Heilige Serapion de Sindoniet

Heiligenleven

De heilige Serapion de Sindoniet

 

 

serapion_1.jpg

 

 

De heilige Serapion was afkomstig uit Sidon, maar met een woordspeling werd hij Sindoniet genoemd : nadat hij zelfs zijn kleren aan de armen had weggegeven toen hij monnik werd, bedekte hij zijn naaktheid met een laken (sindona). Hij behield slechts een Evangelieboek ( in die tijd van alleen handgeschreven boeken was elke boek een kostbaar bezit), waarin hij steeds las totdat hij het uit het hoofd kende. En toen iemand hem vroeg wie hem van al zijn kleren had beroofd, antwoordde hij : ‘Dit’, en hij wees op zijn Evangelieboek. Daarna verkocht hij ook dat om de opbrengst aan de armen te kunnen geven.

Eens ging hij met zijn leerling naar de stad en liet zich door hem verkopen aan een heidense theatergroep, die in gemeenschap leefde. Hij diende hen trouw als een slaaf en volbracht hun bevelen. Overdag at hij niets, ’s avonds nam hij wat brood en water, ’s nachts bad hij urenlang en zegde zachtjes een van de Evangelies op. De goedhartige lieden die hij diende, kregen meer respect voor hem en kwamen onder zijn bekoring. Tenslotte lieten zij zich dopen en schonken hem uit dankbaarheid de vrijheid, omdat hij hen had vrijgemaakt uit de slavernij van de zonde en de gevangenschap van de duivel. Toen maakte Serapion zich bekend als kluizenaar die niemands slaaf was, en hij gaf hun het geld dat zij voor hem betaald hadden terug. Hij was daar niet meer nodig, al wilden zij hem nog zo graag bij zich houden : hij moest ook anderen tot Christus brengen. De Geest bracht hem eens naar Rome, waar hij hoorde spreken over een maagd, een rekluse, die nooit met een man wilde spreken. Hij ging naar haar kluis en liet haar dienares zeggen dat er een abba uit Egypte gekomen was om haar te spreken. Zij vond het echter niet nodig om met een man te spreken. Serapion bleef toen bij de ingang van de kluis staan, dag en nacht. Toen zij na drie dagen nog bleef weigeren, gaf hij de boodschap dat God hem gezonden had voor haar geestelijk nut. Daarop liet zij hem binnen. Serapion vroeg haar toen : ‘Waarom zit ge hier ?’. Zij antwoordde : ‘Ik zit niet, ik ben onderweg’.’Waarheen ?’ ‘Ik ben onderweg naar mijn Heer’.’Leeft ge of zijt ge gestorven ?’ ‘Ik geloof dat ik naar het vlees gestorven ben, want het vlees gaat niet naar God’. ‘Als ik dat moet geloven, kom dan naar buiten en doe wat ik zeg’’Ik leef hier nu al 25 jaar ingesloten, en als ik naar buiten kom, wat zullen de mensen dan zeggen ?’ ‘Voelt een dode dan of de mensen hem prijzen of beledigen ? ‘Kom naar buiten om tot inzicht te komen van uw dwaling’.

Uit deze woorden begreep zij dat hij een wijs en heilig man was, en omwille van de nederigheid gehoorzaamde zij en kwam naar buiten. Toen zei Serapion : ‘Ga naakt door de stad zonder u te schamen, dan weet ge of ge werkelijk aan de wereld gestorven zijt’. Toen begreep ze dat zij te hoog van zichzelf had gedacht, en zij keerde in haar kluis terug met groter deemoed, terwijl Serapion terugkeerde naar de woestijn.

Over zichzelf vertelde hij : ‘Toen ik jong was en onder gehoorzaamheid stond van abba Theodoros, viel het vasten mij zo zwaar dat ik brood van tafel stal om het ’s nachts heimelijk op te eten. Maar dat bezorgde me zoveel wroeging dat het verdriet groter scheen dan het genot van het eten. Toch kon ik me er niet van losrukken. Eens kwamen er echter broeders die erover spraken dat men zijn geheimste gedachten aan zijn geestelijke vader moet zeggen. Het leek me of dit woord speciaal tot mij was gericht, en ik begon te wenen, wierp me op de grond en vertelde hoe ik gezondigd had. Toen zei mijn Oudvader : ‘Vertrouw op God, mijn kind, want door deze deemoed heb je de demon overwonnen, en nu heeft hij geen macht meer over je’. En ik voelde hoe een vlam uitging van mijn borst en sinds die dag ben ik, met Gods hulp, niet meer in die zonde gevallen.

Zo gaf hij onderricht door woorden en daden, en overtuigde ook door wonderen die op zijn gebed geschiedden. En na een vruchtbaar leven is hij opgegaan tot Christus, naar Wie hij zozeer verlangd had, in het jaar 388, toen hij ruim 60 jaar oud was.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orthodox klooster Den Haag

14e zondag na Pinksteren : Van het bruiloftsmaal

14e zondag na Pinksteren

“van het bruilofsmaal”

 

 

bruidsmaaltijd.jpg

 

Parabel van het bruilofsmaal. Maurice de Sully, Sermons, Italie, Gênes, XIVe siècle. (Cote : BNF Richelieu Manuscrits Français 187

 

 

2 Kor. 1,21-2,4

 [21] En God zelf heeft ons samen met u in Christus* bevestigd en ons gezalfd*. [22] Hij heeft op ons zijn zegel* gedrukt en ons de Geest als onderpand* gegeven. [23] Ik roep God aan als mijn getuige*, ik zweer bij mijn leven: alleen om u te sparen ben ik nog niet naar Korinte gekomen. [24] Niet dat wij heer en meester zijn van uw geloof; wij willen alleen bijdragen tot uw vreugde. Want in het geloof staat u stevig genoeg

 [4] Toen ik schreef, was het dan ook met een bedrukt en beklemd gemoed en onder veel tranen. Ik wilde u niet verdrietig maken, maar u een blijk geven van de innige liefde die ik u toedraag.

EVANGELIE

Mattheus 22,1-14

Gelijkenis van een bruiloftsfeest [1] Opnieuw sprak Jezus tot hen in gelijkenissen: [2] ‘Met het koninkrijk der hemelen gaat het als met een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. [3] Hij stuurde zijn slaven om de gasten te roepen die voor de bruiloft genodigd waren, maar ze wilden niet komen. [4] Hij stuurde weer andere slaven met de opdracht: “Zeg tegen de genodigden: Kijk, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en het mestvee zijn geslacht, en alles staat gereed. Kom naar de bruiloft.” [5] Maar ze trokken zich er niets van aan en gingen hun eigen weg, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel. [6] De overigen grepen zijn slaven vast, mishandelden en vermoordden hen. [7] De koning werd woedend. Hij stuurde zijn soldaten, liet die moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken. [8] Toen zei hij tegen zijn slaven: “Het bruiloftsmaal is klaar, maar de genodigden waren het niet waard. [9] Ga nu dus naar de kruispunten van de wegen, en nodig iedereen die je maar tegenkomt uit voor de bruiloft.” [10] Die slaven gingen naar de wegen en brachten iedereen mee die ze tegenkwamen, slechten en goeden; en de bruiloftszaal liep vol met gasten. [11] Maar toen de koning binnenkwam en de gasten zag, merkte hij iemand op die geen bruiloftskleding aan had. [12] Hij zei tegen hem: “Vriend, hoe ben je hier binnengekomen zonder bruiloftskleding?” Hij wist niets te zeggen. [13] Toen zei de koning tegen de dienaren: “Bind hem aan handen en voeten en werp hem in de uiterste duisternis.” Het zal daar een gejammer zijn en een tandengeknars. [14] Immers, velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitgekozen.’

 

 

“Komt naar het bruiloftsmaal”

 

 Als in de zichtbare wereld een heel klein volk zich verzet tegen de koning door hem de oorlog te verklaren, dan neemt de laatste geen moeite om tegen hen in actie te komen, maar hij stuurt zijn soldaten met hun generaals en deze binden de strijd aan. Als daarentegen het volk dat tegen hem in opstand komt erg machtig is en in staat is om zijn koninkrijk te verwoesten, dan ziet de koning zich verplicht om zelf, met zijn hofhouding en zijn legeractie te voeren en de strijd aan te gaan. Zie dus hoe waardig u bent! God zelf is met zijn eigen leger, daarmee bedoel ik de engelen en de heiligen, de strijd komen voeren; Hijzelf komt u beschermen om u te verlossen van de dood. Heb dus vertrouwen en bemerk de voorzienigheid waarvan u het onderwerp bent. Nog een voorbeeld uit het leven. Stellen we ons een koning voor die eenarm en ziek mens ontmoet en geen afkeer van deze persoon heeft, maar die de wonden geneest met heilzame middelen. Hij neemt hem op in zijn paleis, bekleedt hem met een purperen kleed, omgordt hem met een diadeem en nodigt hem uit aan zijn tafel. Zo benadert Christus, de hemelse koning een ziek mens, Hij geneest hem, laat hem aan zijn koninklijke tafel zitten, en dat zonder zijn vrijheid geweld aan te doen, maar door hem met overreding ertoe brengt om een dergelijke hoge eer te aanvaarden. In de Schrift staat overigens geschreven dat de Heer zijn dienstknecht en stuurde om hen die graag zouden willen komen, uit te nodigen, en Hij kondigde hen aan: “Mijn maaltijd is gereed!” Maar zij die geroepen waren, verontschuldigden zich… Ziet u, Degene die de oproep deed, was klaar, maarde geroepenen hielden de boot af; ze zijn dus verantwoordelijk voor hun eigen lot. Dat is de grote waardigheid van de christenen. De Heer heeft voor hen het Koninkrijk bereid, en Hij nodigt hen uit om binnen te komen; maar ze weigeren om te komen. Ten aanzien van de gave die ze moeten ontvangen, kan men zeggen dat als iemand… ellende verdraagt sinds de schepping van Adam tot aan het einde van de wereld, dat hij niets heeft gedaan in vergelijking met de heerlijkheid die hij zal erven, want hij zal regeren met Christus tot aan het einde der tijden. Glorie aan Hem die deze ziel zo lief heeft, dat Hij zichzelf aan haar heeft gegeven en heeft toevertrouwd, zo is zijn genade! Glorie aan zijne Majesteit!

over de kerkvaders

Over de Kerkvaders

 

 

1 Literatuur.

  • Berthold Altaner – Alfred Stuiber, Patrologie. Leben und Lehre der Kirchenväter, Freiburg – Basel – Wien, Herder, 1978.

2 Wat zijn kerkvaders?

Wij noemen kerkvaders (in strikte zin): die kerkelijke schrijvers die duidelijk

  1. orthodox zijn,
  2. een heilige levenswandel leiden,
  3. door de Kerk erkend zijn en
  4. uit de oudheid stammen.

Het patristisch tijdvak (het tijdperk waarbinnen men spreekt van kerkvaders) eindigt in het Westen met paus Gregorius de Grote (590-604) en Isidorus van Sevilla (±560-633), ook wel met Beda (672-735) en in het Oosten met Johannes Damascenus (±650-±750).

2.1 De apostolische vaders.

Tot de apostolische vaders rekenen wij de auteurs uit het oer-Christendom waarvan we kunnen vaststellen dat zij leerlingen of toehoorders zijn van de apostelen of dat zij zeer kort na de apostolische tijd geschreven hebben en waarvan we weten dat zij in hun leer in hoge mate drager zijn van de apostolische overlevering. Chronologisch staan zijn zeer dicht bij het N.T, waarbij ze ook heel dicht aansluiten w.b. inhoud en vorm van hun werken.[1]Strikt genomen horen er enkel Clemens, Ignatius, Polycarpus, Barnabas en Papias onder. De overige schriften kan men in een andere categorie, als vroeg-Christelijke geschriften plaatsen. Tot hen horen (min of meer) in chronologische volgorde:

  • De Barnabasbrief (vóór 140)
  • De eerste Clemensbrief (Brief van de bisschop van Rome aan de kerk van Korinte) (ca 95)
  • De zeven brieven van Ignatius van Antiochië (+ ca 110)
  • De brief van Polycarpus aan de kerk van Filippi (+156)
  • De Marteldood van Polycarpus (ca 156)
  • De Pastor Hermas (voor 150)
  • De Didachè (100-150) of de leer van de Twaalf apostelen
  • De Diognetusbrief (120-210)
  • Ook Quadratus wordt soms hiertoe gerekend.
  • Papias van Hiërapolis, een leerling van de apostel Johannes, schreef rond 130 vijf boeken, waarvan slechts kleine fragmenten bewaard zijn.

De archaïsche theologie van de apostolische vaders sluit zeer nauw aan bij de Schrift en bij de Joodse “theologie”. In tegenstelling tot latere schrijvers hebben zij nog geen systematisch gebruik gemaakt van de hellenistische gedachtewereld om hun geloof te verklaren. Kenmerkend voor hun werk is de sterke ethische nuancering en een sterke eschatologische gerichtheid.

Deze theologische geschriften zijn allemaal gericht tot Christenen. De geloofsverantwoording die we erin aantreffen is een immanente kerkelijke die zich uitput in het aantonen van de conformiteit van de aangereikte leer zowel met de reeds vastliggende overlevering van de leer als ook van de overeenkomst met de geboden (ἐντολαι) die voortvloeien uit de relatie met de persoon van Jezus Christus.

Er zijn al aanzetten aanwezig die op een uitbreiding van de geloofsverantwoording in de richting van de filosofische rede. Dit vinden we met name wanneer ze hellenistische voorstellingen over het heersen van God over de natuur overnemen en in het aantonen van de aannemelijkheid van de Christelijke wonderen, m.n. de verrijzenis. Om de transcendentie van God te verklaren nemen ze begrippen over uit de hellenistische kosmotheologie, vooral van het neo-platonisme en de Stoa. Ze doen ook een beroep op de Griekse Logos om de redelijke mogelijkheid van de verrijzenis (van het lichaam?) aan te tonen. Vaak gebruiken ze de argumenten die de Stoa gebruikt om de voortdurende kosmische vernieuwing door het vuur te bewijzen. Deze argumenten komen uit een cyclische geschiedenisopvatting en moeten daarom een nieuwe betekenis krijgen voor gebruik binnen de lineaire geschiedenisopvatting van het Christendom.

Bij de apostolische vaders blijft de nadruk liggen op de schriftargumentatie. Deze moet in ruime zin gezien worden. Men put zich niet uit in letterlijke citaten maar in citaten in de zin van de Schrift. Slechts zeer sporadisch maken zij gebruik van de Griekse categorieën om Gods ingrijpen in de natuur te verduidelijken. Hun geschriften zijn gelegenheidswerkjes. Een systematische en algemene theologie ontbreekt.

2.2 De apologeten.

Na de apostolische vaders breekt de tijd aan van de apologeten. Zij zijn Christenen uit de tweede eeuw die hun werken wijden aan een verdediging (apologie) van het Christendom in de hellenistische wereld. Tot hen behoren een twaalftal namen:

  • Marcianus Aristides (Apologie aan K. Antonius Pius (138-161)) of Hadranus (117-38) uit Athene.
  • Justinus (+165 Rome), twee apologieën en twee dialogen.
  • Tatianus, leerling van Justinus in Rome, diverse geschriften. Bekend (deels) is zijn Diatessaron. Rond 172 breuk met kerk van Rome, werd enkratiet: verwierpen huwelijk, wijn- en vleesgebruik.
  • Athenagoras, filosoof uit Athene, een verdediging van de Christenen aan Marcus Aurelius (ca 177) en “Over de opstanding van de doden”.
  • Theophilus van Antiochië, bekeerling en dan bisschop van Antiochië, 3 boeken aan Autolycus (kort na 180), diverse geschriften verloren.
  • Quadratus (Kodratus), apologie in 123/4 of 129 aan keizer Hadrianus (Eus. H.E. IV,23,3), enkel fragment bij Eusebius (IV,3,1-2)
  • Hermias, onbekende auteur, (spotschrift Διασυρμος των ἔξω φιλοσοφων), in tien eerder grove dan leuke hoofdstukken worden heidense aanvallen op het wezen van God, de ziel… weerlegd. (2de helft 2de eeuw of being 3de eeuw)
  • De spreuken van Sextus (180-210) Dit zijn 451 spreuken die onder de naam van Sextus verzameld werden, vermoedelijk in Alexandrië. M.n. ethische uitspraken van filosofen (neo-pythagoreeërs, stoa, platonisme) die apologetisch voor het Christendom werken.
  • Aristo(n) van Pella, verloren dialoog tussen Jason en Papiskus over Christus (ca 140). Dit is kennelijk de oudste apologie tegen Joden.
  • Miltiades, redenaar uit Kl.-Azië, drie verloren Apologiën (Eus. H.E. V,17,5) onder keizer Marcus Aurelius (161-180) en mederegent Verus (161-169).
  • Apollinaris van Hiërapolis, 4 apologieën onder Marcus Aurelius. Allemaal verloren.
  • Melito van Sardes, Apologie rond 172. Enkel fragmenten bekend. In 1940 is een preek van hem teruggevonden.
  • Ireneüs van Lyon (+ ca 202)
  • de schrijver van het Kerugma van Petrus
  • Clemens van Alexandrië, Proteptikos
  • Arnobius (Adv. nationes)
  • Ps.-Justinus, Oratio ad Graecos
  • Tertullianus, (+ ca 220) [N.- Afrika] Apologeticus, Ad Nationes, Adv. Judaeos (andere werken van hem zijn montanistisch)
  • Minucius Felix, Octavius.

Zij zijn allen bekeerde heidenen. Zij gebruiken voor het eerst elementen uit de Griekse filosofie om hun geloof te verdedigen. Centraal staat bij hen het probleem van Gods transcendentie. Zij moeten optreden tegen twee fronten: het judaïserend hellenisme (Jodendom), het hellenisme met het gnosticisme. De aanleiding om te schrijven is meestal hun zorg om de Christelijke leer zuiver te houden. Zij beginnen voor het eerst een systematische theologie op te zetten. De confrontatie met Jodendom en heidendom werkt een negatieve theologie in de hand: God is ongeboren, onbegrijpbaar, onuitspreekbaar, God is geest (niet-lichamelijk).

In hun godsleer brengen zij de nodige correcties aan aan het Grieks-filosofische denken: zij leren het monotheïsme, de schepping, Gods voorzienigheid, en een doelgerichtheid en zinvolheid van wereld en geschiedenis.

Hun grote verdienste is dat zij in Griekse denkcategorieën hebben nagedacht over de handelende God uit de Bijbelse geschiedenis.

2.2.1 Hun geloofsverantwoording.

Hun geloofsverantwoording richt zich m.n. op drie terreinen: verrijzenis van het lichaam, de profetie en de logos-theologie.

2.2.1.1 De verrijzenis

De apologeten nemen de analogieën van 1 Clem. 24-25 als argumenten voor de verrijzenis van het lichaam (De Feniks) over en verrijken ze. Justinus neemt bv. het ontstaan van een mens als uitgangspunt (Apol. I,19,2-3), via de parallel tussen de schepping en de verrijzenis (Apol.. I, 19,5) voert hij alles op Gods almacht terug (Apol. I,19,6; I,18,6).

Alle apologeten legen het christelijk geloof uit als een ethisch monotheïsme, waarbij ze vasthouden aan eschatologische voorstellingen. Helaas bood de Griekse filosofie nauwelijks een helpende had om de verrijzenis van het lichaam te helpen verantwoorden. Algemeen werd de eschatologie moraliserend behandeld: de verrijzenis wordt beschouwd in het kader van beloning en straf, overeenkomstig de daden van dit aardse leven.

2.2.1.2 De profetie

De argumentatie die gebouwd werd op de voorspelling van de profeten is meer een verantwoording voor de reeds gelovenden. De profetie moet geloofd worden omdat de voorspellingen vervuld zijn (vgl. Justinus, Apol. I, 52). Meestal beschouwen de apologeten de profeten als verwijzingen en argumenten uit het O.T., die getuigen voor de waarheid van het Christendom.

Justinus levert eigenlijk de mooiste en verst doorgevoerde argumentatie. Voor hem zijn de profetieën die naar Jezus verwijzen niet alleen een verwijzing naar een bovennatuurlijke waarheid, maar ook naar een historische waarheid, die voor alle volkeren geldt. De Openbaring krijgt zo een uitleg vanuit de hele wereldgeschiedenis. Daarmee heeft Justinus een enorm belangrijk idee gelanceerd dat door Ireneüs tot volledige ontplooiing gebracht zal worden. Het gebruik van de profetie is een theologische prestatie van de apologeten. Er kleeft echter één nadeel aan, In latere tijden kom het Christelijk tijdgevoel door een mystieke uitleg van de profetie te eenzijdig op het nu gericht zijn.

2.2.1.3 De logos-theologie

Twee zaken hebben een bijzondere betekenis in de geloofsverantwoording van de apologeten: a. het theologoumenon van Justinus die de deelname van de mensheid aan de Logos-Christus leert en b. de verrijking van de Christologie met het Logos-predikaat.

Justinus legt een verbinding tussen het menselijk verstand (λογος) en de persoonlijke openbaringslogos van het N.T. (=Jezus Christus). Zo wordt de Openbaring van het N.T. gelded voor alle mensen. iedere mens draagt in zich een kiem (σπερμα) van de Logos.

De apologeten onderlijnen m.n. het belang voor het Christendom voor de hele wereld. De tijd van de apologeten is ook de tijd van de eerste martelaarsacten.

2.3 Geschriften uit het leven van de jonge gemeenten uit de 2de en 3de eeuw.

2.3.1 Diverse geschriften.

Onder deze hoort de Traditio Apostolica (ca 215) van Hippolytus. Die hierin m.n. het leven, liturgie en gebruiken in de jonge Kerk beschrijft.

De Didaskalia geschreven door een onbekende bisschop uit de eerste helft van de derde eeuw, waarschijnlijk voor een heiden-Christelijke gemeente uit Syrië. Grieks origineel verloren.

2.3.2 De oudste doopsymbola.

Reeds in het N.T. vinden we min of meer formele geloofsbelijdenissen of symbola, in Jezus als de Christus (Hand. 8,37) of de Heer (1 Kor. 12,13; Rom. 10,9; Fil. 2,11) en zijn heilswerk (1 Ko. 15,3v).[2] Ook belijdenissen die de Vader en Jezus tezamen noemen (1 Kor. 8,6), soms ook met de H. Geest (2 Kor. 13,14; 1 Kor. 12,4). Deze teksten zijn nog geen bewijs voor het bestaan van apostolische geloofsbelijdenissen. De eerste vaste tekst dateert uit het midden van de 2de eeuw. Doopbelijdenissen in vraagvorm (met drie vragen) zijn het oudst, we vinden ze bij Justinus, Ap. 61; Ireneüs, Epideixis 3; Tertullianus, de spec. 4; de bapt. 2; cor. 3; adv. Prax. 26; Hippolytus, Trad. ap. 21; Cyprianus, Ep. 69,7; Dionysius van Alexandrië (in Eusebius, H.E. 7,9); later ook bij Ambrosius, de Sacr. 2,7,20 en in het Sacr. Gelasianum n. 449.

Het oudste aanduiding voor het bestaan van het zogenaamde Symbolum apostolorum, (men dacht dat het van de apostelen zelf kwam) vinden we op het eind van de 4de eeuw (Ambrosius, ep. 42,5; Rufinus, comm. in symb. apost.).

We vinden de tekst al eerder bij Hippolytus (trad. ap. 21), maar dan in zijn persoonlijke versie ervan. Toch bestond de officiële tekst reeds in het begin van de derde eeuw. We vinden de Griekse tekst bij Marcellus van Ancyra in een brief aan paus Julius (ca 340; bij Epifanius, Haer. 72,3). In het midden van de 3de eeuw bestond er ook een Latijnse versie. In het westen wordt deze versie standaard, in het oosten blijven meerdere versies circuleren.

2.3.3 Oude preken.

Hieronder valt bv. 2 Clemens (Eusebius, H.E. 3,38,4). Het is de oudste preek van de jonge kerk die bekend is. Hij stamt vermoedelijk van vóór 150.

De paaspreek van Melito van Sardes (+160-190). Door papyrusvondsten hebben we weer de volledige tekst. De rest van zijn werken die opgesomd worden door Eusebius zijn verloren gegaan.

2.3.4 Martelaarsacten.

De martelaarsacten van tijdgenoten die historisch betrouwbaar zijn, in tegenstelling tot latere martelaarslegenden vanaf de 4de eeuw kan men in twee groepen verdelen: martyrium of passio: bericht over het lijden of de acta, het protocol van hun proces. (hierover verder meer)

2.3.5 Minucius Felix.

De eerste Latijnse auteur is Municius Felix, een Romeinse advocaat, van wie de dialoog Octavius (ca 200) overgeleverd is, een filosofische behandeling van het Christendom gericht aan heidenen. Het werk is afhankelijk van Tertullianus, Ad Nationes.

2.3.6 Tertullianus.

Tertullianus (160-na 220). Hij keerde rond 195 als bekeerde Christen uit Rome terug naar Carthago, waar zijn rijke auteurswerk voor de Kerk begon. Hiëronymus (Vir. ill. 53) bericht dat hij priester was, hetgeen waarschijnlijk niet waar is. Ten laatste in 207 trad hij uit de Kerk. Hij is de origineelste en na Augustinus ook de meest individueel denkende kerkelijke scrhijver uit het Westen. De datering van zijn werken is moeilijk. Meestal moet men zich tevreden stellen met te bepalen of ze uit zijn katholieke dan wel zijn montanistische tijd zijn.

2.3.7 Hippolytus.

Hippolytus (+ Rome ca 235). Hij werd vóór 160 in het Griekse Oosten geboren. Hij zou zolens Photius een leerling van Ireneüs zijn en priester in Roem onder paus Victor (189-198). Hij leerde een subordinationisme als bestrijding van het modalisme. In 235 werd hij “tegenpaus” van paus Pontianus, onder de vervolging van Maximus Thrax. Pontianus deed tijdens zijn leven afstand. Men koos Antherus. Het kan zijn dat hierdoor het schisma beëindigd werd. Ze werden beiden naar Sardinië verbannen, waar zij zich waarschijnlijk verzoend hebben. Zij zijn beiden de marteldood gestorven. Zijn werken zijn m.n. verzamelingen van theologische meningen enz. Hij is niet zo een zelfstandig denker.

2.3.8 Pausbrieven uit de 3de eeuw.

We bezitten brieven van de pausen Callixtus (217-222), Pontianus (230-235), Cornelius (251-3), Lucius I (253-4); Stefanus I (254-7); Xystus (=Sixtus) II (257-8); Dionysius (259-68).

2.4 De eigenlijke kerkvaders.

Het zich uitdrukkelijk beroepen op het getuigenis van het verleden, d.w.z. de voorgangers (m.n. vroegere bisschoppen) vinden we pas vanaf de vierde eeuw wat regelmatiger. Vanaf die tijd werd het begrip “vader” steeds meer gebruikt. Nl. de vader is verwijst naar de vorige generatie, de opvoeder, de traditie, het gezag … . De meeste kerkvaders zijn bisschoppen. Er zijn echter ook enkele priesters (Hiëronymus) bij, een diaken (Efrem de Syriër) en één leek bij (Prosper van Aquitanië). Een opsomming (vet gedrukt zijn de belangrijksten):

  • Westen:
  • Cyprianus (+258)
  • Ambrosius (339-397)
  • Augustinus (354-430)
  • Hiëronymus (347-420)
  • paus Leo de Grote (440-461)
  • paus Gregorius de Grote (590-604)
  • Oosten:
  • Clemens van Alexandrië (140/150-216/7)
  • Origines (185-254)
  • Athanasius (ca 295-373)
  • drie Cappadociërs:
  • Basilius de Grote (329-379)
  • Gregorius van Nyssa (334-394)
  • Gregorius van Nazianze (330-390)
  • Johannes Chrysostomus (344/354-407)

De tijd van de kerkvaders (patristische tijd) eindigde omdat er geen grote theologen meer waren.

3 Voetnoten

  1. Diverse auteurs maken andere indelingen, vgl. Althaner, 43-44.
  2. Altaner, 85-87.

Bron : Apowiki

Faustinus van Rome :”De geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft”

Faustinus van Rome (2e helft van de vierde eeuw), priester De Drie-eenheid, 39-40, CCL 69, 340-341

 

Faustinus en Jovita(vincenzo_foppa).jpg

Faustinus en Jovita (Vincenzo Foppa) “De geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft”

Onze Verlosser is waarlijk de Christus, dat wil zeggen: de Gezalfde, geworden in zijn menswording. Hij werd immers zowel de ware koning als de ware priester: Hij is beide, zodat er aan de Verlosser niets ontbreekt. Luister hoe Hijzelf zegt dat Hij koning geworden is: ‘Ik werd door Hem tot koning aangesteld op de Sion, zijn heilige berg’ (Ps. 2, 6, Vulg.). Luister ook naar het getuigenis van de Vader, dat bevestigt dat Hij priester is: ‘Voor eeuwig zijt gij priester, naar de orde van Melchisédek’ (Ps. 110, 4, Vulg.)… Op grond van zijn menswording is de Verlosser dus zowel priester als koning. Hij is hiertoe echter niet lichamelijk maar geestelijk gezalfd. De koningen en de priesters van de Israëlieten waren koning en priester door een lichamelijke zalving met olie. Niemand van hen had beide functies: ze waren óf koning óf priester. De volmaaktheid en de volheid in alles komt alleen aan Christus toe, Hij die ook de wet is komen vervullen.
Ook al bekleedde geen enkele Israëliet beide functies, toch werden ze ‘gezalfden’ genoemd, indien ze lichamelijk gezalfd waren met de olie van hetzij koningen of priesters. Maar de Verlosser die de ware Christus is, werd door de heilige Geest gezalfd, zodat vervuld zou worden wat over Hem geschreven staat: ‘Daarom bent u door God, uw God, gezalfd met vreugde-olie waarin gij uw broeders overtreft’ (Ps. 45, 8, Vulg.). Hij staat boven hen die, evenals Hij, de naam van ‘gezalfde’ dragen, omdat Hij gezalfd werd met vreugde-olie, dat wil zeggen: met de heilige Geest.

 

Bron :http://www.dagelijksevangelie.org

13e zondag na Pinksteren : de onrechtvaardige pachters

13e zondag na Pinksteren

DEe onrechtvaardige pachters

 

onrechtvaardige pachters.jpg

 

Lezingen :

1 Kor.16,13-24

]Blijf waakzaam, sta vast in het geloof, wees moedig en sterk. Laat alles bij u gebeuren met liefde. Ik heb nog een verzoek aan u, broeders en zusters: u weet dat Stefanas en zijn gezin de eerste bekeerlingen van Achaje zijn en dat zij altijd klaarstaan voor de heiligen. Aanvaard dan ook van uw kant de leiding van zulke mensen en van allen die hun werk en moeite delen. Ik verheug mij over de aanwezigheid hier van Stefanas Fortunatus en Achaïkus; zij hebben voor mij het gemis van u vergoed, zij hebben mijn zorgen verlicht, en daarmee ook de uwe. Houd zulke mensen in ere. De gemeenten van Asia laten u groeten. Veel groeten in de Heer, van Aquilaen Prisca en van de gemeente bij hen aan huis. Alle broeders groeten u. Groet elkaar met de heilige kus.Deze groet schrijf ik met eigen hand: Paulus. Wie de Heer niet liefheeft, hij zij vervloekt. Maranatha De genade van de Heer Jezus is met u, en mijn liefde is met u allen in Christus Jezus.

Evangelie : Matth.21,33-42

Gelijkenis van de vruchten Luister naar een andere gelijkenis. Er was eens een landeigenaar die een wijngaard aanlegde. Hij zette hem met een omheining af, groef er een perskuil in en bouwde er een wachttoren. Hij verpachtte hem aan wijnbouwers en vertrok naar het buitenland. Maar toen de tijd van de vruchten gekomen was, stuurde hij zijn slaven naar de wijnbouwers om de vruchten in ontvangst te nemen. De wijnbouwers grepen zijn slaven vast; de een gaven ze een pak slaag, een ander doodden ze, een derde stenigden ze. Hij stuurde toen andere slaven, meer dan de eerste keer, en ze deden met hen hetzelfde. Later stuurde hij zijn zoon naar hen toe, met de gedachte: mijn zoon zullen ze ontzien. Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze tegen elkaar: “Dat is de erfgenaam. Kom, laten we hem doden en zijn erfdeel in bezit nemen.” Ze grepen hem vast, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. Welnu, wanneer de eigenaar van de wijngaard komt, wat zal hij dan met die wijnbouwers doen?’ Ze gaven Hem ten antwoord: ‘Hij zal die ellendelingen een ellendige dood bezorgen, en de wijngaard zal hij aan andere wijnbouwers geven, die vruchten aan hem afdragen wanneer het er de tijd voor is.’ Jezus zei tegen hen: ‘Hebt u nooit in de Schriften gelezen: De steen die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is de hoeksteen geworden. De Heer heeft dit gedaan; het is een wonder in onze ogen?

heiligenleven : De heilige Nilus

Heiligenleven

De heilige Nilus

 

 

 

 

Nilus (rechts)en Antonius.jpg

De heilige Antonius (links) en de heilige Nilus (rechts)

 

De heilige Nilus werd geboren te Constantinopel rond 426 of na 430 (of zelfs rond 450). Zijn voorname afkomst, zijn rijkdommen en de begaafdheden van zijn verstand deden hem tot Bestuurder van de stad verheffen. Hij had twee zonen bij een godvrezende vrouw, met wie hij getrouwd was, en het fortuin alsmede zijn kennis lieten hem hem een wereld leven leiden. De predikaties van de heilige Johannes Chrysostomos stemden hem tot vreugde. De vriendschappelijke betrekkingen welke hij later met de grote Patriarch had, keerden zijn hart nog meer naar de deugd, en hij zuchtte dikwijls over de banden welke hem aan de wereld gekluisterd hielden. De zorgen welke hij behoorde aan te wenden om zijn kinderen te plaatsen en de belevingen van zijn vrouw, bestreden in hem de voornemens van afzondering welke God hem inboezemde. Doch de genade behaalde eindelijk een volstrekte zegepraal. Hij besloot in eenzaamheid te gaan leven omdat hij meende dat zijn verblijf in de wereld strijdig was met zijn inzichten voor de eenzaamheid. Het koste hem grote moeite om zijn vrouw over te halen om te scheiden. Dit maakte hun eensgezindheid en hun verbondenheid nog smartelijker, doch met veel weerstand en tranen stemde ze er eindelijk in toe, en één van haar zonen bij zich houdend, liet zij de andere zoon  haar man vergezellen. Zij begaven zich naar Palestina, en de heilige Nilus trok zich op de berg Sinaï terug in één van de spelonken welke de kluizenaars die daar leefden bewoonden. Hij vergat de tederheid van zijn gestel en van de wijze waarop hij zich voedde, en leefde slechts gelijk de heilige eremieten die bijna nooit brood gebruikten en slechts wilde vruchten of rauwe kruiden aten. Sommigen aten slechts eenmaal, anderen tweemaal per week, en de jongsten maar elke twee dagen. Dit verschil van oefeningen verhief echter de één niet boven de ander. Zij waren allen gelijk, volmaakt verenigd door de band van liefde en onderworpen aan een priester die de zondag met hen vergaderde. De onthechting van al het aardse waarin de heilige Nilus en zijn zoon leefden, belette hem echter niet deel te nemen aan de belangen van de Kerk. Hij was vooral zeer gevoelig voor de rampen welke de mensen van Constantinopel  te verduren hadden die veel te lijden hadden voor de vervolging van hun herder Chrysostomos. En wanneer  de heilige Chrysostomos verbannen werd aan wie hij veel verplichtingen had, kon hij zich niet weerhouden daarover tot tweemaal toe een brief te schrijven aan keizer Arcadius.

Hij bracht verscheidene jaren door met zijn zoon Theodulus op de wijze welke wij hebben verhaald. Op een dag dat hij verscheidene kluizenaars uit de streek was gaan bezoeken, kwamen de Sarracenen s’nachts de cellen plunderen, en vermoordden zij vele religieuzen die in de kerk waren gevlucht. De heilige Nilus zocht bij zijn terugkomst overal naar zijn zoon. Toen hij hem tussen de doden niet vond hoorde hij dat hij als gevangene was weggeleid. Hij reisde her en der om er iets van te vernemen, en na veel  vermoeiende omzwervingen vond hij hem in een stad waar de Bisschop hem reeds had vrijgekocht en hem tot koster van zijn kerk had gemaakt. De Prelaat wilde de vader en de zoon bij zich houden, maar kon hen daartoe niet overhalen. Daarop wijdde hij hen tot priester voor hun vertrek. Zij keerden terug naar de cellen van de berg Sinaï, en de heilige Nilus volhardde in het leven van strengheid. Hij verdeelde zijn tijd tussen rust en beschouwing alsook met de studie van de heilige boeken. Hij schreef uitmuntende verhandelingen over het geestelijk leven en stierf op hoge ouderdom.

Uit : de levens van de heilige Vaders der woestijnen van het Oosten (1859)

Johannes Chrysostomos : Ga ook naar mijn wijngaard

H. Johannes Chrysostomos (ca. 345-407), bisschop van Antiochië, daarna van Constantinopel, Kerkleraar Homilie over het evangelie van Mattheus, nr 64, 4

 

Overbrenging van de relieken van de Heilige Johannes Chrysostomos van Komani, Gerorgië naar Constantinopel.jpg

Overbrenging van de relieken van de H. Johannes Chrysostomos

 “Ga ook naar mijn wijngaard”

      Het is duidelijk dat deze parabel de bekering van de mensen tot God beoogt, sommigen al vanaf hun prille jeugd, anderen wat later en enkelen pas in hun ouderdom. Christus onderdrukt de trots bij de eerst geroepenen om hen te verhinderen, dat ze verwijten maken aan hen van het elfde uur, door ze te tonen dat de beloning dezelfde is voor allen. Tegelijkertijd stimuleert Hij de ijver bij de laatsten door ze te tonen dat ze hetzelfde salaris kunnen verdienen als de eersten. De Verlosser kwam spreken over verloochening van rijkdommen, verachting voor alle goederen, over deugden die een groot hart en moed vragen. Het was nodig om de ijver van een ziel vol met jeugd te stimuleren; de Heer steekt in hen de vlam van de liefde weer aan en versterkt hun moed door ze te tonen dat zelfs zij die op het laatst zijn gekomen, het salaris voor de hele dag ontvangen…
      Om nog duidelijker te spreken, sommigen konden er misbruik van maken en in onverschilligheid en vrijblijvendheid te vervallen. De leerlingen zullen duidelijk zien dat deze ruimte een gevolg is van de barmhartigheid van God, die de enige is die ze zal ondersteunen om zo’n geweldige beloning te verdienen… Alle parabels van Jezus, die van de maagden, van het net, van de doornen en van de onvruchtbare boom, nodigen ons uit om onze deugd in daden te laten zien… Hij roept ons op tot een zuiver en heilig leven. Een heilig leven kost ons hart meer dan een eenvoudige zuiverheid van geloof, want het is een voortdurende strijd, een onuitputtelijk werk.

 

Bron :http://www.dagelijksevangelie.org