zondag van het laatste oordeel

border 07.jpg

Derde zondag van de voorvasten.

Zondag van het Laatste Oordeel

 

laatste oordeel 50.jpg

 het laatste oordeel

1 Kor.8,8-9,2

Eten van offervlees

Wat nu het offervlees betreft: ‘Wij allen bezitten de gave van de kennis’, maar kennis alleen leidt tot eigenwaan; het is de liefde die opbouwt. Als iemand kennis meent te bezitten, weet hij nog niet op de juiste wijze te kennen. Maar wie God liefheeft, die wordt door Hem gekend. Wat dus het eten van offervlees betreft: wij weten dat er in de hele wereld geen afgod bestaat en dat er geen God is behalve de Ene. Want ook al zijn er zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op aarde – en in deze zin zijn er vele goden en heren – toch is er voor ons maar één God, de Vader, uit wie alles voortkomt en voor wie wij bestemd zijn, en één Heer, Jezus Christus, door wie alles er is, en door wie wij leven.
Maar niet allen bezitten die kennis. Sommige mensen waren tot voor kort nog zo gewend aan afgoderij, dat ze vlees dat aan goden is geofferd, nog altijd als zodanig beschouwen; en hun geweten, zwak als het is, wordt erdoor besmet als zij het eten. Voedsel brengt ons niet dichter bij God; wij verliezen er niets bij als wij het niet eten, en als wij het wel eten, worden wij er niet beter van. Maar zorg ervoor dat uw vrijheid van handelen de zwakken geen aanstoot geeft. Als zo iemand u, die daar geestelijk boven staat, in een afgodstempel aan een maaltijd ziet deelnemen, zal hij er dan, met zijn zwakke geweten, niet toe aangezet worden om ook offervlees te gaan eten? Dan gaat ten gevolge van uw beter inzicht de zwakke verloren, een broeder voor wie Christus is gestorven. Door zo te zondigen tegen de broeders, en hun angstvallige geweten te kwetsen, zondigt u tegen Christus. Daarom, als mijn voedsel aanstoot geeft aan mijn broeder, zal ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, want ik wil mijn broeder geen aanstoot geven.

Het voorbeeld van Paulus
Ben ik geen vrij man? Ben ik geen apostel en heb ik Jezus onze Heer niet gezien? En u bent toch mijn werk in de Heer? Al ben ik voor anderen geen apostel, voor u toch zeker wel; want u bent in de Heer het waarmerk van mijn apostelschap.

 

Evangelie :

Mattheüs 25,31-46 :

Het oordeel van de Mensenzoon
Wanneer de Mensenzoon komt, bekleed met zijn heerlijkheid en rondom Hem alle engelen, dan zal Hij plaatsnemen op de troon van zijn heerlijkheid. Alle volkeren zullen vóór Hem bijeengebracht worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt. De schapen zal Hij aan zijn rechterhand opstellen, de bokken aan zijn linkerhand. Dan zal de koning tegen hen die aan zijn rechterhand staan zeggen: “Kom, gezegenden van mijn Vader, neem het koninkrijk in bezit dat vanaf het begin van de schepping voor jullie klaar ligt. Want Ik had honger en jullie hebben Me te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me opgenomen. Ik was naakt en jullie hebben Me gekleed, Ik was ziek en jullie hebben naar Me omgezien, Ik zat in de gevangenis en jullie kwamen naar Me toe.” Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? Wanneer hebben we U als vreemdeling gezien en U opgenomen, of naakt en hebben we U gekleed? Wanneer hebben we U ziek of in de gevangenis gezien en zijn we naar U toe gekomen?” De koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan.” Dan zal Hij zich ook richten tot hen die aan zijn linkerhand staan en tegen hen zal Hij zeggen: “Ga weg van Mij, vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat aangelegd is voor de duivel en zijn engelen. Want Ik had honger en jullie hebben Me niet te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me niet te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me niet opgenomen, Ik was naakt en jullie hebben Me niet gekleed, Ik was ziek en zat in de gevangenis en jullie hebben niet naar Me omgezien.” Dan zullen ook zij antwoorden: “Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis en hebben we U niet geholpen?” Dan zal Hij hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je niet voor één van deze minsten hebt gedaan, heb je ook niet voor Mij gedaan.” Zij zullen naar de eeuwige straf gaan, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven.’

border laatste oordeel.gif

 

tekst247.jpg

tekst engels porfyrios.jpg

korreltjezand.jpg

Clemens van Alexandrië : Johannes nodigt ons uit tot het heil

H. Clemens van Alexandrië (150- ca 215)
theoloog
Protreptiek H.1

 

clemens van alexandrie.jpg

Clemens van Alexandrië

Johannes nodigt ons uit tot het heil

 

Is het niet vreemd, vrienden, dat God ons altijd aanspoort tot de deugd, en dat wij ons aan deze redding, die ons heil zal brengen, onttrekken? Nodigt Johannes ons niet uit tot het heil, is hij niet een stem die ons aanspoort? Laten we hem dus vragen: “Wie bent u en waar komt u vandaan?” Hij zal zeggen dat hij Elia niet is en zal ontkennen dat hij de Christus is, maar hij zal toegeven dat hij een stem is die roept in de woestijn (Joh 1,20v). Wie is Johannes dan? Als u het me toestaat, zal ik een beeld gebruiken: een stem van het Woord van God die ons aanspoort, door in de woestijn te roepen: “Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden” (Mc 1,3). Johannes is een voorloper en zijn stem is de voorloper van het Woord van God, een stem die ons aanmoedigt en het heil voorbereidt, een stem die ons aanspoort om de erfenis van de hemel te zoeken.
Dankzij die stem zal “de onvruchtbare en eenzame vrouw nooit meer zonder kinderen zijn” (Jes 54,1). Deze zwangerschap werd verkondigd door de stem van de engel; die stem was, evenals Johannes in de eenzaamheid van de woestijn, ook een voorloper van de Heer; deze stem van de engel bracht het goede nieuws aan de vrouw die niet gebaard had (Lc 1,19). Door deze stem van het Woord baart de onvruchtbare vrouw in vreugde en draagt de woestijn vruchten. Deze twee stemmen van de voorlopers van de Heer, van de engel en van Johannes, vertellen me het verborgen heil in hen, zodat na de verschijning van het Woord, wij de vrucht van vruchtbaarheid plukken: het eeuwig leven.

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org

 

 

Johannes van Kronstadt

border 1F1F.jpg

Heiligenleven

De heilige Johannes van Kronstadt

johannes van Krohnstadt1.jpg

De heilige Johannes van Kronstadt, die leefde van 19 oktober 1829 tot 20 december 1908. Hij was de zoon van een koster van een dorpje in het hoge noorden van Rusland, district Archangelsk, en werd zo van kind af in de kerk opgevoed. De hyperintelligente jongen had in het begin grote moeilijkheden op school, maar als een gebedsverhoring begreep hij plotseling het schoolsysteem en vanaf dat ogenblik was hij zulk een briljante leerling dat hij een beurs kreeg om te gaan studeren aan de theologische academie van Sint-Petersburg.

Lees verder Johannes van Kronstadt

chrysologus petrus : Hanna zag eindelijk God in de Tempel

border0235.jpg

H. Petrus Chrysologus (ca 406-450) bisschop van Ravenna en kerkleraar
Sermon 147, over het mysterie van de menswording

 

petrus chrysologus9.jpg

 

Hanna zag eindelijk God in de Tempel

Hoe kan een mens met zijn beperkte blik, God die door de wereld niet kan worden omvat, bevatten? De liefde maakt zich geen zorgen om te weten of iets zeker, gunstig of mogelijk is. De liefde… kent geen maat. Hij troost zich niet met het voorwendsel dat het onmogelijk is; moeilijkheden houden hem niet tegen… De liefde kan het niet verdragen om degene die hij liefheeft niet te zien… Hoe moet men zich geliefd door God weten zonder Hem te zien? Zo is de liefde die God wenst te zien, zelfs als het niet beredeneerd is, geïnspireerd door de intuïtie van het hart. Daarom durfde Mozes te zeggen: “Als ik in uw ogen genade heb gevonden, toon mij dan uw Gelaat” (Ex 33,13v) en de psalmist zegt: “Toon mij uw Gelaat” (cf Ps 80,4)…
God kent dus het verlangen van de mensen om Hem te zien. Hij heeft een middel gekozen om zich zichtbaar te maken, wat een grote weldoening is voor al de bewoners van de aarde, zonder dat het een verval van de hemel is. Het schepsel dat God op aarde gelijk aan zichzelf heeft gemaakt, kan zij naar de hemel gaan als weinig achtenswaardig? “Laten we de mens maken naar ons beeld en gelijkenis”, heeft Hij gezegd (Gn 1,26)… Als God gebruik had gemaakt van de vorm van een engel uit de hemel, dan zou Hij ook onzichtbaar gebleven zijn; daarentegen als Hij op aarde geïncarneerd was in een mindere natuur dan de mens, dan zou Hij de goddelijkheid beledigd hebben en de mens verlaagd hebben, in plaats van verheven. Dat niemand dus, mijn geliefde broeders en zusters, het feit dat Hij tot de mensen gekomen is als mens, als een belediging voor God beschouwt en ook niet dat Hij bij ons een middel heeft gevonden om door ons gezien te worden.

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org