zondag van het laatste oordeel

Zondag van het laatste oordeel

 

 laatste_oordeel1.jpg

 

 

1 Kor.8,8-9,2

Eten van offervlees

 

Wat nu het offervlees betreft: ‘Wij allen bezitten de gave van de kennis’, maar kennis alleen leidt tot eigenwaan; het is de liefde die opbouwt.  Als iemand kennis meent te bezitten, weet hij nog niet op de juiste wijze te kennen.  Maar wie God liefheeft, die wordt door Hem gekend.  Wat dus het eten van offervlees betreft: wij weten dat er in de hele wereld geen afgod bestaat en dat er geen God is behalve de Ene.  Want ook al zijn er zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op aarde – en in deze zin zijn er vele goden en heren –  toch is er voor ons maar één God, de Vader, uit wie alles voortkomt en voor wie wij bestemd zijn, en één Heer, Jezus Christus, door wie alles er is, en door wie wij leven.       Maar niet allen bezitten die kennis. Sommige mensen waren tot voor kort nog zo gewend aan afgoderij, dat ze vlees dat aan goden is geofferd, nog altijd als zodanig beschouwen; en hun geweten, zwak als het is, wordt erdoor besmet als zij het eten. Voedsel brengt ons niet dichter bij God; wij verliezen er niets bij als wij het niet eten, en als wij het wel eten, worden wij er niet beter van.  Maar zorg ervoor dat uw vrijheid van handelen de zwakken geen aanstoot geeft. Als zo iemand u, die daar geestelijk boven staat, in een afgodstempel aan een maaltijd ziet deelnemen, zal hij er dan, met zijn zwakke geweten, niet toe aangezet worden om ook offervlees te gaan eten?  Dan gaat ten gevolge van uw beter inzicht de zwakke verloren, een broeder voor wie Christus is gestorven.  Door zo te zondigen tegen de broeders, en hun angstvallige geweten te kwetsen, zondigt u tegen Christus. Daarom, als mijn voedsel aanstoot geeft aan mijn broeder, zal ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, want ik wil mijn broeder geen aanstoot geven.

Het voorbeeld van Paulus Ben ik geen vrij man? Ben ik geen apostel en heb ik Jezus onze Heer niet gezien? En u bent toch mijn werk in de Heer?  Al ben ik voor anderen geen apostel, voor u toch zeker wel; want u bent in de Heer het waarmerk van mijn apostelschap.

 

Lees verder zondag van het laatste oordeel

Cyprianus : het gebed van de kinderen van God

H. Cyprianus (rond 200-258), bisschop van Carthago en martelaar Het gebed van de Heer, § 8-9,11; PL 4, 523 (vert. brevier)

Cyprianus van Carthago.jpgHet gebed van de kinderen van God

De Heer heeft ons geleerd om zo te bidden: “Onze Vader die in de hemel zijt”. De nieuwe mens, die is wederboren en overgeven aan God door zijn genade, zegt in eerste instantie “Vader”, want hij zijn kind is geworden. Het Woord van God is “In zijn eigen huis gekomen, en zijn eigen mensen hebben Hem niet opgenomen. Aan diegenen die Hem toch opnamen, heeft Hij het vermogen gegeven om kinderen te worden van God: aan hen die geloven in zijn naam” (Joh 1,11-12). Wie in zijn naam gelooft, is kind van God geworden en moet dus beginnen met danken dat hij kind van God is geworden en God, die in de hemel is, Vader noemen…
Wat een grote vergevingsgezindheid en wat een enorme goedheid van de Heer ten aanzien van ons! Hij wil dat we tot God bidden, en Hem de naam Vader geven. En evenals Christus Zoon van God is, zo wilde Hij ook dat wij de naam van de kinderen van God droegen. Die naam zou niemand durven uitspreken in het gebed als deze hem niet was gegeven.
Wij moeten ons herinneren, geliefden, dat we God onze Vader noemen, wij dienen ons te gedragen als kinderen van God. Als we God als onze Vader beschouwen, kunnen we Hem behagen. Wij zijn de tempel van God (1Kor 3,16), laten we ons ernaar gedragen en dan wil God in ons wonen.

Goddelijke Liturgie van de Verloren zoon

Goddelijke Liturgie

Van de verloren zoon

 

 

verloren zoon icoon.jpg

 

LEZINGEN :

Eerste lezing : 1 Kor.6,12-20 :

Het lichaam als tempel van de Geest      ‘Alles is mij geoorloofd.’ Ja, maar niet alles is goed voor mij. ‘Alles mág ik.’ Ja, maar ik moet mij door niets laten knechten.  ‘Het voedsel is er voor de buik en de buik voor het voedsel, en God zal aan allebei een eind maken.’ Het lichaam is er echter niet voor de ontucht, maar voor de Heer, en de Heer voor het lichaam. God heeft niet alleen de Heer opgewekt, Hij zal ook ons laten opstaan door zijn kracht. U weet toch dat uw lichamen lichaamsdelen zijn van Christus? Zou ik dan van die lichaamsdelen van Christus lichaamsdelen van een hoer maken? Dat nooit! Of weet u niet dat hij die met een hoer omgang heeft, één met haar wordt? De Schrift zegt immers: Die twee zullen één zijn. Maar wie zich met de Heer verenigt, is met Hem één geest. Vlucht weg van ontucht. Elke andere zonde die een mens bedrijft, gaat buiten het lichaam om; maar de ontuchtige zondigt tegen zijn eigen lichaam. U weet het: uw lichaam is een tempel van de heilige Geest die in u woont, die u van God hebt ontvangen. U bent niet van uzelf. U bent gekocht en de prijs is betaald. Eer God dus met uw lichaam.

 

Lees verder Goddelijke Liturgie van de Verloren zoon

Chrysostomos : wanneer U in uw Koninkrijk gekomen zijt

H. Johannes Chrysostomos (ca. 345-407), bisschop van Antiochië, daarna van Constantinopel, Kerkleraar Homilie 1 over het kruis en de misdadiger voor Goede Vrijdag, 2 ; PG 49, 401

chrysostom21 Rom Katholieke 'holy Card' from Bonnella's Eastern Tite series.jpg

Chrysostomos

“Wanneer U in uw Koninkrijk gekomen zijt”

      Nu is het paradijs dat gesloten was voor duizenden jaren voor ons geopend; op deze dag, op dit uur heeft God er de misdadiger binnen gelaten. Hij heeft zo twee wonderen verricht: Hij heeft het paradijs voor ons geopend en heeft er een misdadiger binnen laten gaan. God heeft ons ons oude vaderland teruggegeven, Hij heeft ons nu teruggebracht naar de stad van onze vaderen, nu heeft Hij een gemeenschappelijk verblijf voor de hele mensheid geopend. “Vandaag nog zul je met mij in het paradijs zijn.” Wat zegt U daar, Heer? U bent gekruisigd, vastgehecht met spijkers en U belooft het paradijs? Ja, zegt Hij, opdat je door het kruis mijn macht leert kennen…
       Want niet door de verrijzenis uit de doden, door de zee en de wind te bevelen, noch door demonen uit te drijven heeft Hij de slechte ziel van de dief kunnen veranderen, maar gekruisigd, vastgehecht door spijkers, bedekt met beledigingen, spuug, bespottingen, smaad, opdat je de twee aspecten van zijn integere macht ziet. Hij heeft de hele schepping laten wankelen, Hij heeft rotsen gespleten (Mt 27,51); en Hij heeft de ziel van de misdadiger, welke harder was dan steen, naar zich toegetrokken en Hij heeft hem met eer vervuld…
      Zeker, geen enkele koning zal ooit een misdadiger of een andere onderdaan toestaan om naast hem te komen zitten, als Hij zijn stad binnenkomt. Maar Christus heeft dat gedaan: als Hij in zijn heilige vaderland binnengaat, neemt Hij een misdadiger met Zich mee naar binnen. Door zo te handelen… onteert Hij haar niet door de aanwezigheid van een misdadiger: integendeel, Hij eert het paradijs, want het is een heerlijkheid voor het paradijs om een meester te hebben die een misdadiger waardig kan maken voor de heerlijkheden die men er proeft. Zo ook als Hij tollenaars en prostituees binnenlaat in de hemelen (Mt 21,31)… het is voor de glorie van die heilige plaats, want Hij toont dat de meester van het Koninkrijk der hemelen zo groot is dat Hij aan tollenaars en prostituees al hun waardigheid terug kan geven om deze eer en gave te verdienen. Wij bewonderen een geneesheer nog meer als wij hem mensen die lijden aan bekende ongeneeslijke ziekten, zien genezen. Het is dus juist om Christus te bewonderen… als Hij de tollenaars en de prostituees herstelt in zo’n spirituele gezondheid dat ze de hemel waardig worden.

http://www.dagelijksevangelie.org.

Heilige Leonides

Heiligenleven

 Heilige Leonides, de vader van Originesleonides vader van origines.jpg

heilige Leonides

 

De heilige Leonides, de vader van origines, was om Christus gevangen genomen in 202. Bij keizerlijk decreet werden al zijn goederen verbeurd verklaard, zodat zijn gezin tot volkomen armoede zou vervallen. Hijzelf werd ter dood veroordeeld. Origines, de oudste van de 7 kinderen, schreef  hem zich toch geen zorgen te maken over zijn gezin en niet omwille van hen van het martelaarschap af te zien.

Er staat over Leonides nog een bijzonderheid vermeld. Hij was zelf een christen filosoof en hij zag hoe zijn zoon Origines zich reeds als kind deed zien als een buitengewone persoonlijkheid. De jongen was niet alleen hyper-intelligent, maar richtte zich reeds toen met heel zijn wezen op God en Christus, met een beslistheid en standvastigheid van een rijpe volwassene. Dit wekte een grote vreugde en een diepe eerbied bij Leonides. Wanneer dan het kind lag te slapen, deed zijn vader stil de deken weg en kuste zijn kind voorzichtig op de borst, die tempel van de Heilige Geest !

Toen Leonides gevangen ngenomen werd, was Origines 17 jaar en hij brandde van verlangen ook martelaar te worden en zijn bloed te vergieten voor zijn grote liefde, Jezus Christus. Tevergeefs smeekte zijn moeder haar niet in de steek te laten. Toen haalde zij ’s nachts alles wat als kleding kon dienen het huis uit, zodat origines niet naar buiten kon.

 

Uit : heiligenleven voor elke dag. Orthodox klooster – Den Haag

didachè in het Roemeens

Didahia – sau invatatura celor 12 apostoli

Este cel mai vechi manual crestin pentru randuiala biseri­ceasca si viata crestina. Dupa unii cercetatori, lucrarea dateaza din primul secol, in timp ce altii o plaseaza in sec. II.

INTRODUCERE

Capitolul I

  1. Sint doua cai: una a vietii si alta a mortii; si este mare deosebirea intre cele doua cai.
  2. Calea vietii este aceasta :

Mai intii, sa iubesti pe Dumnezeu, Creatorul tau; al doillea, pe aproapele tau ca pe tine insuti si toate cate voiesti sa nu ti se faca tie, nu le face si tu altora.

  1. Iar invatatura acestor cuvinte este aceasta :

Binecuvintati pe cei ce va blestema si rugati-va pentru dusmanii vostri; postiti pentru cei ce va prigonesc; ca ce multumita aveti, daca iubiti pe cei ce va iubesc ? Nu si paganii fac acelasi lucru ? Voi, insa, iubiti pe cei ce va urasc, si nu veti avea dusman.

  1. Departeaza-te de poftele trupesti si lumesti. Daca-ti da cineva o palma pe obrazul drept, intoarce-i lui si pe celalalt si vei fi desavarsit. Daca te sileste cineva sa mergi o mila, mergi cu el mergi cu el doua daca-ti ia haina, da-i si camasa; daca cineva ia de la tine ce-i al tau, nu cere, ca nici nu poti.
  2. Oricarui cere de la tine, da-i si nu cere inapoi, ca Tatal vrea sa dea tuturor din darurile Sale. Fericit este cel ce da potrivit poruncii, ca este nevinovat. Vai de cel ce ia! Daca ia, avind nevoie, va fi nevinovat; dar cel care ia neavand nevoie, va da socoteala de ce a luat si pentru ce; dus la inchisoare, va fi cercetat de cele ce a facut si nu va iesi de acolo pana cand ce nu va da si cel din urma ban. Dar si despre acestea s-a zis : Sa asude milostenia ta in mainile tale pana cunosti cui dai.

Capitolul II

  1. A doua porunca a invataturii: Sa nu ucizi, sa nu savarsesti adulter; sa nu strici baieti, sa nu fii desfrinat, sa nu furi, sa nu vrajesti, sa nu faci otravuri, sa nu ucizi copil in pantece, nici pe cel nascut sa nu-l ucizi, sa nu poftesti cele ale aproapelui.
  2. Sa nu juri stramb, sa nu dai marturie mincinoasa, sa nu vorbesti de rau, sa nu tii minte raul.
  3. Sa nu fii cu doua ganduri, nici cu doua feluri de vorba, pentru ca doua feluri de vorba este cursa mortii.
  4. Sa nu fie cuvintul tau mincinos, nici in desert, ci plin de fapta.
  5. Sa nu fii lacom, nici rapitor, nici fatarnic, nici rau, nici mindru. Sa nu ai gind rau impotriva semenului tau.
  6. Sa nu urasti pe nici un om, ci pe unii sa-i mustri, pe altii sa-i miluiesti, pentru altii sa te rogi, iar pe altii sa-i iubesti mai mult decit sufletul tau.

Capitolul III

  1. Fiul meu, fugi de orice rau si de tot ce este asemenea lui.
  2. Sa nu fii manios, ca mania duce la ucidere; nici invidios, nici certaret, nici manios, ca din toate acestea se nasc ucideri.
  3. Fiul meu, sa nu fii poftitor, ca pofta duce la desfriu; sa nu spui cuvinte de rusine, si nici sa te uiti cu ochi pofticiosi, ca din toate aceste se nasc adulterele.
  4. Fiul meu, sa nu ghicesti viitorul dupa zborul pasarilor, pentru ca aceasta duce la Inchinare de idoli; sa nu descanti, sa nu citesti in stele, sa nu faci vraji, sa nu vrei sa auzi de ele, nici sa le vezi, ca din toate acestea se naste inchinarea la idoli.
  5. Fiul meu, sa nu fii mincinos, pentru ca minciuna duce la hotie; nici iubitor de argint, nici iubitor de slava desarta, ca din toate acestea se nasc hotiile.
  6. Fiul meu, sa nu fii cartitor, pentru ca te duce la hula, nici obraznic, nici cu gand rau, ca din toate acestea se nasc hulele.
  7. Sa fii blind, pentru ca cei blanzi vor mosteni pamintul.
  8. Sa fii indelung rabdator, milostiv, fara rautate, pasnic si bun, tremurand totdeauna pentru cuvintele pe care le-ai auzit.
  9. Sa nu te inalti pe tine insuti, nici sa ai sufletul tau obraznic. Sa nu se lipeasca sufletul tau de cei mandri, ci sa ai legaturi cu cei drepti si cu cei smeriti
  10. Cele ce ti se intampla se le primesti ca bune, stiind ca nimic nu se face fara Dumnezeu.

Capitolul IV

  1. Fiul meu, sa-ti aduci aminte, ziua si noaptea, de cel ce-ti graieste cuvantul lui Dumnezeu si sa-l cinstesti ca pe Domnul, ca unde se vorbeste de domnie, acolo este si Domnul.
  2. Sa cercetezi in fiecare zi cartile sfintilor, ca sa afli odihna in cuvintele lor.
  3. Sa nu faci desbinare si sa impaci pe cei ce se cearta. Sa judeci cu dreptate, sa nu te uiti la fata omului, cand ai sa mustri pentru pacat.
  4. Sa nu te indoiesti daca un lucru va fi sau nu.
  5. Sa nu fii cu miinile intinse la luat si cu ele stranse la dat.
  6. Daca ai dobindit ceva prin lucrul miinilor tale, sa dai ca rascumparare pentru pacatele tale.
  7. Sa nu stai la indoiala cand dai si nici sa murmuri cand dai, ca vei cunoaste cine este Bunul Rasplatitor al platii.
  8. Sa nu intorci spatele, celui lipsit; sa faci parte din toate ale tale frateluri tau si sa nu zici ca sunt ale tale. Daca santem partasi la cele nemuritoare, cu atat mai mult la cele muritoare.
  9. Sa nu iei mina ta de pe fiul tau sau de pe fiica ta, ci sa-i inveti din tinerete frica de Dumnezeu.
  10. Sa nu poruncesti slugii tale sau slujnicii tale, cand esti amarat si suparat, ca si ei nadajduiesc in acelasi Dumnezeu, ca nu cumva sa nu se mai teama de Dumnezeu, care este si Dumnezeul tau si al lor. Ca Dumnezeu n-a venit la noi, ca sa ne cheme dupa fata, ci le aceia pe care i-a pregatit Duhul.
  11. lar voi, cei care sunteti robi, sa va supuneti, cu rusine si cu teama, stapanilor vostri, ca unor chipuri ale lui Dumnezeu.
  12. Sa urasti orice fatarnicie si tot ce nu este placut Damnului.
  13. Sa nu parasesti poruncile Domnului si sa pastrezi ceea ce ai primi fara sa adaugi si fara sa scoti.
  14. In Biserica sa-ti marturisesti pacatele tale si sa nu te duci la rugaciune cu constiinta rea. Aceasta este calea vietii.

Capitolul V

  1. Calea mortii este aceasta :

Mai intai de toate este rea si plina de blestem : ucideri, adultere, pofte, desfranari, hotii, idololatrii, vraji, farmece, rapiri, marturii mincinoase, fatarnicii, inima vicleana, viclesug, mandrie, rautate, obraznicie, lacomie, cuvinte de rusine, invidie, nerusinare, ingamfare, fudulie, lipsa de teama,

  1. prigonitori ai celor buni, uratori de adevar, iubitori de minciuna ; nu cunosc rasplata dreptatii, nu se lipesc de bine, nici de dreapta judecata; nu privegheaza spre bine, ci spre rau ; bunatatea si rabdarea este departe de ei; iubesc cele desarte, umbla dupa mita, nu miluiesc pe sarac, nu sufar pe cei necajiti, nu cunosc pe Creatorul lor, ucigasi de copii, stricatori al fapturii lui Dumnezeu, intorc spatele celui lipsit, asupresc pe cel in strimtorare; aparatori ai bogatilor, judecatori nelegiuiti ai saracilor, plini de tot pacatul. Izbaviti-va fiilor, de toate acestea!

Capitolul VI

  1. Vezi sa nu te abata cineva de la aceasta cale a invataturii, ca acela te invata cele ce sunt in afara de Dumnezeu.
  2. Daca poti purta tot, jugul Domnului, desavarsit vei fi; dar daca nu poti, fa ce poti.
  3. Cu privire la mincari, tine ce poti, dar fereste-te tare de cele jertfite idolilor, ca este slujire a unor zei morti.

Capitolul VII

  1. Cu privire la botez, asa sa botezati :

Dupa ce ati spus mai inainte tote cele de mai sus botezati in numele Tatalui si al Fiului si al Sfintului Duh. In apa proaspata.

  1. Iar daca n-ai apa proasparta, boteazs in alta apa; iar daca nu poti in apa rece, in apa cald.
  2. Daca nu ai de ajuns nici una nici alta, toarna pe cap de trei ori apa, in numele Tatalui al Fiulul si al Sfantului Duh
  3. Inainte de botez sa posteasca cel ce boteaza si cel botezat

si alti cativa, daca pot. Porunceste, insa, ca cel ce are sa se boteze sa posteasca o zi sau doua inainte.

Capitolul VIII

  1. Posturile voastre sa nu fie ca cele ale faftarnicilor ca ei postesc lunea si joia; voi, insa, sa postiti miercurea si vinerea;
  2. Nu va rugati ca fariseii ci cum a poruncit Domnul in Evanghelia Sa! Asa sa va rugati:

Tatal nostru, Care esti in ceruri, sfinteasca-se numele Tau, vie Imparatia Ta, faca-se voia Ta precum in cer si pe pamant. Piinea noastra cea de toate zilele da-ne-o noua astazi si ne iarta noua greselile noastre, precum si noi iertam gresitilor nostri. Si nu ne duce pe noi in ispita, ci ne izbaveste de cel rau. Ca a Ta este puterea si slava in veci.

  1. De trei ori pe zi sa va rugati asa.

Capitolul IX

  1. Iar cu privire la euharistie, asa sa faceti euharistia :
  2. Mai intii cu privire la potir: „Iti multumim Tie, Parintele nostru, pentru sfinta vie a lui David, sluga Ta, pe care ne-ai facut-o noua cunoscuta prin Isus, Fiul Tau. Tie slava in veci”.
  3. Cu privire la frangerea piinii : „Iti multumim Tie, Parintele nostru, pentru viata si cunostinta, pe care ne-ai facut-o cunoscuta noua prin Isus, Fiul Tau. Tie slava in veci”.
  4. Dupa cum aceasta paine franta era imprastiata pe munti si fiind adunata a ajuns una, tot asa sa se adune Biserica Ta de la marginile lumii in imparatia Ta. Ca a Ta este slava Si puterea, prin lsus Hristos in veci.
  5. Nirneni sa nu manince, nici sa bea din euharistia voastra, ci acei care au fost botezati in numele Domnului. Caci cu privire la aceasta, a spus Domnul: „Nu dati ceea ce este sfant ciinilor”.

Capitolul X

  1. Dupa ce v-ati impartasit, multumiti asa:

„Iti multumim Tie, Parinte Sfinte, pentru sfant numele Tau, pe care l-ai salasuit in inimile noastre si pentru cunostinta, credinta si nemurirea, pe care ne-ai facut-o noua cunoscuta prin Isus, Fiul Tau. Tie slava in veci”.

  1. Tu, Stapane atotputernice, ai zidit toate, pentru numele Tau. Mancare si bautura ai dat oamenillor spre desfatare, ca sa-Ti multumeasca Tie, iar noua ne-ai, daruit, prin Fiul Tau, mancare si bautura duhovniceasca si viata vesnica.
  2. Inainte de toate, Iti multumim, ca esti puternic. Tie slava in veci.
  3. Adu-ti aminte, Doamne, de Biserica Ta, ca s-o izbavesti de tot raul si s-o desavarsesti in dragostea Ta si aduna din cele patru vanturi, aceasta Biserica sfintita in imparatia Ta, pe care ai pregatit-o. Ca Tie este puterea si slava in veci.
  4. Sa vina harul si sa treaca lumea aceasta ! Osana Dumnezeului lui David! Daca este cineva sfant, sa vina! Daca nu este, sa se pocaiesca! Maranatha, Amin.
  5. Profetilor, insa, ingaduiti-le sa multumeasca atit cat vor.

Capitolul XI

  1. Daca vine cineva la voi sa va invete acestea toate, pe care le-am spus mai inainte, primiti-l.
  2. Dar daca invaratorul insusi se schimba si invata alta invatatura, ca sa o distruga pe aceasta, sa nu-l ascultati; iar daca invata pentru sporirea dreptatii si cunostintei Domnului, primiti-l ca pe Domnul.
  3. Cu privire la apostoli si profeti, potrivit dogmei Evangheliei, sa faceti asa:
  4. Orice apostol, care vine la voi, sa fie primit ca Domnul;
  5. dar sa nu ramina decit o zi ; iar daca e nevoie, si a doua zi ; dar daca ramine trei zile, este profet fals.
  6. Apostolul, cand pleaca, sa nu ia nimic decat paine, pana ce gasese alt salas; dar daca, cere bani, este profet fals.
  7. Nu ispititi si nici nu criticati pe orice profet, care vorbeste in duh, ca orice pacat se va ierta, dar pacatul acesta nu se va ierta.
  8. Dar nu oricine graieste in duh este profet, ci numai daca are purtarile Domnului. Deci dupa purtari se va cunoaste profetul fals si profetul.
  9. Orice profet, care rinduieste, in duh, masa, nu mananca din ea, decat daca este profet fals.
  10. Orice profet, care invata adevarul, daca nu face ce invata este profet fals.
  11. Orice profet incercat si adevarat, care lucreaza in taina lumeasca a Bisericii, dar nu invata pe altii sa faca ceea ce el insusi face, sa nu fie judecat de voi, ca el cu Dumnezeu are judecata; asa au facut si vechii profeti.
  12. Daca, insa, unul spune in duh: „Dati-mi bani sau altceva, pe acela sa nu-l ascultati; dar daca spune sa i se dea pentru altii, care-s lipsiti, nimeni sa nu-l judece.

Capitolul XII

  1. Tot cel ce vine in numele Domnului, sa fie primit; iar apoi, dupa ce il cercetati, il veti cunoate, ca veti avea pricepere sa deosebiti dreapta de stinga.
  2. Daca cel ce vine este un drumet, ajutati-l cat puteti; dar sa nu ramana la voi decat doua, sau trei zile, daca e nevoie.
  3. Daca vrea sa se stabileasca la voi ca meserias, sa lucreze si sa manance;
  4. dar daca nu are o meserie, socotiti-va dupa priceperea voastra, ca sa nu traiasca impreuna cu voi un crestin trandav.
  5. lar daca nu vrea sa faca asa, atunci face negutatorie cu Hristos. Fiti cu luare aminte cu unii ca acestia.

Capitolul XIII

  1. Orice profet adevarat, care vrea sa se stabileasca la voi, este vrednic de hrana lui.
  2. La fel dascalul adevarat este vrednic si el ca lucratorul de hrana lui.
  3. Luati dar toata pirga produselor linului, a ariei, a boilor si oilor si dati profetilor parga, ca ei sunt preotii vostri.
  4. Iar daca nu aveti profet, dati-o saracilor.
  5. Daca fac piine, ia pirga si da-o potrivit poruncii.
  6. La fel daca deschizi un vas cu vin sau cu undelemn, ia pirga si da-o, profetilor.
  7. Ia, dupa socotinta ta, pirga din argintul, din hainle si din toata averea ta si o da potrivit poruncii.

Capitolul XIV

  1. Cand va adunati in dumninica Domnului, frangeti piinea si multumiti, dupa ce mai intai v-ati marturisit pacatele voastre, ca jertfa voastra sa fie curata.
  2. Tot cel care e certat cu tovarsul sau sa nu vina impreuna cu voi pana nu se impaca, pentru ca sa nu se pangareasca jertfa voastra.
  3. Ca aceasta este ceea ce s-a zis de Domnul, ” In orice loc si timp sa-mi aduceti jertfa curata; ca Imparat mare sunt, zice Domnul, si numele Meu este minunat intre neamuri”.

Capitolul XV

  1. Hirotoniti-va voua episcopi si diaconi, vrednici de Domnul, barbati blanzi, neiubitori de argint, adevarati si incercati; ca si ei indeplinesc slujirea profetiilor si dascalilor.
  2. Nu-i dispretuiti, ca ei sunt cinstiti intre voi impreuna cu profetii si dascalii.
  3. Mustrati-va unul pe, altul, nu cu minie, ci in pace, cum este scris in Evanghelie; cu cel care greseste impotriva altuia, nimeni din voi sa nu vorbeasca, nici sa-l asculte, pana nu se pocaieste.
  4. Rugaciunile voastre, milostenii-le si toate faptele voastre asa sa le faceti, cum este scris in Evanghelia Domnului nostru.

Capitolul XVI

  1. Privegheati pentru viata voastra; candelele voastre sa nu se stinga, coapsele voastre sa nu vi le descingeti, ci gata, ca nu stiti ceasul, in care Domnul nostru va veni.
  2. Adunati-va des, pentru a cauta cele de folos sufletelor voastre. Cand nu va va fi de folos tot timpul credintei voastre, daca nu veti fi desavirsiti in timpul cel din urma.
  3. Ca in zilele cele din urma se vor inmulti profetii falsi si cei ce strica; si se vor schimba oile in lupi si dragostea se va schimba in ura.
  4. Sporind faradelegea, se vor uri unii pe altii si se vor prigoni si se vor vinde si atunci se va arata inselatorul lumii, ca fiu al lui Dumhezeu, si va face semne si minuni; si pamintul va fi dat in miinile lui si va face lucruri nelegiuite, care nu s-au facut niciodata din veac.
  5. Atunci va merge faptura oamenilor in focul cercarii si se vor sminti multi si vor pieri, iar cei care vor starui, in credinta for vor fi mantuiti de Insusi Cel ce a fost supus blestemului.
  6. si atunci se vor arata semnele adevarului; mai intai semnul deschiderii cerului, apoi semnul glasului trambitei si al treilea, invierea mortilor;
  7. dar nu a tuturora, ci dupa cum s-a zis: Va veni Domnul si toti sfintii cu El.
  8. Atunci lumea va vedea pe Domnul, venind pe norii cerului.

SFARSIT