Veertigdagentijd in de vroege kerk

borders (2) - kopie

Veertigdagentijd in de vroege kerk
Onder ‘Veertigdagentijd’ wordt een periode van boete en inkeer verstaan die voorafgaat aan het Paasfeest.

Naam
De term ‘Veertigdagentijd’ is afgeleid van het Latijnse ‘Quadragesima’. Evenals het Griekse Tessarakostê betekent dat woord ‘veertigste’ en duidde het aanvankelijk de dag aan waarop deze periode begon, maar het werd al vroeg gebruikt voor de hele voorbereidingstijd. We vinden de term in deze betekenis voor het eerst bij Hieronymus (in een brief uit 384/5) en in het pelgrimsverslag van Egeria (ca. 381-384). De Franse benaming ‘Carême’ en het Italiaanse ‘Quaresima’ zijn van het Latijnse woord afgeleid. Het Nederlandse ‘Vastentijd’ benadrukt evenals het Duitse ‘Fastenzeit’ één belangrijk aspect van de voorbereiding, terwijl het Engelse ‘(Great) Lent’ samenhangt met het seizoen waarin de periode (op het noordelijk halfrond) valt.

Het getal 40 is afkomstig uit de bijbelse symbooltaal, zoals we het in allerlei verhalen tegenkomen voor een periode van loutering, boete of ook voorbereiding op de ontmoeting met God: bij de zondvloed (Gen. 7: 4), Mozes’ verblijf op de Sinai (Ex. 24: 18), de tocht van de Israëlieten door de woestijn (Joz. 5: 6), de reis van Elia naar de Horeb (1 Kon. 19: 8), de tijd die de Ninevieten krijgen om zich te bekeren (Jona 3: 4), en vooral ook de periode van Jezus’ verzoeking in de woestijn (Marc. 1: 13 par.).

Ontstaan
Het Jodendom kende een korte tijd van vasten voorafgaande aan het Pascha. Toen de christenen zich van het Jodendom losmaakten en hun eigen Paasfeest gingen vieren, zullen zij met het feest ook het vasten hebben overgenomen. De periode van vasten werd echter uitgebreid. Eusebius citeert in zijn Kerkgeschiedenis (5.24) Irenaeus van Lyon, die zegt dat in de tweede eeuw sommigen één dag voor Pasen vasten, anderen twee, en weer anderen meerdere dagen. Volgens de Didachè (8.1; eerste helft tweede eeuw) vastten christenen wekelijks op woensdag en vrijdag, ter onderscheiding van de Joden, die op maandag en donderdag vastten. Nadat men Pasen als feest van de opstanding op de zondag was gaan vieren, was het een natuurlijke ontwikkeling dat het voorbereidende vasten niet alleen op de zaterdag maar ook op de vrijdag plaatsvond.

Maar zoals Irenaeus al betuigde, bleef het niet bij die twee dagen. Volgens de Didascalia apostolorum (eerste helft derde eeuw) moet men op vrijdag en zaterdag strikt vasten en op de vier daaraan voorafgaande dagen van de week voor Pasen licht. Het laatste betekent dat men op het negende uur brood, zout en water mocht nuttigen. En ook Dionysius, bisschop van Alexandrië (†264/5), noemt het gebruik om diverse dagen in de heilige week te vasten.

De eerste die schrijft over een periode van veertig dagen voor Pasen is Athanasius van Alexandrië (in zijn feestbrief voor 334), en in diezelfde eeuw wordt zo’n periode ook betuigd voor Klein-Azië en Jeruzalem. Het ziet ernaar uit dat begin vijfde eeuw Quadragesima een algemeen gebruik binnen de christelijke kerk is geworden.

Athanasius onderscheidt in zijn feestbrief de Veertigdagentijd nadrukkelijk van het paasvasten (nêsteia tou pascha) in de heilige week. Ook uit andere bronnen kan worden geconcludeerd dat de veertigdagentijd niet moet worden beschouwd als een verdere uitbreiding van het paasvasten, maar een eigen karakter van voorbereiding heeft. In de vierde eeuw werd het meer gebruikelijk om de doop in de paasnacht te laten plaatsvinden. Voor de catechumenen gold volgens Cyrillus van Jeruzalem een voorbereidingstijd van veertig dagen. Dat de hele gemeente zich met de Veertigdagentijd bij de catechumenen aansloot, zal een rol hebben gespeeld, maar het is niet aannemelijk dat dit de enige aanleiding is geweest. De eigenlijke achtergrond van Quadragesima is tot op heden niet opgehelderd.

Berekening
Zoals gezegd, moet het getal 40 in eerste instantie symbolisch worden verstaan. Dit komt ook tot uiting in de uiteenlopende wijzen waarop de veertig dagen voor Pasen werden (en worden) berekend. De begin- en einddata varieerden, maar ook speelde mee of men alleen de vastendagen meetelde of ook de dagen waarop niet werd gevast. De zondagen waren algemeen vrij van vasten. Maar in het Westen vastte men niet alleen op de laatste zaterdag voor Pasen, maar ook op de daaraan voorafgaande zaterdagen, en deze waren dan ook onderdeel van de veertig dagen. In het Oosten werd op zaterdag niet gevast.

Sommigen lieten Quadragesima eindigen op de donderdag voor Pasen, anderen op de zaterdag. In de huidige Oosters-Orthodoxe Kerk is de vrijdag voor Palmzondag de laatste dag van de Veertigdagentijd. Of die praktijk ook in de vroege kerk al voorkwam, is niet zeker. Afhankelijk van de berekening kon de voorbereidingsperiode zes, zeven of acht weken voor Pasen beginnen.

Socrates schrijft in zijn Kerkgeschiedenis (5.22) dat men in Rome drie weken voor Pasen vastte. Dit betreft waarschijnlijk de eerste helft van de vierde eeuw. Uit de al genoemde brief van Hieronymus (ep. 24.4) van 384/5 blijkt dat men in zijn tijd ook in Rome veertig dagen vastte. De periode begon op de zesde zondag voor Pasen en eindigde op de donderdag voor Pasen. Dit houdt in dat ook de zondagen meegeteld werden in de veertig dagen. Een latere ontwikkeling – waarschijnlijk vanaf het begin van de zesde eeuw – is dat men de zondagen niet langer meetelt. Om toch op een totaal van veertig dagen te komen begint de vastentijd dan op de woensdag vóór de zesde zondag, de huidige aswoensdag, en eindigt op de zaterdag voor Pasen. Dit is de gebruikelijke praktijk in het Westen geworden.

In de huidige Oosters-Orthodoxe Kerk begint de vastentijd op de zevende maandag voor Pasen en eindigt op de vrijdag voor Palmzondag. In de veertig dagen worden de zondagen dus meegeteld. De heilige week voor Pasen wordt echter als een aparte week van vasten beschouwd.

In zowel Oost als West heeft men later een voorvasten ingevoerd, een periode van enkele weken lichter vasten voorafgaand aan de Veertigdagentijd. In het Westen werden de drie zondagen in deze periode Septuagesima, Sexagesima en Quinquagesima genoemd. Na het Tweede Vaticaans Concilie is de voorvasten in de Rooms-Katholieke Kerk vervallen.

Inhoud
Vasten vormde vanaf het begin een belangrijk onderdeel van de voorbereiding op het Paasfeest. Aanvankelijk hield dat één maaltijd ’s avonds in, terwijl men gedurende de hele periode afzag van vlees en wijn. Vasten werd gezien als teken van boete, als ondersteuning van het gebed, als strijd tegen de demonen en als voorbereiding op het ontvangen van de Geest. Ook vormde vrijgevigheid een onderdeel van de voorbereiding: wat men uitspaarde door te vasten kon aan de armen worden gegeven.

Een tweede element van de Veertigdagentijd vormen de liturgische vieringen. De oudste Romeinse bronnen, uit de zesde en de zevende eeuw, geven een beeld van een praktijk die gedurende enkele eeuwen is ontwikkeld. Men gaat ervan uit dat er in de vierde/vijfde eeuw al liturgische aanwijzingen waren voor de zondagen en de traditionele vastendagen, de woens- en de vrijdagen. In de loop van de vijfde eeuw volgen dan de maan-, dins- en zaterdagen. Als laatste worden de donderdagen toegevoegd, in de achtste eeuw.

Andere elementen zijn van later datum, zoals het asritueel op aswoensdag, de hongerdoeken voor het altaar, de verhulling van het kruis, en roze als liturgische kleur op de zondag Laetare, de vierde zondag van de Veertigdagentijd.

(door Hans van Loon)

Auteur: orthodoxeinformatiebron

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s