10e zondag na Pinksteren : genezing van de maanzieke

10e zondag na Pinksteren

‘de genezing van de maanzieke’ (bezetene)

 

 

maanzieke.jpg

 

miniatuur uit een middeleeuw handschrift

 

EERSTE LEZING : 1 Kor.,4.9-16

Maar volgens mij heeft God ons, apostelen, de laagste plaats toegewezen, alsof we ter dood veroordeeld zijn. We zijn voor heel de wereld, zowel voor engelen als mensen, een schouwspel geworden. Wij zijn dwaas omwille van Christus, terwijl u dankzij Christus zo geweldig wijs bent; wij zijn zwak, terwijl u zo geweldig sterk bent; u staat enorm in aanzien, terwijl wij worden veracht. Tot op de dag van vandaag lijden we honger en dorst, hebben we nauwelijks kleren, worden we mishandeld, zijn we dakloos, zwoegen we voor ons eigen brood. Worden we bespot, dan zegenen we; worden we vervolgd, dan verdragen we het; worden we beledigd, dan antwoorden we vriendelijk. Tot op dit ogenblik zijn wij het uitschot van de wereld, het uitvaagsel van de mensheid. Ik schrijf dit alles niet om u te beschamen, maar om u als mijn geliefde kinderen terecht te wijzen. Hoeveel opvoeders in het geloof in Christus u ook zult hebben, u hebt maar één vader. Door Christus Jezus ben ik uw vader geworden, omdat ik u het evangelie heb gebracht. Ik roep u dus op mij na te volgen.

EVANGELIE: Matth.,17.14-23

Gebrek aan geloof

Toen ze zich weer bij de mensenmassa voegden, kwam er iemand naar hem toe die voor hem op zijn knieën viel en zei: ‘Heer, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maanziek en lijdt daar erg onder; hij valt dikwijls in het vuur of in het water. Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet genezen.’ Jezus antwoordde: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet ik jullie nog verdragen? Breng hem bij me.’ Daarop sprak Jezus de demon op strenge toon toe. Deze ging uit de jongen weg, en vanaf dat moment was hij genezen. Later kwamen de leerlingen naar Jezus toe. Eenmaal met hem alleen vroegen ze: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’ Hij antwoordde: ‘Vanwege jullie gebrek aan geloof. Ik verzeker jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zullen jullie tegen die berg zeggen: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.’Andere handschriften hebben een extra vers: ‘ Dit soort kan alleen door gebed en vasten worden uitgedreven.’ Terwijl ze door Galilea trokken, zei Jezus tegen hen: ‘De Mensenzoon zal uitgeleverd worden aan de mensen. Die zullen hem doden, maar op de derde dag zal hij uit de dood worden opgewekt.’ Dit maakte hen zeer bedroefd.

COMMENTAAR OP HET VERHAAL :

KLEIN GELOOF De tweede maat van geloof is “kleingeloof”. In Mt.17 lezen wij het verhaal van een wanhopige vader. Zijn zoon is bezeten door een boze geest die de jongen dikwijls in het vuur doet vallen en dikwijls in het water. Marcus voegt daaraan toe dat van kinds af aan: 9:18 “waar (de boze geest) hem aangrijpt, werpt hij hem op de grond; en hij heeft het schuim op de mond, en hij knerst met zijn tanden en verstijft.”. En Lucas schrijft dat de boze geest de jongen grijpt “en dan schreeuwt hij plotseling en hij doet hem stuiptrekken, … en als hij hem mishandelt, laat hij hem nauwelijks los.” – kortom: een hoopje hopeloze ellende. De vader wil Jezus vragen om zijn bezeten zoon te bevrijden. Maar wanneer hij aankomt, ontdekt hij dat Jezus gisteren met Petrus, Johannes en Jacobus de verheerlijkingsberg beklom. De negen overgebleven discipelen proberen het klusje zelf te klaren, maar het lukt hun niet om de boze geest uit de bezeten jongen te drijven. Gelukkig keert Jezus op tijd bij Zijn discipelen terug. De vader: Mt.17:14-20a “kwam tot Hem, knielde voor Hem neder, en zeide: 15 Here, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maanziek en hij is er slecht aan toe; want dikwijls valt hij in het vuur en dikwijls in het water.”. Matteüs, Marcus en Lucas verslagen alle drie wat de wanhopige vader dat aan Jezus zegt: “16 … ik heb hem naar uw discipelen gebracht en zij hebben hem niet kunnen genezen.” “17 Jezus antwoordde en zeide: … Breng hem Mij hier. 18 En Jezus bestrafte hem en de boze geest ging van hem uit, en de knaap was genezen van dat ogenblik af. 19 Toen kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden, toen zij met Hem alleen waren: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven? 20 Hij zeide tot hen: Vanwege uw kleingeloof.”. De discipelen staan tegelijk in verwondering en in verwarring. Boze geesten uitdrijven is veel moeilijker gebleken dan zij dachten. De vader van de bezeten – nu bevrijdde – knaap heeft gelijk: zij hebben het niet gekund. Hoe komt het dat wat voor de discipelen een onmogelijke opgave was, voor Jezus maar een klein kunstje bleek te zijn? Zij willen graag weten hoe het komt dat het Hem lukt en hun niet: “Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?”. Jezus’ antwoord: “Vanwege uw kleingeloof.”! Wat is “kleingeloof”? Wanneer is ons geloof te klein? Het Marcusevangelie verslaat het gesprek tussen Jezus en de vader van de bezeten jongen vollediger. De vader zegt aan Jezus: v.22b “als Gij iets kunt doen, help ons en heb medelijden met ons!”. Jezus antwoordt: vv.23-24 “Als Gij kunt! Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft. 24 Terstond riep de vader van de knaap uit en zeide: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!”. Ik denk dat de vader van de bezeten knaap ons toont wat klein geloof is, nl. geloof dat met twijfel gepaard gaat; geloof dat niet zeker is. Echt geloof: Hebr.11:1 “is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet.”, of, zoals “Het Boek” dit vers prachtig vertolkt: “de absolute zekerheid dat onze hoop ook werkelijkheid wordt en het is het bewijs van dingen die wij niet kunnen zien.”. De NBV geeft het nog anders weer: “Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien.”. De vader van de bezeten jongen heeft zeker geloof. Hij gelooft wellicht dat boze geesten kunnen worden uitgedreven, en dat Jezus dit ook kan, want anders was hij niet met zijn zoon om hulp komen vragen. Maar nu het de discipelen van Jezus niet gelukt is om hem te helpen, twijfelt hij. Laten wij ons geloof ook soms beïnvloeden door het “succes” van medegelovigen? Als een voorganger of een oudste voor een zieke bidt, en wij de zieke niet zien genezen, laten wij ons ontmoedigen om voor ons te laten bidden? I.a.w.: stellen wij te veel vertrouwen op het “personeel” van de Heer dan op de Heer Zelf? Zo ja, lijden wij aan klein geloof.

Origines : Reinig eerst de binnenkant : bereid een weg in uw hart

Origines,  (ca. 185-253), priester en theoloog Homilie over het Evangelie van Lucas, nr. 21 ; PG 13, 1855 ; SC 87

 

origines.png

Origines

 “Reinig eerst de binnenkant”: bereid een weg in uw hart

      Wij lezen deze woorden bij de profeet Jesaja: “Baan voor de Heer een weg door de woestijn, effen in de wildernis een pad voor onze God” (40,3). De Heer wil in u een weg vinden waardoor Hij in uw harten kan komen en er op kan voortgaan. Bereid Hem deze weg; herstel zijn paden… Welke weg willen we voor de Heer bereiden? Is het een materiële weg? Maar kan het Woord van God een dergelijke weg nemen? Is het niet nodig om voor de Heer een innerlijke weg te bereiden en in onze harten rechte en verbonden wegen aan te leggen? Ja, dat is de weg waarover het Woord van God binnen kan gaan, om zich in het menselijk hart, dat in staat is om Hem te ontvangen, te vestigen.
      Ja, het hart van de mens is groot! Wat een ruimte en wat een vermogen, mits het zuiver is! Wil je deze grootte en ruimte kennen? Kijk dan naar de grootte van de goddelijke kennis dat het bevat. Dat hart zegt zelf tegen Hem: “Hij is het die mij betrouwbare kennis verschaft heeft van alles wat er is. Ik kreeg inzicht in de samenstelling van de kosmos en de werking van de elementen, in het begin en het eind en het midden van de tijden, in de baan die de zon doorloopt en de wisseling van de seizoenen, in de kringloop van het jaar en de stand van de sterren, in de aard van de dieren en de driften van wilde beesten, in de kracht van geesten en het denken van de mens, in de verschillende soorten planten en de werking van hun wortels” (Wijsh. 7,17-20). Je ziet dat het hart van de mens dat veel dingen omhelst, niet klein is…
      Welnu als het niet klein is en het kan veel begrijpen, kan men de weg voor de Heer bereiden en er een rechte weg van maken waar het Woord, de Wijsheid van God op zal gaan. Bereid een weg voor de Heer door een goed geweten, effen de weg opdat het Woord van God in je loopt zonder stoten en je de kennis geeft van zijn mysteriën en zijn komst.

 

Bron :http://www.dagelijksevangelie.org

9e zondag na Pinksteren : “Petrus zinkt”

 

 

 

9e zondag na Pinksteren

“Petrus zinkt”

 Petrus - zinkt.jpg

 

 Armeens museum Isfahan

 

LEZINGEN VAN DE ZONDAG

 (met een verhaal voor kinderen !)

1 Kor.3,9-17

.Dus wij zijn medewerkers van God en u bent zijn akker.U bent een bouwwerk van God. Overeenkomstig de taak die God mij uit genade heeft opgelegd, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, en anderen bouwen daarop voort. Laat ieder erop letten hoe hij bouwt,  want niemand kan een ander fundament leggen dan er al ligt – Jezus Christus zelf.  Of er op dat fundament nu verder wordt gebouwd met goud, zilver en edelstenen of met hout, hooi en stro,  van ieders werk zal duidelijk worden wat het waard is. Op de dag van het oordeel zal dat blijken, want dan zal het door vuur aan het licht worden gebracht. Het vuur zal laten zien wat ieders werk waard is.  Wanneer iemands bouwwerk blijft staan, zal hij worden beloond. Wanneer het verbrandt, zal hij daarvoor de prijs betalen; hijzelf zal echter worden gered, maar door het vuur heen. Weet u niet dat u een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont?  Indien iemand Gods tempel vernietigt, zal God hem vernietigen, want Gods tempel is heilig – en die tempel bent u zelf.

 

Evangelielezing :

 

Matth. 14,22-34

 Meteen daarna gelastte hij de leerlingen in de boot te stappen en alvast vooruit te gaan naar de overkant, hij zou ook komen nadat hij de mensen had weggestuurd. Toen hij hen weggestuurd had, ging hij de berg op om er in afzondering te bidden. De nacht viel, en hij was daar helemaal alleen.  De boot was intussen al vele stadiën van de vaste wal verwijderd en werd, als gevolg van de tegenwind, door de golven geteisterd.  Tegen het einde van de nacht kwam hij naar hen toe, lopend over het meer.  Toen de leerlingen hem op het meer zagen lopen, raakten ze in paniek. Ze riepen: ‘Een spook!’ en schreeuwden het uit van angst.  Meteen sprak Jezus hen aan: ‘Blijf kalm! Ik ben het, wees niet bang!’  Petrus antwoordde: ‘Heer, als u het bent, zeg me dan dat ik over het water naar u toe moet komen.’ Hij zei: ‘Kom!’ Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe.  Maar toen hij voelde hoe sterk de wind was, werd hij bang. Hij begon te zinken en schreeuwde het uit: ‘Heer, red me!’  Meteen strekte Jezus zijn hand uit, hij greep hem vast en zei: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’  Toen ze in de boot stapten, ging de wind liggen.  In de boot bogen de anderen zich voor hem neer en zeiden: ‘U bent werkelijk Gods Zoon!’  Toen ze overgestoken waren, gingen ze aan land bij Gennesaret.

 

 +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

KIJK, DIE PETRUS!

 Nooit zou Petrus voor iemand knielen. Dat deed immers geen enkele vrome Jood. Voor geen koning, geen keizer, voor niemand. Voor niemand?

 ‘Jouw beurt, Johannes.’ zegt Petrus. Hij schuift wat naar achteren en reikt de riemen over aan Johannes.

Gelukkig, hij kan even uitrusten. Wat een wind, zeg! En dan nog tegen. Zeilen kan helemaal niet meer. Nee, het wordt echt een nachtje ploeteren. Brr! Petrus huivert in zijn wollen jas. Zijn ogen proberen door de duisternis heen te boren om te ontdekken waar ze eigenlijk zijn. Wat vervelend dat Jezus niet bij hen is. Petrus voelt zich niks op zijn gemak zonder zijn grote vriend.

‘Ik wil dat jullie vast naar de overkant varen,’ had de Heer gezegd. ‘Ik kom wel.’

’t Kon wel een tijdje duren voordat ze Hem weer terugzagen. Petrus was zo graag gebleven. Het ging juist zo spannend worden. De mensen die van de broden en vissen hadden gegeten, wilden Jezus koning maken. Tsjonge, wat een avontuur. Het zou er dan eindelijk van komen. Jezus op de troon en alle vijanden het land uit. Maar nee hoor! De Heer had hen allemaal in het bootje geduwd en gezegd: ‘Ik stuur de mensen weg en dan kom ik bij jullie.’

 ‘Jouw beurt, Jakobus!’ hoort hij Johannes roepen. Jakobus schuift naar de riemen. ’t Lijkt wel of de wind nog toeneemt. Wolkenflarden vliegen langs de lucht. Het lapje, dat als vlaggetje dienst doet, klappert in de wind.

Plotseling voelt Petrus zich naar achteren glijden. Een grote golf tilt het voorschip op. Ze tuimelen allemaal over elkaar heen. Hou je vast! Hou je toch goed vast!!

Andreas, die de schipper is, schreeuwt zijn bevelen. Petrus is wel wat gewend als visser, maar hij klemt zich toch met beide handen aan de rand van de boot vast. Daar komt weer een grote golf… Ineens, als ze een moment zo hoog opgetild worden, ziet hij iets wits. Een zeil soms van een ander schip? Het zou wel stom zijn om met dit weer je zeil omhoog te houden. Het schip is al weer in een dal terechtgekomen. De anderen hebben het echter ook gezien.

‘Daar! Daar is iets!’ schreeuwt Judas met schorre stem. Een grote golf spat uiteen tegen de boeg. Een klets water zorgt ervoor dat Judas even niets meer ziet. Iedereen kijkt gespannen uit naar de volgende hoge golf. Daar istie…

‘Het is een spook!’ gilt Tomas.

Ja echt. Er is een witte gedaante midden op het meer. Wat vreselijk eng. Spoken bestaan niet, maar toch… Joeiii! Daar glijden ze al weer een waterdal in. Met angst en vrezen wordt de volgende golf afgewacht. Zal het spook er nog zijn?… en dichterbij?

‘Houdt moed. Ik ben het. Weest niet bang!’

Wat een bekende stem. Dat is toch de stem van Jezus?

Hij komt hen zomaar tegemoet. Lopend over het water. De wind blaast Hem niet weg. De golven slokken Hem niet op. Een koude rilling gaat door Petrus heen, een onbeschrijfelijk gevoel van trots. Zijn meester. De baas over wind en golven.

‘Daar wil ik bij zijn.’ flitst het door hem heen. Hij schreeuwt luid: ‘Mag ik bij U komen, Jezus? Als u het zegt doe ik het.’

Z’n ene been glijdt al vast over de rand. Mag het?

‘Kom!’ zegt Jezus.

Kijk die Petrus nou toch! Een moment later zit hij wiebelig op de rand van de boot, beide handen achter zich om de rand geklemd, zijn voeten tastend naar het water. Een, twee, hoeps! En plons natuurlijk.

Niks geen plons!

Onder zijn voeten is, glad als glas het water. Aarzelend, stap voor stap, alsof hij lopen leert, gaat hij naar Jezus. Zijn hoofddoek waait weg in de wind. Vanuit de boot klinken kreten van bewondering.

‘Hoe doe ik het eigenlijk? Dit kan toch helemaal niet?’ denkt Petrus. ‘Kijk die golven eens en die wind.’

Hij voelt angst in zich opkomen.

En dan… Nee! Nee, het gaat niet goed. Hij zinkt!!

‘Help, Heer, red mij!’ schreeuwt hij in doodsnood.

Daar is de hand van Jezus al. Net op tijd.

‘Waarom ben je gaan twijfelen? Vertrouw mij toch.’ zegt de Heer vriendelijk. Hand in hand lopen ze naar de boot, de leerling en de meester.

Behulpzame handen worden uitgestoken om hem in het schip te trekken. De wind gaat liggen. De zon komt op met prachtige oranjekleurige banen over het water. Denk je dat Petrus dat ziet? Nee, hij kijkt vol eerbied naar Jezus.

Ook de anderen zwijgen vol ontzag en vallen met Petrus op de knieën neer. De een na de ander zegt: ‘Heer, meester… U bent Gods Zoon!!

de heilige Narcissus van Gerona

Heiligenleven

De heilige Narcissus van Gerona

 

 

 

 

narcissus_1 van Gerona.jpg

De heilige Narcissus, bisschop van Gerona in Spanje, was van zijn zetel verdreven tijdens de vervolging van Diokletiaan. Samen met zijn diaken Felix was hij steeds verder op de vlucht, tot Augsburg toe. De gehele christengemeente was daar vrijwel uitgeroeid, maar een gastvrije vrouw bood hun onderdak, een zekere Afra. Deze verwonderde zich erover dat zij zo weinig aten en zoveel tijd aan gebed besteedden, en het duurde niet lang of zij bekeerde zich, met heel haar gezin.

Na negen maanden was de vervolging wat uitgewoed en Narcissus keerde met zijn diaken naar Gerona terug en nam daat opnieuw het bekeringswerk ter hand, en met veel succes. Dit wekte echter zozeer de woede op van een bepaalde groep heidenen, dat zij hem overvielen vanuit een hinderlaag, en hem vermoordden, in het begin van de 4e eeuw.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Orth.Klooster – Den Haag

Johannes Chrysostomos : De parabels over de schat en de parel

H. Johannes Chrysostomos (ca. 345-407), bisschop van Antiochië, daarna van Constantinopel, Kerkleraar Homilie over het evangelie van Mattheus, nr 47,2

Chrysostomos - St. Catherina klooster - Sinaï  7e eeuw.jpg

Johannres Chrysostomos – Sinaïklooster – 7e eeuw De parabels over de schat en de parel

      De twee parabels over de schat en de parel leren ons hetzelfde: dat je de voorkeur moet geven aan het Evangelie boven alle schatten van de wereld… Maar er is nog iets veel verdienstelijker: je moet er de voorkeur aangeven met plezier, met vreugde en zonder aarzelen. Laten we dat niet vergeten: alles achterlaten om God te volgen, dat is meer winnen dan verliezen. De prediking van het Evangelie is verborgen in deze wereld zoals de verborgen schat, een onschatbare schat.
      Om deze schat te bekomen.. zijn er twee voorwaarden nodig: verloochening van de goederen van deze wereld en standvastige moed. Het gaat immers om “een koopman, op zoek naar mooie parels. Toen hij een parel van grote waarde had gevonden, ging hij alles verkopen wat hij bezat en kocht deze parel”. Deze unieke parel is de waarheid, en de waarheid is één, de parel is niet te verdelen. Bezit je deze parel? Je kent de rijkdom: als de parel is opgesloten in de holte van je hand, kent niemand je fortuin. Zo is het ook met het Evangelie: als je het omhelst met je geloof, als het opgesloten blijft in je hart, wat een schat! Jij alleen hebt er kennis van: de ongelovigen die haar natuur en waarde niet kennen, hebben geen enkel idee van jouw onvergelijkelijke rijkdom.

Bron :http://www.dagelijksevangelie.org

heiligenleven : de heilige Hypatios

Heiligenleven

De heilige Hypatios

 

 

 

hypatios2.jpg

Heilige Hypatios

 

 

De heilige Hypatios, bisschop van Gangra, werd op het eerste Oecumenisch Concilie door allen geloofd om zijn diep geestelijk leven en om de wonderen die op zijn voorbede geschiedden. Op zijn terugreis van Constantinopel werd hij door een van de veroordeelde ketters aangevallen, die hem bij de keel greep en in de modder wierp. Een van de vrouwen uit die groep greep een zware steen en smeet die op het hoofd van Hypatios, zodat die stierf, in het jaar 326.

De vrouw schrok hevig van wat zij gedaan had, zij verloor haar verstand en begon zichzelf te verwonden door zich te slaan met de steen die een moordwapen was geworden. Christenen namen haar toen mee met zachte drang en brachten haar bij het lichaam van de heilige, en om hun gebed werd zij genezen. De rest van haar leven bracht zij door in boete en gebed.

Uit : ‘heiligenlevens voor elke dag’ uitg. Orthodox klooster Den Haag

heiligenleven : de heilige Withburga

 

 

Heiligenleven

De heilige Withburga

 

withburga en Fursey.JPG

 

St.Withburga en st.Fursey

 

 

De heilige Withburga was een van de dochters in een oostengelse koningsfamilie die een hele stoet van Heiligen heeft voortgebracht. Zij was voor haar veiligheid opgevoed op het platteland en was nog heel jong toen haar vader stierf op het slagveld. Zij besloot toen om verder als maagd voor Christus te leven. Op één van haar vaders landerijen ;in Norfolk liet zij een klein klooster bouwen, maar het was daar zo arm dat ze zelfs de metselaars die het bouwden niet meer konden bieden dan droog brood. Toen zij zich in haar gebed daarover tegen God beklaagde, kwamen er de volgende dag twee hinden uit het bos te voorschijn die bij de beek kwamen drinken en zich gewillig lieten melken door de zusters (‘ de maagdelijke handen van de zusters’ zegt het verhaal), waardoor hun armoede minder drukkend werd.

Maar als was haar leven arm en onaanzielijk, de lieflijke geur van haar heiligheid verbreidde zich door heel de streek en het volk droeg haar op handen. En na haar dood in 743 wortelde haar verering zo diep onder de bevolking dat de boeren zelfs twee eeuwen later gewapend in opstand kwamen toen de koning haar relieken bij die van haar heilige zusters wilde laten begraven.

Uit : ‘heiligenlevens voor elke dag’ uitg orth.klooster.Den Haag

Hemelse Koning,overpeinzingen over de reinheid van het hart – Jim Forest

Hemelse Koning

Overpeinzingen over de reinheid van hart

Lezing gehouden door Jim Forest op 4 oktober 2010

in het klooster New Skete te Cambridge, New York

 

 

 

jim-forest.jpg

Jim Forest

 

 

 

Graag zou ik een van onze meest gebruiktegebeden, “Hemelse Koning”, wat nader willen bespreken waarbij ik speciaal de woorden“reinig ons van alle smet” er uit zal lichten. Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid,die alom tegenwoordig zijt, en alles vervult,Schatkamer van het goede, en Schenker van het leven, kom en verblijf in ons, reinig ons van alle smet, en red onze zielen, o Goede.Met niet veel woorden – minder dan veertig– is dit een van de oudste Christelijke gebeden. Het is een gebed dat met name met Pinksteren wordtgeassocieerd – de neerdaling van de Heilige Geest,de Geest der Waarheid, op de apostelen – als de volgelingen van Christus uiteindelijk begrijpen waar ze getuige van zijn geweest en welke taak Christus voor hen heeft voorbereid. Het is een gebed dat de meeste Christenen uit hun hoofd kennen en dat thuis gebeden wordt, zelfs in de kortste ochtend- en avondgebeden. Het wordt ook gebeden bij het begin van Proskomedie die vooraf gaat aan de Goddelijke Liturgie. We zeggen en zingen de woorden zo vaak dat ze zichzelf reciteren. Ik vermoed dat een ieder van ons bij dit gebed wel eens een moment heeft gehad dat een bepaalde zin ons als een pijl midden in ons hart raakte. En omdat dit gebed verbonden is met iedere liturgie en met ieder ochtend- en avondgebed, is het een gebed der gebeden, een gebed dat gemeenschap schept. Het gebed doet twee dingen.Ten eerste verwoordt het de focus van al onze gebeden. Het noemt namen. Door de Heilige Geest aan te roepen, worden we eraan herinnerd dat de Heilige Drieëenheid, de gemeenschap van drie Personen in Eén God, de focus en het centrum van ons leven is. Dit is waar ons Christelijk leven om draait. Dit is het gebed dat ons allemaal in hetzelfdeperspectief plaatst.Ten tweede is het een vurig appèl dat alles opsomt waar we naar op zoek zijn. We willen dat God komt en in ons verblijft, dat Hij ons reinigt van alle smet en dat Hij onze ziel redt. Het is een gebed om diepgaande genezing. We kunnen onszelf niet reinigen of onze eigen ziel redden, niet zonder Godshulp. Het eerste gedeelte kan in drie stukken worden verdeeld. Het eerste gedeelte, Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid, beantwoordt de vraag: “Tot wie bidden wij?”. Het tweede gedeelte, Die alom tegenwoordig zijt, en alles vervult, geeft antwoord op de vraag: “Waar bent U?”. Het derde gedeelte, Schatkamer van het goede, en Schenker van het leven, beantwoordt de vraag: “Wat doet U?”.

Het begin van het gebed herinnert ons eraan dat we geen mensen zonder vorst zijn. We hebben een Vorst, namelijk een Hemelse Koning. Slechts aan deze vorst zijn wij verantwoording schuldig, en zijn geboden hebben voor ons absolute prioriteit. God heeft ons geen wetten in de gebruikelijke zin van het woord gegeven, maar een aantal geboden. Zo is er bijvoorbeeld de Bergrede. Die opent met de Zaligsprekingen, die in de Russische kerk de “geboden van de zaligheid” worden genoemd.

De Zaligsprekingen vormen eigenlijk een zeer korte samenvatting van het Evangelie. Elke Zaligspreking heeft betrekking op bepaalde aspecten van een leven in de Opstanding – dat wil zeggen een leven dat niet wordt vormgegeven door de dood. Een manier om de Zaligsprekingen te lezen is om de woorden “Opgestaan uit de doden” aan het begin van ieder vers te lezen – bijvoorbeeld: “Opgestaan uit de doden zijn de armen van geest”. Ook is er een gebod om te vergeven: en niet één keer, maar zeventig maal zeven keer. Eén keer is meestal al niet eenvoudig. Dan zijn er ook nog de tweeledige geboden– om God lief te hebben (niet zo eenvoudig als het klinkt) en onze naaste lief te hebben (veel moeilijker dan het klinkt). Het gebod om God lief te hebben is onlosmakelijk verbonden aan het gebod om onze naasten lief te hebben als ons zelf. Uit het Evangelie wordt duidelijk dat met die naaste niet alleen een vriendelijke buurman wordt bedoeld die naast ons woont en met wie we soms een aardig praatje maken hebben en die mogelijk zelfs naar dezelfde kerk gaat als wij. De naaste waar het gebod op doelt is om het even welke persoon die God op ons pad brengt. We hebben het niet over relaties met wederzijdse affectie, maar over nabijheid, hoe kort, tijdelijk en onbedoeld ook: de bedelaar op straat, de atheïst die het Christendom hartgrondig veracht, de mede- Christen voor wie we dekking willen zoeken, de man die net mijn portemonnee heeft gestolen, de gewonde vreemdeling die aan de kant van de weg ligt, degene die mijn leven of dat van mijn dierbaren bedreigt. We hebben een Koning en als we serieus zijn over het feit dat we onszelf Christenen noemen, dan zijn we een volk dat tracht onder zijn heerschappij te leven. Maar het is moeilijk. We zijn zeelieden die bijna altijd tegen alle winden in zeilen, tegen de winden van onze eigen onzekerheid, angsten en ons eigen egoïsme, de winden van niet geheelde verwondingen en bittere herinneringen, de winden van ongeloof, de winden van de politiek, van propaganda, van slogans en van nationale identiteit, de winden van wat we menen te moeten zeggen en denken om verder te kunnen met ons leven.

Onze Koning is een Hemelse Koning – dat wil zeggen, niet van deze wereld – maar wel een Koning die deze wereld liefheeft, die Zichzelf geeft voor het leven van de wereld, een Koning die de zieken van lichaam en geest geneest, een Koning die de hongerigen voedt, een Koning die zonden vergeeft en de levens van zondaars redt, een Koning die weent, een Koning die bidt om vergeving van hen die Hem kruisigen, een Koning die Zichzelf verschuilt in de hongerigen, de dorstigen, de naakten, de daklozen, de zieken en de gevangenen, een Koning die onze reactie op de minste persoon beschouwt als het ultieme criterium om gered te worden. Niet uw gebruikelijke koning. Onze Koning is iemand die we aanspreken als “Trooster”. In de oorspronkelijke Griekse tekst wordt het woord “parakleet” gebruikt, dat verschillende betekenissen kan hebben: krachtgever, advocaat, raadgever, trooster, bemoediger, steungever, helper, beschermer. Eigenlijk is geen enkel Nederlands woord helemaal passend. Hier in uw klooster is gekozen voor “trooster”. In het Engels wordt meestal het woord “comforter” gebruikt. Dat woord is afkomstig van het Latijnse woord “comfortare”, dat krachtgeven betekent. God geeft ons tegelijkertijd kracht voor de strijd en ook troost.

(…) Gods Heilige Geest is de “Geest der Waarheid”, een zinsnede die mij vaak doet denken aan het Engelse gezegde “Speak the truth and shame the devil”. Er bestaat ook een Russisch spreekwoord, “Eet brood en zout en spreek de waarheid”. Wat een uitdaging is het om de waarheid te kennen, de waarheid te spreken en een waarachtig leven te leiden. Waarachtig spreken is veel meer dan zeggen wat je oprecht denkt over een bepaald onderwerp,hoewel dat soms moeilijk genoeg kan zijn. Het is niet eenvoudig om gewoon de waarheid te weten over eenvoudige dingen. Hoeveel onschuldige mensen zitten er vandaag de dag niet vast in de gevangenis voor misdrijven die ze niet hebben begaan, die schuldig zijn bevonden en veroordeeld omdat een getuige hen per abuis heeft aangewezen als de schuldige. De getuige legde zijn of haar verklaring in alle oprechtheid af, maar heeft zich vergist en als resultaat zit de verkeerde persoon nu jarenlang in de gevangenis. Oprechtheid staat niet gelijk aan waarachtigheid. Men kan oprecht verkeerd zitten. (…) Als antwoord op de vraag “God waar bent U?

komt de volgende zinsnede Die alom tegenwoordig zijt, en alles vervult. Soms zouden we, net als Jona, wel willen dat God overal is, maar niet hier. Maar God kan niet niet-aanwezig zijn. Licht kan zichzelf niet verschuilen in het duister. Zelfs in de hel is God niet afwezig – dat is onmogelijk. De hel is wat wij ervaren wanneer wij pogen om bij God weg te blijven, dat wil zeggen om niet lief te hebben. Zoals Bernanos het zegt: “De hel is niet meer liefhebben”. God is alom tegenwoordig. Een goed gebouwde kerk doet al het mogelijke om ons te helpen ons bewust te worden van die aanwezigheid en onze harten ervoor open te stellen, maar God is niet minder aanwezig in je keuken of in een bus of in de gevangenis, of op een plek waar mensen worden gefolterd. En God is niet alleen tegenwoordig maar de gehele schepping is vervuld met die tegenwoordigheid. We kunnen delfstoffen gebruiken om dodelijke wapens te maken, instrumenten die ons aan de hel doen denken, maar het materiaal waar die wapens van gemaakt zijn zou ons wel aan God moeten herinneren. “De gehele schepping zingt Uw glorie” zeggen we in een van de avondgebeden. Alles wat door God geschapen wordt vormt voor ons een mogelijkheid om te offeren. Alles wat wij moeten meebrengen voor de ontmoeting is een gevoel van verwondering. Als antwoord op de vragen “Wat doet U? Hoe kennen wij U?” noemen we God de schatkamer van het goede en Schenker van het leven.  (…) Het goede waar hier op gedoeld wordt is een leven in gemeenschap, in de eerste plaats met God, maar ook met elkaar. Verbinding. Wat een zegen is het om ontvankelijk te worden om het beeld van God in een ander mens te kunnen zien. Hoe vaker dat gebeurt, hoe gelukkiger we zijn. Door God in anderen te zien worden we geholpen God te zien. Het is een voorproefje van de hemel. Het betekent in staat te zijn om lief te hebben, om Gods liefde voor onze medemensen te ervaren en te delen. Het is het grootste goed om Gods aanwezigheid gewaar te worden – niet het idee dat God aanwezig is, maar bewust in die aanwezigheid te leven. Niet in staat zijn om de aanwezigheid van God in de ander te zien is een vorm van blindheid, die erger is dan gewoon niets kunnen zien. Dat doet mij denken aan wat Dorothy Day eens zei: “Zij die God niet kunnen zien in arme mensen zijn werkelijk atheïsten”. Nu komen we pas aan bij wat we eigenlijk vragen in dit korte gebed Kom en verblijf in ons, reinig ons van alle smet en red onze zielen, o Goede. Men kan een ellenlange lijst maken van de verschillende smetten waar de meesten van ons mee worstelen. Ik wil mij slechts op drie daarvan concentreren: tribalisme, angst en het leven in haast (ik beperk mij tot drie onderwerpen op advies van metropoliet Kallistos).

Ten eerste tribalisme. Eén aspect van onze beschadigde menselijke natuur is een sterke neiging tot stammencultuur, wat de illusie van afgescheidenheid met zich meebrengt. Het leven van een ieder in deze ruimte kan gered worden door een bloeddonatie van een Latijns-Amerikaanse Azteek, een Inuït-eskimo uit Alaska of een Afrikaanse Zulu. Toch geven wij er de voorkeur aan onszelf te zien als hoofdzakelijk verbonden met degenen met wie we onze nationaliteit delen, onze taal delen, onze voorgeschiedenis, of – in het geval de stamcultuur een religieus karakter heeft – met degenen die dezelfde rituelen naleven, die eenzelfde rituele vocabulaire hebben. Binnen de grenzen van die stammencultuur, of subcultuur daarvan, zijn we bereid aanzienlijke offers te brengen, zelfs ons leven te riskeren en te geven als er geen respectabel alternatief is. Maar de stam sluit veel meer uit dan er in wordt opgenomen. We zien onszelf als radicaal anders en ver verwijderd van de grote massa, terwijl zij in werkelijkheid – als we oprecht menen wat we zeggen als we het Onze Vader bidden – onze broeders en zusters zijn, die net als wij afstammen van die mysterieuze eerste mensen die we Adam en Eva noemen, en net als wij voorwerp zijn van Gods liefde en genade. Er bestaat een commentaar van een rabbijn dat zegt, dat God alleen Adam en Eva heeft geschapen zodat niemand kon denken dat hij of zij van een hogere of specialeafkomst was.

Ook in de Orthodoxe Kerk kennen we tribalisme. ik ben in Orthodoxe kerken geweest waar de onuitgesproken vraag was: “Waarom ben je hier? Jouw voorouders komen niet van dezelfde plek waar onze voorouders zijn geboren. Je bent niet welkom”. Op een kerkelijk concilie in de 19e eeuw, onder voorzitterschap van de Patriarch van Constantinopel, is nationalisering of tribalisering van het Christendom ‘etnophyletisme’ genoemd – letterlijk ‘liefde voor de stam’ – en is bepaald dat dit ketterij is. Maar tot op heden is het een ketterij die welig tiert. ‘De ander’ op een afstand houden is een van de smetten waarvan God ons het moeilijkst van kan reinigen, omdat we zo sterk hechten aan tribale identiteit. We zijn zelfs niet erg bereid om het probleem te onderkennen. “De essentie van zonde is de angst voor de Ander, wat een onderdeel vormt van de verwerping van God”, schreef metropoliet Johannes Zizioulas van Pergamon. Op het moment dat de bevestiging van de ‘ik’ is gerealiseerd door verwerping en het niet accepteren van de Ander – dat is wat Adam in zijn vrijheid verkoos te doen – op dat moment is het alleen maar natuurlijk en onvermijdelijk voor de ander om een vijand en een bedreiging te worden. Verzoening met God is een noodzakelijke voorwaarde voor verzoening met iedere ‘ander’”.

Wie is ‘de Ander’? Zizioulas schrijft het woord ‘Ander’ met een hoofdletter om de betekenis en het mysterie ervan te benadrukken. De ‘Ander’ is eenieder van wie ik geneigd ben te denken dat die beter dood dan levend kan zijn, beter veraf dan dichtbij. Meestal is het iemand van buiten mijn eigen stam, van buiten mijn etnische, religieuze of nationale groep. We zijn geneigd om vrij veel aandacht te besteden aan het opzettelijk doden binnen onze eigen stam – met een gepast rechtssysteem etc. – maar niet als het gaat om moorden buiten de stam. We tellen heel precies het aantal Amerikanen dat gedood is in de oorlog en we proberen niet de anderen te tellen die door ons zijn gedood, hoewel dat er mogelijk veel meer in aantal zijn. Als Christen kan ik in theorie geloven dat ieder mens – iedere ‘Ander’– een drager is van het beeld van God, maar in de praktijk? De waarheid is dat ik er nauwelijks over nadenk dat mensen buiten mijn eigen stam dragers van het beeld van God zijn. Meer nog, ik heb het er al moeilijk genoeg mee om dat beeld binnen mijn stam te onderscheiden, ja zelfs binnen mijn eigen familie.

Wat metropoliet Zizioulas zegt is eigenlijk dat als ik ‘de Ander’ verwerp, ik niet een bepaald persoon verwerp, maar de Goddelijke oorsprong van die persoon. Dat is de essentie van de zonde, het verdelen van de mensheid in de ‘onzen’ en de ‘niet de onzen’– ervan uitgaande dat ik mij heb ontwikkeld voorbij het punt van de nog meer elementaire verdeling tussen ‘ik’ en ‘niet-ik’. Degenen die ‘niet de onzen’ zijn kunnen worden ontmenselijkt en kunnen een doelwit van een oorlog worden, zonder dat dit als zonde wordt beschouwd. Verzoening begint met God, zegt Zizioulas, maar er kan geen verzoening met God zijn als we weigeren ons te verzoenen met ‘de Ander’. (…) Dan komt de angst, de elementaire kracht die ons weerhoudt van daden van liefde. Als we de boodschap van de engelen samenvatten in een paar woorden, dan luidt die boodschap: “Wees niet bevreesd”. Maar de meesten van ons zijn vergiftigd door angst. Misschien is dit nog niet eerder zo erg geweest als sinds het instorten van de beide torens van het World Trade Centre negen jaar geleden. Destijds, in 2001, deden veel mensen, waaronder – en dat strekt hem tot eer – president Bush, hun best om duidelijk te maken dat de moslims niet de vijand waren, maar dat het ging om fanatiekelingen die hun geloof gebruikten als excuus om te mogen moorden. Niemand had het in die dagen over het verbieden van islamitische culturele centra of moskeeën. Maar meer recentelijk, de afgelopen maanden, zijn dit brandende kwesties geworden. Het zijn niet langer zomaar islamitische fanatiekelingen die het probleem zijn. Voor veel mensen is het de Islam zelf. Voor hen is iedere moslim verdacht. Er zijn zelfs mensen die zeggen dat de Islam geen religie is, maar een ideologie. Sommigen zeggen dat de Koran veel gemeen heeft met Hitlers boek, Mein Kampf. Hoewel er een kleine groep mensen is die oprecht vindt dat de vrijheid van godsdienst sowieso moet worden afgeschaft als een grondrecht, zijn er veel mensen die van mening zijn dat dit een recht is dat plaatselijk niet moet worden toegestaan. Er zijn devote christenen die er bezwaar tegen hebben om moslims te zien als afstammelingen van Abrahamen van ‘het volk van het boek’; ze erkennen niet dat moslims monotheïstisch zijn en dat ze met joden en christenen gemeen hebben dat ze één God belijden, want, zo wordt gesteld, doordat ze Jezus niet erkennen, erkennen en belijden de moslims niet de ware God. (…) Een voorbeeld van een geheel andere houding ten opzichte van moslims is te vinden in het Katharina-klooster in de Sinaï-woestijn. Dit is een van de oudste kloosters ter wereld, een plaats van ononderbroken gebed en devotie sinds de stichting in de zesde eeuw. Als je nauwkeurig kijkt naar de foto’s van het klooster, zie je dichtbij de kloosterkerk een helder witte toren. Het is een minaret van de enige moskee binnen een kloostermuur. De Fatimid Moskee wordt nog steeds gebruikt door bedoeïenen die voor de monniken het land beheren en hun buren zijn. De moskee was oorspronkelijk bedoeld als een gasthuis voor pelgrims, maar in 1106, meer dan negenhonderd jaar geleden, kreeg het zijn huidige bestemming. Het moet haast wel een van de oudste moskees van de wereld zijn. Ongetwijfeld verklaart de gastvrijheid van de monniken tegenover de moslims voor een deel hoe het klooster al die eeuwen heeft kunnen overleven in een gebied dat geheel islamitisch werd. Het verklaart waarschijnlijk ook hoe het klooster een veilige haven werd voor een aantal van de oudste ikonen en Bijbelse manuscripten om zo te overleven sinds het eerste millenium van het christendom. Het is een treffende voorbeeld van een waarachtig Christelijk antwoord op een conflict zonder dat het door angst is ingegeven. (…) Christus vertrad de dood door Zijn dood. Op dezelfde manier wordt vrees weggenomen door vrees – niet vrees voor anderen maar vrees voor God. Ik wil niet beweren dat die twee soorten vrees hetzelfde zijn. De vrees voor God is niet dezelfde als de angst die iemand zou kunnen voelen die voor de tafel van Hitler of Stalin komt te staan. De vrees voor God is iets geheel anders – een staat van absoluut ontzag, verbazing en bewondering, die eenieder overweldigt, die zich ervan bewust is dat hij zich in de aanwezigheid van God bevindt. De vrees voor God is een krachtgevende vrees. Het geeft kracht om tegen de stroom van haat in te zwemmen, tegen de stroom van vijandigheid, propaganda en sociaalgeorganiseerde moord, waar wij medeschuldig aan zijn, ook al wordt daadwerkelijke moord door een ander gepleegd. De vrees voor een tiran kan de poort van de liefde niet openzetten – dat kan alleen de vrees voor God. De liefde voor een ander – dat betekent bereid te zijn je eigen leven op te geven voor een ander – is nooit iemands eigen prestatie, maar louter een geschenk van God, een gift van de Heilige Geest die het hart reinigt. Zelfs de liefde voor je echtgenoot of voor je echtgenote, voor je kinderen of voor je ouders, is een geschenk van God. Het is onmogelijk om te leven zonder de genade van God, maar alleen die liefde is perfect waarbij het beeld van God wordt gezien en beantwoord in een ander met wie we geen familie zijn en die we ook niet lief hoeven te hebben uit sociale verplichting. “De ziel die de Heilige Geest niet heeft gekend”, zo heeft de heilige Silouan van de Heilige Berg ons geleerd, “kan niet begrijpen hoe men zijn vijanden lief kan hebben en kan dat niet accepteren.” Als jongeman werd deze Russische monnik ooit bijna gedood door zijn buurman. Later in zijn leven, toen hij al monnik was geworden, heeft hij steeds volgehouden: “Hij die zijn vijanden niet liefheeft, heeft niet de genade van God.”

Mijn derde en laatste punt heeft te maken met het probleem van het leven in haast. In onze maatschappij, tenminste voor hen die niet in een kloostergemeenschap wonen, is dat het grootste obstakel voor de reiniging van het hart. We hebben het veel te druk. We voelen ons vaak als gevangenen van het spitsuur. (…) In werkelijkheid heeft iedereen tijd, want niets is aan iedereen zo gelijkelijk toebedeeld als tijd. Maar mensen die naast elkaar in dezelfde straat lopen kunnen een geheel verschillend gevoel van tijd hebben. Zo kan het zijn dat de één zo bezig gehouden wordt door zijn veeleisende agenda, of door zijn zorgen of door zijn plannen voor de toekomst dat hij nauwelijks merkt wat er om hem heen gebeurt, terwijl de ander, hoewel die een leven vol verplichtingen heeft, zeer aandachtig is. Ieder persoon heeft de vrijheid om te pauzeren, om te luisteren, om te bidden, om te laat te zijn voor een afspraak, om een andere richting in te slaan. De reiniging van ons hart maakt ons vrijer, meer in staat om te luisteren, om de mensen om ons heen te zien en te reageren op hun behoeftes.

Het kan hard werken zijn om te leren hoe je weg moet komen van de snelweg in je hoofd. Wijlen metropoliet Anthony (Bloom), die jaren aan het hoofd stond van de Russisch-Orthodoxe Kerk in Groot-Brittannië suggereerde, als basisoefening voor een spiritueel leven, om te gaan zitten en tegen jezelf te zeggen: “Ik zit, ik doe niets en de komende vijf minuten zal ik ook niets doen”, en dan te ontspannen. In het begin zal je dit maar één of twee minuten kunnen volhouden. Realiseer je gedurende die hele tijd: “Ik ben alleen maar stil, ik ga nergens heen, ik ben hier in de aanwezigheid van God, in mijn eigen aanwezigheid en in aanwezigheid van alle meubels die om mij heen staan”. Daarbij moet je natuurlijk nog wel één ding doen: je moet besluiten, dat je in die twee of vijf minuten die je hebt bestemd om te leren dat de tegenwoordigheid – het nu – bestaat, dat je niet wordt afgeleid door de telefoon, door een klop op de deur, of door een plotselinge opwelling van energie die je er toe aanzet om nu direct datgene te gaan doen wat je de afgelopen tien jaar hebt laten liggen. Je gaat goed zitten en je zegt: “Hier ben ik” en dat ben je. Als je leert om dit te doen op verloren momenten in je leven, en je geleerd hebt om in je gedachten niet steeds onrustig te zijn, maar volledig kalm en gelukkig, stabiel en helder, probeer dan die paar minuten uit te breiden en die dan nog een beetje langer te maken. Het is een eenvoudige maar niet gemakkelijke oefening, een soort gebed dat zowel fysiek als spiritueel is, waarbij we God vragen ons te helpen ons hart te reinigen. (…) Maar wat is een rein hart? Een hart vrij van bezitterigheid, een hart dat in staat is om te treuren, een hart dat dorst naar gerechtigheid, een barmhartig hart, een liefhebbend hart, een hart dat niet door hartstochten wordt beheerst, een onverdeeld hart, een hart dat zich bewust is van het beeld van God in de ander, een hart dat zich bewust is van Gods aanwezigheid in de schepping. In de woorden van de heilige Isaak de Syriër: “Iemand heeft werkelijk een rein hart als hij alle mensen als goed beschouwt en geen enkel schepsel hem als onrein of geschonden voorkomt”. (…) Hoe reiner het hart, heeft de heilige Isaak gezegd, hoe meer iemand zich bewust wordt van de Schepper in de schepping. De heilige Isaak legde veel nadruk op ascese – gebed, vasten, vrijwillige armoede, vrijgevigheid aan de armen – als een manier om het hart te reinigen. Als strijder tegen de hartstochten van de wereld, was deze zevendeeeuwse bisschop hartstochtelijk in zijn liefde voor de schepping, niet alleen voor de mens als schepping naar Gods beeld, maar voor alles dat God leven heeft ingeblazen. “Wat is reinheid?”, vroeg de heilige Isaak. “Het een hart vol compassie met de hele geschapen natuur (…) En wat is een hart vol compassie? (…) Dat is een hart dat brandt voor de hele schepping, voor de vogels, voor de beesten, voor de duivels, voor ieder schepsel. Als die mens aan hen denkt, naar hen kijkt, vullen zijn ogen zich met tranen. Zo sterk, zo heftig is zijn compassie (…) dat zijn hart breekt wanneer hij de pijn ziet en het lijden van het meest eenvoudige schepsel. Daarom bidt hij steeds met tranen in zijn ogen (…) voor alle vijanden van de waarheid en voor iedereen die hem kwaad doet, opdat zij mogen worden beschermd en vergeven. In zijn eindeloze compassie, die opwelt in zijn hart naar Gods gelijkenis, bidt hij zelfs voor slangen”.

Laten we eindigen waar we begonnen zijn en,staande, samen het gebed bidden:

Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid,

Die alom tegenwoordig zijt, en alles vervult,Schatkamer van het goede, en Schenker van het leven, kom en verblijf in ons, reinig ons van alle smet, en red onze zielen, o Goede.

 

Vertaling: Annet Crouwel

Uit : nummer 1 · 2011 · Nikolaas in de Jordaan