acqua in nome del Padre, del Figlio e dello Spirito Santo.

4. E prima del battesimo digiunino il battezzante, il battezzando e, se possono, alcuni altri. Prescriverai però che il battezzando digiuni sin da uno o due giorni prima.

 

CAPITOLO 8

1. I vostri digiuni, poi, non siano fatti contemporaneamente a quelli degli ipocriti; essi infatti digiunano il secondo e il quinto giorno della settimana, voi invece digiunate il quarto e il giorno della preparazione.

2. E neppure pregate come gli ipocriti, ma come comandò il Signore nel suo vangelo, così pregate: Padre nostro che sei nel cielo, sia santificato il tuo nome, venga il tuo regno, sia fatta la tua volontà, come in cielo così in terra. Dacci oggi il nostro pane quotidiano, e rimetti a noi il nostro debito, come anche noi lo rimettiamo ai nostri debitori, e non ci indurre in tentazione, ma liberaci dal male; perché tua è la potenza e la gloria nei secoli.

3. Pregate così tre volte al giorno.

 

CAPITOLO 9

1. Riguardo all’eucaristia, così rendete grazie:

2. dapprima per il calice: Noi ti rendiamo grazie, Padre nostro, per la santa vite di David tuo servo, che ci hai rivelato per mezzo di Gesù tuo servo. A te gloria nei secoli.

3. Poi per il pane spezzato: Ti rendiamo grazie, Padre nostro, per la vita e la conoscenza che ci hai rivelato per mezzo di Gesù tuo servo. A te gloria nei secoli.

4. Nel modo in cui questo pane spezzato era sparso qua e là sopra i colli e raccolto divenne una sola cosa, così si raccolga la tua Chiesa nel tuo regno dai confini della terra; perché tua è la gloria e la potenza, per Gesù Cristo nei secoli.

5. Nessuno però mangi né beva della vostra eucaristia se non i battezzati nel nome del Signore, perché anche riguardo a ciò il Signore ha detto: “Non date ciò che è santo ai cani”.

 

CAPITOLO 10

1. Dopo che vi sarete saziati, così rendete grazie:

2. Ti rendiamo grazie, Padre santo, per il tuo santo nome che hai fatto abitare nei nostri cuori, e per la conoscenza, la fede e l’immortalità che ci hai rivelato per mezzo di Gesù tuo servo. A te gloria nei secoli.

3. Tu, Signore onnipotente, hai creato ogni cosa a gloria del tuo nome; hai dato agli uomini cibo e bevanda a loro conforto, affinché ti rendano grazie; ma a noi hai donato un cibo e una bevanda spirituali e la vita eterna per mezzo del tuo servo.

4. Soprattutto ti rendiamo grazie perché sei potente. A te gloria nei secoli.

5. Ricordati, Signore, della tua chiesa, di preservarla da ogni male e di renderla perfetta nel tuo amore; santificata, raccoglila dai quattro venti nel tuo regno che per lei preparasti. Perché tua è la potenza e la gloria nei secoli.

6. Venga la grazia e passi questo mondo. Osanna alla casa di David. Chi è santo si avanzi, chi non lo è si penta. Maranatha. Amen.

7. Ai profeti, però, permettete di rendere grazie a loro piacimento.

 

CAPITOLO 11

1. Ora, se qualcuno venisse a insegnarvi tutte le cose sopra dette, accoglietelo;

2. ma se lo stesso maestro, pervertito, vi insegnasse un’altra dottrina allo scopo di demolire, non lo ascoltate; se invece (vi insegna) per accrescere la giustizia e la conoscenza del Signore, accoglietelo come il Signore.

3. Riguardo agli apostoli e ai profeti, comportatevi secondo il precetto del Vangelo.

4. Ogni apostolo che venga presso di voi sia accolto come il Signore.

5. Però dovrà trattenersi un giorno solo; se ve ne fosse bisogno anche un secondo; ma se si fermasse tre giorni, egli è un falso profeta.

6. Partendo, poi, l’apostolo non prenda per sé nulla se non il pane (sufficiente) fino al luogo dove alloggerà; se invece chiede denaro, è un falso profeta.

7. E non metterete alla prova né giudicherete ogni profeta che parla per ispirazione, perché qualunque peccato sarà perdonato, ma questo peccato non sarà perdonato.

8. Non tutti, però, quelli che parlano per ispirazione sono profeti, ma solo coloro che praticano i costumi del Signore. Dai costumi, dunque, si distingueranno il falso profeta e il profeta.

9. Ogni profeta che per ispirazione abbia fatto imbandire una mensa eviterà di prendere cibo da essa, altrimenti è un falso profeta.

10. Ogni profeta, poi, che insegna la verità, se non mette in pratica i precetti che insegna, è un falso profeta.

11. Ogni profeta provato come veritiero, che opera per il mistero terrestre della chiesa, ma che tuttavia non insegna che si debbano fare quelle cose che egli fa, non sarà da voi giudicato, perché ha il giudizio da parte di Dio; allo stesso modo, infatti, si comportarono anche gli antichi profeti.

12. Se qualcuno dicesse per ispirazione: dammi del denaro o qualche altra cosa, non gli darete ascolto; ma se dicesse di dare per altri che hanno bisogno, nessuno lo giudichi.

 

CAPITOLO 12

1. Chiunque, poi, viene nel nome del Signore, sia accolto. In seguito, dopo averlo messo alla prova, lo potrete conoscere, poiché avrete senno quanto alla destra e alla sinistra.

2. Ma se colui che giunge è di passaggio, aiutatelo secondo le vostre possibilità; non dovrà però rimanere presso di voi che due o tre giorni, se ce ne fosse bisogno.

3. Nel caso che volesse stabilirsi presso di voi e che esercitasse un mestiere, lavori e mangi.

4. Se invece non ha alcun mestiere, con il vostro buon senso cercate di vedere come possa un cristiano vivere tra voi senza stare in ozio.

5. Se non vuole comportarsi in questo modo, è uno che fa commercio di Cristo. Guardatevi da gente simile.

 

CAPITOLO 13

1. Ogni vero profeta che vuole stabilirsi presso di voi è degno del suo nutrimento.

2. Così pure il vero dottore è degno, come l’operaio, del suo nutrimento.

3. Prenderai perciò le primizie di tutti i prodotti del torchio e della messe, dei buoi e delle pecore e le darai ai profeti, perché essi sono i vostri Sommi Sacerdoti.

4. Se però non avete un profeta, date ai poveri.

5. Se fai il pane, prendi la primizia e dà secondo il precetto.

6. E così, se apri un’anfora di vino o di olio, prendi le primizie e dalle ai profeti.

7. Del denaro, del vestiario e di tutto quello che possiedi, prendi poi le primizie come ti sembra più opportuno e dà secondo il precetto.

 

CAPITOLO 14

1. Nel giorno del Signore, riuniti, spezzate il pane e rendete grazie dopo aver confessato i vostri peccati, affinché il vostro sacrificio sia puro.

2. Ma tutti quelli che hanno qualche discordia con il loro compagno, non si uniscano a voi prima di essersi riconciliati, affinché il vostro sacrificio non sia profanato.

3. Questo è infatti il sacrificio di cui il Signore ha detto: “In ogni luogo e in ogni tempo offritemi un sacrificio puro, perché un re grande sono io – dice il Signore – e mirabile è il mio nome fra le genti”.

 

CAPITOLO 15

1. Eleggetevi quindi episcopi e diaconi degni del Signore, uomini miti, disinteressati, veraci e sicuri; infatti anch’essi compiono per voi lo stesso ministero dei profeti e dei dottori.

2. Perciò non guardateli con superbia, perché essi, insieme ai profeti e ai dottori, sono tra voi ragguardevoli.

3. Correggetevi a vicenda, non nell’ira ma nella pace, come avete nel vangelo. A chiunque abbia offeso il prossimo nessuno parli: non abbia ad ascoltare neppure una parola da voi finché non si sia ravveduto.

4. E fate le vostre preghiere, le elemosine e tutte le vostre azioni così come avete nel vangelo del Signore nostro.

 

CAPITOLO 16

1. Vigilate sulla vostra vita. Non spegnete le vostre fiaccole e non sciogliete le cinture dai vostri fianchi, ma state preparati perché non sapete l’ora in cui il nostro Signore viene.

2. Vi radunerete di frequente per ricercare ciò che si conviene alle anime vostre, perché non vi gioverà tutto il tempo della vostra fede se non sarete perfetti nell’ultimo istante.

3. Infatti negli ultimi giorni si moltiplicheranno i falsi profeti e i corruttori, e le pecore si muteranno in lupi, e la carità si muterà in odio;

4. finché, crescendo l’iniquità, si odieranno l’un l’altro, si perseguiteranno e si tradiranno, e allora il seduttore del mondo apparirà come figlio di Dio e opererà miracoli e prodigi, e la terra sarà consegnata nelle sue mani, e compirà iniquità quali non avvennero mai dal principio del tempo.

5. E allora la stirpe degli uomini andrà verso il fuoco della prova, e molti saranno scandalizzati e periranno; ma coloro che avranno perseverato nella loro fede saranno salvati da quel giudizio di maledizione.

6. E allora appariranno i segni della verità: primo segno l’apertura nel cielo, quindi il segno del suono di tuba e terzo la resurrezione dei morti;

7. non di tutti, però, ma, come fu detto: “Verrà il Signore e tutti i santi con lui. Allora il mondo vedrà il Signore venire sopra le nubi del cielo.”

 

 

 

Profezie per il Terzo Millennio – Giugno 2005


 

Ritorna alla pagina principale

 

 34214 visite in Aprile 

&amp;lt;img src=”http://www.profezie3m.it/ptmstats/php-stats.php&#8221; border=”0″ alt=””&amp;gt;<span id=”mce_marker” data-mce-type=”bookmark”>​</span>

Consecratie of een Bisschopswijding in de Orthodoxe Kerk:

Consecratie of een Bisschopswijding in de Orthodoxe Kerk:

een bisschop wordt in de Orthodoxe Kerk niet alleen gewijdt, maar ook geheiligd door tijdens zijn wijding het heilige Evangelieboek op zijn hoofd wordt gelegd tezamen met de handoplegging van zijn mede bisschoppen [en de patriarch] > zie bijlagen

 1+2: Bij de oplegging van de Hl. Evangelieboek wordt deze priester een bisschop:

Het Evangelieboek is geopend op de laatste bladzijde van het Evangelie van Apostel Johannes, waarin Christus drie keer aan de Apostel Petrus vroeg: “Hebt ge Mij meer lief dan dezen?” en “Weid Mijn lammeren”.

> Hier zweert de nieuw gewijde bisschop dat hij Zijn lammeren altijd zal weiden als een goede herder, omdat hij Christus lief heeft, meer dan de anderen.

Hij knielt voor het altaar, dat wil zeggen voor Christus Zelf, [dit in tegenstelling tot bij andere kerk denominatie, waar de gewijden voor een ander bisschop knielt]; hier bijgestaan door zijn mede broeders [= de bisschoppen], symboliseert de collegialiteit van zijn mede broeders.

Door de oplegging van de Hl. Evangelieboek krijgt hij de volheid en de waarheid van het Evangelie van Christus en het is meteen zijn eerste opdracht om het Evangelie aan zijn bisdom te verkondigen.

Door de handoplegging van zijn mede bisschoppen getuigen zijn mede broeders in het ambt [= de bisschoppen] dat hij voortaan als hun medebroeders opgenomen is in het heilige ambt.

> Het symboliseert ook de ‘katholiciteit’ van de Kerk van Christus [= d.w.z. dat ieder bisschop verbonden zijn/ in communio met elkaar in geloof en liefde].

> Het symboliseert ook de continuiteit van de ‘Apostoliciteit’ binnen de Kerk van Christus [= dat de bisschoppen in verbinding staan in geloof en Traditie met de Apostelen van Christus].

 

3+4: Hij wordt daarna door de senior bisschop [in dit geval de patriarch] aangekleedt met zijn bisschoppelijke kleding en mijter, terwijl het hele kerkvolk getuigt hiervan en bij iedere handelingen bevestigd het kerkvolk met antwoord: driemaal ‘Axios’; betekent: ‘hij is waardig’!

 

5: tot slot geeft de nieuwe bisschop zijn eerste zegen, ten overstaan van het hele kerkvolk.

Dit is een heilige Traditie die de Kerk sedert haar stichting door de eeuwen heen heeft doorgegeven.

Een onschatbaar erfdeel voor ons allen!

 

Sincerely yours / met vriendelijke groet; Hadrian H. LIEM The Netherlands / Pays-Bas

akathist tot de Moeder Gods in het FRANS

Acathiste à la Mère de Dieu

 

 

Un « acathiste » est une hymne que l’on écoute debout. L’Acathiste à la Mère de Dieu, le premier et le plus connu des acathistes, est typiquement célébré aux matines du samedi de la cinquième semaine du grand Carême. Chez les Grecs, les stances de l’acathiste sont distribuées sur les quatre premiers vendredis de Carême. L’acathiste doit son origine au siège de Constantinople en 626, lorsque le patriarche Serge, en l’absence de l’empereur Héraclius, organisa la défense de la cité et consacra la ville à la Mère De Dieu. Le contexte historique est présenté en plus de détail à la page Fêtes et icônes de la Mère de Dieu.

 

Un ange, parmi ceux qui se tiennent devant la Gloire du Seigneur, fut envoyé dire à la Mère de Dieu : ” Réjouis-toi ! Il incline les cieux et descend, Celui qui vient demeurer en toi dans toute sa plénitude. Je le vois dans ton sein prendre chair à ma salutation ! ” Avec allégresse, l’ange l’acclame :

Réjouis-toi en qui resplendit la joie du Salut
Réjouis-toi en qui s’éteint la sombre malédiction
Réjouis-toi en qui Adam est relevé de sa chute
Réjouis-toi en qui Ève est libérée de ses larmes

Réjouis-toi Montagne dont la hauteur
dépasse la pensée des hommes
Réjouis-toi Abîme à la profondeur insondable même aux anges
Réjouis-toi tu deviens le Trône du Roi
Réjouis-toi tu portes en ton sein Celui qui porte tout

Réjouis-toi Étoile qui annonce le Lever du Soleil
Réjouis-toi tu accueilles en ta chair ton enfant et ton Dieu
Réjouis-toi tu es la première de la Création Nouvelle
Réjouis-toi en toi nous adorons l’Artisan de l’univers

Réjouis-toi Épouse inépousée !

La Toute-Sainte répondit à l’ange Gabriel avec confiance : ” Voilà une parole inattendue, qui paraît incompréhensible à mon âme, car tu m’annonces que je vais enfanter, moi qui suis vierge. “

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Pour comprendre ce mystère qui dépasse toute connaissance, la Vierge dit au Serviteur de Dieu : ” Comment, dis-moi, me sera-t-il passible de donner naissance à un fils alors que je ne connais pas d’homme ? ” Plein de respect, l’ange l’acclame :

Réjouis-toi tu nous ouvres au secret du Dessein de Dieu
Réjouis-toi tu nous mènes à la confiance dans le silence
Réjouis-toi tu es la première des merveilles du Christ Sauveur
Réjouis-toi tu récapitules la richesse de sa Parole

Réjouis-toi Échelle en qui Dieu descend sur la terre
Réjouis-toi Pont qui unit la terre au ciel
Réjouis-toi Merveille inépuisable pour les anges
Réjouis-roi Blessure inguérissable pour l’adversaire

Réjouis-roi ineffable Mère de la Lumière
Réjouis-toi tu as gardé en ton coeur le Mystère
Réjouis-toi en qui est dépassé le savoir des savants
Réjouis-toi en qui est illuminée la foi des croyants

Réjouis-toi Épouse inépousée !

La puissance du Très-Haut reposa sur l’Inépousée et comme un jardin au beau fruit, elle porta le Salut pour tous ceux qui désirent le cueillir.

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Portant le Seigneur dans son sein, Marie partit en hâte chez Élisabeth. Lorsqu’il reconnut la salutation de Marie, l’enfant se réjouit aussitôt, bondissant d’allégresse comme pour chanter à la Mère de Dieu :

Réjouis-toi Jeune pousse au Bourgeon immortel
Réjouis-toi Jardin au Fruit qui donne Vie
Réjouis-toi en qui a germé le Seigneur notre Ami
Réjouis-toi tu as conçu le Semeur de notre vie

Réjouis-toi Champ où germe la Miséricorde en abondance
Réjouis-toi Table qui offre la Réconciliation en plénitude
Réjouis-toi tu prépares l’Espérance du Peuple en marche
Réjouis-toi tu fais jaillir la Nourriture d’Éternité

Réjouis-roi Parfum d’une offrande qui plaît à Dieu
Réjouis-toi en qui tout l’univers est réconcilié
Réjouis-toi Lieu de la bienveillance de Dieu pour les pécheurs
Réjouis-toi notre assurance auprès de Dieu

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Joseph le Sage se troubla, secoué par une tempête de pensées contradictoires. Il te vit inépousée et te soupçonna d’un amour caché, toi l’Irréprochable. Mais, apprenant que ce qui avait été engendré en toi venait de l’Esprit-Saint, il s’écria :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Quand les bergers entendirent les anges chanter la venue du Christ en notre chair, ils ont couru contempler leur Pasteur reposant sur le sein de Marie en Agneau Immaculé. Ils exultèrent en chantant :

Réjouis-toi Mère de l’Agneau et du Pasteur
Réjouis-toi Maison des brebis rassemblées
Réjouis-toi Protection contre le loup qui disperse
Réjouis-toi en ta chair s’ouvre la Porte qui conduit au Père

Réjouis-toi en qui les cieux se réjouissent avec la terre
Réjouis-toi en qui la terre exulte avec les cieux
Réjouis-toi tu donnes l’assurance à la parole des Apôtres
Réjouis-toi tu donnes la force au témoignage des Martyrs

Réjouis-toi inébranlable soutien de notre foi
Réjouis-toi tu sais la splendeur de la grâce
Réjouis-toi en qui l’Enfer est dépouillé
Réjouis-toi en qui nous sommes revêtus de gloire

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Les Mages ont vu l’astre qui conduit à Dieu. Marchant à sa clarté comme on saisit un flambeau, ils ont trouvé la Lumière véritable. Tout proches de Celui que personne n’a jamais vu, ils acclament sa Mère :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Ceux qui savent lire les signes des astres ont reconnu dans les bras de la Vierge le Créateur des hommes ; dans les traits de Celui qui a pris condition d’esclave ils ont adoré leur Maître. Avec empressement ils l’honorèrent de leurs présents en chantant à la Toute-Bénie :

Réjouis-toi Mère de l’Astre sans déclin
Réjouis-toi Reflet de la clarté de Dieu
Réjouis-toi en qui s’éteint la brûlure du mensonge
Réjouis-toi en qui s’illumine pour nous la Trinité d’Amour

Réjouis-toi en qui l’inhumaine puissance est défaite
Réjouis-toi tu nous montres le Christ Seigneur Ami des hommes
Réjouis-toi en qui les idoles païennes sont renversées
Réjouis-toi tu nous donnes d’être libérés des oeuvres mauvaises

Réjouis-toi en qui s’éteint l’idolâtrie du feu païen
Réjouis-toi en qui nous sommes affranchis du feu des passions
Réjouis-toi tu conduis les croyants vers le Christ Sagesse
Réjouis-toi Allégresse de toutes les générations

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Les Mages s’en retournèrent à Babylone en témoins, porteurs de Dieu. Là ils annoncèrent la Bonne Nouvelle et accomplirent les Écritures en te proclamant devant tous comme Messie. Hérode resta seul, livré à sa sottise, incapable d’entrer dans la louange :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Ô Sauveur, tu as porté en Égypte l’éclat de la vérité et tu en as chassé les ténèbres du mensonge. Les idoles du pays de l’esclavage se sont placées sous ta puissance et ceux que tu as ainsi délivrés du péché se tournent vers la Mère de Dieu pour lui chanter :

Réjouis-toi en qui l’homme est relevé
Réjouis-toi en qui les démons sont défaits
Réjouis-toi tu foules au pied le maître du mensonge
Réjouis-toi tu démasques le piège des idoles

Réjouis-toi Mer où trouve sa perte 1e Pharaon
qui se tient dans l’esclavage du péché
Réjouis-toi Rocher d’où jaillit la Source
qui abreuve les assoiffés
Réjouis-toi Colonne du Feu
qui illumine notre marche dans la nuit
Réjouis-toi Manteau aussi vaste
que 1a Nuée pour ceux qui sont sans recours

Réjouis-toi tu portes le vrai Pain du ciel
qui remplace la manne
Réjouis-toi Servante du Festin
où nous avons part aux réalités du ciel
Réjouis-toi Belle terre de la foi où s’accomplit la Promesse
Réjouis-toi Pays ruisselant de lait et de miel

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Lorsque Siméon fut au seuil de la mort, Seigneur, tu lui fus présenté comme un enfant mais il reconnut en toi la perfection de la Divinité. Plein d’admiration pour ton Être qui n’a pas de fin, il chanta :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Le Créateur a fait une Oeuvre Nouvelle lorsqu’il se rendit visible à nos yeux. Il a pris chair dans le sein d’une vierge en la gardant dans son intégrité, pour qu’à la vue de cette merveille nous chantions :

Réjouis-toi Fleur de l’Être inaltérable de Dieu
Réjouis-toi Couronne de son amour virginal
Réjouis-toi Figure qui resplendit
de la Résurrection du Seigneur
Réjouis-toi tu partages avec les anges la clarté du Royaume

Réjouis-toi Arbre dont le Fruit splendide nourrit les croyants
Réjouis-toi Feuillage dont l’ombre procure
la fraîcheur aux multitudes
Réjouis-toi tu enfantes la rançon des captifs
Réjouis-toi tu portes dans ta chair le Guide des égarés

Réjouis-toi notre Avocate auprès du Juge juste et bon
Réjouis-roi en qui arrive le pardon pour la multitude
Réjouis-toi Tunique d’espérance pour ceux qui sont nus
Réjouis-toi Amour plus fort que tout désir

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Quand nous contemplons cet enfantement inhabituel nous devenons étrangers à notre monde habituel et notre esprit se tourne vers les réalités d’en haut. Car le Très-Haut s’est révélé aux hommes dans l’abaissement pour élever ceux qui croient en lui.

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Le Verbe que rien ne contient a pris chair dans notre condition humaine sans cesser d’être Dieu. En venant habiter le monde d’en-bas, il n’a pas quitté pour autant les réalités d’en-haut, mais il est descendu tout entier dans le sein d’une Vierge qu’il a habitée de sa divinité :

Réjouis-toi Temple du Dieu de toute immensité
Réjouis-toi Porche du Mystère enfoui depuis les siècles
Réjouis-toi incroyable nouvelle pour les incroyants
Réjouis-toi Bonne Nouvelle pour les croyants

Réjouis-toi Vaisseau choisi où vient à nous
Celui qui surpasse les Chérubins
Réjouis-toi Demeure très sainte de Celui
qui siège au-dessus des Séraphins
Réjouis-toi en qui les contraires sont conduits vers l’Unité
Réjouis-toi en qui se joignent la virginité et la maternité

Réjouis-toi en qui la transgression reçoit le pardon
Réjouis-toi en qui le Paradis s’ouvre à nouveau
Réjouis-toi Clef du Royaume du Christ
Réjouis-toi Espérance des biens éternels

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Tous les anges du ciel ont été frappés de stupeur devant la prodigieuse oeuvre de ton Incarnation, Seigneur, car toi le Dieu que nul n’a jamais vu, tu t’es rendu visible à tous et tu as demeuré parmi nous. Tous nous t’acclamons :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Devant toi, ô Mère de Dieu, les orateurs bavards sont muets comme des poissons, incapables de dire comment tu as pu enfanter et demeurer vierge. Remplis d’étonnement, nous contemplons en toi le Mystère de la Foi :

Réjouis-toi Trône de la sagesse éternelle
Réjouis-toi Écrin du dessein bienveillant de Dieu
Réjouis-toi tu conduis les philosophes
aux limites de leur sagesse
Réjouis-toi tu mènes les savants aux frontières du raisonnement

Réjouis-toi devant qui les esprits subtils deviennent hésitants
Réjouis-toi devant qui les littérateurs perdent leurs mots
Réjouis-toi devant qui se défont
les raisonnements les plus serrés
Réjouis-toi car tu montres Celui
dont la Parole agit avec puissance

Réjouis-toi en qui nous sommes tirés de l’abîme de l’ignorance
Réjouis-toi en qui nous accédons à la plénitude
du Mystère de Dieu
Réjouis-toi Planche de salut pour ceux
qui aspirent à la pleine vie
Réjouis-toi Havre de paix pour ceux
qui se débattent dans les remous de leur vie

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Dans sa volonté de sauver toute sa création, le Créateur de l’univers a choisi d’y venir lui-même. Pour refaire en nous son image à sa ressemblance divine, il est devenu l’Agneau, lui notre Dieu et notre Pasteur.

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

En toi Vierge Marie, Mère de Dieu, trouvent refuge ceux qui ont fait choix de virginité et qui se tournent vers toi. Car le Créateur du ciel et de la terre t’a façonnée, ô Immaculée, en venant demeurer dans ton sein. Tous, il nous apprend à t’acclamer :

Réjouis-toi Mémorial de 1a virginité
Réjouis-toi Porte du Salut
Réjouis-toi premier fruit du Royaume Nouveau
Réjouis-toi en qui resplendit la merveille du don gratuit

Réjouis-toi en qui sont régénérés les esprits accablés
Réjouis-toi en qui sont fortifiés ceux que leur passé a blessé
Réjouis-toi car tu enfantes Celui qui nous délivre du Séducteur
Réjouis-toi car tu nous donnes la Source de la chasteté

Réjouis-toi Chambre nuptiale où Dieu épouse notre humanité
Réjouis-toi tu confies au Dieu d’amour
ceux qui se donnent à lui
Réjouis-toi Nourriture du Seigneur pour ceux
qui ont pris le chemin de virginité
Réjouis-toi tu conduis les croyants à l’intimité avec l’Époux

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Toutes nos hymnes de louange sont impuissantes à chanter, Seigneur, la profusion de ta miséricorde infinie. Seraient-elles aussi nombreuses que le sable de la mer, jamais elles ne parviendraient à égaler la richesse du don que tu nous as fait.

Alléluia, alléluia,, alléluia !

 

Nous contemplons dans la Vierge sainte le flambeau qui a porté la Lumière dans les ténèbres. Embrasée par la flamme du Verbe de Dieu qu’elle accueille dans sa chair, elle conduit tout homme à la connaissance de Dieu, illuminant l’intelligence de sa Splendeur. Joyeusement nous l’acclamons :

Réjouis-toi Aurore du Soleil levant
Réjouis-toi Flambeau qui porte la Lumière véritable
Réjouis-toi Éclat de Celui qui illumine notre coeur
Réjouis-toi devant toi l’Ennemi est frappé de terreur

Réjouis-toi Porte de la Lumière étincelante
Réjouis-toi Source d’une Eau jaillissant en Vie éternelle
Réjouis-toi Image vivante de la piscine du baptême
Réjouis-toi en qui nous sommes lavés de la souillure du péché

Réjouis-toi Bassin où nous est donné un esprit renouvelé
Réjouis-toi Coupe où nous puisons la Joie
Réjouis-toi en qui nous respirons le parfum du Christ
Réjouis-toi Source intarissable d’allégresse

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Il a voulu faire grâce des anciennes dettes à tous les hommes. De lui-même il est venu habiter chez les siens, parmi ceux qui vivaient loin de sa Grâce et déchirant leurs billets de créance, il entendit de toutes les bouches sortir cette acclamation :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Nos voulons, ô Mère de Dieu, chanter ton enfantement, te louer comme le Temple vivant que le Seigneur a sanctifié et glorifié en demeurant dans ton sein, lui qui tient tout dans sa Main :

Réjouis-toi Tabernacle du Dieu vivant
Réjouis-toi Sanctuaire qui contient le Seul Saint
Réjouis-toi Arche de la Nouvelle Alliance dorée par l’Esprit
Réjouis-toi Trésor inépuisable de la Vie

Réjouis-toi Diadème de grand prix pour les gouvernants
Réjouis-toi Gloire vénérable des prêtres de Dieu
Réjouis-toi Solide Tour qui garde l’Église
Réjouis-toi Rempart inébranlable de la Cité

Réjouis-toi en qui surgit le Trophée de notre victoire
Réjouis-toi en qui sonne la déroute de notre Ennemi
Réjouis-toi Guérison de mon corps
Réjouis-toi Salut de mon âme

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Ô Mère bénie entre toutes, toi qui as enfanté le Verbe de Dieu, le Seul Saint, reçois l’offrande de notre prière. Garde-nous de tout malheur et de toute menace, nous qui te chantons d’un même coeur :

Alléluia, alléluia, alléluia !