17e zondag na Pinksteren : de kananese vrouw

 

 

17e zondag na Pinksteren

2e na de Kruisverheffing

 

“Van de kananese vrouw”

 

 

Maria Magdalena abab.jpg

 

LEZINGEN :

Eerste lezing :

2 Kor.9,6-16 – 7,1

Is er enig verband tussen de tempel van God en de afgoden? Wij zijn de tempel van de levende God. God heeft zelf gezegd: Ik zal onder hen wonen en met hen omgaan. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. Daarom, ga weg uit hun midden en houd u ver van hen, zegt de Heer, en raak niets aan wat onrein is. Dan zal Ik u genadig aannemen. Ik zal voor u een vader zijn en u zult voor mij zonen en dochters zijn, zegt de Heer, de Albeheerser.

Zulke beloften zijn ons gedaan, geliefden; laten wij ons dus zuiveren van elke smet naar lichaam en geest, en vol ontzag voor God onze heiliging voltooien.

 

Evangelie :

Matth.15,21-28

Jezus en een Kananese vrouw      Jezus ging daar weg en nam de wijk naar het gebied van Tyrus en Sidon. En kijk, een Kananese vrouw uit die streek kwam naar buiten en riep: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David. Mijn dochter is vreselijk bezeten.’ Maar Hij gaf haar niet eens antwoord. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: ‘Stuur haar weg, want ze roept ons achterna.’ Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gestuurd naar de verloren schapen van het huis van Israël.’ Maar zij kwam naar Hem toe en knielde voor Hem neer en zei: ‘Heer, help me.’ Hij gaf haar ten antwoord: ‘Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de hondjes te geven.’ Maar zij zei: ‘Juist, Heer, want wat de hondjes eten, zijn de kruimels die van de tafel van hun baas vallen.’ Toen gaf Jezus haar ten antwoord: ‘Vrouw, groot is uw vertrouwen. Moge het u vergaan zoals u wenst.’ En haar dochter was vanaf dat moment genezen.

Gregorius Palamas : Ga naar mijn broeders en zusters

H. Gregorius Palamas (1296-1359), monnik, bisschop en theoloog Homilie 20 over de acht evangeliën van Paasmorgen volgens Johannes; PG 151, 265

gregory-palamas.jpg

‘Ga naar mijn broeders en zusters”

      De duisternis heerste buiten, het was nog geen dag, maar in deze graftombe was het vol met het licht van de verrijzenis. Maria had dit licht gezien door de genade van God: haar liefde voor Christus werd verlevendigd en ze kreeg het vermogen om engelen te zien… Ze zeiden toen tegen haar: “Vrouw waarom huil je? U ziet de hemel in deze graftombe of liever een hemelse tempel in plaats van een gegraven graf welke een gevangenis is… Waarom huilt u dan?”…
      Buiten was de dag nog weifelachtig, en de Heer laat niet zijn goddelijke straling verschijnen waardoor Hij herkend zou worden in het lijdende hart. Maria herkent Hem daarom niet… Toen Hij sprak en zich liet kennen…, zelfs toen, ook al zag ze Hem levend, had ze geen idee van zijn goddelijke grootheid maar richtte zich tot Hem als tot een eenvoudig mens van God … In het enthousiasme van haar hart, wil ze zich vervolgens op de knieën werpen, en zijn voeten aanraken. Maar Hij zei tegen haar: “Raak Me niet aan…, want dit lichaam dat Ik nu heb is lichter en beweeglijker dan het vuur; het kan naar de hemel opstijgen en zelfs tot bij de Vader komen in de hoogste hemel. Ik ben nog niet naar mijn Vader opgestegen, omdat Ik me nog niet heb getoond aan mijn leerlingen. Ga naar hen; het zijn mijn broeders en zusters, want wij zijn allen kinderen van één Vader” (cf Ga 3,26)…
      De Kerk waarin we ons bevinden is het symbool van die graftombe. Zij is zelfs meer dan een symbool: zij is, om het zo te zeggen, een ander Heilig Graf. Daar bevindt zich de plaats waar men het lichaam van de Meester neerlegt…; daar bevindt zich de heilige tafel. Degene die dus met heel zijn hart naar het goddelijk graf snelt, het ware verblijf van God…, zal op de wijze van de engelen, leren van de woorden uit de geïnspireerde boeken, over de goddelijkheid en de menselijkheid van het vleesgeworden Woord van God. Hij zal zo zonder enige vergissing de Heer zelf zien… Want degene die met geloof naar de mystieke tafel en naar het levensbrood erop kijkt, zal er in werkelijkheid het Woord van God zien dat voor ons vlees geworden is en onder ons is komen wonen (Joh 1,14). En hij zal waardig zijn om Hem te ontvangen, niet alleen ziet hij Hem, maar hij neemt ook deel aan zijn wezen; hij ontvangt Hem in zichzelf opdat Hij er verblijven zal.

Bron : www.dagelijksevangelie.org