10e zondag na Pinksteren : genezing van de maanzieke

10e zondag na Pinksteren

‘de genezing van de maanzieke’ (bezetene)

 

 

maanzieke.jpg

 

miniatuur uit een middeleeuw handschrift

 

EERSTE LEZING : 1 Kor.,4.9-16

Maar volgens mij heeft God ons, apostelen, de laagste plaats toegewezen, alsof we ter dood veroordeeld zijn. We zijn voor heel de wereld, zowel voor engelen als mensen, een schouwspel geworden. Wij zijn dwaas omwille van Christus, terwijl u dankzij Christus zo geweldig wijs bent; wij zijn zwak, terwijl u zo geweldig sterk bent; u staat enorm in aanzien, terwijl wij worden veracht. Tot op de dag van vandaag lijden we honger en dorst, hebben we nauwelijks kleren, worden we mishandeld, zijn we dakloos, zwoegen we voor ons eigen brood. Worden we bespot, dan zegenen we; worden we vervolgd, dan verdragen we het; worden we beledigd, dan antwoorden we vriendelijk. Tot op dit ogenblik zijn wij het uitschot van de wereld, het uitvaagsel van de mensheid. Ik schrijf dit alles niet om u te beschamen, maar om u als mijn geliefde kinderen terecht te wijzen. Hoeveel opvoeders in het geloof in Christus u ook zult hebben, u hebt maar één vader. Door Christus Jezus ben ik uw vader geworden, omdat ik u het evangelie heb gebracht. Ik roep u dus op mij na te volgen.

EVANGELIE: Matth.,17.14-23

Gebrek aan geloof

Toen ze zich weer bij de mensenmassa voegden, kwam er iemand naar hem toe die voor hem op zijn knieën viel en zei: ‘Heer, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maanziek en lijdt daar erg onder; hij valt dikwijls in het vuur of in het water. Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet genezen.’ Jezus antwoordde: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet ik jullie nog verdragen? Breng hem bij me.’ Daarop sprak Jezus de demon op strenge toon toe. Deze ging uit de jongen weg, en vanaf dat moment was hij genezen. Later kwamen de leerlingen naar Jezus toe. Eenmaal met hem alleen vroegen ze: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’ Hij antwoordde: ‘Vanwege jullie gebrek aan geloof. Ik verzeker jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zullen jullie tegen die berg zeggen: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.’Andere handschriften hebben een extra vers: ‘ Dit soort kan alleen door gebed en vasten worden uitgedreven.’ Terwijl ze door Galilea trokken, zei Jezus tegen hen: ‘De Mensenzoon zal uitgeleverd worden aan de mensen. Die zullen hem doden, maar op de derde dag zal hij uit de dood worden opgewekt.’ Dit maakte hen zeer bedroefd.

COMMENTAAR OP HET VERHAAL :

KLEIN GELOOF De tweede maat van geloof is “kleingeloof”. In Mt.17 lezen wij het verhaal van een wanhopige vader. Zijn zoon is bezeten door een boze geest die de jongen dikwijls in het vuur doet vallen en dikwijls in het water. Marcus voegt daaraan toe dat van kinds af aan: 9:18 “waar (de boze geest) hem aangrijpt, werpt hij hem op de grond; en hij heeft het schuim op de mond, en hij knerst met zijn tanden en verstijft.”. En Lucas schrijft dat de boze geest de jongen grijpt “en dan schreeuwt hij plotseling en hij doet hem stuiptrekken, … en als hij hem mishandelt, laat hij hem nauwelijks los.” – kortom: een hoopje hopeloze ellende. De vader wil Jezus vragen om zijn bezeten zoon te bevrijden. Maar wanneer hij aankomt, ontdekt hij dat Jezus gisteren met Petrus, Johannes en Jacobus de verheerlijkingsberg beklom. De negen overgebleven discipelen proberen het klusje zelf te klaren, maar het lukt hun niet om de boze geest uit de bezeten jongen te drijven. Gelukkig keert Jezus op tijd bij Zijn discipelen terug. De vader: Mt.17:14-20a “kwam tot Hem, knielde voor Hem neder, en zeide: 15 Here, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maanziek en hij is er slecht aan toe; want dikwijls valt hij in het vuur en dikwijls in het water.”. Matteüs, Marcus en Lucas verslagen alle drie wat de wanhopige vader dat aan Jezus zegt: “16 … ik heb hem naar uw discipelen gebracht en zij hebben hem niet kunnen genezen.” “17 Jezus antwoordde en zeide: … Breng hem Mij hier. 18 En Jezus bestrafte hem en de boze geest ging van hem uit, en de knaap was genezen van dat ogenblik af. 19 Toen kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden, toen zij met Hem alleen waren: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven? 20 Hij zeide tot hen: Vanwege uw kleingeloof.”. De discipelen staan tegelijk in verwondering en in verwarring. Boze geesten uitdrijven is veel moeilijker gebleken dan zij dachten. De vader van de bezeten – nu bevrijdde – knaap heeft gelijk: zij hebben het niet gekund. Hoe komt het dat wat voor de discipelen een onmogelijke opgave was, voor Jezus maar een klein kunstje bleek te zijn? Zij willen graag weten hoe het komt dat het Hem lukt en hun niet: “Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?”. Jezus’ antwoord: “Vanwege uw kleingeloof.”! Wat is “kleingeloof”? Wanneer is ons geloof te klein? Het Marcusevangelie verslaat het gesprek tussen Jezus en de vader van de bezeten jongen vollediger. De vader zegt aan Jezus: v.22b “als Gij iets kunt doen, help ons en heb medelijden met ons!”. Jezus antwoordt: vv.23-24 “Als Gij kunt! Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft. 24 Terstond riep de vader van de knaap uit en zeide: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!”. Ik denk dat de vader van de bezeten knaap ons toont wat klein geloof is, nl. geloof dat met twijfel gepaard gaat; geloof dat niet zeker is. Echt geloof: Hebr.11:1 “is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet.”, of, zoals “Het Boek” dit vers prachtig vertolkt: “de absolute zekerheid dat onze hoop ook werkelijkheid wordt en het is het bewijs van dingen die wij niet kunnen zien.”. De NBV geeft het nog anders weer: “Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien.”. De vader van de bezeten jongen heeft zeker geloof. Hij gelooft wellicht dat boze geesten kunnen worden uitgedreven, en dat Jezus dit ook kan, want anders was hij niet met zijn zoon om hulp komen vragen. Maar nu het de discipelen van Jezus niet gelukt is om hem te helpen, twijfelt hij. Laten wij ons geloof ook soms beïnvloeden door het “succes” van medegelovigen? Als een voorganger of een oudste voor een zieke bidt, en wij de zieke niet zien genezen, laten wij ons ontmoedigen om voor ons te laten bidden? I.a.w.: stellen wij te veel vertrouwen op het “personeel” van de Heer dan op de Heer Zelf? Zo ja, lijden wij aan klein geloof.

Origines : Reinig eerst de binnenkant : bereid een weg in uw hart

Origines,  (ca. 185-253), priester en theoloog Homilie over het Evangelie van Lucas, nr. 21 ; PG 13, 1855 ; SC 87

 

origines.png

Origines

 “Reinig eerst de binnenkant”: bereid een weg in uw hart

      Wij lezen deze woorden bij de profeet Jesaja: “Baan voor de Heer een weg door de woestijn, effen in de wildernis een pad voor onze God” (40,3). De Heer wil in u een weg vinden waardoor Hij in uw harten kan komen en er op kan voortgaan. Bereid Hem deze weg; herstel zijn paden… Welke weg willen we voor de Heer bereiden? Is het een materiële weg? Maar kan het Woord van God een dergelijke weg nemen? Is het niet nodig om voor de Heer een innerlijke weg te bereiden en in onze harten rechte en verbonden wegen aan te leggen? Ja, dat is de weg waarover het Woord van God binnen kan gaan, om zich in het menselijk hart, dat in staat is om Hem te ontvangen, te vestigen.
      Ja, het hart van de mens is groot! Wat een ruimte en wat een vermogen, mits het zuiver is! Wil je deze grootte en ruimte kennen? Kijk dan naar de grootte van de goddelijke kennis dat het bevat. Dat hart zegt zelf tegen Hem: “Hij is het die mij betrouwbare kennis verschaft heeft van alles wat er is. Ik kreeg inzicht in de samenstelling van de kosmos en de werking van de elementen, in het begin en het eind en het midden van de tijden, in de baan die de zon doorloopt en de wisseling van de seizoenen, in de kringloop van het jaar en de stand van de sterren, in de aard van de dieren en de driften van wilde beesten, in de kracht van geesten en het denken van de mens, in de verschillende soorten planten en de werking van hun wortels” (Wijsh. 7,17-20). Je ziet dat het hart van de mens dat veel dingen omhelst, niet klein is…
      Welnu als het niet klein is en het kan veel begrijpen, kan men de weg voor de Heer bereiden en er een rechte weg van maken waar het Woord, de Wijsheid van God op zal gaan. Bereid een weg voor de Heer door een goed geweten, effen de weg opdat het Woord van God in je loopt zonder stoten en je de kennis geeft van zijn mysteriën en zijn komst.

 

Bron :http://www.dagelijksevangelie.org

Teksten van Kerkvaders over de eucharistie

 

Teksten van Kerkvaders over de eucharistie

 

 

1 De werkelijke tegenwoordigheid

De leer van de werkelijke tegenwoordigheid, dit betekent dat Jezus letterlijk en werkelijk aanwezig is, Zijn lichaam en bloed, Zijn godheid en mensheid, onder de gedaanten van brood en wijn in de Eucharistie is een wezenlijk geloofspunt in de Kerk. De Schrift spreket erover in 1 Kor. 10,16-17; 11,23-29; en m.n. in Joh. 6,32-71. Vanaf het begin hebben de Kerkvaders de nadruk gelegd op de werkelijke tegenwoordigheid, zoals blijkt uit de volgende citaten. De vertalingen zijn vrijwel volledig eigen werk.

1.1 Ignatius van Antiochië (+ ca110)

“Ik verlang niet naar het vergankelijke brood of de genietingen van dit leven. Ik verlang het “brood van God”, dat is het vlees van Jezus Christus, die uit het “zaad van David” is, en als drank verlang ik zijn bloed, dat is de onvergankelijke liefde.” (Rom. 7,3) [anno 110]

“Zij onthouden zich van Eucharistie en gebed, omdat zij niet belijden dat de Eucharistie het Vlees van onze Verlosser Jezus Christus is, dat om onze zonden heeft geleden en dat de Vader in Zijn goedheid heeft opgewekt. Zij die de gave van God ontkennen gaan ten onder in hun getwist. Het zou beter voor hen zijn lief te hebben opdat zij zouden verrijzen. … Die Eucharistieviering moeten jullie voor geldig houden, die onder (leiding van) de bisschop plaats heeft of onder hem, aan wie deze het heeft opgedragen. … Zonder de bisschop is het niet geoorloofd te dopen noch het liefdemaal te vieren.” (Smyrn. 7,1 en 8)

1.2 Justinus (ca 100-165/6)

1 Dit voedsel draagt bij ons de naam eucharistie. Niemand anders mag hieraan deelhebben dan hij die gelooft dat onze leer waar is, die gedompeld is in het bad ter vergeving van de zonden en tot wedergeboorte en die zijn leven volgens de overlevering van Christus inricht. 2 Want wij nemen deze gaven niet als gewoon brood en gewone drank, maar zoals onze Verlosser Jezus Christus vlees en bloed aannam omwille van ons heil, toen Hij door de Logos van God vlees werd, zo werd ons geleerd dat het voedsel dat onder dankzegging door het gebed van Zijn woord gewijd is en waarmee ons vlees en bloed krachtens verandering gevoed wordt, vlees en bloed is van die vleesgeworden Jezus. (1 Apol. 66, anno 151)

1.3 Ireneüs van Lyon (+202)

“Omdat wij zijn ledematen zijn (1 Kor.6, 15) en worden gevoed door de schepping – de schepping die Hij ons schenkt door de zon te laten opgaan en de regen te zenden naar zijn welbehagen (Vgl. Mt. 5,45), — heeft Hij de beker voortkomend uit de schepping, beleden als zijn Bloed, waardoor ons bloed krachtiger wordt; en het brood voortkomend uit de schepping, beleden als zijn Lichaam waardoor ons lichaam gesterkt wordt.

Als dus de beker die gemengd is en het brood dat toebereid is, het Woord van God in zich opnemen en de eucharistische gaven worden: het Bloed en het Lichaam van Christus, waardoor ons lichaam gesterkt wordt en stand houdt, hoe kunnen deze lieden (de gnostici) dan beweren dat het lichaam niet in staat is Gods gaven, het eeuwige leven, te ontvangen? Het wordt toch gevoed door het Bloed en het Lichaam van Christus en is zijn lidmaat.” (A.H. 5,2).

1.4 Tertullianus (160-222)

Het vlees wordt immers afgewassen [in het doopsel], opdat de ziel van vlekken wordt gereinigd; het vlees wordt gezalfd opdat de ziel wordt gewijd; het vlees wordt getekend opdat ook de ziel wordt versterkt; het vlees wordt door handoplegging overschaduwd, opdat ook de geest verlicht wordt doro de Geest; het vlees wordt gevoed met het Lichaam en Bloed van Christus, opdat ook de ziel wordt verzadigd met God. (De resurr. carnis 8)

1.5 Cyrillus van Jeruzalem (313-387)

6.Beschouw dit brood en deze wijn dus niet als dingen zonder meer. Want zij zijn Lichaam en Bloed van Christus volgens de uitspraak van de Heer. Moge de waarneming u al het eerste doen onderstellen, het geloof overtuige u van het tweede. Beoordeel dit niet naar de smaak, maar put uit het geloof de onwankelbare overtuiging, dat u het Lichaam en Bloed van Christus hebt ontvangen. 9.Nu ge dit geleerd hebt en de overtuiging hebt opgedaan, dat dit schijnbare brood geen brood is, al proeft men dit ook zo, maar Lichaam van Christus, en dat deze schijnbare wijn geen wijn is, al wil de smaak dit ook, maar Bloed van Christus; … versterk uw hart, neem deel aan deze geestelijke spijs en vervrolijk het aanschijn van uw ziel.” (Cat. Myst. 22,6.9)

1.6 Augustinus (354-430)

“Ik denk aan mijn belofte. Aan u, die gedoopt zijt, beloofde ik immers een preek waarin ik u een uiteenzetting zou geven over het Sacrament van de tafel van de Heer, het Sacrament dat gij hier nu aanschouwt en waaraan gij verleden nacht deelachtig zijt geworden. Gij moet weten wat ge ontvangen hebt, wat gij zult ontvangen en wat gij dagelijks moet ontvangen. Dit Brood, dat ge op het altaar ziet, is, geheiligd door het woord van God, het Lichaam van Christus. Deze kelk, of beter, de inhoud van deze kelk is, geheiligd door het woord van God, het Bloed van Christus.” (Sermo 227, In die Paschae IV, anno 411)

“Wat gij hier ziet, is brood en een kelk: dat melden u ook uw eigen ogen. Uw geloof moet u echter leren, dat het brood het lichaam van Christus, de kelk het bloed van Christus is. Zo is het in korte woorden gezegd en wellicht heeft uw geloof hieraan genoeg. Maar het geloof verlangt ook onderricht te worden.” (Sermo 272).

2 Het offerkarakter van de Eucharistie.

De Eucharistie is een echt offer, niet enkel een gedachtenis aan Christus. We vinden dit offerkarakter reeds in Jezus opdracht: “Doet dit tot mijn gedachtenis” (Touto poieite tan eman anamnasin; Lc. 22,19, 1 Kor. 11,24-25), dat beter vertaald kan worden als: “Offer dit als mijn gedachtenisoffer”.

De profetie van Maleachi (1,10-11): “Ik heb geen welgevallen in u, zegt Jahwe van de machten, en het offer uit uw handen behaagt Mij niet. Werkelijk, van de opkomst van de zon tot aan haar ondergang is mijn naam groot onder de volken; overal wordt aan mijn naam een wierookoffer gebracht en een reine offergave.” werd door de Kerk zonder meer gezien als een voorspelling van het nieuwe offer dat Christus bracht en dat de plaats innam van de offers van het O.T., nl. de Eucharistie. Wij beperken ons hier tot enkele van de vele getuigenissen.

2.1 Ignatius van Antiochië (+ca 110)

Beijvert U dan aan één Eucharistie deel te nemen, want één is het vlees van onze Heer Jezus Christus, en één de kelk ter vereniging met Zijn bloed, één offeraltaar, zoals ook één bisschop met de priesters en de diakens, mijn mededienaren, opdat gij, wat gij ook doet, het in overeenstemming Gods wil moogt doen.” (Phil. 4)

2.2 De Didache (14,1-3) (ca 150)

1Wanneer u op de dag van de Heer samenkomt, breekt dan het brood en geeft dank na de belijdenis van uw zonden opdat uw offer oprecht zal zijn. (Mt. 5,23-24) 2Maar laat hij die in onmin leeft met zijn naaste niet met u samenkomen voordat hij en zijn naaste zich met elkaar verzoend hebben, zodat uw offer niet ontwijd wordt. 3Want zo luidt het woord van de Heer: “Laat men op elke plaats en ten alle tijde Mij een rein offer brengen, want Ik ben een grote koning, zegt de Heer en mijn Naam is wonderbaar onder de volken“. (Mal. 1,11.14)

2.3 Justinus (ca 100-165/6)

“Vandaar dat God door Maleachi, een van de twaalf (kleine) profeten, over de toen door u gebrachte offers zei: “Neen, Ik heb geen behagen in u, zegt de Heer, Ik zal uw offers niet aanvaarden”(Mal. 1,11) … Maar van de offeranden die Hem op iedere plaats door ons volkeren worden opgedragen, dat is, over het eucharistisch brood en de eucharistische kelk, sprak Hij reeds toen, maar voegde er ook dat nog aan toe, dat Zijn Naam door öns zou worden verheerlijkt, door u echter onteerd.” (Dialoog met Tryphon, 41)

2.4 Ireneüs van Lyon (+202)

“Hij nam het brood, dat voortkwam uit zijn schepping, dankte en sprak: Dit is mijn lichaam. En eveneens getuigde Hij, dat de kelk, die evenals wij tot de schepping behoort, zijn bloed was en het nieuwe offer van het nieuwe testament. De Kerk heeft dit offer van de apostelen ontvangen en offert het in heel de wereld aan God, die ons voedsel schenkt, als de eerstelingen van zijn gaven in het nieuwe testament. Hierover voorspelde onder de twaalf profeten Maleachi aldus: Ik heb geen behagen in u, spreekt de almachtige Heer, geen lust in het offer van uw handen. Want van de opgang der zon tot aan haar ondergang is mijn Naam groot onder de volken. Op iedere plaats wordt mijn Naam een wierookoffer en een reine offerande gebracht. Want mijn Naam is groot onder de volken, zegt de almachtige Heer. (Mal. 1,10-11) Hiermee toonde Hij zeer duidelijk aan, dat het eerste volk zal ophouden God offers te brengen. Maar dat Hem op iedere plaats een offer zou worden gebracht, en wel een rein Offer. Dan wordt zijn Naam verheerlijkt onder de volken.” (A.H. 4,17,5 [anno 189]).

2.5 Cyrillus van Jeruzalem (313-387)

“7. Nadat wij ons door deze geestelijke gezangen geheiligd hebben, smeken wij de goede God, de Heilige Geest over de offergaven neer te zenden, opdat Hij van het brood Lichaam van Christus, van de wijn Bloed van Christus maakt. Want alles wat de Heilige Geest beroert, dat wordt heilig en anders. 8. Nadat dan voltrokken is het geestelijk offer, de onbloedige eredienst, smeken wij boven die zoenofferande God om de onderlinge vrede der kerken, om de welvaart van de wereld, voor de keizers, de soldaten en de bondgenoten, voor de zieken en bedrukten; kortom voor allen die hulp behoeven bidden wij allen en bieden wij deze offerande aan.” (Myst. Cat. 23,7-8 [anno 350]).

 

Bron : apowiki

9e zondag na Pinksteren : “Petrus zinkt”

 

 

 

9e zondag na Pinksteren

“Petrus zinkt”

 Petrus - zinkt.jpg

 

 Armeens museum Isfahan

 

LEZINGEN VAN DE ZONDAG

 (met een verhaal voor kinderen !)

1 Kor.3,9-17

.Dus wij zijn medewerkers van God en u bent zijn akker.U bent een bouwwerk van God. Overeenkomstig de taak die God mij uit genade heeft opgelegd, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, en anderen bouwen daarop voort. Laat ieder erop letten hoe hij bouwt,  want niemand kan een ander fundament leggen dan er al ligt – Jezus Christus zelf.  Of er op dat fundament nu verder wordt gebouwd met goud, zilver en edelstenen of met hout, hooi en stro,  van ieders werk zal duidelijk worden wat het waard is. Op de dag van het oordeel zal dat blijken, want dan zal het door vuur aan het licht worden gebracht. Het vuur zal laten zien wat ieders werk waard is.  Wanneer iemands bouwwerk blijft staan, zal hij worden beloond. Wanneer het verbrandt, zal hij daarvoor de prijs betalen; hijzelf zal echter worden gered, maar door het vuur heen. Weet u niet dat u een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont?  Indien iemand Gods tempel vernietigt, zal God hem vernietigen, want Gods tempel is heilig – en die tempel bent u zelf.

 

Evangelielezing :

 

Matth. 14,22-34

 Meteen daarna gelastte hij de leerlingen in de boot te stappen en alvast vooruit te gaan naar de overkant, hij zou ook komen nadat hij de mensen had weggestuurd. Toen hij hen weggestuurd had, ging hij de berg op om er in afzondering te bidden. De nacht viel, en hij was daar helemaal alleen.  De boot was intussen al vele stadiën van de vaste wal verwijderd en werd, als gevolg van de tegenwind, door de golven geteisterd.  Tegen het einde van de nacht kwam hij naar hen toe, lopend over het meer.  Toen de leerlingen hem op het meer zagen lopen, raakten ze in paniek. Ze riepen: ‘Een spook!’ en schreeuwden het uit van angst.  Meteen sprak Jezus hen aan: ‘Blijf kalm! Ik ben het, wees niet bang!’  Petrus antwoordde: ‘Heer, als u het bent, zeg me dan dat ik over het water naar u toe moet komen.’ Hij zei: ‘Kom!’ Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe.  Maar toen hij voelde hoe sterk de wind was, werd hij bang. Hij begon te zinken en schreeuwde het uit: ‘Heer, red me!’  Meteen strekte Jezus zijn hand uit, hij greep hem vast en zei: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’  Toen ze in de boot stapten, ging de wind liggen.  In de boot bogen de anderen zich voor hem neer en zeiden: ‘U bent werkelijk Gods Zoon!’  Toen ze overgestoken waren, gingen ze aan land bij Gennesaret.

 

 +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

KIJK, DIE PETRUS!

 Nooit zou Petrus voor iemand knielen. Dat deed immers geen enkele vrome Jood. Voor geen koning, geen keizer, voor niemand. Voor niemand?

 ‘Jouw beurt, Johannes.’ zegt Petrus. Hij schuift wat naar achteren en reikt de riemen over aan Johannes.

Gelukkig, hij kan even uitrusten. Wat een wind, zeg! En dan nog tegen. Zeilen kan helemaal niet meer. Nee, het wordt echt een nachtje ploeteren. Brr! Petrus huivert in zijn wollen jas. Zijn ogen proberen door de duisternis heen te boren om te ontdekken waar ze eigenlijk zijn. Wat vervelend dat Jezus niet bij hen is. Petrus voelt zich niks op zijn gemak zonder zijn grote vriend.

‘Ik wil dat jullie vast naar de overkant varen,’ had de Heer gezegd. ‘Ik kom wel.’

’t Kon wel een tijdje duren voordat ze Hem weer terugzagen. Petrus was zo graag gebleven. Het ging juist zo spannend worden. De mensen die van de broden en vissen hadden gegeten, wilden Jezus koning maken. Tsjonge, wat een avontuur. Het zou er dan eindelijk van komen. Jezus op de troon en alle vijanden het land uit. Maar nee hoor! De Heer had hen allemaal in het bootje geduwd en gezegd: ‘Ik stuur de mensen weg en dan kom ik bij jullie.’

 ‘Jouw beurt, Jakobus!’ hoort hij Johannes roepen. Jakobus schuift naar de riemen. ’t Lijkt wel of de wind nog toeneemt. Wolkenflarden vliegen langs de lucht. Het lapje, dat als vlaggetje dienst doet, klappert in de wind.

Plotseling voelt Petrus zich naar achteren glijden. Een grote golf tilt het voorschip op. Ze tuimelen allemaal over elkaar heen. Hou je vast! Hou je toch goed vast!!

Andreas, die de schipper is, schreeuwt zijn bevelen. Petrus is wel wat gewend als visser, maar hij klemt zich toch met beide handen aan de rand van de boot vast. Daar komt weer een grote golf… Ineens, als ze een moment zo hoog opgetild worden, ziet hij iets wits. Een zeil soms van een ander schip? Het zou wel stom zijn om met dit weer je zeil omhoog te houden. Het schip is al weer in een dal terechtgekomen. De anderen hebben het echter ook gezien.

‘Daar! Daar is iets!’ schreeuwt Judas met schorre stem. Een grote golf spat uiteen tegen de boeg. Een klets water zorgt ervoor dat Judas even niets meer ziet. Iedereen kijkt gespannen uit naar de volgende hoge golf. Daar istie…

‘Het is een spook!’ gilt Tomas.

Ja echt. Er is een witte gedaante midden op het meer. Wat vreselijk eng. Spoken bestaan niet, maar toch… Joeiii! Daar glijden ze al weer een waterdal in. Met angst en vrezen wordt de volgende golf afgewacht. Zal het spook er nog zijn?… en dichterbij?

‘Houdt moed. Ik ben het. Weest niet bang!’

Wat een bekende stem. Dat is toch de stem van Jezus?

Hij komt hen zomaar tegemoet. Lopend over het water. De wind blaast Hem niet weg. De golven slokken Hem niet op. Een koude rilling gaat door Petrus heen, een onbeschrijfelijk gevoel van trots. Zijn meester. De baas over wind en golven.

‘Daar wil ik bij zijn.’ flitst het door hem heen. Hij schreeuwt luid: ‘Mag ik bij U komen, Jezus? Als u het zegt doe ik het.’

Z’n ene been glijdt al vast over de rand. Mag het?

‘Kom!’ zegt Jezus.

Kijk die Petrus nou toch! Een moment later zit hij wiebelig op de rand van de boot, beide handen achter zich om de rand geklemd, zijn voeten tastend naar het water. Een, twee, hoeps! En plons natuurlijk.

Niks geen plons!

Onder zijn voeten is, glad als glas het water. Aarzelend, stap voor stap, alsof hij lopen leert, gaat hij naar Jezus. Zijn hoofddoek waait weg in de wind. Vanuit de boot klinken kreten van bewondering.

‘Hoe doe ik het eigenlijk? Dit kan toch helemaal niet?’ denkt Petrus. ‘Kijk die golven eens en die wind.’

Hij voelt angst in zich opkomen.

En dan… Nee! Nee, het gaat niet goed. Hij zinkt!!

‘Help, Heer, red mij!’ schreeuwt hij in doodsnood.

Daar is de hand van Jezus al. Net op tijd.

‘Waarom ben je gaan twijfelen? Vertrouw mij toch.’ zegt de Heer vriendelijk. Hand in hand lopen ze naar de boot, de leerling en de meester.

Behulpzame handen worden uitgestoken om hem in het schip te trekken. De wind gaat liggen. De zon komt op met prachtige oranjekleurige banen over het water. Denk je dat Petrus dat ziet? Nee, hij kijkt vol eerbied naar Jezus.

Ook de anderen zwijgen vol ontzag en vallen met Petrus op de knieën neer. De een na de ander zegt: ‘Heer, meester… U bent Gods Zoon!!

de heilige Narcissus van Gerona

Heiligenleven

De heilige Narcissus van Gerona

 

 

 

 

narcissus_1 van Gerona.jpg

De heilige Narcissus, bisschop van Gerona in Spanje, was van zijn zetel verdreven tijdens de vervolging van Diokletiaan. Samen met zijn diaken Felix was hij steeds verder op de vlucht, tot Augsburg toe. De gehele christengemeente was daar vrijwel uitgeroeid, maar een gastvrije vrouw bood hun onderdak, een zekere Afra. Deze verwonderde zich erover dat zij zo weinig aten en zoveel tijd aan gebed besteedden, en het duurde niet lang of zij bekeerde zich, met heel haar gezin.

Na negen maanden was de vervolging wat uitgewoed en Narcissus keerde met zijn diaken naar Gerona terug en nam daat opnieuw het bekeringswerk ter hand, en met veel succes. Dit wekte echter zozeer de woede op van een bepaalde groep heidenen, dat zij hem overvielen vanuit een hinderlaag, en hem vermoordden, in het begin van de 4e eeuw.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Orth.Klooster – Den Haag

Johannes Chrysostomos : De parabels over de schat en de parel

H. Johannes Chrysostomos (ca. 345-407), bisschop van Antiochië, daarna van Constantinopel, Kerkleraar Homilie over het evangelie van Mattheus, nr 47,2

Chrysostomos - St. Catherina klooster - Sinaï  7e eeuw.jpg

Johannres Chrysostomos – Sinaïklooster – 7e eeuw De parabels over de schat en de parel

      De twee parabels over de schat en de parel leren ons hetzelfde: dat je de voorkeur moet geven aan het Evangelie boven alle schatten van de wereld… Maar er is nog iets veel verdienstelijker: je moet er de voorkeur aangeven met plezier, met vreugde en zonder aarzelen. Laten we dat niet vergeten: alles achterlaten om God te volgen, dat is meer winnen dan verliezen. De prediking van het Evangelie is verborgen in deze wereld zoals de verborgen schat, een onschatbare schat.
      Om deze schat te bekomen.. zijn er twee voorwaarden nodig: verloochening van de goederen van deze wereld en standvastige moed. Het gaat immers om “een koopman, op zoek naar mooie parels. Toen hij een parel van grote waarde had gevonden, ging hij alles verkopen wat hij bezat en kocht deze parel”. Deze unieke parel is de waarheid, en de waarheid is één, de parel is niet te verdelen. Bezit je deze parel? Je kent de rijkdom: als de parel is opgesloten in de holte van je hand, kent niemand je fortuin. Zo is het ook met het Evangelie: als je het omhelst met je geloof, als het opgesloten blijft in je hart, wat een schat! Jij alleen hebt er kennis van: de ongelovigen die haar natuur en waarde niet kennen, hebben geen enkel idee van jouw onvergelijkelijke rijkdom.

Bron :http://www.dagelijksevangelie.org

heiligenleven : de heilige Hypatios

Heiligenleven

De heilige Hypatios

 

 

 

hypatios2.jpg

Heilige Hypatios

 

 

De heilige Hypatios, bisschop van Gangra, werd op het eerste Oecumenisch Concilie door allen geloofd om zijn diep geestelijk leven en om de wonderen die op zijn voorbede geschiedden. Op zijn terugreis van Constantinopel werd hij door een van de veroordeelde ketters aangevallen, die hem bij de keel greep en in de modder wierp. Een van de vrouwen uit die groep greep een zware steen en smeet die op het hoofd van Hypatios, zodat die stierf, in het jaar 326.

De vrouw schrok hevig van wat zij gedaan had, zij verloor haar verstand en begon zichzelf te verwonden door zich te slaan met de steen die een moordwapen was geworden. Christenen namen haar toen mee met zachte drang en brachten haar bij het lichaam van de heilige, en om hun gebed werd zij genezen. De rest van haar leven bracht zij door in boete en gebed.

Uit : ‘heiligenlevens voor elke dag’ uitg. Orthodox klooster Den Haag