de heilige Martinianos

 

 

Heiligenleven

De heilige Martinianos

De heilige Martinianos van Palestina was geboren in Caesarea. Reeds vroeg was hij geraakt door verlangen naar het volmaakte leven, en toen hij achttien jaar was trok hij naar de woestijnachtige omgeving en leidde daar een leven van gebed en ascese. Langzamerhand kwamen steeds meer mensen naar hem toe om zijn gebed te vragen, want God had hem de gave van wonderen verleend. Martinianos bleef zich bewust van de gevaren die deze bezoeken konden meebrengen en ontving daarom nooit een vrouw alleen.

Zulk een bijzonder mens was natuurlijk een onderwerp van gesprek in de stad, en een van de lichte vrouwen kreeg in de zin om te onderzoeken wat er nu werkelijk van waar was. Zij maakte zich op als een arme vrouw en bij slecht weer kwam zij ’s avonds martinianos.jpgaan zijn deur, smekend dat zij verdwaald was en de weg naar de stad niet kon vinden in het donker.

Martinianos kreeg medelijden, liet haar binnen, gaf haar te eten en ging zelf naar buiten om de nacht door te brengen in gebed. De volgende morgen ging hij de hut binnen en kwam met een schok tot ontdekking dat daar een schone jonge vrouw stond, die zich inspande om hem te verleiden. Die plotselinge aanval bracht hem van zinnen, en in gedachten trof hij reeds voorbereidselen om aan haar toe te geven. Slechts enige schaamte weerhield hem nog en hij ging naar buiten om langs de berghelling omlaag te kijken of er soms bezoek op komst was.

Door Gods genade kwam hij echter in de koele buitenlucht weer tot zichzelf en hij begreep dat het een list van de duivel was. Hij stapte met blote voeten in het vuur dat hij had aangelegd, tot ontzettende pijn hem dwong er weer uit te komen, terwijl hij uitriep : Als je dit tijdelijk vuur niet eens kunt verdragen, hoe zul je dan het eeuwige vuur van de hel kunnen doorstaan?

Toen de vrouw zag met welk een geweld hij zichzelf straffte voor een zonde die hij nog alleen maar in gedachten had begaan, kwam ze tot inkeer en zij begon hem vergeving te vragen en wat ze nu verder met haar leven moest doen. Martinianos bad voor haar en zond haar tot de heilige Paula in haar klooster bij Bethlehem. Daar leefde Zoë nog twaalf jaar vol berouw in zware ascese, tot zij stierf als een heilige.

Martinianos wilde niet nog eens zulk een risico lopen, en nadat zijn zware brandwonden genezen waren en hij weer kon lopen, vertrok hij naar een afgelegen onbewoond eilandje. Met een schipper maakte hij een afspraak dat hij steeds voor hem zou bidden, en dat deze hem in ruil daarvoor driemaal per jaar van brood en water zou voorzien. En hij hervatte met nog grotere ijver zijn leven van boete en gebed.

De duivel, die de zwakke plaats van zijn kaakter had gezien, wist hem ook hier nog in verleiding te brengen. Een schip verging met man en muis in de nabijheid van zijn verblijfplaats, alleen een jonge vrouw had zich aan een wrakstuk kunnen vastklampen en spoelde aan op de rots. Geheel uitgeput was ze niet in staat de steile kust te beklimmen, maar op haar hulpgeroep kwam Martinianos aan. Toen zij in veiligheid was, wist hij eerst niet wat te doen, want hij begreep dat ook deze gebeurtenis een aanslag betekende op zijn innerlijk leven, immers, stro en vuur kunnen niet naast elkaar bestaan.

Na tot God gebeden te hebben kwam hij tot een besluit. Tegen het jonge meisje, Fotina, zei hij : Wees maar niet bang, hier is brood en water, daar kun je mee in leven blijven totdat over enkele maanden de schipper komt; die kan je dan meenemen naar de bewoonde wereld. Daarna bekruiste hij zichzelf en sprong in zee om zwemmend ergens anders aan land te komen, want hij was ervan overtuigd dat het risico om te verdrinken minder ernstig was dan het risico dat hij liep wanneer hij met een schone vrouw zo nauw moest samenleven.

Zoals echter wel meer gebeurd is, er kwamen twee dolfijnen die hem hielpen zich drijvend te houden en zo kwam hij veilig aan land. Nu het gebleken was dat hij zelfs op de afgelegenste plaatsen niet ongehinderd kon blijven, nam Martinianos de ascese van het zwervend bestaan op zich. Biddend en bedelend trok hij rond tot hij aangeland was in Athene. Nu was hij aan het einde van zijn krachten; doodziek trok hij nog door de straten totdat hij stervend neerlag in een van de kerken, met een gelaat dat straalde van hemels geluk. Zo stierf hij in 422.

Intussen had hij steeds gebeden voor de achtergelaten Fotina. Deze was diep onder de indruk gekomen, en vol vreugde bleef zij wonen in de verblijfplaats van zulk een heilig man. Zij wilde niet meer vertrekken maar ging met de schipper dezelfde overeenkomst aan. Zo leefde zij nog zes jaar op water en brood in volstrekte eenzaamheid. De laatste keer vond de schipper haar overleden, slechts 31 jaar oud. Vol eerbied nam hij haar lichaam mee naar Caesarea van Palestina, de geboorteplaats van Martinianos. Daar werd zij door de bisschop met al zijn priesters plechtig begraven en om haar heilig leven geëerd.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orth Klooster Den Haag

18e zondag na Pinksteren : De wonderbare visvangst

18e zondag na Pinksteren

“De wonderbare visvangst”

 

wonderbare visvangst.jpg

wonderbare visvangst

 

 

Apostellezing

 

2, Kor.9,6-11

 

6 Bedenk dit: wie karig zaait, zal karig oogsten; wie overvloedig zaait, zal overvloedig oogsten. 7 Laat ieder zo veel geven als hij zelf besloten heeft, zonder tegenzin of dwang, want God heeft lief wie blijmoedig geeft. 8 God heeft de macht u te overstelpen met al zijn gaven, zodat u altijd en in alle opzichten voldoende voor uzelf hebt en ook nog ruimschoots kunt bijdragen aan allerlei goed werk. 9 Zo staat er geschreven: ‘Gul deelt hij uit aan de armen, zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd.’ 10 God, die zaad geeft om te zaaien en brood om te eten, zal ook u zaad geven en het laten ontkiemen, zodat uw vrijgevigheid een rijke oogst opbrengt. 11 U bent in ieder opzicht rijk geworden om in alles vrijgevig te kunnen zijn, en uw vrijgevigheid leidt door onze bemiddeling tot dankzegging aan God.

Evangelie : Lucas : 5,1-11

Simon Petrus, Jakobus en Johannes geroepen

5

1 Toen hij eens aan de oever van het Meer van Gennesaret stond en het volk zich om hem verdrong om naar het woord van God te luisteren, 2 zag hij twee boten aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gestapt, ze waren bezig de netten te spoelen. 3 Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land weg te varen; hij ging zitten en gaf de menigte onderricht vanuit de boot. 4 Toen hij was opgehouden met spreken, zei hij tegen Simon: ‘Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’ 5 Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als u het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’ 6 En toen ze dat gedaan hadden, zwom er zo’n enorme school vissen in de netten dat die dreigden te scheuren. 7 Ze gebaarden naar de mannen in de andere boot dat die hen moesten komen helpen; nadat dezen bij hen waren gekomen, vulden ze de beide boten met zo veel vis dat ze bijna zonken. 8 Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op zijn knieën voor Jezus neer en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’ 9 Hij was verbijsterd, net als allen die bij hem waren, over de enorme hoeveelheid vis die ze gevangen hadden; 10 zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’ 11 En nadat ze de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en volgden hem.

Cyprianus : Maar ik zeg u, geen weerstand te bieden aan het onrecht

H. Cyprianus (rond 200-258), bisschop van Carthage et martelaar
De weldaden van het geduld, 15-16 ; SC 291

Cyprianus-de-Carthago 58.jpg

 “Maar Ik zeg u, geen weerstand te bieden aan het onrecht”

“Verdraag elkaar in liefde, doe alles wat in uw macht is om de eenheid van geest te bewaren in de band van vrede” (Ef 4,3). Het is niet mogelijk de eenheid noch de vrede te bewaren als de broeders en zusters elkaar niet bemoedigen door een stilzwijgende ondersteuning, door de band van een goede verstandhouding dankzij het geduld…
Vergeef je broeder die in jouw ogen dingen fout heeft gedaan, niet alleen zeventig keer zeven, maar absoluut al zijn fouten. Hou van je vijanden, bid voor al je tegenstanders en je vervolgers – hoe moet je er komen als men niet sterk is in geduld en welwillendheid? Dat zien we bij Stefanus…: in plaats van te vragen om wraak, vraagt hij vergiffenis voor zijn beulen door te zeggen: “Heer, reken hun deze zonde niet aan” (Hand 7,60). Zie wat de eerste martelaar van Christus heeft gedaan…, die niet alleen verkondiger van het Lijden van Christus is, maar navolger van zijn zeer geduldige vriendelijkheid.
Wat te zeggen van de woede, van de onenigheid, van de rivaliteit? Ze hebben geen plaats bij een christen. Het geduld moet in zijn hart wonen; men zal er ook niet een van deze kwaden vinden… de apostel Paulus waarschuwt ons: “Bedroef Gods heilige Geest niet…Alle wrok, drift, woede, geschreeuw en gevloek, kortom: alle boosaardigheid moet bij u verdwijnen” (Ef 4, 30-31). Als de christen aan de dwalingen en de aanvallen van onze natuur ontsnapt, als aan een woeste zee, als hij zich vestigt in de haven van Christus, in de vrede en de rust, dan moet hij in zijn hart noch de woede, noch de onenigheid toelaten. Het is hem niet toegestaan om kwaad met kwaad te vergelden (Rm 12,17), noch om haat te koesteren.

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

heiligenleven : de heilige Kyrillos

Heiligenleven

De heilige Kyrillos

 

kyril-en-meth.jpg

Heiligen Kyrillos en Methodios

 

De heilige Kyrillos, die vroeger Konstantijn heette, was de jongeren broer van de heilige Methodios, met wie hij heeft samengewerkt bij de bekering der Slavische volkeren. Ze stamden uit Thessalonika, de hoofdstad van Makedonië, waar hun Bulgaarse ouders zich hadden gevestigd

Toen Konstantijn 14 jaar oud was, werd hij de speelgenoot en studievriend van de keizerszoon Michaël. Naast Grieks, latijn en syrisch studeerde hij met bijzondere voorliefde filosofie, en kreeg vandaar ook de bijnaam de Filosoof, als het studiehoofd van de familie.

Na afloop van zijn studie voltooide hij zijn geestelijke opvoeding als monnik in een klooster. Hij werd weer naar de stad teruggezonden, waar hij priester werd gewijd en aangesteld tot hoofd van de bibliotheek van de Sofiakathedraal, en tot filosofieprofessor aan de universiteit. Daarbij hield hij, in opdracht van de keizer en van de patriarch, disputen over de ikonenverering, waaraan niet alleen de ikonoklasten maar ook de mohammedanen deelnamen.

Maar zijn hart trok naar de eenzaamheid, en zodra de gelegenheid zich voordeed, trok hij met zijn broer Methodius naar de Olymposberg. Dit mocht echter slechts kort duren. In 857 kwam een gezantschap der Chazaren bij keizer Michaël en vroeg om leraren in het ware geloof. Gezien hun afkomst, persoonlijkheid, toewijding en geleerdheid waren deze twee de aangewezen mannen voor dit werk. Zij staken de Zwarte Zee over naar het reeds bekeerde Cherson om geheel vertrouwd te raken met de taal.

Uit de martelaarsakten wisten zij dat de heilige Klemens hier gestorven was. Samen met de bisschop van de plaats wisten zij het kostbaar gebeente te vinden en ze gaven het een eervolle bijzetting in de kerk van de heilige Apostelen.

Nadat zij de taal weer machtig waren, staken zij de Zee van Azov over en begonnen hun missietochten in het Wolgagebied tot aan de Kaspische Zee en de Kaukasus. Dit werk had groot succes. De vorst der Chazaren, met zijn raad en een groot deel van het volk, kwam tot Christus en liet zich dopen. Kyrillos en methodios sloegen alle aangeboden geschenken af, maar vroegen om vrijlating van griekse gevangenen. Zo bracht men een gezelschap van tweehonderd vrijgelatenen mee naar Constantinopel, tot ieders grote vreugde.

In 860 volgde een soortgelijke reis naar Bulgarije, waar koning Boris de doop ontving. Twee jaar later volgden nog twee vorsten van Moravië dit voorbeeld. Er kwam steeds meer behoefte aan regelmatig onderricht bij een volk dat nog geheel analfabeet was. De twee gebroeders stelden daarom een uitgebreid alfabet samen om de ingewikkelde Slavische klanken weer te geven, en nu schreven zij het Evangelie, de Apostel, de Psalmen en het Dienstenboek, zodat de Eredienst in het slavisch kon worden gehouden.

Dit werk had hen beroemd gemaakt door heel Europa, en paus Adriaan II nodigde de beide Apostelen uit om naar Rome te komen, waar zij met grote eer ontvangen werden, en waar de paus Methodios persoonlijk tot priester wijdde. Er ontstonden echter allerlei moeilijkheden door aanklachten van de kant der duitse geestelijkheid, die het Russische rijk als hun missiegebied beschouwde, dat ze wilden latiniseren.

Konstantijn, die reeds geheel uitgeput was door de onvoorstelbare inspanningen van de voorafgaande jaren, kon deze last niet meer dragen. Hij werd dodelijk ziek, nam het grote schima aan met de naam Kyrillos, en zorgde dat Methodios werd aangesteld tot bisschop van de Slavische volkeren. Toen stierf hij in 869, nauwelijks 42 jaar oud. Hij werd begraven in de kerk van de heilige Klemens, waar hij ook het door hem meegebracht deel der relieken had neergelegd.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg. orth.Klooster – Den Haag