17e zondag na Pinksteren : de wonderbare visvangst

17e zondag na Pinksteren

‘De wonderbare visvangst’

 

Wonderbare-visvangst.jpg

 

2 Kor 6,16-7,1

[16] Is er enig verband tussen de tempel van God en de afgoden? Wij* zijn de tempel van de levende God. God heeft zelf gezegd: Ik zal onder hen wonen en met hen omgaan. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. [17] Daarom, ga weg uit hun midden en houd u ver van hen, zegt de Heer, en raak niets aan wat onrein is. Dan zal Ik u genadig aannemen. [18] Ik zal voor u een vader zijn en u zult voor mij zonen en dochters zijn, zegt de Heer, de Albeheerser.
Hoofdstuk 7
[1] Zulke beloften zijn ons gedaan, geliefden; laten wij ons dus zuiveren van elke smet naar lichaam en geest, en vol ontzag voor God onze heiliging voltooien.

 

Evangelie : Lucas : 5,1-11

Simon Petrus, Jakobus en Johannes geroepen

1 Toen hij eens aan de oever van het Meer van Gennesaret stond en het volk zich om hem verdrong om naar het woord van God te luisteren, 2 zag hij twee boten aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gestapt, ze waren bezig de netten te spoelen. 3 Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land weg te varen; hij ging zitten en gaf de menigte onderricht vanuit de boot. 4 Toen hij was opgehouden met spreken, zei hij tegen Simon: ‘Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’ 5 Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als u het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’ 6 En toen ze dat gedaan hadden, zwom er zo’n enorme school vissen in de netten dat die dreigden te scheuren. 7 Ze gebaarden naar de mannen in de andere boot dat die hen moesten komen helpen; nadat dezen bij hen waren gekomen, vulden ze de beide boten met zo veel vis dat ze bijna zonken. 8 Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op zijn knieën voor Jezus neer en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’ 9 Hij was verbijsterd, net als allen die bij hem waren, over de enorme hoeveelheid vis die ze gevangen hadden; 10 zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’ 11 En nadat ze de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en volgden hem.

 

De wonderbaarlijke visvangst, verhaal uit de kinderbijbel van Nita Abbestee

Korte tijd na de opstanding van Jezus bevonden enkele discipelen zich bij het meer van Tiberias. Petrus, die Jezus verloochend had, was er ook bij. Zijn gedachten hielden zich voortdurend bezig met de mogelijkheid te herstellen, wat hij tegenover zijn meester verkeerd had gedaan.

Petrus was de leider van deze groep mannen. Hij keek eens naar de lucht, toen naar het water om te zien of de omstandigheden gunstig waren om uit ter varen. Toen zei hij: ‘Vrienden, ik ga vissen!’ De anderen wachtten reeds lang op dit woord en zeiden dan ook spontaan: ‘Goed, Petrus! Wij gaan met je mee!’

IJverig en vol enthousiasme maakten zij het schip gereed en tegen de avond voeren zij uit. Die lange nacht wierpen zij vele malen hun netten uit en haalden ze weer in, maar …. niet één vis konden zij vangen.

En in de vroege morgen keerden zij ontmoedigd en teleurgesteld naar het strand terug. Daar stond Jezus naar hen uit te kijken. Zij schonken echter nauwelijks aandacht aan hem, want zij herkenden hem op zo’n grote afstand niet.

14 Jezus aan het meer van Tiberias Wiliam HoleJe moet namelijk weten dat de oosterse stranden niet zo vlak zijn als bij ons. Meestal zijn zij volklippen en rotsen. Daardoor kan een schip niet op het strand komen en moeten de mensen nog een heel eind door het water waden om de wal te bereiken. Dat was ook hier het geval en daardoor hadden de discipelen geen erg in de man op het strand.

Jezus wist van hun moeizame arbeid in de lange nacht. Hij wilde hen helpen, zoals hij dit al zo dikwijls had gedaan. Daarom riep hij hen over het water toe: ‘Mannen, hebben jullie  spijzen voor mij?’

Nu moet je niet denken dat Jezus om een vis vroeg om te eten. Het teken vissen uit de dierenriem is symbool van de goddelijke liefdekracht die uit het koninkrijk van God neerdaalt en uitredt. Eigenlijk vroeg Jezus dus aan de mannen: ‘Hebben jullie voldoende liefdekracht?’

Maar de mannen herkenden hem niet en verstonden daardoor ook zijn woorden niet. Teleurgesteld riepen ze terug: ‘Nee, niets! Wij hebben niets gevangen!’

Maar Jezus deed afsof hij de teleurstelling niet merkte. Enthousiast en vol overtuiging riep hij hen toe: ‘Werp jullie netten uit aan de rechterzijde van het schip! Dan zullern jullie  vinden!’ Want alles wat naar de wil van God gebeurt wordt in de heilige taal ‘rechts’ genoemd; en wat naar de wetten van deze wereld wordt gedaan heet ‘links’.

De manier nu waarop Jezus zijjn discipelen toeriep, wekte zoveel nieuwe moed in hun harten, dat zij hun schip keerden en opnieuw het meer op gingen. Midden in de golven wierpen zij hun netten aan de rechterzijde uit. Maar toen de mannen ze weer wilden ophalen, waren ze zó zwaar van vissen, dat zij ze niet aan boord konden hijsen.

Toen fluisterde één van de discipelen die Jezus zeer liefhad Petrus in het oor: ‘Het is onze heer Jezus die daar op het strand staat en ons heeft toegeroepen!‘ Een schok voer door Petrus heen. Snel keek hij of de meester er nog stond.

Ja! Daar stond hij – op dezelfde plaats! Vlug sloeg Petrus zijn opperkleed om, en stapte overboord, om door het water naar het strand en naar zijn meester te gaan. Hij kon geen ogenblik meer wachten, zo verlangde zijn hart ernaar om zijn heer weer te dienen.

De overige discipelen brachten het schip zo dicht mogelijk bij het strand, terwijl zij voorzichtig de zware netten meesleepten. Eindelijk lag het schip vast genoeg en toen konden ook de andere mannen de wal bereiken. Vlakbij Jezus zagen zij een groot houtvuur branden, waarop brood en vis lagen.

Jezus keek naar het schip en sprak: ‘Breng mij nu eerst de vissen die jullie gevangen hebben!’ Dadelijk sprong Petrus op; hij wilde met de daad bewijzen hoe zielsgraag hij Jezus weer wilde dienen.

Met inspanning van al zijn krachten sleepte hij het loodzware net naar het strand, om het aan Jezus te tonen. En hoe zwaar het ook was, het net scheurde niet! Honderddrieënvijftig vissen waren er in!

Toen Jezus dat gezien had, zei hij tot allen: ‘Komt nu en houdt de maaltijd!’ Blij schaarden de discipelen zich om hem heen. Jezus deelde het brood en de vis die op het vuur lagen aan hen uit. Het waren de heilige spijzen en de liefdekracht die hij hun reikte. En alle discipelen herkenden hem nu en voelden zich gelukkig en volkomen veilig.

Na de maaltijd richtte Jezus het woord tot Petrus. Hij vroeg hem: ‘Petrus, heb je mij waarlijk lief, meer dan uw vrienden?’ Hij had natuurlijk wel in Petrus’ hart gelezen, hoe groot het verlangen was om te herstellen wat verkeerd gegaan was! En Petrus antwoordde dan ook vol overtuiging: ‘Ja heer! U weet dat ik u liefheb!’ Ernstig keek Jezus hem aan en zei: ‘Weid mijn lammeren!’

Na enige ogenblikken vroeg hij opnieuw: ‘Petrus, hebt je mij waarlijk lief?’ En nogmaals antwoordde Petrus: ‘Ja heer! U weet dat ik u liefheb!’ ‘Hoed dan mijn schapen!’ luidde de tweede opdracht.

Daarna vroeg Jezus voor de derde maal: ‘Petrus, hebt je mij lief?‘ Petrus werd er een beetje bedroefd van. Hij dacht dat Jezus maar niet geloven kon dat hij hem liefhad. En nog eens, met al zijn overtuigingskracht antwoordde hij: ‘Heer, u weet alles! U wéét dat ik u liefheb!’ Toen sprak Jezus tor hem: ‘Weid dan ook mijn schapen!’

En met deze derde opdracht schonk Jezus zijn volle vertrouwen aan Petrus en gaf hij hem de leiding over het nieuwe werk, dat spoedig moest beginnen. Want met de ‘lammeren’ en de schapen’ bedoelde hij al de dolende en dwalende mensenkinderen in de wereld, die alleen de weg naar Huis niet konden vinden en dus beschermd en geholpen moesten worden.

Zo laat dit verhaal ons duidelijk zien dat, vóór de Broederschap het ene werkstuk onder de mensheid voltooid heeft, er al weer een nieuwe basis wordt gelegd voor het volgende werk. Want in de loop van de tijden werd telkens weer ‘een Schip’ gereedgemaakt om ‘ter visvangst‘ uit te varen.

Ook werd telkens weer ‘een visser‘ bereid gevonden om het schip te besturen! Er boden zich altijd weer ‘mede-vissers‘ aan, die de Broederschap van harte wilden dienen, om te helpen, ‘verlangende zielen te vissen uit de levenszee’.

Dat werk wordt zo goed mogelijk begonnen, vol liefde en hulpvaardigheid. Maar vaak nog, zonder dat men van binnen bewust weet hoe het werk eigenlijk gedaan moet worden. Alle krachten worden ingespannen, alle tijd wordt aan de arbeid gegeven en toch …. de netten blijven leeg.

Maar, de Broederschap waakt! En na de ervaring van de teleurstelling komt zij te hulp en leert de werkers met volhardend geduld, hoe zij moeten vissen. En eindelijk weten zij het!

‘Het net moet aan de rechterzijde worden uitgeworpen!‘ Naar de wil van God moet gevist worden en niet naar de eigen wil! En zie, dán komen de ‘vissen’ binnen! Honderd-driënvijftig tegelijk. Als we de cijfers bij elkaar optellen, krijgen we: 1 + 5 + 3 = 9.

Het getal 9 betekent in de heilige taal altijd: de gehele mensheid! Wanneer het reddingswerk ten dienste van de mensheid dus op de juiste wijze gedaan wordt, onder de hoede en de leiding van de goddelijke liefdekracht, zal de gehele mensheid gered worden.

Afbeelding: William Hole

Tekst: Jeugdbijbel van Nita Abbestee

– See more at: http://spiritueleteksten.be/geen-categorie/de-wonderbaarlijke-visvangst-verhaal-uit-de-kinderbijbel-van-nita-abbestee/#sthash.EY8yIAmi.dpuf

Byzantijnse liturgie : Troparion en kondakion van Johannes de Voorloper

Byzantijnse Liturgie Troparion en kontakion van Johannes de Voorloper

Johannes de doper444.jpg

Johannes de Doper

 

Voorloper van de Heer in het leven als in de dood

 

      De Jordaan, bang geworden door Uw komst in het vlees, o Christus, ging al bevend zijn weg; Johannes vervulde zijn geestelijke dienst en maakte zich heel klein in zijn vrees. Het engelenleger was met stomheid geslagen, toen ze U, gedoopt naar het vlees, zag in de rivier. Zij die in de duisternis zijn, werden verlicht en wij zingen U toe, Heer, U toont U en verlicht het universum.       De herinnering van de rechtvaardige moet vurig zijn, maar voor u, Johannes de Voorloper, is de getuigenis van de Heer genoeg. Eigenlijk bent u veel achtenswaardiger dan alle andere profeten, want u hebt uw waardigheid gevonden in het dopen met water, wat de andere profeten alleen verkondigd hebben. Daarom bent u, na voor de waarheid gestreden te hebben, gaan verkondigen, zelfs in het gebied van de doden, dat God in het vlees verschenen is. Dat God de zonden van de wereld wegneemt (Joh 1,29) en ons zijn grote medelijden geeft.       Het glorievolle martelaarschap van de Voorloper was een fase in het reddingswerk, aangezien hij, zelfs in het dodenverblijf, de Verlosser heeft verkondigd. Dat Herodias nu weeklaagt, zij die de misdadige moord opeiste, want het is noch de Wet van God, noch het eeuwige leven dat ze heeft bemind, maar illusies die slechts even duren.

Bron : www.dagelijksevangelie.org

Basilius van Seleusië : Andreas bracht zijn broer bij Jezus

Basilius van Seleusië (?-ca. 468), bisschop Sermon ter ere van de heilige Andreus, 3-4

 

basil_of_seleucia.jpg

Basilius van Seleucië

“Andreas bracht zijn broer bij Jezus”

 

Andreas had dit woord van Mozes gehoord: “Uit uw eigen broeders zal de Heer uw God een profeet laten opstaan zoals ik, naar wie u moet luisteren” (Dt 18,15). Maar hij hoorde ook Johannes de Doper roepen: “Daar is het Lam van God” (Joh 1,29) Toen hij Hem zag, ging hij spontaan naar Hem toe. Hij herkende de profeet die aangekondigd werd door de profetie, en hij leidde zijn broer aan de hand mee naar Degene die hij had gevonden. Hij toonde Petrus de schat die hij niet kende: “We hebben de Messias gevonden, Degene naar wie we verlangden. Wij hebben op zijn komst gewacht, laten we Hem nu aanschouwen. We hebben Hem gevonden over wie de luide stem van de profeten ons aanspoorde om op Hem te wachten. Deze tijd heeft Degene meegebracht die de genade had verkondigd, Degene die de liefde wenste te zien”. Andreas ging zijn broer Simon opzoeken om met hem de schat van zijn aanschouwen te delen. Hij leidde Petrus naar de Heer. Wat een verbazingwekkend wonder! Andreas was nog geen leerling en hij werd al leider van mensen. Door te onderrichten begon hij te begrijpen en verkreeg hij de waardigheid van een apostel: “Wij hebben de Messias gevonden. Na zoveel nachten die we slapeloos aan de oevers van de Jordaan hebben doorgebracht, hebben we eindelijk het doel van ons verlangen gevonden”. Petrus volgde die roep meteen op. Hij was de broer van Andreas en hij is vol ijver en met opengesperde oren doorgegaan… Later toen Petrus een bijzondere leiding kreeg, had hij dat te danken aan wat Andreas had gezaaid. Maar de lofzang die tot de één wordt gericht weerklinkt eveneens op de ander. Want het goede van de één behoort aan de ander, en de één verheerlijkt zich met het goede van de ander.

www.dagelijksevangelie.org

Spiritualiteit en geestelijk vaderschap : Metropoliet Anthony

Spiritualiteit en geestelijk vaderschap

Metropoliet Anthony

Eerst zou ik de betekenis van het woord spiritualiteit willen bepalen, want gewoonlijk, als we spreken over spiritualiteit hebben we het over bepaalde religieuze uitingsvormen van ons geestelijk leven, zoals het gebed of ascese. Dat wordt duidelijk uit boeken, zoals die van de heilige Theofanes Zatvornik (de Kluizenaar). Echter, als we het hebben over spiritualiteit, dan

Lees verder Spiritualiteit en geestelijk vaderschap : Metropoliet Anthony

14e zondag na Pinksteren :”van het bruilofsmaal”

14e zondag na Pinksteren

“van het bruilofsmaal”

 

 

bruidsmaaltijd.jpg

Parabel van het bruilofsmaal. Maurice de Sully, Sermons, Italie, Gênes, XIVe siècle. (Cote : BNF Richelieu Manuscrits Français 187

 

 

2 Kor. 1,21-2,4

 [21] En God zelf heeft ons samen met u in Christus* bevestigd en ons gezalfd*. [22] Hij heeft op ons zijn zegel* gedrukt en ons de Geest als onderpand* gegeven. [23] Ik roep God aan als mijn getuige*, ik zweer bij mijn leven: alleen om u te sparen ben ik nog niet naar Korinte gekomen. [24] Niet dat wij heer en meester zijn van uw geloof; wij willen alleen bijdragen tot uw vreugde. Want in het geloof staat u stevig genoeg

 [4] Toen ik schreef, was het dan ook met een bedrukt en beklemd gemoed en onder veel tranen. Ik wilde u niet verdrietig maken, maar u een blijk geven van de innige liefde die ik u toedraag.

EVANGELIE

Mattheus 22,1-14

Gelijkenis van een bruiloftsfeest [1] Opnieuw sprak Jezus tot hen in gelijkenissen: [2] ‘Met het koninkrijk der hemelen gaat het als met een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. [3] Hij stuurde zijn slaven om de gasten te roepen die voor de bruiloft genodigd waren, maar ze wilden niet komen. [4] Hij stuurde weer andere slaven met de opdracht: “Zeg tegen de genodigden: Kijk, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en het mestvee zijn geslacht, en alles staat gereed. Kom naar de bruiloft.” [5] Maar ze trokken zich er niets van aan en gingen hun eigen weg, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel. [6] De overigen grepen zijn slaven vast, mishandelden en vermoordden hen. [7] De koning werd woedend. Hij stuurde zijn soldaten, liet die moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken. [8] Toen zei hij tegen zijn slaven: “Het bruiloftsmaal is klaar, maar de genodigden waren het niet waard. [9] Ga nu dus naar de kruispunten van de wegen, en nodig iedereen die je maar tegenkomt uit voor de bruiloft.” [10] Die slaven gingen naar de wegen en brachten iedereen mee die ze tegenkwamen, slechten en goeden; en de bruiloftszaal liep vol met gasten. [11] Maar toen de koning binnenkwam en de gasten zag, merkte hij iemand op die geen bruiloftskleding aan had. [12] Hij zei tegen hem: “Vriend, hoe ben je hier binnengekomen zonder bruiloftskleding?” Hij wist niets te zeggen. [13] Toen zei de koning tegen de dienaren: “Bind hem aan handen en voeten en werp hem in de uiterste duisternis.” Het zal daar een gejammer zijn en een tandengeknars. [14] Immers, velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitgekozen.’

 

 

“Komt naar het bruiloftsmaal”

 

 Als in de zichtbare wereld een heel klein volk zich verzet tegen de koning door hem de oorlog te verklaren, dan neemt de laatste geen moeite om tegen hen in actie te komen, maar hij stuurt zijn soldaten met hun generaals en deze binden de strijd aan. Als daarentegen het volk dat tegen hem in opstand komt erg machtig is en in staat is om zijn koninkrijk te verwoesten, dan ziet de koning zich verplicht om zelf, met zijn hofhouding en zijn legeractie te voeren en de strijd aan te gaan. Zie dus hoe waardig u bent! God zelf is met zijn eigen leger, daarmee bedoel ik de engelen en de heiligen, de strijd komen voeren; Hijzelf komt u beschermen om u te verlossen van de dood. Heb dus vertrouwen en bemerk de voorzienigheid waarvan u het onderwerp bent. Nog een voorbeeld uit het leven. Stellen we ons een koning voor die eenarm en ziek mens ontmoet en geen afkeer van deze persoon heeft, maar die de wonden geneest met heilzame middelen. Hij neemt hem op in zijn paleis, bekleedt hem met een purperen kleed, omgordt hem met een diadeem en nodigt hem uit aan zijn tafel. Zo benadert Christus, de hemelse koning een ziek mens, Hij geneest hem, laat hem aan zijn koninklijke tafel zitten, en dat zonder zijn vrijheid geweld aan te doen, maar door hem met overreding ertoe brengt om een dergelijke hoge eer te aanvaarden. In de Schrift staat overigens geschreven dat de Heer zijn dienstknecht en stuurde om hen die graag zouden willen komen, uit te nodigen, en Hij kondigde hen aan: “Mijn maaltijd is gereed!” Maar zij die geroepen waren, verontschuldigden zich… Ziet u, Degene die de oproep deed, was klaar, maarde geroepenen hielden de boot af; ze zijn dus verantwoordelijk voor hun eigen lot. Dat is de grote waardigheid van de christenen. De Heer heeft voor hen het Koninkrijk bereid, en Hij nodigt hen uit om binnen te komen; maar ze weigeren om te komen. Ten aanzien van de gave die ze moeten ontvangen, kan men zeggen dat als iemand… ellende verdraagt sinds de schepping van Adam tot aan het einde van de wereld, dat hij niets heeft gedaan in vergelijking met de heerlijkheid die hij zal erven, want hij zal regeren met Christus tot aan het einde der tijden. Glorie aan Hem die deze ziel zo lief heeft, dat Hij zichzelf aan haar heeft gegeven en heeft toevertrouwd, zo is zijn genade! Glorie aan zijne Majesteit!

Gregorius de Grote : Hebt u mijn zielsbeminde gezien ?

H. Gregorius de Grote (ca. 540-604), paus en kerkleraar Homilie over het Evangelie, 25,1-2.4-5 ; PL 76, 1189-1193 

Gregorius de grote8.jpg

 “Hebt u mijn zielsbeminde gezien?”

 

Hoe grote liefde woonde er in het hart van die vrouw: terwijl zelfs de leerlingen naar huis gingen, bleef zij, onwrikbaar, bij het graf van de Heer. Zij bleef zoeken naar Hem die zij niet gevonden had. Zij zocht onder tranen. Door het vuur van de liefde tot Hem ontstoken, brandde zij van verlangen naar Hem die zij weggenomen waande. Zo kwam het dat alleen zij Hem toen mocht zien, omdat zij gebleven was om Hem te zoeken. De kracht van het goede werk bestaat immers in de volharding. De stem van de Waarheid zegt: “Wie ten einde toe volhardt, zal gered worden” (Mt.10, 22)… Door het wachten waren haar verlangens gegroeid en zo konden zij vasthouden wat zij hadden gevonden. Heilige verlangens groeien door het wachten, maar als zij ten gevolge van het wachten verzwakken, zijn het geen echte verlangens geweest. Van deze liefde heeft iedereen gegloeid die tot de waarheid heeft kunnen komen. Daarom zegt David: “Mijn ziel heeft dorst naar God die leeft; zal ik Hem ooit bereiken en zijn aanschijn zien?” (Ps.42,3). Daarom ook zegt de kerk in het Hooglied: “Ik ben gewond door de liefde” en ook: “Ik ben ziek van liefde” (Hoogl. 2,5).”Vrouw, waarom schreit u? Wie zoekt u?” Men vraagt haar naar de oorzaak van haar smart. Zo wordt haar verlangen nog groter. Want, wanneer zij de naam noemt van Hem die zij zoekt, zal zij nog meer gloeien van liefde. Jezus zegt tot haar: “Maria!” Eerst spreekt Hij haar aan met het algemene woord ‘vrouw’ en zij herkent Hem niet. Maar dan noemt Hij haar bij haar naam. Het is alsof Hij duidelijk zegt: “Herken Hem door wie je gekend wordt: Ik ken je niet in het algemeen, zoals Ik de anderen ken. Ik ken je op een heel bijzondere wijze.” Omdat Maria bij haar naam genoemd wordt, herkent zij degene die spreekt, en noemt Hem onmiddellijk “Rabboeni”, dat wil zeggen: ‘Leraar’. Want Hij was het die zij buiten zocht, terwijl Hij in haar binnenste aanwezig was en zelf haar leerde Hem te zoeken.

Bron : www.dagelijksevangelie.org