Pinksteren

PINKSTEREN

8e ZONDAG NA PASEN

 

Pinksteren (2).jpg

 

 

Pinksteren

Op een hoefijzervormige bank zitten de twaalf apostelen. Links boven Petrus en rechtsboven Paulus. Bovenin dalen vanuit het hemelsegment de stralen van de Heilige Geest neer op de groep van twaalf.
In het midden onderaan is een donker gewelf zichtbaar, waarin een koninklijk geklede gestalte staat. Hij heeft een witte doek uitgespreid met daarin twaalf evangelierollen. Het betreft de vertegenwoordiging van de kosmos, die het evangelie klaar houdt voor verspreiding over de wereld.

 

LEZINGEN :

Eerste lezing : Handelingen 2,1-11

Pinksteren [1] Toen de dag* van Pinksteren aanbrak, waren zij allen op één plaats bijeen. [2] Plotseling kwam er uit de hemel een geraas alsof er een hevige wind opstak, en het vulde heel het huis* waar zij waren. [3] Er verschenen hun vurige tongen*, die zich verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten. [4] Zij raakten allen vol van heilige Geest en begonnen te spreken* in vreemde talen, zoals de Geest hun ingaf.      [5] Nu woonden er in Jeruzalem vrome Joden, afkomstig uit ieder volk onder de hemel. [6] Toen dat geluid opkwam, liep de menigte te hoop en raakte in verwarring, omdat iedereen hen in zijn eigen taal hoorde spreken. [7] Ze stonden versteld en vroegen zich verwonderd af: ‘Maar dat zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken! [8] Hoe is het dan mogelijk dat ieder van ons de taal* van zijn geboortestreek hoort? [9] Parten* en Meden en Elamieten, en bewoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, Pontus en Asia, [10] Frygië en Pamfylië, Egypte en het Libische gebied bij Cyrene, en hier woonachtige Romeinen, [11] Joden en proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal spreken over de grote daden van God.’

EVANGELIE

Johannes 7,37-5. 8,12.

Stromen levend water      [37] Op de laatste dag, het hoogtepunt van het feest, stond Jezus daar en riep: ‘Heeft* iemand dorst, laat hij dan naar Mij toe komen, en laat drinken [38] wie in Mij gelooft! Zoals de Schrift zegt: Uit zijn binnenste zullen stromen levend water vloeien.’ [39] Hiermee doelde Hij op de Geest die men zou ontvangen als men tot geloof in Hem kwam. Toen was de Geest er namelijk nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt* was.
Verdeeldheid onder de toehoorders      [40] Onder het volk waren er die bij het horen van deze woorden zeiden: ‘Dit is werkelijk de profeet*.’ [41] Sommigen beweerden: ‘Hij is de Messias.’ Maar er waren er ook die zeiden: ‘De Messias komt toch niet uit Galilea*? [42] Zegt de Schrift niet dat de Messias uit het geslacht van David komt en uit Betlehem, de woonplaats van David?’ [43] Zo ontstond er verdeeldheid over Hem onder het volk. [44] Er waren er die Hem wilden grijpen, maar niemand sloeg werkelijk toe.
Ongeloof van de autoriteiten      [45] Toen de gerechtsdienaren bij de hogepriesters en farizeeën terugkwamen, vroegen dezen: ‘Waarom hebben jullie Hem niet meegebracht?’ [46] De dienaars zeiden: ‘Nog nooit heeft een mens zo gesproken!’ [47] Waarop de farizeeën antwoordden: ‘Hebben jullie je ook al laten misleiden? [48] Heeft een van de leiders Hem geloof geschonken? Of iemand van de farizeeën? [49] Maar dat volk, dat de wet* niet kent, vervloekt zijn ze!’ [50] Nikodemus, de man die indertijd naar Jezus toe was gekomen, iemand uit hun eigen kring, merkte op: [51] ‘Sinds wanneer staat de wet ons toe iemand te veroordelen zonder hem eerst te horen en ons over zijn daden een oordeel te vormen?’ [52] Maar hij kreeg als antwoord: ‘Bent u soms ook een Galileeër? Zoek het maar na en u zult zien: uit Galilea komen geen profeten*!’

 [12] Weer richtte Jezus zich tot* hen: ‘Ik* ben het licht* van de wereld. Wie Mij volgt*, gaat zijn weg niet in de duisternis, maar zal het ware levenslicht bezitten.

 

 

 

pinksteren89.jpg

 

 

TROPARION : Toon 8

 

Gij zijt gezegend, o Christus, onze God,

die met Uw wijsheid de Vissers hebt vervuld, door hen te

vervullen met Uw Heilige Geest. Door hen hebt Gij heel

de wereld buitgemaakt; minnaar der mensen, ere zij U

 

KONDAKION: Toon 8

 

Toen de Allerhoogste nederdaalde, verwarde Hij de talen

en scheidde de volkeren. Toen Hij echter de Vuurtongen

uitdeelde riep Hij allen tot eenheid.

Laat ons daarom eenstemmig de heilige Geest verheerlijken.

heiligenleven : De heilige Sabbas de Nieuwe

Heiligenleven

De heilige Sabbas de Nieuwe

 

 

sabbas de Nieuwe.jpg

Heilige Sabbas de Nieuwe

 

De heilige Sabbas de Nieuwe, van het eiland Kalymnos, geboren in 1862 in Noord-Griekenland. Zijn ouders hadden een dorpswinkeltje waar hij vanaf zijn 12e jaar hielp, zij het zondegr veel enthousiasme. Zijn belangstelling ging uit naar een rechtstreekser geestelijke levenswijze, en zo gauw hij de kans kreeg trok hij naar de Athos. Daar vond hij onderdak in de skite van de heilige Anna, waar waarschijnlijk een kennis of familielid huisde.Hij vond er gastvrijheid maar werd nog geen monnik : hij wa nog te ongedurig.

Hij trok daarom verder, ging op pelgrimstocht naar het heilige land toen hij zo’n 25 jaar oud was, en kwam terecht in het oeroude klooster van de heilige Gregorios, Chroseba genaamd. In de ruwe omgeving waar nog de oude harde askese in ere werd gehouden, voelde hij zich thuis. Hij bleef er en ontving er na 3 jaar de monnikswijding, in 1890. Hij bleek talent te hebben voor het schilderen en vier jaar later ging hij voor enkele jaren terug naar de skite van de heilige Anna op de Athos, waar een van de bekendste schilderscholen van de heilige Berg is gevestigd, om zich te bekwamen in het iconenschilderen.

In 1897 was hij weer in het Choseba-klooster waar hij voorlopig rustig deelnam aan het gewone monniksleven. Na enkele jaren werd hij diaken en daarna oriester gewijd, zonder dater verder veel veranderde. Alleen moest hij, wanneer hij de beurt had, de Diensten leiden en de heilige Liturgie vieren voor de vaders en broeders.

Nadat hij zo 10 jaar in Choseba had geleefd, beving hem toch opnieuw de onrust en de volgende 9 jaar was ,hij weer in de skite van de heilige Anna. Hij had nu de middelbare leeftijd, 54 jaar, en nam voorgoed afscheid van de Athos.  Hij zocht naar een plaats waar hij zelfstandig zijn asketisch leven kon leiden, trok een beetje door Griekenland, hoorde daar spreken over een heilige bisschop Nectarios en ging die opzoeken op het eiland Egina, niet ver van Athene. Nectarios had daar een zusterklooster gesticht en Sabbas gaf er een aantal jaren les in iconenschilderen.

Hij was ook getuige van het afsterven van bisschop Nectarios, dat zulk een diepe indruk maakte op de omgeving, vooral toen het lichaam de myron begon af te scheiden, die heel de omgeving met een lieflijke ,geur vervulde als hemelse getuige van diens heiligheid. Sabbas trok zich 40 dagen terug in zijn cel en kwam toen met een icoon waarop de overledene als een heilige werd voorgesteld. De ontstelde hegoumena, die al zoveel moeilijkheden met kerkelijke overheden had meegemaakt, wierp tegen dat dit toch niet mogelijk was zolang hij niet afficieel heilig was verklaard. Maar Sabbas wist haar over te halen de icoon toch ter verering uit te stellen in de kerk.

De roem van de heilige Nectarios verspreidde zich weldra over geheel Griekenland, en steeds meer mensen kwamen naar het graf van zulk een grote Heilige uit hun eigen tijd. Maar voor vader Sabbas werd het nu te druk, en opnieuw ving een tijd van rondtrekken aan. Tenslotte vestigde hij zich op het afgelegen eiland Kalymnos, als geestelijke vader van het monialenklooster van Allerheiligen. Hij bouwde voor zichzelf een paar cellen en een kerkje, schilderde iconen, leidde de Diensten van de nonnen, hielp hen met alles wat hij kon, en hoorde biecht. De eilandbewoners ondervonden veel moeilijkheden door de italiaanse bezetting, maar Sabbas stond hen bij en leerde hen, het onvermijdelijke met berusting te aanvaarden als de wil van God, en op Hem te blijven vertrouwen.

Ook hier zette hij zijn asketische levenswijze voort : zijn gewone voedsel bestond uit prosforabrood met de wijn die overgebleven was van de communie. Heel zelden gebruikte hij iets dat gekookt was en nooit vlees of vis. Geld dat hij voor de iconen of als aalmoes kreeg, ging ongeteld in de la, vanwaar hij het weer uitdeelde aan weeskinderen en armen. Het moest vóór  de avond uitgegeven zijn,want het kwam niet te pas dat een monnik ’s nachts nog geld onder zijn beheer zou hebben. Wanneer arbeiders iets voor hem moesten doen, moesten zij maar zelf het hun toekomende geld uit de la nemen, daar keek hij verder niet naar.

Hij was altijd ernstig en tegelijk heel innemend : onbedorven mensen hebben een fijn gevoel voor iemand die heilig is. Hij onderbrak uitbundig gelach van volwassenen, dat was alleen goed voor kinderen. Hij was mild in zijn oordeel over de gewone fouten van de mensen, alleen tegen vloeken  trad hij met grote beslistheid op en gaf daar in de biecht ook echte straffen voor. Het is God beledigen, ook wanneer het uit onnadenkendheid gebeurt, en daar wilde hij zijn mensen voor sparen.

Intussen was hij 86 jaar oud geworden, en 7 april 1948 stierf hij in stilte, zoals hij geleefd had. Na herhaald uitstel werden in 1957, op deze zelfde dag, zijn relieken opgegraven, waarbij zich dezelfde wonderlijke geur verspreidde die hijzelf bij de heilige Nectarios had waargenomen. Er begonnen steeds meer wonderen te geschieden, zowel bij zijn graf als elders, waar de heilige Vader Sabbas werd aangeroepen. Na enige tijd kan een officiële heiligverklaring door de Griekse Kerk verwacht worden, maar de verering door het orthodoxe volk is al begonnen.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg.Orth.Klooster Den Haag

Cyrillus van Jeruzalem : Ik ben het brood des levens

H. Cyrillus van Jeruzalem (313-350) bisschop van Jeruzalem en kerkleraar Doopcatechese 22

 

 

cyrille_de_jerusalem_45_01.jpg

 

 

Cyrillus van Jerusalem

 

 

 

 

“Ik ben het brood des levens”

 

      Als Christus zelf over het brood zegt: “Dit is mijn lichaam”, wie zou daarover dan nog kunnen aarzelen? En als Hij bevestigt: “Dit is mijn bloed”, wie zou er dan nog over twijfelen? Eerder in Cana in Galilea had Jezus water in wijn veranderd – de wijn is verwant aan het bloed. Wie zou nu nog weigeren om te geloven dat Hij wijn in bloed verandert? Hij was op een bruiloft hierbeneden uitgenodigd en Hij deed een verbazingwekkend wonder; hoe kan men dan nog weigeren wat Hij geeft aan “de vrienden van de bruidegom” (Mt 9,15), namelijk de vreugde van zijn Lichaam en zijn Bloed?       Want zijn lichaam wordt gegeven in de verschijning van brood, en zijn bloed in de verschijning van wijn; als je hebt deelgenomen aan het lichaam en bloed van Christus, dan ben je met Hem één en hetzelfde lichaam en één en hetzelfde bloed. Zo worden wij “dragers van Christus” (Christoffel). Zijn lichaam en zijn bloed verspreiden zich in onze ledematen; zo worden we deelgenoot aan de goddelijke natuur. Eerder toen Hij zich met de joden onderhield zei Christus: “Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en hem zal Ik op de laatste dag uit de dood opwekken” (Joh 6,54). Als het brood en de wijn je alleen maar natuurlijk lijken, eindig daar dan niet … Als je zintuigen je op een dwaalspoor brengen, dan stelt het geloof je gerust.       Wanneer je dus naderbij komt om Hem te ontvangen, kom dan niet respectloos naar voren, door je handen uit te spreiden, de vingers uit elkaar. Maar daar de Koning op je rechterhand gaat rusten, maak daarom voor Hem een troon met je linkerhand, en ontvang in de holte van je hand het Lichaam van Christus en antwoordt: Amen!

de heilige Kalliopios

Heiligenleven

De heilige Kalliopios

 

 

 

kalliopios.jpg

De heilige Kalliopios

 

De heilige Kalliopios, de zoon van de rijke christen weduwe Theoklia, te Pergos in Pamfylië. Hij genoot een zorgvuldige opvoeding; toen de vervolging uitbrak zond zijn moeder hem in een kist, samen met veel andere goederen en een stoet bedienden, naar een van haar bezittingen in een rustiger gebied.

Dit mooie plan mislukte echter. Buiten de stad was de jongen uit zijn kist gekropen en nieuwsgierig liep hij rond in hun eerste aanlegplaats, de havenstad Pompeiopolis. Daar kwam hij in een discussie terecht waardoor bleek dat hij christen was. Hij werd gegrepen en voor de prefect gebracht. Toen deze zijn naam hoorde en zijn rijkdom zag, stelde hij hem voor dat geloof te laten varen en zijn dochter te trouwen. Kalliopios antwoordde dat hij niet kon trouwen zonder toestemming van zijn moeder, en dat er bovendien geen sprake van kon zijn dat hij het christendom zou afzweren. De prefect stelde toen zijn standvastigheid op de proef door hem te laten geselen met loden zwepen, en toen hij de jongeman hiermee niet kon klein krijgen deed hij hen de foltering ven het messenrad ondergaan, waardoor zijn lichaam van onder tot boven verscheurd werd. In deze toestand werd hij in de gevangenis geworpen.

Intussen was een der bedienden naar Pergos teruggereisd en had Theoclia ingelicht. Deze haastte zich om haar zoon op te zoeken en vond hem in de gevangenis. Zijn lichaam was zo gezwollen door de ontstoken wonden dat hij niet kon opstaan om zijn moeder te begroeten, maar hij glimlachte dapper en zei : ‘Welkopm moeder U bent gekomen om getuige te zijn van het lijden van Christus’. En zij antwoordde :’Gezegend ben ik en gezegend is de vrucht van mijn schoot, die ik aan Christus heb opgedragen zoals Anna dat eertijds met Samuël heeft gedaan’.

Die nacht bleef zij bij hem in de gevangenis, verzorgde zijn wonden en zat aan zijn voeten. De volgende morgen werd hij weer voor de prefect gebracht, die hem tot de kruisdood veroordeelde. Het vonnis moest voltrokken worden op de Grote Donderdag, maar de moeder had de beulen omgekocht om het vonnis een dag uit te stellen, zodat hij op dezelfde dag zou gekruisigd worden als zijn Heer en Meester. Maar zij dreven de spot met haar en kruisigden haar kind met het hoofd naar omlaag. Zij bleef bij hem totdat hij gestorven was. De beulen namen hem van het kruis en legden hem in haar schoot. Zij legde zijn armen om haar hals en boog zich over dat gemartelde gezicht. Toen brak haar hart en zij was weer verenigd met Christus en Zijn Martelaar, in het jaar 304.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Uitg.orth.klooster Den Haag