Ireneus van Lyon : Heilige Lucas, metgezel en medewerker van de apostelen

H. Ireneus van Lyon (ca.130-ca.208), bisschop, theoloog en martelaar Tegen ketterij III,14

Irenaeus_of_Lyons_202.jpgHeilige Lucas, metgezel en medewerker van de apostelen

 

Dat Lucas een onafscheidelijke compagnon van Paulus is geweest en zijn medewerker voor het Evangelie, laat hij zelf duidelijk zien, niet verwaand, maar door de Waarheid zelf. Hij schreef: “Toen Barnabas en Johannes, bijgenaamd Marcus, die zich van Paulus afgescheiden hadden, te boot naar Cyprus waren gegaan, voeren wij uit naar Troas” (cf Hand 16,8.11). Waarna hij in detail hun reis beschrijft, hun aankomst in Filippi, hun laatste gesprek… En hij is heel zijn reis bij Paulus van wie hij met grote zorg de omstandigheden beschrijft… Omdat Lucas bij alles aanwezig was, heeft hij het met zorg op schrift gesteld – men kan hem niet betrappen op een leugen noch op trots, want al de feiten waren duidelijk.
      Dat Lucas niet alleen zijn compagnon was, maar nog meer de medewerker van de apostelen, van Paulus vooral, schrijft Paulus duidelijk in zijn brieven: “Demas heeft me verlaten en is naar Tessalonica gegaan, Crescens in Galatië, Titus in Dalmatië, alleen Lucas is bij mij” (2Tim 4,11). Dit bewijst dat Lucas altijd verenigd was met Paulus en wel op een onafscheidbare wijze. Zo leest men ook in de brief aan de Kolossenzen: “Lucas de geliefde dokter, groet jullie”(Kol 4,14)
      Van zijn kant heeft Lucas ons veel van het Evangelie en ook het belangrijkste ervan doen kennen… Wie weet overigens of God het niet zo gewild heeft, dat veel kanten van het Evangelie alleen geopenbaard moesten worden door Lucas, opdat zo allen hun goedkeuring als getuigen geven, die hij vervolgens aandraagt in de handelingen en in de leer van de apostelen; en dat zo de regel van de waarheid onveranderlijk bleef, zodat allen gered kunnen worden. Zo is de getuigenis van Lucas waar; het onderricht van de apostelen is openbaar, solide en verbergt niets… Zo zijn de stemmen van de Kerk, waaruit de hele Kerk zijn oorsprong haalt.

 

http://www.dagelijksevangelie.org

heiligenleven : De heilige Wulfram

Heiligenleven

De heilige Wulfram, bisschop van Sens en Medemblik

 

 

 

Wulfram of Sens.jpg

 

 

 

De heilige Wulfram, bisschop van Sens en Medemblik, was geboren in de buurt van Fontainebleau. Zijn vader was een vertrouwensman van DagobertI en Clovis II, en hij had hun grote diensten bewezen in verschillende oorlogen. Maar al was hij geheel in beslag genomen door het kampleven, toch zorgde hij dat zijn zoon een uitstekende opvoeding kreeg, en toen Wulfram een duidelijke aanleg vertoonde voor het religieuze leven, liet hij hem de priesterstudies doen.

Maar Wulfram kreeg niet de kans om ongehinderd aan zijn verlangen naar een teruggetrokken leven van studie te voldoen : in 670 werd hij opgeroepen om dienst te doen aan het hof bij Clotarius III en Dirk III, tot aan de dood van zijn vader. In diezelfde tijd raakte de zetel van Sens vacant en Wulfram werd unaniem tot opvolger gekozen. In 693 werd hij bisschop gewijd. Hij bezette deze zetel slechts twee jaar en deed afstand ten bate van de oorspronkelijke bisschop van Sens, die uit ballingschap terugkeerde.

Wulfram trok zich enige jaren terug in de abdij van de heilige Wandril om zich voor te bereiden voor een nieuwe taak. Hij schonk al zijn bezittingen weg om de handen geheel vrij te hebben, en in 700 zeilde hij met enige monniken uit naar Friesland voor missiewerk. Er was daar een fort gebouwd in Medemblik, dat dienst deed als uitgangspunt. Hij trad vrijmoedig voor koning Radboud en kreeg verlof om het evangelie te verkondigen. Het land was nog geheel overgegeven aan de afgodendienst en er werden afschuwelijke plechtigheden gehouden. Daarbij werden kinderen opgehangen als offer aan Wodan of in zee vastgebonden aan staken tot zij verdronken in de opkomende vloed, als offer aan de zeegodin Ran, opdat zij geen stormvloed over het land zou zenden. Deze kinderen werden door loting genomen uit de adelijke geslachten. Wulfram protesteerde hevig, maar tevergeefs. Dat waren nu eenmaal de gebruiken van zijn land, zei koning Radboud.

Eens zag Wulfram ,hoe zulk een jongen opgehanden werd, maar hij werd er niet bij toegelaten. Twee nuur later brak het touw en het lichaam viel op de grond. Wulfram boog zich erover heen, bad vurig en het kind herleefde. De jongen hechtte zich met heel zijn ziel aan zijn levensredder, ging later met hem mee en werd monnik in de abdij van Fontenelle. Deze Jona van Fontenelle is het ook die het leven van Wulfram heeft geschreven.

Dergelijke voorvallen maakten natuurlijk een diepe indruk en langzamerhand begon het volk tot het geloof te komen en liet zich dopen. In die tijd valt  ook het beroemde verhaal over koning Radboud die eveneens op het punt stond zich te laten dopen maar toen terugtrok omdat hij liever bij zijn voorouders in de hel wilde zijn dan zonder hen in de hemel. Deze geschiedenis staat echter niet in de oorspronkelijke levensbeschrijving. Waarschijnlijker is dat Wulfram als Frank, dus behorend tot de stam van de erfvijand, niet de meest geschikte missionaris was voor deze streek. Later zullen de Angelsaksische, dus bloedverwante zendelingen zoals Wilfried en Willibrord, meer succes behalen. Toch zal ook het voorbereidende werk van Wulfram daarin een rol hebben gespeeld.

Nadat Wulfram zo 20 jaar in Friesland had gewerkt, verlieten hem zijn krachten. Hij trok zo haastig mogelijk terug naar Fontenelle en stierf daar in vrede, te midden van zijn broeders, in 720, waarschijnlijk tegen de 80 jaar oud.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag . Uitg. Orthodox klooster Den Haag

17e zondag na Pinksteren : Van de kananese vrouw

17e zondag na Pinksteren

“Van de kananese vrouw”

 

kananese vrouw.jpg

 

 

LEZINGEN :

Eerste lezing :

2 Kor.9,6-16 – 7,1

Is er enig verband tussen de tempel van God en de afgoden? Wij zijn de tempel van de levende God. God heeft zelf gezegd: Ik zal onder hen wonen en met hen omgaan. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. Daarom, ga weg uit hun midden en houd u ver van hen, zegt de Heer, en raak niets aan wat onrein is. Dan zal Ik u genadig aannemen. Ik zal voor u een vader zijn en u zult voor mij zonen en dochters zijn, zegt de Heer, de Albeheerser.

Zulke beloften zijn ons gedaan, geliefden; laten wij ons dus zuiveren van elke smet naar lichaam en geest, en vol ontzag voor God onze heiliging voltooien.

 

Evangelie :

Matth.15,21-28

Jezus en een Kananese vrouw      Jezus ging daar weg en nam de wijk naar het gebied van Tyrus en Sidon. En kijk, een Kananese vrouw uit die streek kwam naar buiten en riep: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David. Mijn dochter is vreselijk bezeten.’ Maar Hij gaf haar niet eens antwoord. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: ‘Stuur haar weg, want ze roept ons achterna.’ Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gestuurd naar de verloren schapen van het huis van Israël.’ Maar zij kwam naar Hem toe en knielde voor Hem neer en zei: ‘Heer, help me.’ Hij gaf haar ten antwoord: ‘Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de hondjes te geven.’ Maar zij zei: ‘Juist, Heer, want wat de hondjes eten, zijn de kruimels die van de tafel van hun baas vallen.’ Toen gaf Jezus haar ten antwoord: ‘Vrouw, groot is uw vertrouwen. Moge het u vergaan zoals u wenst.’ En haar dochter was vanaf dat moment genezen.

Bartholomaios hekelt fanatisme kloosters

Bartholomaios hekelt fanatisme kloosters  

 

Het erehoofd van de orthodoxie, patriarch bartholomaios I, heeft onverwacht scherp uitgehaald naar een religieus fanatisme dat in een aantal kloosters leeft.

De patriarch van Constantinopel sprak tijdens een feestelijke zitting van het monnikenparlement Hiera Koinotes van de orthodoxe kloosterrepubliek Athos. Hij verraste de afgevaardigden van de twintig kloosters die onder zijn gezag staan met harde verwijten over fanatisme en een groeiende verwereldlijking.

Hij noemde het klooster Esfigmenou als voorbeeld van een agressief anti-oecumenische geest. Het convent brak al decennia geleden met het patriarchaat vanwege de dialoog met katholieke en evangelische christenen. Daarmee zou de patriarch het orthodoxe geloof verraden. Sindsdien staat er ‘orthodoxie of de dood’ boven de kloosterpoort van Esfigmenou.

Volgens de patriarch is dat fanatisme ook overgeslagen naar andere kloostergemeenschappen. Daar zijn sinds kort niet-orthodoxe pelgrims niet meer welkom bij de maaltijd in de refter.

Verwereldlijking

Tegelijkertijd signaleert patriarch Bartholomaios een toenemende verstrengeling van individuele monniken, maar ook van hele kloostergemeenschappen met wereldse aangelegenheden. Zonder de “abt van het afgedwaalde klooster van de Heilige Berg“ bij name te noemen, moest het over Ephraim van het klooster Vatopedi gaan, die in de gevangenis heeft gezeten wegens ondoorzichtige financiële miljoenentransacties.

Sinds zijn terugkeer op Athos heeft hij het klooster Vatopedi tot een soort staat binnen de staat gemaakt met politie en grenscontrole. De algemene pelgrimspas wordt er niet meer geaccepteerd. Daarnaast werpt de abt zich op als zelfstandig kerkleider met dezelfde bevoegdheden die alleen aan een patriarch toekomen.

Schijnbloei

Bartholomaios keerde zich met zijn woorden tegen een schijnbare bloei op het monnikeneiland Athos, dat eind vorige eeuw op uitsterven stond. De spirituele vernieuwingsbeweging die heeft geleid tot een aantal overvolle kloosters is alweer ingezakt en is hier en daar verworden tot uiterlijkheid en zelfs commercie. Ook is het aantal aanmeldingen sinds het uitbreken van de crisis in Griekenland aanzienlijk gestegen.

Volgens de patriarch is abt Ephraim slechts één voorbeeld van hoe de verwereldlijking de berg Athos verovert.

Kath.nieuws 

Foto’s van het bezoek van Patriarch Bartholomeüs aan de Athos

 KLIK HIER

 

Isaak de Syrier : “Deze nacht komt men je leven van je opeisen”

H. Izaak de Syriër (7e eeuw) monnik nabij Mossoel Ascetische overwegingen, 1ste serie, nr. 38

Isaac de Syriër8.jpg

“Deze nacht komt men je leven van je opeisen”

Heer, maak mij waardig om mijn leven te verachten voor het leven dat in U is. Het leven in de wereld is gelijk aan hen die zich bedienen van brieven om woorden te vormen. Zo men wil, voegt men toe, neemt men weg, en verandert de brieven. Maar het leven van de komende wereld is gelijk aan wat geschreven is zonder ook maar een enkele fout in de verzegelde boeken met de Koninklijke zegel, waar niets aan toe te voegen valt en waar niets in mist. Dus hoewel we midden in veranderingen zitten, laten we op onszelf letten. Hoewel we de macht hebben over het script van ons leven, op wat we met onze handen hebben geschreven, laten we proberen om er het goede aan toe te voegen en laten we de fouten van ons eerdere gedrag eruit wissen. Hoewel we in deze wereld zijn, plaatst God het zegel noch op het goede, noch op het kwade. Dat doet Hij op het moment van onze exodus, wanneer ons werk af is, op het moment dat we moeten vertrekken.
Zoals de heilige Efraïm zegt, moeten we zien dat onze ziel gelijk is aan een boot die klaar is voor vertrek, maar niet weet wanneer de wind komt, of ook wel dat ze gelijk is aan een leger dat niet weet wanneer de trompet zal klinken om de strijd te beginnen. Als hij dat zegt over het schip en het leger die wachten op iets wat misschien niet zal gebeuren, hoeveel te meer moeten we ons dan niet voorbereiden voordat de dag plotseling komt, dat de brug neergelaten wordt en de poort naar de nieuwe wereld zich opent? Moge Christus, de middelaar van ons leven, ons geven dat we er klaar voor zijn.

 

Bron :http://www.dagelijksevangelie.org

Acta van de martelaren van Scili

Acta van de martelaren van Scili

Uit Apowiki

 
 

1 Inleiding

Zes martelaren, afkomstig de stad Scillium, een verder onbekende stad in Numidië stierven op 17 juli 180 in Carthago door onthoofding, op bevel van Vigellius Saturninus, Proconsul van Afrika. De tekst van deze martelaarsakte is de oudste overgeleverde Latijnse Christelijke tekst überhaupt en het oudste bericht over Christenen in Noord-Afrika. De volgende tekst is de Passie van Felicitas en Perpetua (ca 202). Het is opmerkelijk dat deze martelaren niet gefolterd werden vóór hun terechtstelling. De dialoog tussen de proconsul en de martelaren leert dat de eerste geen vooroordelen tegen de Christenen koesterde. Hij wil enkel dat zij de wet gehoorzamen. Deze eerste martelaren uit Afrika stonden in hoog aanzien en werden zeer vereerd, vgl. Tertullianus, Ad Scap. 3. Waarschijnlijk werd hun jaardag vanaf het eerste jaar in Carthago gevierd. Er werd een basiliek boven hun graf gebouwd waar St.Augustinus  vaker preekte. Hun verering heeft zich in het Westen verspreid.

2 De tekst

 

  • 1. Onder het tweede consulaat van Praesens en dat van Claudianus, op 17 juli (A.D. 180),

zei proconsul Saturninus tot Speratus, Nartzalus, Cittinus, Donata, Secunda en Vestia,

die allen in een geheime verhoorkamer in Karthago gebracht waren om voor het

gerecht te verschijnen: “Gij kunt vergiffenis krijgen van de keizer, indien gij tot uw

 gezond verstand weerkeert.

  • 2. Speratus zei: “Nooit hebben wij iets misdaan, wij zijn aan geen enkele

 slecht werk medeplichtig geweest, nooit hebben wij een vervloeking uitgesproken.

Terwijl we slecht behandeld werden, hebben wij onze dank betuigd, omdat wij onze keizer eren.

  • 3. Proconsul Saturninus zei: “Ook wij zijn godsdienstig, en onze godsdienst is

eenvoudig, wij zweren bij de genius van de heer onze keizer, en bidden voor zijn heil.

Dat hoort ook gij te doen.

  • 4. Speratus zei: “Indien u even wilt luisteren, zal ik u een mysterie van eenvoud leren.
  • 5. Saturninus zei: “Ik zal niet luisteren wanneer gij slechte dingen zegt over wat

 ons heilig is, zweer liever bij de genius van onze heer, de keizer.

  • 6. Speratus zei: “Ik erken geen keizerschap van deze wereld; veeleer dien ik die God,

 die geen mens gezien heeft of zien kan met deze ogen. Ik heb niets gestolen, en

 over wat ik koop

 zal ik de belasting die daarop staat, betalen, omdat ik mijn Heer ken, de keizer van

alle koningen en volkeren.

  • 7. Proconsul Saturninus zei tot de rest: “Laat u niet langer door deze man overreden.”

Speratus zei: “Het is verkeerd zich te laten overreden tot een moord of tot een

vals getuigenis.

  • 8. Saturninus zei: “Volg hem toch niet in zijn waanzin.”

Cittinus zei: “Er is niemand anders die wij vrezen moeten dan God onze Heer,

 die in de hemel is.

  • 9. Donata zei: “Wij eren de keizer, omdat hij keizer is, wij vrezen echter God.”

Vestia zei: “Ik ben Christin.”

Secunda zei: “Wat ik ben, wil ik zelf zijn.

  • 10. Proconsul Saturninus zei tegen Speratus: “Blijft gij als Christen volharden?

Speratus zei: “Ik ben Christen”, en allen zeiden hetzelfde.

  • 11. Saturninus, de proconsul zei: “Wilt ge soms bedenktijd?

Speratus zei: “In een zó rechtvaardige zaak is er geen bedenktijd nodig.

  • 12. Proconsul Saturninus zei: “Wat zit er in uw tas?

Speratus zei: “De boeken en de brieven van Paulus, de rechtvaardige.

  • 13. Proconsul Saturninus zei: “Jullie krijgen 30 dagen uitstel om erover na te denken.”

Speratus zei weer: “Ik ben Christen”, en allen zeiden hetzelfde.

  • 14. Proconsul Saturninus las het besluit van de oorkonde: “Speratus, Nartzalus,

 Cittinus, Donata,

Vestia, Secunda, die bekennen als Christenen te leven, en die hardnekkig

bij hun besluit blijven,

 hoewel zij de gelegenheid gehad hebben om terug te keren tot de Romeinse

 levenswijze,

worden hierbij veroordeeld tot de dood door het zwaard.

  • 15. Speratus zei: “Wij danken God.”

Nartzalus zei: “Vandaag zullen wij martelaren in de hemel zijn. God zij dank.

  • 16. Proconsul Saturninus liet door een bode afkondigen: “Er is bevel

 gegeven Speratus,

Nartzalus, Cittinus, Veturius, Felix, Aquilinus, Laetantius, Januaria, Generosa,

Vestia, Donata en Secunda ter dood te brengen.

  • 17. Allen zeiden: “God zij dank.”

En zo werden allen tegelijk met het martelaarschap gekroond en heersen zij met

 de Vader en de Zoon en de Heilige Geest in alle eeuwen der eeuwen. Amen

3 Voetnoten

  1. (Sermo 299D-F PL 38). (Victor Vit., Persecut. Vandal. I, 3, 9; August, Serm. 155, ed. Migne).
  2. De originele Latijnse tekst: “Passio sanctorum Scilitanorum”, in: Rudolf Knopf (ed.), Ausgewählte Märtyrer Akten, Tübingen, J.C.B. Mohr, 1910, 28-29.