Opstanding van Lazarus

81d008ac24b8da0a626e3386ac6ae029.jpg

Opstanding van Lazarus

Zaterdag voor Palmzondag

 

Christus en Lazarus.jpg

 

Lezingen : 

Hebreeen 12,28-13,8

12.28 Ons is een koninkrijk gegeven dat niet wankelt. Laten wij daarom God danken en Hem aanbidden zoals Hij het verlangt: met eerbied en ontzag. 29Want onze God is een verterend vuur.
13.1De broederlijke liefde hoort bij de dingen die altijd moeten blijven. 2En vergeet de gastvrijheid niet; door haar hebben sommigen zonder het te weten engelen onthaald. 3Denkt aan hen die gevangen zijn als waart ge met hen in de gevangenis, en aan hen die mishandeld worden, want ook gij hebt een lichaam. 4Het huwelijk is iets kostbaars; laten we het allen in ere houden en de trouw respecteren. Gods oordeel zal komen over ontuchtigen en echtbrekers. 5Leeft niet alleen voor geld, weest tevreden met wat ge hebt. God zelf heeft gezegd. Ik laat u niet alleen, Ik zal u nooit in de steek laten. 6Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Heer is mijn helper, ik heb niets te vrezen. Wat kan een mens mij aandoen? 7Gedenkt uw leiders, die u het eerst het woord van God verkondigt hebben. Haalt u weer hun leven en de afloop van hun leven voor de geest; neemt een voorbeeld aan hun geloof. 8Jezus Christus is dezelfde gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid.

Evangelie :

Joh.11,1-45 :

DE OPWEKKING VAN LAZARUS
1Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp van Maria en haar zuster Marta. 2Maria was de vrouw die de Heer met geurige olie had gezalfd en zijn voeten met haar haren had afgedroogd. De zieke Lazarus was haar broer. 3De zusters stuurden Hem nu de boodschap: “Heer hij die Gij liefhebt, is ziek.” 4Toen Jezus dit hoorde, zei Hij: “Deze ziekte voert niet tot de dood, maar is om Gods glorie, opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden.” 5Jezus hield veel van Marta, haar zuster en Lazarus. 6Toen Hij dan ook hoorde dat hij ziek was, bleef Hij weliswaar nog twee dagen ter plaatse, 7maar daarna zei Hij tot zijn leerlingen: “Laat ons weer naar Judea gaan.” 8De leerlingen zeiden: “Rabbi, nog pas probeerden de Joden U te stenigen en gaat Gij er nu weer heen?” 9Jezus antwoordde: “Heeft de dag geen twaalf uren? Overdag kan iemand gaan zonder zich te stoten, omdat hij het licht van deze wereld ziet. 10Maar gaat iemand ‘s nachts dan stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is.” 11Zo sprak Hij. En Hij voegde er aan toe: “Onze vriend Lazarus is ingeslapen, maar Ik ga er heen om hem te wekken.” 12Zijn leerlingen merkten op: “Heer, als hij slaapt, zal hij beter worden.” 13Jezus had echter van zijn dood gesproken, terwijl zij meenden dat Hij over de rust van de slaap sprak. 14Daarom zei Jezus hun toen ronduit: “Lazarus is gestorven, 15en omwille van u verheug ik Mij dat Ik er niet was, opdat gij moogt geloven. Maar laat ons naar hem toegaan.” 16Toen zei Tomas, bijgenaamd Didymus, tot zijn medeleerlingen: “Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.”
17Bij zijn aankomst bevond Jezus dat hij al vier dagen in het graf lag. 18Betanië nu was dichtbij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën. 19Vele Joden waren dan ook naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten over het verlies van hun broer. 20Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was, ging zij Hem tegemoet; Maria echter bleef thuis. 21Marta zei tot Jezus: “Heer, als Gij hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. 22Maar zelfs nu weet ik, dat wat Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven.” 23Jezus zei tot haar: “Uw broer zal verrijzen.” 24Marta antwoordde: “Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.” 25Jezus zei haar: “Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, 26en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?” 27Zij zei tot Hem: “Ja, Heer ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, die in de wereld komt.”
28Na deze woorden ging zij haar zuster Maria roepen en zei zachtjes: “De Meester is er en vraagt naar je.” 29Zodra zij dit hoorde, stond zij vlug op en ging naar Hem toe. 30Jezus was nog niet in het dorp aangekomen, maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had. 31Toen de Joden die met Maria in huis waren om haar te troosten, haar plotseling zagen opstaan en weggaan, volgden zij haar in de mening dat zij naar het graf ging om daar te wenen. 32Toen Maria op de plaats kwam waar Jezus zich bevond, viel zij Hem te voet zodra zij Hem zag en zei: “Heer, als Gij hier was geweest zou mijn broer niet gestorven zijn.” 33Toen Jezus haar zag wenen, en eveneens de Joden die met haar waren meegekomen, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd 34sprak Hij: “Waar hebt gij hem neergelegd?” Zij zeiden Hem: “Kom en zie, Heer.” 35Jezus begon te wenen, 36zodat de Joden zeiden: “Zie eens hoe Hij van hem hield.” 37Maar sommigen onder hen zeiden: “Kon Hij, die de ogen van een blinde opende, ook niet maken dat deze niet stierf?” 38Bij het graf gekomen overviel Jezus opnieuw een huivering. Het was een rotsgraf en er lag een steen voor. 39Jezus zei: “Neemt de steen weg.” Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem: “Hij riekt al, want het is al de vierde dag.” 40Jezus gaf haar ten antwoord: “Zei Ik u niet, dat gij Gods heerlijkheid zult zien als gij gelooft?” 41Toen namen zij de steen weg. Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak: “Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt. 42Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort, maar omwille van het volk rondom Mij heb Ik dit gezegd, opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.” 43Na deze woorden riep Hij met luider stem: “Lazarus, kom naar buiten!” 44De gestorvene kwam naar buiten, voeten en handen met zwachtels omwonden en met een zweetdoek om zijn gezicht. Jezus beval hun: “Maakt hem los en laat hem gaan.”
HET SANHEDRIN BESLUIT HEM TE DODEN
45Vele Joden, die naar Maria waren gekomen en zagen wat Hij gedaan had, geloofden in Hem.

 

Lazarus.jpg

 

de heilige Pafnutios

34ac1b967a4121a0f8be38eb46beb93a.jpg

Heiligenleven

De heilige Pafnoetios

 

Pafnutios heilige.jpg

 

De heilige Pafnoetios van Kefala was een tijdgenoot van de heilige Antonios de Grote, die hem zeer hoog schatte als een echte asceet, met de gave om de zielen te genezen en te redden. Van hem wordt verteld dat hij de tachtig jaren van zijn monnikschap altijd hetzelfde habijt had gedragen zonder het ooit uit te doen. Een andere lezing, die waarschijnlijker klinkt, zegt dat hij nooit meer dan één tuniek tegelijk bezat. Samen met de beroemde Makarios en de grote Serapion heeft hij een leefregel opgesteld voor de kluizenaars in de woestijn, die later overgenomen is door de heilige Benedictus van Aniane. In de bijeenkomst der broeders onderscheidde hij zich door zijn rustig en overwogen oordeel, waarbij hij altijd eerst het belang van de broeder over wie geoordeeld moest worden, in het oog hield. Een uitspraak van hem luidde: ‘Houd meer van werk en inspanning dan van rust; meer van verachting dan van verering; meer van geven dan van krijgen’. En hij waarschuwde ernstig: “wanneer God ons een talent geschonken heeft en we denken dat we zelf daarmee iets goeds gedaan hebben, dan zal God toelaten dat we in vernederende zonde vallen omdat we de eer van het goede werk niet aan Hem hebben toegeschreven. En dan geldt voor ons het woord uit de psalm: ‘Waarom spreekt ge van mijn gerechtigheden, terwijl uw onreine lippen Mijn Verbond schenden?’” (vgl. ps. 49).
Wanneer hij iemand iets slechts zag doen, begon hij ogenblikkelijk God te smeken om vergeving, alsof hij het zelf had gedaan. Bij zijn zwerftochten door de woestijn ontmoette hij eens een groep rovers die aan het drinken waren. De hoofdman, die hem kende en wist dat Pafnoetios nooit iets dronk, zette hem een dolk op de borst en dreigde hem te doorboren wanneer hij niet een glas met hen meedronk. Pafnoetios wilde de ander niet met een moord belasten en dronk rustig zijn glas uit. De ander was getroffen en vroeg vergeving, en beloofde zijn gewelddadigheden te zullen staken. Dit alles gebeurde in de tijd van de grote Antonios, dus in de 4e eeuw.

bron : heiligenlevens van elke dag. Orth.klooster Den Haag

 

st.Silouan the  Athonite.jpg

heiligenleven : de heilige Taïsia

8f21bb4fe52288bfae72f6b26b526b0a.jpg

Heiligenleven

De heilige Taïsia

taisia_of_egypt.jpg

Heilige Taïsia

 

De heilige Taïsia, een vrouw van buitengewone schoonheid, leefde daarvan in Alexandrië, in de 4e eeuw. Het kwam vaak tot een hevige strijd tussen haar minnaars, en zij was verantwoordelijk voor verschillende doden. De oude kluizenaar Pafnutios hoorde in de woestijn de verhalen hoe zij de jeugd het hoofd op hol bracht, en hij kwam tot de overtuiging dat hij met haar moest spreken. Hij ging naar de stad, trok gewone kleren aan, ging naar haar huis en vroeg haar te spreken. Zij ontving hem in haar schitterend verblijf, uitgestrekt op een kostbare divan. Pafnutios stond voor haar en keek haar aan. Zijn ogen vulden zich met tranen en hij sprak slechts met moeite. Hij zei: “Laat iedereen weggaan”. “Maar er is hier niemand dan God”, antwoordde zij. “Wat,” riep hij, “weet je dan dat God bestaat?” “Ja, ik ben christelijk opgevoed en ik weet dat dit waar is.” “En weet je dan ook dat de hemel er is voor de gerechten maar de hel voor de goddelozen?” En zij stamelde: “Ja.” Toen brak hij in wenen uit en snikte: “O almachtige God, zij kent U en weet wat Gij gereed hebt voor wie U dienen en wat voor wie U beledigen; en toch heeft zij zoveel arme zielen tot val gebracht, die U hadden kunnen aanschouwen en in Uw heerlijkheid hadden kunnen rusten in alle eeuwigheid, en die nu moeten jammeren in eindeloze ellende”. 

Dit woord doorbrak de ijskorst van Taïsia’s hart. Zij begon te beven, sprong overeind en viel neer voor de oudvader, omklemde zijn voeten en smeekte: “Vader, vader, laat mij zien hoe ik eraan kan ontkomen. Leer mij hoe ik berouw moet hebben!”
Hij zei dat hij voor haar een plaats ging gereed maken in het vrouwenklooster. Intussen maakte zij een brandstapel van haar rijke gewaden en kwam in oude kleren naar de cel die Pafnutios voor haar had ingericht. Hij verzegelde de deur achter haar en vroeg de zusters haar water en droog brood aan te reiken door het kleine deurvenster. En aan Taïsia verbood hij om zelfs maar haar handen ten hemel te heffen of de naam van God over haar lippen te laten komen, doch zich slechts naar het Oosten te richten en te zeggen: “Gij Die mij geschapen hebt, heb medelijden met mij.”
Drie jaren gingen zo voorbij. Pafnutios had veel over Taïsia nagedacht en voor haar gebeden en hij had medelijden met haar. Hij ging naar Abba Antonios en vroeg hem of hij de gestrengheid van haar boete zou mogen matigen, en of God haar zonden vergeven had. Antonios vroeg toen aan de broeders om een dag te vasten en de nacht door te brengen in gebed om te weten te komen wat Gods wil was. Terwijl zij zo in zwijgend gebed bijeen waren, sloeg de oudste leerling van Abba Antonios, de heilige Paulos de Simpele, plotseling de ogen op en zag in een visioen een plaats vol heerlijkheid in de hemel. En hij zei: “Dat is zeker de plaats voor mijn vader Antonios”. Maar een stem antwoordde hem: “Neen, zo is het niet; die plaats is voor Taïsia, de boetelinge”.
In grote vreugde haastte Pafnutios zich nu naar het klooster. Hij brak de deur van de cel open en zei tot Taïsia: “Kom naar buiten, de Heer heeft uw zonden vergeven”. Zij antwoordde: “Sinds de dag dat ik hier binnentrad, drukten zij mij als een ondraaglijke last, dag en nacht” . Waarop Pafnutios zei: “Juist daarom heeft de Heer u vergiffenis geschonken.” Nadat zij uit haar cel gekomen was, leefde Taïsia nog twee weken en ging toen over naar de Heer.

uit : Heiligenlevens voor elke dag – orth.klooster Den Haag

 

20.jpg

Johannes van Damascus :

71cd99ab7610cc59e1f06a81ca3180fc.jpg

H. Johannes van Damascus (ca 675-749), monnik, theoloog, Kerkleraar
Triode van de Zaterdagmorgen gebeden van Lazarus, Odes 6-9

 

johannes van Damascus587.jpg

“Jezus begon te huilen, zodat de Joden zeiden: ‘Hij moet wel veel van hem gehouden hebben!’ “

Aangezien U waarlijk God zijt, o Heer, daarom wist U over de slaap van Lazarus en heeft U die reeds voorspeld aan uw discipelen… Aangezien U, die nochtans zonder einde bent, vlees zijt geworden, komt U naar Bethanië. Waarlijk mens, huilt U om Lazarus: waarlijk God wekt U hem, door uw wil, na vier dagen op uit de dood. Heb medelijden met mij, o Heer; talrijk zijn mijn zonden. Ik smeek U, lijdt mij weg van de afgrond van het kwaad. Naar U roep ik: verhoor mijn gebed, God van mijn heil.

Huilend om uw vriend, heeft U, In uw barmhartigheid, een einde gemaakt aan de tranen van Martha en door uw vrijwillig lijden heeft U elke traan gewist van het gezicht van uw volk.
Als behoeder van het leven heeft U een dode aangeroepen alsof hij sliep. Met een woord heeft U de buik van de hel geopend en hij die U hebt opgewekt begon te zingen: “Gezegend zij de Heer, de God van onze voorvaderen” (Ezra 7,27). Wek ook mij op, verstrikt als ik ben in de banden van het kwaad, en ik zal zingen: “Gezegend zij de Heer, de God van onze voorvaderen”.

In haar erkentelijkheid brengt Maria U, o Heer, een litra nardusbalsem als een vereffening voor haar broer (Joh 12,3), en zij zingt U toe in alle eeuwigheid. Als sterveling roept U de Vader aan, als God wekt u Lazarus op. Dit is waarom wij allen tot U zingen, o Christus, tot in de eeuwen der eeuwen… U wekte Lazarus op, een dode van vier dagen; U liet hem opstaan uit zijn graf waardoor U hem tot een waarlijke getuige maakte van uw opstanding op de derde dag. U loopt, U huilt, U praat, mijn Redder, en toont ons uw menselijke natuur; maar door Lazarus op te wekken uit de dood openbaart U ons uw Goddelijke natuur. Op onuitsprekelijke wijze heeft U, o Heer mijn Redder, volgens uw dubbele natuur, met koninklijke macht, mijn redding volbracht.

http://www.dagelijksevangelie.org

 

Christus lijden.jpg