Fulgentius van Roespé

Heiligenleven

De heilige Fulgentius van Roespé

FulgentiusRuspe.jpg

Heilige Fulgentius van Roespé

De heilige Fulgentius, bisschop van Roespé (Noord-Afrika) werd geboren in 467 in Thelepte, waar hij ook stadsbestuurder werd. Maar reeds spoedig gaf hij deze post op om monnik te worden. Toen hij 40 jaar oud was werd hij tot bisschop gekozen, maar samen met vele andere orthodoxe bisschoppen werd hij door de ariaanse vandalen verbannen naar het woeste Sardinië, waar hij vele jaren moest blijven. Hij was een belangrijke schrijver over de orthodoxe leer. Steeds verlangde hij ernaar om zich in een klooster terug te trekken, maar zijn gelovigen hingen zozeer aan hem, dat hij hen niet inde steek wilden laten. Zo stierf hij in 533 in het ambt, 66 jaar oud.

uit : heiligenlevens voor elke dag. uitg. Orthodox klooster. Den Haag

Christus het Hoofd

Augustinus

Christus het Hoofd

 

Augustine_Hippo_small.jpgWat voor zin heeft het in Christus te geloven als ge Hem tegelijkertijd verwenst ? Ge aanbidt Christus, het hoofd, maar ge verwenst zijn lichaam, de Kerk. Christus houdt van zijn lichaam.Ook al hebt ge u losgemaakt van zijn lichaam, het hoofd verlaat daarom zijn lichaam nog niet. Het hoofd roept u toe : zó heeft het geen zin Mij te vereren. Het is ongeveer als wanneer iemand u wil kussen, maar daarbij op uw voeten trapt. Met gespijkerde schoenen wellicht trapt hij uw voeten plat, wanneer hij uw hoofd wil vastnemen om u te kussen. Onderbreekt ge dan zijn vererende woorden niet met te roepen : kijk uit, ge trapt op mijn voeten ? Ge zegt niet : ge trapt op mijn hoofd. Het hoofd werd immers overladen met eer. Het hoofd spreekt dus eerder voor de vertrapte ledematen dan voor zichzelf. Het hoofd roept : ik wil uw eerbetoon niet : houd liever op mij te trappen.

Durft gij tot het hoofd zeggen : hoe heb ik u getrapt ? Ik wilde u toch slechts omhelzen en kussen : Begrijp ge dan niet dat er een levende eenheid bestaat tussen het hoofd dat ge wilt omhelzen en de leden die ge vertrapt ? Van boven wilt ge mij eren, van onder vertrapt hij mij. De pijn om het vertrappen is groter dan de vreugde om de omhelzing, want wat gij wilt omhelzen heeft pijn om de leden die gij vertrapt. De tong zegt “ik heb pijn”, De tong zegt niet “mijn voet heeft pijn”, maar “ik heb pijn”, hoewel niemand de tong aangeraakt, gewond, geprikt of doorboord heeft.Toch lijdt de tong omdat zij verbonden is met het geheel van het lichaam. Zij moet noofzakelijk pijn hebben, zolang zij niet van het lichaam gescheiden is.
Daarom heeft onze Heer Jezus Christus bij zijn hemelvaart op de veertigste dag, zijn lichaam dat hier op aarde moest blijven, aan onze zorg aanbevolen. Hij wist dat vele mensen Hem zouden eren omdat Hij ten hemel opgestegen is.Maar Hij wist ook dat hun verering nutteloos zou zijn, wanneer zij zijn leden op aarde zouden vertrappen. Om elke vergissing uit te sluiten en te voorkomen dat men het hoofd in de hemel zou aanbidden, maar de leden op aarde zou vertrappen, verklaarde Hij waar zijn leden te vinden zouden zijn. Dat waren zijn láátste woorden vóór Hij ten hemel steeg; daarna heeft hij niet meer gesproken op aarde. Hij beval zijn leden op aarde aan en ging heen. Christus spreekt niet meer op aarde. Hij spreekt nog wel vanuit de hemel. Wat is de reden dat Hij nog vanuit de hemel spreekt? De reden is dat zijn leden op aarde vertrapt worden. Tot Saulus sprak Hij vanuit de hemel : “Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij ?” Ik ben wel ten hemel gestegen, maar ik verblijf nog evenzeer op aarde. Ik zit wel aan de rechterhand van de Vader, maar Ik heb nog honger, Ik lijd nog dorst en ben nog vraeemdeling op aarde.

uit : Augustinus : “eenheid en liefde” Augustinus preken over de eerste brief van Johannes” vertaling prof Van Bavel

 

Simeon de nieuwe theoloog: hymne 2

Simeon de Nieuwe Theoloog (ca 949-1022), Griekse monnik
Hymne 2

 

Simeon de neuwe theoloog + basilios.jpg

Symeon de Nieuwe Theoloog en Basilius

 

Hymne 2 :

“De engelen in de hemel schouwen onophoudelijk het gelaat van mijn Vader” (Mt 18,10)

Ik dank U omdat U me hebt gegeven om te leven,
om U te kennen en U te aanbidden, mijn God.
Want “het leven, dat is U kennen, U enige God” (Joh 17,3),
Schepper en Auteur van alles,
niet geschapen, zonder begin, uniek,
en uw Zoon, door U verwekt
en de Heilige Geest, uit U voortkomend,
de verenigde Drie-eenheid van alle lofzang…

Wat is er bij de engelen, bij de aartsengelen,
de machten, de cherubijnen en de serafijnen
en alle andere geliefde hemelse legerscharen,
aan heerlijkheid of aan onsterfelijk licht
aan vreugde, aan straling van onstoffelijk leven,
dan het enige licht van de Heilige Drie-eenheid?

Noem mij ook maar een onlichamelijk of lichamelijk wezen,
en je zult ontdekken dat God dat alles heeft gemaakt.
Als men je waarover ook spreekt, over die van de hemel,
die van de aarde, of die van de afgronden,
voor hen ook, voor allen, is er slechts één leven, één heerlijkheid
één verlangen en één koninkrijk,
één unieke rijkdom, vreugde, kroning, overwinning, vrede
of welke andere schittering het ook zij:
de kennis van de Oorsprong en de Oorzaak
van waar alles is gekomen, van waaruit alles is geboren.
Daar is Degene die de dingen van boven en van beneden handhaaft.
Daar is Degene die alle geestelijke wezens op orde brengt.
Daar is Degene die heerst over alle zichtbare wezens…

Ze zijn in kennis gegroeid en verdubbeld in vrees,
toen ze Satan zagen vallen
en diens knechten meegenomen door de zelfgenoegzaamheid.
Zij die gevallen zijn, zijn dat alles vergeten,
slaven van hun trots,
terwijl zij die er de kennis van bewaard hebben,
opgeheven zijn door vrees en liefde,
zich hechten aan hun Heer.
Zo maakte de erkenning van zijn heerschap
ook de groei van hun liefde
omdat ze de verblindende schittering van de Drie-eenheid
beter en helderder zagen.

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org

heiligenleven : de heilige Eulogios

heiligenleven

 

De heilige Eulogion de Gastvrije

 

eulogios1.jpg

Miniatuur uit het Menologion van Basilios II

Hij was een steenhouwer in Egypte, een man met geweldige kracht. Overdag spande hij zich tot het uiterste in, maar s’avonds hield hij open tafel voor de armen en alle hongerigen.Hierdoor ontstonden vele vriendschappen, met leken en monniken. Vooral de monnik Daniël had een grote verering voor Eulogios, en hij stelde zich voor hem zijn liefdadigheid in groter verband te laten beoefenen. Hij wist een aantal rijke christenen te interesseren en bracht zo geld bij elkaar voor het oprichten van een pelgrimshuis, waar velen gespijzigd zouden kunnen worden. Toen Eulogios dit geld in handen kreeg, en hij een belangrijk man werd, bleek hij huier niet tegen opgewassen. Hij trok naar Constantinopel, waar hij de zaak groot zou aanpakken, maar al wat er gebeurde was dat hij een luxueuze villa inrichtte voor zichzelf met een stoet bedienden en een gemakkelijk leventje ging leiden. Dit liep natuurlijk spaak. Daniël kwam naar Constantinopel maar slaagde er niet in Eulogios weer in het rechte spoor te brengen, en keerde bedroefd terug. Hij kon verder niets doen dan voor zijn vriend te bidden. Het geval kwam echter keizer Justinianus ter oren; de zaak werd geconfiskeerd. Eulogios werd gevoelig gestraft en kwam met schande naar Egypte terug. Daniël sprak hem moed in en hielp hem zijn vroeger leven weer op te nemen. Door harde arbeid en gastvrijheid boette Eulogios zijn zonde uit. Toen de zwakte van de ouderdom het werk in de steengroeve onmogelijk maakte, trok Eulogios naar de monniken in de woestijn, waar hij leerde bidden en mediteren. Tenslotte is hij een heilige dood gestorven op 25 april van het jaar 585.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg.orth.klooster Den Haag.