31e zondag na Pinksteren : heilige Hilarion van Poitiers

32e zondag na Pinksteren

Heilige Hilarion van Poitiers

Hilarion van Poitiers (150 x 170).jpg

 

LEZINGEN

Ef.4.7-13 /Hbr.7.26-8.2

Maar aan ieder van ons afzonderlijk is de genade* verleend naar de maat van Christus’ gave. [8] Daarom staat er: Door naar den hoge op te stijgen heeft Hij gevangenen meegevoerd en gaven uitgedeeld aan de mensen. [9] Hij is opgestegen: wat betekent dit anders dan dat Hij eerst in de diepte is afgedaald tot op de aarde? [10] Hij* die is neergedaald, is dezelfde die ook is opgestegen, hoog boven alle hemelen, om alles te vervullen.
[11] Hij ook heeft gaven uitgedeeld. Sommigen maakte Hij apostel, anderen profeet, anderen evangelist, weer anderen herder en leraar, [12] om de heiligen toe te rusten voor het werk van de bediening, tot opbouw van het lichaam van Christus, [13] totdat wij allen tezamen komen tot de eenheid in het geloof en de kennis van Gods Zoon, tot de volmaakte* man, tot de gehele* omvang van de volkomenheid van Christus. [

Hebr.7.26-82

[26] Zo’n hogepriester hadden wij ook nodig: een die heilig is, schuldeloos, onbesmet, afgescheiden* van de zondaars, en hoog verheven boven de hemelen; [27] Hij hoeft ook niet, zoals de hogepriesters, elke dag opnieuw eerst voor zijn eigen zonden offers op te dragen en daarna voor die van het volk, want dit heeft Hij eens en voorgoed gedaan, toen Hij zichzelf offerde. [28] De wet stelt als hogepriester mensen aan, die met zwakheid behept zijn; maar de eed, die uitgesproken is na de wetgeving, wijst de Zoon aan, die volmaakt is in eeuwigheid.
Hoofdstuk 8

De eredienst van het eerste verbond
[1] De* kern van ons betoog is dat wij zo’n hogepriester hebben. Gezeten aan de rechterkant van de troon van de majesteit in de hemel, [2] bedient Hij het heiligdom, de waarachtige tent, die de Heer zelf heeft opgericht, en niet een mens.

Evangelie : Matth.12-17/Joh.10,9-16 :

Begin van Jezus’ verkondiging in Galilea
[12] Toen Hij hoorde dat Johannes overgeleverd was, nam Hij de wijk naar Galilea. [13] Met voorbijgaan van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaüm* bij het meer, in het gebied van Zebulon en Naftali, [14] opdat vervuld zou worden wat bij monde van de profeet Jesaja gezegd is: [15] Land van Zebulon en land van Naftali,
aan de weg naar zee,
aan de overkant van de Jordaan,
Galilea van de heidenen!
[16] Het volk dat in duisternis zit
heeft een groot licht gezien,
en over hen die in het land
en in de schaduw van de dood zitten,
over hen is een licht opgegaan.

[17] Vanaf toen begon Jezus te verkondigen. Hij zei: ‘Bekeer u, want het koninkrijk der hemelen* is ophanden.’

[9] Ik ben de deur; wie door Mij binnenkomt zal gered* worden: die kan vrij in* en uit gaan en zal weidegrond vinden. [10] Een dief komt alleen maar om te roven en te slachten, en om verloren te laten gaan; Ik ben gekomen opdat ze leven mogen bezitten, en wel in overvloed.
[11] Ik ben de goede* herder. Een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. [12] Maar een huurling, geen echte herder dus, als die een wolf ziet komen, laat hij de schapen in de steek en gaat ervandoor – het zijn zijn eigen schapen niet! – en de wolf overvalt ze en drijft ze uiteen. [13] Hij is immers een huurling en bekommert zich niet om de schapen. [14] Ik ben de goede herder: Ik ken* mijn schapen en mijn schapen kennen Mij, [15] zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; Ik geef dan ook mijn leven voor mijn schapen. [16] Ik heb nog* andere schapen dan die uit deze hof. Ook voor hen moet Ik een herder zijn: ze zullen luisteren naar mijn stem. Zo wordt het: één kudde met één herder.

Johannes Chrysostomos : “Laten we de magiërs volgen”

H. Johannes Chrysostomos (ca. 345-407), bisschop van Antiochië, daarna van Constantinopel, Kerkleraar
Homilie over het evangelie van Mattheus, nr 7, 5

Johannes Chrysostomos88.jpg

Johannes Chrysostomos

“Laten we de magiërs volgen”

Laten we naar het voorbeeld van de magiërs opstaan. Laat de hele wereld zich maar zorgen maken, maar laten wij ons met vreugde naar de verblijfplaats van het Kind haasten. Als koningen of volkeren moeite doen om ons de weg te versperren, maakt dat niet uit, we laten onze ijver niet verminderen, we duwen al het kwaad dat ons bedreigt weg. Als ze het Kind niet hadden gezien, waren de magiërs niet aan het gevaar, dat ze liepen van de kant van Herodus, ontsnapt. Voordat ze het geluk hadden om Hem te schouwen, zaten ze vast in de vrees, omgeven door kwaadwillenden, ondergedompeld in zorgen; nadat ze Hem hadden aanbeden, kwam de kalmte en zekerheid in hun hart.
Laten ook wij een stad in wanorde, een despoot die dorst naar bloed, alle rijken van deze wereld, achterlaten en laten we naar Bethlehem gaan, het“huis van het geestelijke brood”. Als je herder bent, kom dan gewoon en je zult het kind in de stal vinden. Als je koning bent, dan zullen je weelderige kleding, alle schittering van waardigheid, nergens voor dienen als je niet komt. Als je een wetenschapper bent zoals de magiërs, zal al je kennis je niet redden als je niet komt om respect te tonen. Als je een vreemdeling bent of zelfs een barbaar, dan zul je toegelaten worden in het hof van de koning… Het is genoeg om met ontzag en met vreugde te komen, deze twee gevoelens wonen in het hart van de echte christen…
Alvorens dat kind te aanbidden, maak je vrij van alles wat je benauwt. Als je rijk bent, leg dan het goud aan zijn voeten, dat wil zeggen geef het aan de armen. Deze vreemdelingen zijn van zo ver gekomen om de pasgeborenen te schouwen; waarom zou jij weigeren… om enkele stappen te zetten om een zieke of een gevangene te bezoeken?… De magiërs hebben hun schatten aan Jezus aangeboden, en jij hebt Hem zelfs geen stukje brood gegeven? (Mt 25,36v) Toen zij de ster zagen, werd hun hart vervuld met vreugde; je ziet Christus in de arme mensen, die aan alles tekort hebben en je loopt aan de overzijde, word je niet geraakt?

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org