Mandilion

Mandylion

 (Niet door Mensenhanden gemaakte portret van Christus)

 

mandylion 16 aug.jpg

 

 

Het woord Mandylion is afgeleid van het Arabische woord mandil dat doek betekent. De afbeelding zou teruggaan op de doek van koning Abgar van Edessa. Volgens de legende zou deze, toen hij ernstig ziek was, een dienaar naar Christus hebben gezonden met het verzoek om naar Edessa te komen om hem te genezen. In plaats van zelf te komen nam Christus een doek en drukte die op zijn gelaat, waarna een afdruk van zijn gezicht op de doek achterbleef. De dienaar nam de doek mee naar Edessa. Daar werd de doek op het gezicht van de koning gelegd, waarop deze genas.

 

De voorstelling

In wezen is de voorstelling van het Mandylion een zeer eenvoudige: het is de afdruk van het gelaat van Christus op een doek. Het gelaat en de linnen doek vormen de twee entiteiten van de compositie. De doek valt in plooien neer. De bovenhoeken schijnen opgehouden te worden in twee knopen, die de illusie wekken de draagpunten van de doek te zijn.

Christus wordt met nimbus afgebeeld. In de kruisarmen leest men “HO OON”, “de Zijnde”. Het gelaat wordt voorgesteld zonder de aanzet van een hals, want het gaat immers slechts om het gelaat, zoals de legende verhaalt. In lange lokken golft het haar aan weerszijden van het gelaat. De baard loopt in twee punten uit, die compact zijn bijeengehouden, waardoor dit type in de Russische volksmond “Christus met de natte baard “ is gaan heten. De gelaatstrekken van Christus tonen geen emoties. Karakteristiek is juist de rustige en ontzagwekkende ernst. Het Goddelijk aangezicht wordt niet gestoord door de doek op de achtergrond. Het gelaat staat nooit óp de doek, maar wekt altijd de illusie ervóór te zweven. Het Goddelijke gelaat is onkreukbaar en daarom kan Het zich niet conformeren aan de natuurlijke plooival van de doek. De doek gelijkt daarom eerder op een toneeldecor.

 

Inhoudelijke aspecten

Het Mandylion heeft een belangrijke rol gespeeld in de Byzantijnse gedachtewereld. De geestelijke volheid van de voorstelling is hier verantwoordelijk voor.

In de eerste plaats moet de afbeelding gezien worden als een theologisch symbool: het Mandylion verbeeldt een wezenlijk dogma van de orthodoxe theologie, namelijk het mysterie van de incarnatie, de menswording van Gods Zoon. Voor de incarnatie van Christus bestaat door de afdruk van de gelaatstrekken van Christus een authentiek bewijs van zijn aanwezigheid op aarde, of anders gezegd, met de existentie van het Mandylion is een zichtbaar bewijs voorhanden van de incarnatie van Gods Zoon. De theologische gedachtegang van de incarnatie volgend, is het logisch, dat het Mandylion in de kerk een speciale plaats wordt toegewezen, namelijk onder de tamboer van de koepel. Hij bevindt zich aldus tussen de koepel, symbool van het hemelse, en de aarde; een betere plaats is er voor het symbool van de incarnatie welhaast niet te vinden!

In de tweede plaats symboliseert het Mandylion het Eucharistisch offer. De Mandylion-ikoon wordt daarom ook dikwijls in de nabijheid van het altaar aangetroffen. Een anonieme Griekse tekst geeft uitsluitsel over de liturgische betekenis van de Mandylion-ikoon. Volgens de tekst heet het, dat het Mandylion op daarvoor vastgestelde feestdagen uit het diakonikon wordt gehaald om in processie door de kerk gedragen te worden. Vervolgens wordt de ikoon op het altaar geplaatst. Gedurende de liturgie blijft het Mandylion daar en de schrijver zegt dat het “het niet-bloedende offer van Jezus symboliseert”, met andere woorden: de eucharistie. Hieruit blijkt, dat de plaats, waar het Mandylion aangetroffen wordt, bepalend is voor de symbolische betekenis. Onder de koepel is het Mandylion het symbool van de incarnatie, op het altaar het symbool van de eucharistie.

In de derde plaats bezit het Mandylion een beschermend karakter. Reeds het prototype, de afbeelding te Edessa, bezat deze eigenschap; de legende wil dat men “het niet door mensenhanden gemaakte beeld van Christus” boven de stadspoort had gehangen om het onheil buiten de stad te houden. Door het beschermende karakter is het Mandylion vooral bij de bevolking populair geworden. Als amulet en talisman draagt de gelovige deze voorstelling op metalen draagikoontjes met zich mee, in het geloof en in de hoop dat onverwacht onheil verre zal blijven.

 

Christus, het levende Woord

Een ikoon verteld van de hemelse werkelijkheid, laat daarvan de trekken zien. Het Mandylion geldt als het oudste en meest natuurgetrouwe Christusbeeld. En daarmee wordt meer bedoeld dan een soort foto of portret; het is een beeld van Zijn Wezen. Dat wordt mede aangegeven door de aureool rond het hoofd, met daarin de letters HO OON: – de Godsnaam – Hij IS er – Hij die aanwezig is voor Zijn Volk. Zo immers openbaarde God zich aan Mozes bij de brandende braambos (Exodus 3,14). In de oosterse beleving houdt dat dan ook in: daar waar de ikoon is daar is de Heer voor wie hem gelovig aanschouwt. En omgekeerd: Hij aanschouwt jóu!

Dat Wezen van het Christusbeeld is tevens de uitdrukking van Gods Woord (de Logos). Hij is immers het Woord dat Vlees geworden is. Hij is het Woord van de Vader, zoals we zo nadrukkelijk kunnen lezen in het Evangelie volgens St.Jan (zie 1e hoofdstuk). In Hem is de volheid van de Schriften, van Mozes en de profeten. Het is dan ook niet zomaar dat het Kind in de kribbe (Lucas 2) in doeken gewikkeld wordt. Die doeken verwijzen naar de doeken waarin de Torah-rollen worden bewaard in de Ark van de synagoge. Daarmee wordt dan aangegeven dat het Kind in de kribbe de Torah is, het Woord van God, dat tot voedsel wordt gegeven aan de kudden gelovigen waarmee de Herders van de Kerk naar de kribbe=voerbak komen.

Waar het gelovige Volk (de Kudde Gods) zich door dát Woord laat leiden, komt het elke crisis te boven en is er Leven in overvloed.

Opvallend is dat er van het doek een genezende werking uitging in het verhaal van Abgar. Iets dergelijks vinden we b.v. ook terug bij Mattheus 9,18-26. Daar is het kleed kennelijk het joodse gebedskleed met de kwasten, dat Jezus als rechtgeaarde Jood droeg. Dat gebedskleed verwijst ook naar de Torah, de Boeken van Mozes, waarvan Jezus zelf de levende gestalte is. Er gaat een genezende kracht vanuit. De vrouw die 12 jaar aan bloedvloeiing leed – symbool voor Vrouwe Kerk die aan geestelijke bloedarmoede lijdt en onvruchtbaar voor de Kerk is – wordt genezen zodra ze weer verlangd naar het Woord zoals dat in Jezus Christus gestalte heeft gekregen. En dat niet alleen. Ook het dochtertje van de overste van de synagoge – symbool voor de jeugd waarvan de plaatselijke pastor moet vaststellen dat er geen toekomst voor de Kerk meer van te verwachten is – komt dan weer tot leven. Er komt weer leven in de kerkelijke brouwerij!  De gezondheid van het Kerkvolk, van oud tot jong, heeft dus alles te maken met de aanraking van het gebedskleed. Dus met de Torah, het Woord van God. Er gaat een roep van uit. 

Bron : http://www.iconen.nl

Het opnieuw vinden van een spirituele blik op de mens en de schepping Patriarch Bartholomeüs

Het opnieuw vinden van een spirituele blik op de mens en de schepping
Patriarch Bartholomeüs
 
De oecumenische patriarch Bartholomeüs Ie, waarvan de zetel is te Istanbul (het oude Constantinopel) heeft op 12 april laatstleden de franse vertaling voorgesteld van zijn boek getiteld “A la rencontre dy mystère. Comprendre le christianisme orthodoxe d’aujour’hui” dat gepubliceerd is bij Cerf. Bij deze gelegenheid heeft de patriarch een toespraak gehouden voor de vertegenwoordigers van de pers en de verantwoordelijken van de kerken – katholieken, protestanten , orthodoxen Wij reproduceren hierbij de bijzonderste passages van zijn toespraak.
“De intieme band welke bestaat tussen theologie en leven”
Het instituut Saint serge, gesticht in 1925, was de ziel van de theologische vernieuwing die schitterde vanuit Parijs. De “school van Parijs” heeft haar theologische reflexie ontwikkeld volgens een dubbel perspectief : enerzijds de religieuze filosofie, erfgenaam van de sophiologie van Vladimir Soloviev en geïllustreerd door twee buitengewone denkers, Nicolas Berdiaev en Vader Serge Boulgakov, en anderzijds de neo-patristische synthese geleid door Vader Georges Florofsky, Vladimir Lossky en anderen.
Het lijkt ons belangrijk dat de “school van Parijs” de intieme band welke er bestaat tussen theologie en het leven, de liturgische en spirituele ervaring van de kerkelijke gemeenschap  heeft weten te valoriseren – zoals wij het bescheiden doen in ons werk . In een laatste analyse, zelfs al gebruikt zij de wetenschappelijke bekwaamheid, is de theologie een gave en zij openbaart een charismatische ervaring door enkelen voor het geheel van de Kerk. God openbaart zich op de Sinaï als “Hij die is” (Ex.3,14), maar dat wat aan onze geest ontsnapt, kennen wij beter doorheen datgene wat Hij niet is. Zo is de theologie een vorm van goddelijke “onwetendheid”, zoals Gregrios Palamas het schreef in de 14e eeuw. Niet een onwetendheid in de zin van agnosticisme, maar een onwetendheid die steunt op de ervaring van het mysterie van de levende en levengevende God. Ziedaar waarom mijn werk als titel draagt “A la rencontre du mystère”. Zonder deze apophatische en proefondervindelijke benadering, zal de theologie  verworden tot een intellectuele speculatie zonder band met de Levende noch zelfs met het leven van de mensen. Dit principe, dat zo dikwijls werd verwaarloosd verklaart ons wellicht waarom de christelijke theologie op onze dagen zo weinig wegen voorhoudt voor de hedendaagse wereld.
In elk geval heeft de bescheiden “school van parijs” de ganse orthodoxie weten te inspireren in een dialoog die rijk en levend is met het christendom in zijn geheel genomen. Het onderricht van deze theologen was niet zuiver gericht op de orthodoxie; het kwam er voor hen vooral op aan te getuigen met het hart van hun geloof in de context van de moderniteit, opdat het Westen zich zou vertrouwd maken met dit geloof in Christus om er zekere karakteristieken van mee te dragen. Maar om dit te doen, moeten bruggen gebouwd worden opdat het Oosten en het Westen tot een dialoog zouden komen. Dit is een werk dat generaties duurt. Enig in deze betekenis is de bijdrage van de franse theoloog Olivier Clément, leerling van Vladimir Lossky en van Paul Evdokimov : wij zijn hem het ganse werk van een “leidsman” verschuldigd.
De historische roeping van het oecumenisch patriarchaat
Het oecumenisch patriarchaat, dat zich incarneert in het centrum van de totaliteit van de orthodoxe kerken overal ter wereld, is een institutie van 16 eeuwen oud, en heeft een supra-nationaal en supraregionaal karakter. Zijn spirituele verantwoordelijkheid in de ontwikkeling van het christelijk geloof bij alle volkeren, van welk ras of taal zij ook mogen zijn, maakt dat het zijn activiteit uitstrekt doorheen gans de wereld tot in Amerika, het Verre Oosten en Australië. Na de pijnlijke scheuring tussen de kerken van  het eerste en het tweede Rome in 1054, is de oecumenische patriarch voortgegaan met zijn rol van garant voor de eenheid te vervullen, een rol die zijn voorgangers reeds vanaf de eerste eeuwen vervulden in het Oosten, door hun dienstbaarheid en solidariteit te geven aan de Oosterse Kerken. Gedurende de moeilijke periodes en tot de recente actualiteit, is de oecumenisch patriarch geregeld geconsulteerd om problemen op te lossen die zich voordeden tussen de Kerken. De materiële zwakheid van onze Kerk in haar actuele historische conditie is volgens ons geen obstakel voor de realisatie van haar missie, wel integendeel; want “de kracht van God ontplooit zich in de zwakheid”
Eén van de essentiële taken van het oecumenisch patriarchaat is te waken  op de communio van de orthodoxe autocephale kerken. Zijn primaatschap is juist in dienst van de kerkelijke communio, wat een verantwoordelijkheid impliceert en een voorrecht in de initiatieven ten dienste van de panorthodoxe eenheid. Dit levendig sentiment van verantwoordelijkheid en van leadership voor de andere volkeren en voor God verklaart de onvermoeibare inzet van het patriarchaat om de orthodoxe eenheid te versterken op wereldvlak, een inspanning die moeilijk blijkt te zijn omwille van de nationale spanningen en de politieke verdeeldheden.
De verschillende vormen van dialoog
Vanaf het begin van de 20e eeuw, is het oecumenisch patriarchaat volledig bertrokken bij de oecumenische beweging en is er een dynamische leider van geweest. In januari 1920, sprak een encyckliek van de patriarch van Constantinopel over de noodzaak om een liga van Kerken op te richten. Dit laatste resulteerde in 1948 onder de vorm van de oecumenische Raad van Kerken : deze laatste vertegenwoordigde voor de orthodoxie geen universele Kerk in de canonische term van het woord, maar een plaats van delen van christenen onderling die bedroefd waren omwille van  hun scheidingen. Het oecumensich patriarchaat neemt tegelijk ook deel aan locale oecumenische entiteiten, en zit wederzijdse theologische dialogen voor die geleid worden met de verschillende niet-orthodoxe christenen en zelfs met andere monotheïstische religies.
De meest geslaagde dialogen en de meest vruchtbare die tot op vandaag geleid werden door het Patriarchaat waren deze met de oosterse orthodoxe Kerken, die geleid hebben tot de gemeenschappelijke Verklaring van 1989, en deze geëngageerd sedert meer dan veertig jaar met de rooms katholieke Kerk. Deze officiële dialoog tussen onze Kerken gaat onvermijdelijk over moeilijkheden, het vraagt een groot geduld en nederigheid, maar wij denken dat deze vooruitgang onomkeerbaar is in de betekenis van de komende éénheid, wanneer de Heer het toestaat.
In elk geval, ondanks de telkens terugkerende beschuldigingen die het moet dragen, de waarheid van het evangelie te verloochenen, heeft het oecumensich patriarchaat nooit zijn engagement beperkt in de dialoog onder alleen maar christelijke belijdenissen, ervan overtuigt van zijn bredere rol in de wereld en zijn universele verantwoordelijkheid.  Zich bevindend op het kruispunt van de continenten, van beschavingen en gemeenschappen van geloof, heeft het oecumenisch patriarchaat het altijd als haar verantwoordelijkheid gezien om een brugfunctie te vervullen tussen christenen, moslims en joden. Sedert 1994 hebben wij verschillende Multi-religieuze dialogen geleid die verdiepende discussies toestonden tussen de christelijke gemeenschap, de joodse en de muzelmaanse, en dit over themata zoals de religieuze vrijheid, de verdraagzaamheid en de vrede. Wij moeten immers absoluut een confrontatie tussen de religies vermijden, en God kan nooit een voorwendsel zijn voor geweld en de dood tegenover andere personen of naties.
De coëxistentie in de verscheidenheid van  culturen en de religies.
Tijdens de conferentie die door onze zorgen werd georganiseerd te Brussel in 2001 over de vreedzame coëxistentie tussen het jodendom, het christianisme en de Islam als gevolg van de aanslag van 11 september, verwierp in de eindverklaring “ de hypothese dat de religie bijdraagt aan de cultuurshock”, en trok de aandacht op de rol van het geloof om bij te dragen aan een constructieve en instructieve dialoog tussen de beschavingen”
Deze ontmoetingen hebben onze ogen geopend voor de diversiteit van culturen en religies alsook voor de complexiteit van de mondiale realiteit. De wereldevolutie karakteriseert voortaan een verregaande secularisatie en een pluralisme. Geen enkel van onze landen kan zich niet meer voorstellen als mono-etnisch, unireligieus of monocultureel. In Frankrijk telt de islam niet minder dan vijf miljoen gelovigen, hetzij 8% van de bevolking. Veeleer dan dit te zien als een bedreiging of als een probleem, moet deze sociale realiteit gezien worden als een uitdaging waarop wij kunnen antwoorden vanuit een wederzijds respect, dialoog en broederlijke ontmoetingen.
Geloof en vrijheid, bewustzijn en rechten van de mens.
De vraag naar de vrijheid en de rechten van de mens, zo centraal voor onze moderne en geseculariseerde wereld, lijkt ons belangrijk om ons voor de geest te halen, want zijn ontvangt specifieke antwoorden van de kant van de orthodoxe traditie. In de eerste plaats, voor de moderne wereld is vrijheid synoniem van keuze. Welnu, de waarachtige vrijheid is een gave van hierboven en wordt slechts verworven doorheen een spirituele strijd. Elke persoon bevat een goddelijke vonk van vrijheid en hij is “gelast” om een kind van de enige en authentieke God te worden.
De vrijheid, in de volle zin van het woord, wordt niet verworven in een individueel of communautair egoïsme, maar in de erkenning – dikwijls moeilijk – van de ander. In de hedendaagse steden en de  geseculariseerde stedelijke milieus heeft het leven het isolement van de mensen aangemoedigd en de verdachtmaking jegens de vreemdelingen vermeerderd, met name met de recente achteruitgang van de economische situatie en de crisis in de werkgelegenheid. Nochtans hangt onze bestemming van de wereld en van de komende eeuw af van de wijze waarop wij de anderen behandelen. Op het oecumenisch patriarchaat heeft men geen schrik van de vreemdelingen,wij hebben hen lief. Wij hebben de woorden van de apostel tot de onze gemaakt “ vergeet niet zorg te dragen voor de vreemdelingen” (Hebr.13,2), het is onze dagelijkse praktijk gedurende eeuwen. Wij leggen er de nadruk op dat alle mensen gelijk zijn, zowel voor de wet van God als voor de burgerlijke wet.
Wanneer wij in de wereld van vandaag zoveel wreedheid zien die nog altijd verder worden bedreven tegen personen en volkeren, zonder dat wij reageren, dan vragen wij ons af hoe wij kunnen voorwenden dat wij vrij zijn ? Wij zijn ervan overtuigd dat de geloofsgemeenschappen waarlijk de wereld moeten wakker maken van de bevangenheid en de onverschilligheid. Want “de rechten van de mens zijn niet enkel een uitvinding van de Verlichten : zij horen toe  aan de essentie zelf van het christelijk geloof en van elke religie die van nature de vrijheid en de religieuze tolerantie belooft. Wanneer wij als gelovigen mislukken wanneer het gaat over intolerantie en de marteling, dan zijn wij noch religieus, noch menselijk. En zijn wij niet vrij. En wanneer wij  als gelovig volk de marteling van andere volkeren ontkennen, dan weigeren wij per slot van rekening ons te herkennen in de anderen. Het geloof en de tolerantie delen dezelfde taal. Haar alfabet is de vrijheid. Iedere menselijke persoon is geschapen op een unieke wijze naar het beeld van God en vormt een mysterie die wij moeten respecteren.
Engagement ten gunste van het milieu
De laatste tientallen jaren is de evolutie van onze wereld gemarkeerd door wat wij zouden noemen : een ecologisch ramp. De laatste grote gebeurtenis is de nucleaire catastrofe van Fukushima in Japan, en dit als gevolg van een hevige aardbeving. Algemeen gesproken zijn de specialisten van het milieu eenstemmig om te onderlijnen dat de verandering van het klimaat die zij zien gebeuren op wereldvlak en die kan uitgelegd worden door de uitstoot van gas door de menselijke activiteit, het ecosysteem kan verstoren en vernietigen. Welnu, dit kan niet alleen het menselijk ras vernietigen, maar ook de wereld van de dieren en planten die van elkaar afhankelijk zijn. Het zijn de keuzes en de daden van de moderne mens die geleid hebben tot deze tragische situatie, en die op zich een spiritueel en moreel probleem vormen. De apostel Paulus, goddelijk geïnspireerd, heeft negentien eeuwen geleden dit probleem beschreven in zijn brief aan de Romeinen, door er de ontologische dimensie van te onderlijnen :” De schepping is onderworpen aan de vruchteloosheid, – niet vrijwillig maar omwille van Hem, die haar daaraan onderworpen heeft…Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is” (Rom.8,20,22).
Dank zij de wetenschappelijke ontmoetingen, die het heeft georganiseerd en waaraan vertegenwoordigers van verschillende christelijke Kerken en religies van de wereld hebben deelgenomen alsook specialisten van verschillende universitaire disciplines, heeft het oecumenisch patriarchaat zich ingezet om een klimaat van stabiliteit en vernieuwende samenwerking tot stand te brengen tussen de religieuze wereld en de wetenschap, zich funderend op het fundamentele principe  volgens dewelke – om het objectief te bereiken en de natuurlijke omgeving te behouden – de twee partijen moeten samenwerken in wederzijds respect. Deze samenwerking tussen wetenschap en religie is erop gericht bij te dragen aan de ontwikkeling van een ethiek van de leefomgeving : dit heeft tot doel, volgens ons, aan te tonen dat het gebruik van de wereld en het genot van de materiële goederen eucharistisch moet zijn, zich moet laten vergezellen door een lofprijzing aan de Schepper. Omgekeerd vormen een slecht gebruik van de leefomgeving en de deelname ervan zonder verwijzing naar God een zonde, niet alleen tegenover de Schepper maar ook tegenover de schepping.
Deze waarachtige zonde ten overstaan van de leefomgeving vindt haar oorzaak in ons egoïsme en in de valse waarden die wij hebben ontvangen zonder enige kritiek. Wij hebben er nood aan om onze relatie met de wereld en met God opnieuw te overdenken. Zonder deze metanoïa, zonder deze “ommekeer van hart” zijn alle maatregelen voor het behoud van de schepping, welke ook onze goede bedoelingen zijn ondoeltreffend, want wij buigen ons alleen over de symptomen en niet over de oorzaken van de situatie.
Wij worden uitgenodigd om tot ons op te nemen datgene wat de paas hymnografie “een andere wijze van leven” noemt. Want wij hebben een arrogante en misprijzende houding tegenover de natuurlijke schepping. Wij weigeren om het Woord van God te zien in de oceanen van onze planeet, in de bomen van onze continenten, en in de dieren die de aarde bevolken. Wij verloochenen onze eigen natuur die ons oproept om het Woord van God in de schepping te onderscheiden, indien wij “deelnemers aan de goddelijke natuur” (2 Petr.1,4) willen worden. Hoe kunnen wij  de kosmische  draagwijdte ontkennen dat het goddelijk Woord is vlees geworden ?  Waarom nemen wij de geschapen natuur niet waar als een uitbreiding zelf van het lichaam van Christus ?
“De kosmische dimensies van de goddelijke incarnatie”
De oosterse theologen hebben altijd terecht de kosmische dimensies van de goddelijke incarnatie onderlijnd De Heilige Maximos de Belijder legt de nadruk op de tegenwoordigheid van het Woord van God in alle dingen (cf. Coll.3,11). De goddelijke logos blijft het centrum van de wereld op mysterieuze wijze het eerste principe en haar laatste doel openbarend  (cf.Petrus 1,20). Het is daarom dat de orthodoxe christenen op de zondag van Pasen, wanneer de celebratie van Pasen zijn hoogtepunt bereikt zingen :”Nu is alles vervuld met goddelijk licht : de hemel en de aarde en alle dingen op aarde. Dat gans de schepping zich verheuge !” Wanneer de Kerk de eigen kosmische dimensies van het Woord van God niet herkent, door zich te houden aan de zuiver “spirituele” vraagstukken, zonder band met de realiteit van de wereld, dan verwaarloost zij haar zending die erin bestaat om God te smeken om de ganse verontreinigde kosmos te transformeren.
Iedereen onder ons is geroepen om een spirituele blik op de schepping te hervinden, in de betekenis van wat de ascetische traditie van het oosters christendom noemt “de beschouwing van de natuur”. Dit philokalisch ethos, dat in staat  is om de schoonheid van de werken van God te onderscheiden, zou het gemeenschappelijk goed moeten worden van alle christenen. Deze bezorgdheid wordt elders uitgedrukt bij vele artiesten. Wij denken aan dit vers van Paul Claudel, in zijn gedicht De zwarte vogel in de opgaande zon : “ Het is slechts een gezuiverde ziel die de geur van de roos zal begrijpen” Elk ding celebreren in zijn evidentie en zijn geheim : dat is onze verantwoordelijkheid als christenen.
Ondanks onze onrust zijn wij optimistisch en vertrouwend in de schat van goedheid dat het menselijk zijn , geschapen naar het beeld van God om op Hem te gelijken(Gen.1,26) verborgen houdt. Zoals wij het hebben uitgedrukt in Venetië in 2002 met de betreurde Johannes Paulus II : “Het is niet te laat. De wereld die door God geschapen is bezit ongelooflijke krachten tot genezing. Wij zouden in één generatie de aarde kunnen leiden naar een toekomst voor onze kinderen. Laat ons ervoor zorgen dat deze generatie nu begint, met de hulp en de zegen van God !” Maar het past dat wij handelen op alle niveau’s : de Kerken, de diocesen, de parochies, de verenigingen en de personen indien wij een verantwoordelijke liefde hebben voor onze kinderen en voor de komende generaties.
 
Uit : SOP 358 – mei 2011 pp.23-27
Vertaling : Kris Biesbroeck

heiligenleven : de heilige Simplicius, paus van het oude Rome.

Heiligenleven

De heilige Simplicius, paus van het oude Rome



Simplicius.jpg

De heilige Simplicius

De heilige Simplicius, paus van het oude Rome, was afkomstig uit Tibur, het huidige Tivoli. Nadat hij gediend had in de geestelijkheid van de twee voorafgaande pausen, werd hij in 467 zelf tot dit zware ambt geroepen, in een tijd dat het land zwaar te lijden had van de invallende barbaren. Zelfs Rome werd ingenomen en geplunderd in het achtste jaar van zijn pontifikaat.

Dit was mogelijk omdat het land zelf verdeeld was geraakt. Het werd bestuurd door romeinse gouverneurs die zich een tiranniek gezag hadden aangematigd over de bevolking die geheel rechteloos was. Zij heersten als kleine tirannen met volstrekte willekeur, en elk verzet werd met grote wreedheid onderdrukt. Zo werden de invallende barbaren min of meer als bevrijders geduld, en hele legergroepen kwamen in opstand tegen het rijk. Dit alles bevorderde het arianisme, omdat de orthodoxie vereenzelvigd werd met het tiranniek bewind.

De taak van Simplicius werd hierdoor onnoemelijk zwaar, en nadat hij bijna 16 jaar de Kerk, voor zover hij dat kon, bestuurd had, is hij gestorven in 483.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg.Orthodox klooster. Den Haag

Simeon de Nieuwe Theoloog : “Al wat de Vader heeft, is van Mij”

H. Simeon de Nieuwe Theoloog (ca.949-1022), Griekse monnik 
Hymne 21 ; SC 174


Simeon de neuwe theoloog + basilios.jpg

Simeon de nieuwe Theoloog en Basilius de grote

“Al wat de Vader heeft, is van Mij”

U hebt gestraald, U hebt U getoond als een glorieus licht
Het ontoegankelijk licht van uw wezen, Verlosser,
En U hebt een ziel, die ondergedompeld was in duisternis, verlicht…
Verlicht door het licht van de heilige Geest,
De mensen kijken naar de Zoon, ze zien de Vader
En aanbidden de Drie-eenheid van de Personen, de enige God…

Want de Heer [Christus] is de Geest (2Kor 3,17),
De Geest is ook, de Vader van de Heer,
Natuurlijk een en dezelfde Geest, Hij is niet verdeeld.
Hij die bezit, bezit werkelijk de Drie
Maar zonder verwarring…
Want de Vader bestaat en hoe zou Hij de Zoon zijn?
Want Hij is ongeboren van essentie.
Er is de Zoon, hoe zou Hij Geest worden?
De Geest is Geest – en hoe zal Hij als de Vader verschijnen?

De Vader is de Vader, omdat Hij onophoudelijk verwekt…
De Zoon is de Zoon omdat Hij voortdurend wordt verwekt
en Hij werd al voor alle tijden verwekt.
Hij verschijnt zonder van zijn wortel gesneden te worden.
Hij is tegelijk afgezonderd zonder gescheiden te zijn
en helemaal een met de Vader die Levend is
en zelf het leven is en het Leven aan allen geeft (Joh 14,6; 10,28).
Alles wat de Vader heeft, heeft de Zoon ook.
Alles wat de Zoon heeft, heeft de Vader eveneens.
Als ik de Zoon zie, zie ik ook de Vader,
Men ziet de Vader in alles gelijk aan de Zoon,
behalve dat de een verwekt en de ander zonder ophouden verwekt wordt…
Hoe komt de Zoon uit de Vader voort? Zoals het woord uit de geest voortkomt.
Hoe wordt Hij erdoor gescheiden? Zoals de stem dat is van het woord.
Hoe neemt Hij lichaam aan? Zoals het woord dat men schrijft…

Hoe zou men aan de Schepper van alles een naam geven?
Namen, handelingen, uitdrukkingen,
alles komt in de wereld op bevel van God,
want Hij geeft namen aan de werken
en aan iedere werkelijkheid zijn eigen roep…
Maar zijn eigen naam heeft men nooit gekend
Als het niet “de onuitsprekelijke God” is, zoals de Schrift zegt (cf Gn 32,30).
Als Hij niet uit te spreken is, heeft Hij geen naam
Als Hij onzichtbaar is, is Hij mysterieus,
Als hij ontoegankelijk is, alleen voorbij elk woord
Voorbij elke gedachte, niet alleen de menselijke,
maar ook die van de engelen
“Hij maakte van het donker zijn schuilplaats”(Ps 18,12).
Al de rest hier beneden blijft in duisternis,
maar Hij alleen, als het licht, is buiten de duisternis.

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

Canonische discipline van de orthodoxe Kerk

Canonische discipline van de orthodoxe Kerk

 

Ik geloof waarlijk, zoals ik het zo dikwijls bevestig in het Credo, «in de Kerk ». Ik kan niet ontkennen dat  de teksten die de Kerk heeft geschreven in de loop van haar geschiedenis, canons genoemd, mij zowel bevallen als hinderen. Deze teksten hebben als doel om de grenzen te definiëren van het ware leven die de christen niet zomaar achter zich kan laten, zonder aan deze  vormende daad voorbij te gaan. Een daad waardoor de hemelse Vader de christen  behandelt als zijn enige Zoon, dit wil zeggen , Hij geeft hem er een vergoddelijkende gave van Zijn heilige Geest mee.

De kerkelijke Canons tonen ons de weg die wij moeten gaan opdat ons leven in de Kerk niet slechts een natuurlijke sociaal leven zou zijn, maar ook opdat wij de autonomie van onze natuurlijke individualiteit zouden overschrijden door het ontvangen van de Heilige Geest en door de ervaring van onze deïficatie (…) Maar daarvoor moeten wij twee dwalingen vermijden . De ene bestaat erin

Dat wij zouden zeggen : het verleden is voorbij bij het begin van dit derde millennium, het is hoog tijd om een aggiornamento door te voeren. Als we zo denken dan miskennen wij volledig de diachronische (= historische ontwikkeling) en synthetische (op een synthese berustend)dimensie, en dit zonder onderbreking doorheen de periode van de kerkelijke Traditie en de eenheid van de Kerk.

Indien de kerkelijke canons ons voor alles spreken over de mogelijkheden van onze vergoddelijking in het zijn-in-communio van de Kerk, dan is het ware leven waarvan zij spreken ook het ware leven voor ons, hoe ver we nu ook mogen verwijderd zijn van hun auteurs. Er is nochtans nog een tweede dwaling waar we moeten op letten : men moet de christenen nu ook niet beangstigen met de canons door hen op een fanatieke wijze te bestoken door een automatische toepassing ervan. Gaan we in deze tijd een christen excommuniceren die de kerk verlaat vóór de anaphora zonder medisch motief ?

Zal men een moordenaar die berouw heeft, de heilige communie onthouden  tot aan het einde van zijn leven, en voor zeven jaar iemand die overspel heeft gepleegd ? Voor een  goed gebruik van de canons moeten wij voor ogen houden  dat, indien in de Oudheid de heilige Kerk, nochtans zo goed, zo moederlijk, zich streng heeft opgesteld, dat het is omdat ook nog in onze dagen, zonde exstreem zwaar is en dat wij als gevolg hiervan haar als zodanig moeten behandelen, zelfs al moet dit gebeuren met minder zware straffen. Want vroeger gaf de Kerk de communie voor zeven jaar niet aan iemand die echtbreuk had gepleegd of tot het einde van zijn leven niet aan iemand die een moord had bedreven. Wij hebben ook nu nog het recht niet om ons tevreden te stellen om zo een zonde in de biecht te belijden en direct na de biecht te communiceren  » 

 

Vader André Borrély, in Orthodoxes à Marseille octobre-Novembre 2002.

Vertaling : Kris Biesbroeck