15e zondag na Pinksteren : Over de vasten

15e zondag na Pinksteren

‘Over de vasten’

vasten.jpg

LEZINGEN

 

EPISTEL : 2 Kor. 4,6-15

Dezelfde God die gezegd heeft: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen’, heeft zijn licht laten schijnen in ons hart om de kennis te laten stralen van zijn heerlijkheid, die ligt over het gelaat van Jezus Christus. Vol goede moed bij tegenslag Maar wij dragen deze schat in aarden potten, en zo blijkt dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons. Van* alle kanten worden wij belaagd maar we zitten niet in het nauw; we zijn radeloos maar niet ten einde raad; we worden opgejaagd maar niet in de steek gelaten; neergeveld maar niet gedood. Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus zich in ons

Lees verder 15e zondag na Pinksteren : Over de vasten

16e zondag na Pinksteren : Opwekking van de jongeling van Naïn

16e zondag na Pinksteren

‘Opwekking van de jongeling van Naïn’

Naim genezing van de zoon van....jpg

 

LEZINGEN : 

 

2 Korintiers,6,1-10

[1] Als zijn medewerkers sporen wij u aan: zorg dat u de genade van God niet tevergeefs hebt ontvangen. [2] Hij zegt immers: Op de gunstige tijd* heb Ik u verhoord, op de dag van het heil* ben Ik u te hulp gekomen. Nú is het die gunstige tijd, nú is het de dag van het heil.
[
3] Wij geven absoluut niemand aanstoot, om het dienstwerk niet in diskrediet te brengen. [4] Integendeel,* in alle omstandigheden proberen wij ons te gedragen als dienaren van God door het standvastig verduren van moeilijkheden, nood, ellende, [5] slagen, gevangenschap, oproer, zwaar werk, slaapgebrek, te weinig eten; [6] maar ook door zuiverheid, inzicht, geduld, goedheid, door een geest van heiligheid en oprechte liefde, [7] door het woord van de waarheid en de kracht van God. Wij vallen aan en verdedigen ons met de wapens van de gerechtigheid. [8] Eer en smaad, laster en lof zijn ons deel; wij zijn als bedriegers die de waarheid spreken, [9] als onbekenden die iedereen kent, als stervenden die blijven leven, als streng gestraften die niet worden gedood, [10] als treurenden die altijd verheugd zijn, als armen die velen rijk maken, als havelozen die toch alles hebben

 

Evangelie : Lucas 7,11-16

 

Opwekking van de zoon van een weduwe uit Naïn Naderhand ging Jezus naar een stad die Naïn heette; zijn leerlingen en een grote menigte gingen met Hem mee. Toen Hij de stadspoort naderde, werd er juist een dode uitgedragen, de enige zoon van een weduwe. Een talrijke menigte uit de stad was bij haar. Toen de Heer haar zag, was Hij ten diepste met haar begaan. ‘Huil niet’, zei Hij tegen haar. Hij liep naar de lijkbaar toe en raakte die aan. De dragers bleven staan en Hij zei: ‘Jongeman, kom overeind, zeg Ik je!’ En de dode ging rechtop zitten en begon te praten, en Hij gaf hem aan zijn moeder. Ontzag vervulde allen en ze prezen God. Ze zeiden: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan’, en: ‘God heeft naar zijn volk omgezien

 

Symeon de nieuwe theoloog:De engelen in de hemel schouwen onophoudelijk het gelaat van mijn Vader” (Mt 18,10)

Simeon de Nieuwe Theoloog (ca 949-1022), Griekse monnik

Hymne 2

“De engelen in de hemel schouwen onophoudelijk het gelaat van mijn Vader” (Mt 18,10)

Simeon de neuwe theoloog + basilios.jpg

Simeon de nieuwe theoloog en Basilius

 

Ik dank U omdat U me hebt gegeven om te leven,

om U te kennen en U te aanbidden, mijn God.

Want “het leven, dat is U kennen, U enige God” (Joh 17,3),

Schepper en Auteur van alles,

niet geschapen, zonder begin, uniek,

en uw Zoon, door U verwekt

en de Heilige Geest, uit U voortkomend,

de verenigde Drie-eenheid van alle lofzang…

 

Wat is er bij de engelen, bij de aartsengelen,

de machten, de cherubijnen en de serafijnen

en alle andere geliefde hemelse legerscharen,

aan heerlijkheid of aan onsterfelijk licht

aan vreugde, aan straling van onstoffelijk leven,

dan het enige licht van de Heilige Drie-eenheid?

 

Noem mij ook maar een onlichamelijk of lichamelijk wezen,

en je zult ontdekken dat God dat alles heeft gemaakt.

Als men je waarover ook spreekt, over die van de hemel,

die van de aarde, of die van de afgronden,

voor hen ook, voor allen, is er slechts één leven, één heerlijkheid

één verlangen en één koninkrijk,

één unieke rijkdom, vreugde, kroning, overwinning, vrede

of welke andere schittering het ook zij:

de kennis van de Oorsprong en de Oorzaak

van waar alles is gekomen, van waaruit alles is geboren.

Daar is Degene die de dingen van boven en van beneden handhaaft.

Daar is Degene die alle geestelijke wezens op orde brengt.

Daar is Degene die heerst over alle zichtbare wezens…

 

Ze zijn in kennis gegroeid en verdubbeld in vrees,

toen ze Satan zagen vallen

en diens knechten meegenomen door de zelfgenoegzaamheid.

Zij die gevallen zijn, zijn dat alles vergeten,

slaven van hun trots,

terwijl zij die er de kennis van bewaard hebben,

opgeheven zijn door vrees en liefde,

zich hechten aan hun Heer.

Zo maakte de erkenning van zijn heerschap

ook de groei van hun liefde

omdat ze de verblindende schittering van de Drie-eenheid

beter en helderder zagen.

 

14e zondag na Pinksteren : roeping van de eerste leerlingen

14e zondag na pinksteren

“Roeping van de eerste leerlingen”

 

roeping eerste leerlingen.jpg

LEZINGEN

2 kor.1,21-2,4

[21] En God zelf heeft ons samen met u in Christus* bevestigd en ons gezalfd*. [22] Hij heeft op ons zijn zegel* gedrukt en ons de Geest als onderpand* gegeven.

[23] Ik roep God aan als mijn getuige*, ik zweer bij mijn leven: alleen om u te sparen ben ik nog niet naar Korinte gekomen. [24] Niet dat wij heer en meester zijn van uw geloof; wij willen alleen bijdragen tot uw vreugde. Want in het geloof staat u stevig genoeg.

Hoofdstuk 2

[1] Want dit had ik mij vast voorgenomen: mijn eerstvolgend bezoek* aan u mocht onder geen beding weer een bezoek in droefheid zijn. [2] Want als ik u verdriet doe, wie moet mij dan opbeuren? Wie anders dan de mensen die ik bedroefd heb? [3] En daarom juist heb ik een brief* geschreven, om bij mijn komst geen droefheid te hoeven ondervinden van hen die mij juist moesten verblijden. Want ik ben zeker van u allen en ik ben ervan overtuigd dat mijn vreugde ook de vreugde van u allen is. [4] Toen ik schreef, was het dan ook met een bedrukt en beklemd gemoed en onder veel tranen. Ik wilde u niet verdrietig maken, maar u een blijk geven van de innige liefde die ik u toedraag.

 

Evangelie :

Lucas 5,1-11

 

Hoofdstuk 5

Roeping van enkele vissers

[1] Toen Hij aan het meer van Gennesaret stond en de mensenmenigte zich om Hem verdrong om het woord van God te horen, [2] zag Hij twee boten bij het meer liggen. De vissers waren van boord gegaan en spoelden de netten. [3] Hij stapte in een van die boten, die van Simon, en vroeg hem een eindje van het land af te varen. Hij ging zitten en vanuit de boot gaf Hij de mensen onderricht. [4] Toen Hij uitgesproken was zei Hij tegen Simon: ‘Vaar nu het meer op naar diep water. Daar moeten jullie je netten uitwerpen.’ [5] ‘Meester,’ antwoordde Simon, ‘de hele nacht hebben we ons al afgetobd zonder iets te vangen. Maar als U het zegt zal ik de netten uitwerpen.’ [6] Dat deden ze en ze vingen zo’n massa vis dat hun netten ervan scheurden. [7] Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot om hen te komen helpen. Die kwamen, en beide boten vulden ze tot zinkens toe. [8] Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op z’n knieën voor Jezus en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, ik ben een zondig mens.’ [9] Want schrik had hem, en allen die bij hem waren, bevangen, vanwege de vissen die ze samen gevangen hadden. [10] Zo verging het ook Jakobus en Johannes, zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Maar Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang. Voortaan zul je mensen* vangen.’ [11] Ze brachten de boten aan land, lieten* alles achter en volgden Hem.

 

Cyrillus van Alexandrië : De menigte verheerlijkte God, die zulk een macht aan de mensen gaf

H. Cyrillus van Alexandrië (380-444), bisschop en kerkleraar

Commentaar op het evangelie van Lucas, 5 ; PG 72, 565

 

Cyrillos van Alexandrië 159.jpg

cyrillus van Alexandrië

“De menigte verheerlijkte God, die zulk een macht aan de mensen gaf”

 

De ongeneeslijke verlamde lag op zijn bed. Na gebruik te hebben gemaakt van alle mogelijke geneeskunst, kwam hij door de zijnen gedragen naar de enige ware geneesheer, de geneesheer die uit de hemel komt. Maar toen hij voor Degene geplaatst werd die hem kon genezen, was het zijn geloof dat de aandacht van de Heer trok. Om te tonen dat dit geloof de zonde vernietigt, verklaarde Jezus weldra: “Uw zonden zijn u vergeven”. Men zal misschien zeggen: “Die man wilde van zijn ziekte genezen, waarom verkondigde Christus dan de vergeving van de zonden?” Dat was opdat je zou leren dat God het hart van de mens ziet, in stilte en zonder ophef schouwt Hij de wegen van alle levenden. De Schrift zegt immers: “De Heer ziet alle wegen die een mens bewandelt, al zijn stappen slaat Hij gade” (Spr 5,21)…

 

Toen Christus zei: “Uw zonden zijn u vergeven”, liet Hij toch nog plaats voor het ongeloof; de vergiffenis van de zonden zie je niet met de ogen van het lichaam. Toen echter de verlamde opstond en liep, toonde hij duidelijk dat Christus de macht van God bezit…

 

Wie bezitten deze macht? Hij alleen of wij ook? Wij ook, met Hem samen. Hij vergeeft zonden omdat Hij God-mens is, de Heer van de Wet. Wij hebben van Hem deze wonderbaarlijke genade ontvangen, want Hij wilde die macht aan de mens geven. Hij zei immers tegen de apostelen: “Ik verzeker jullie: al wat jullie op aarde ontbinden zal ook in de hemel ontbonden zijn” (Mt 18,18). En ook: “Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven” (Joh 20,23).