Justinus de filosoof

Heiligenleven

De heilige Justinus de filosoof

 

justinus de filosoof.jpg

 

Van zijn leven weten we tamelijk veel bijzonderheden uit zijn eigen geschriften. Hij vertelt over zijn vader en grootvader dan dat hij leefde in het oude Sichem van Samaria, ofschoon zij van oorsprong grieken waren. Waarschijnlijk behoorden ze tot de kolonie die daar door keizer Vespasianus was gesticht.

Justinus werd geboren in het begin van de tweede eeuw. Zijn ouders waren rijk, gaven hem een goede opvoeding en zorgden voor een veelzijdige ontwikkeling. Hij voelde zich sterk aangetrokken tot de filosofie omdat hij zocht naar de zin van het leven en wat nu eigenlijk waar was, vooral over God, de Schepper van alles wat bestaat. Hij zocht privaat-onderricht bij verschillende filosofen. De stoïcijn probeerde te bewijzen dat het niet nodig is God te kennen. Daarop ging Justinus naar een Aristoteliaan, maar deze begon zo te sjacheren over het collegegeld dat hij hem zou moeten betalen, dat Justinus er gauw genoeg van kreeg. Een Pythagoreeër zei hem dat hij muziek, sterrekunde en meetkunde moest studeren, want door deze abstracte wetenschappen leert de ziel zich los te maken van de zintuigelijke indrukken en zich open te stellen voor geestelijke invloeden. Maar Justinus was weinig geïnteresseerd in deze vakken en hij kon zich niet voorstellen dat de kennis van God van zulk een vervelende studie afhankelijk zou zijn.

Gelukkiger was hij bij het onderricht van een platoons filosoof, en hij merkt op dat Plato een leermeester is die tot Christus leidt. ‘De kennis van de metafysica, het schouwen van de ideeën, gaf vleugels aan mijn geest en al spoedig was is ervan overtuigd dat ik een wijze was, en weldra God-zelf zou schouwen en echte wetenschap over Hem zou bezitten’.

Om dieper door te dringen in deze filosofie trok hij zich terug in de eenzaamheid aan een stil strandgedeelte. Daar ontmoette hij op een dag een oude man met eerbiedwaardig uiterlijk, met wie hij in gesprek kwam. Zijn mond vloeide over van waar zijn hart van vol was. De ander luisterde meelevend en vroeg toen waarom hij aan het nadenken de voorkeur gaf boven iets te doen. Justinus antwoordde dat alleen filosofische meditatie God aangenaam kon zijn. De ander maakte tegenwerpingen waar Justinus geen verweer tegen had, en tenslotte moest hij toegeven dat zijn filosofie niet de kracht bezat om het diepste verlangen van de ziel te stillen. Zo begon hij open te staan voor een nieuw inzicht en toen de oude man hem aanraadde zich te wenden tot de profeten, tot Jezus Christus en Zijn leerlingen, en tot God te bidden zijn ogen voor de waarheid te openen, ontvlamde er een vuur in zijn ziel.

 

Efraïm de Syriër : “De Mensenzoon is gekomen…om zijn leven te geven”

H. Efraïm (ca. 306-373), diaken in Syrië, kerkleraar

Commentaar op het Diatessaron, 20, 2-7

 

Efraim_syyrialainen01.jpg

“De Mensenzoon is gekomen…om zijn leven te geven”

 

“Als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan” (Mt 26,39). Waarom maakte U Simon Petrus een verwijt toen hij zei: “Dat zal U niet overkomen” (Mt 16,22), en nu zegt U: “Als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan”? Hij wist goed wat Hij tegen zijn Vader zei en dat het mogelijk was dat de beker voorbij zou gaan, maar Hij was gekomen om het voor allen leeg te drinken, om zo door het drinken van de beker de losprijs van de schuld af te lossen die de dood van de profeten en martelaren niet konden betalen… Hij had zijn dood door de profeten laten beschrijven en door de rechtvaardigen het mysterie van zijn dood laten voorafbeelden. Toen de tijd kwam om deze dood te volvoeren, weigerde Hij niet om te drinken. Als Hij het niet had willen drinken, maar het zou afslaan, dan zou Hij zijn lichaam niet in de Tempel vergeleken hebben met deze woorden: “Breek deze Tempel af en in drie dagen laat Ik hem weer herrijzen” (Joh 2,19); Hij zou niet tegen de zonen van Zebedeüs gezegd hebben: “Kunt u de beker drinken die Ik zal drinken?” en ook “Ik moet een doop ondergaan” (Lc 12,50)…

“Als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan.” Hij zei dat, omdat Hij bekleed was met de zwakheid en niet door te doen alsof, maar werkelijk. Omdat Hij zich klein had gemaakt en werkelijk bekleed was met onze kwetsbaarheid, moest Hij vrezen en wankelde Hij in de kwetsbaarheid. Door het lichaam aan te nemen werd Hij met kwetsbaarheid bekleed, at Hij als Hij honger had, was Hij moe door het werk, werd Hij overmand door de slaap, was het nodig dat alles vervuld zou worden wat het lichaam zou laten verrijzen als de tijd van zijn dood is gekomen…

Om door zijn Lijden troost aan zijn leerlingen te brengen, voelde Jezus wat zij voelden. Hij had hun angst in zich opgenomen om hun zijn zielsgelijkenis te tonen, en dat je je niet laat voorstaan op de dood voordat je deze ondergaan hebt. Als immers Degene die nergens bang voor is, angst heeft gehad en had gevraagd om bevrijd te worden, terwijl Hij wist dat het onmogelijk was, hoeveel te meer moeten de anderen dan wel niet volharden in hun gebed voor de verleiding om bevrijd te worden als de dood zich toont… Om hen die de dood vrezen moed te geven, heeft Hij zijn eigen angst niet verborgen, opdat ze weten dat deze angst hen niet doet zondigen. “Nee, Vader, zei Jezus, niet mijn wil, maar uw wil geschiedde”: zodat Ik sterf om het leven aan de mensen te geven.

Bron : http://www.dagelijksevengelie.org