Heilige Harlindis en Relindis

Heiligenleven

De heiligen Harlindis (Herlinda) en Relindis(Reinilda)

Harlindis en Relindis.jpg

 

De heiligen Harlindis en Relindis, abdissen van Aldeneik. Zij waren zusters, geboren op het landgoed Maaseik, en voor hun opvoeding naar de Benedictinessen gebracht in Valensijn. Daar ontwaakte in hen de roeping  om zelf kloosterling te worden. Hun ouders waren het daarmee eens en bestemden een stuk van hun domein, het moerassig gebied Aldeneik, voor de bouw van een abdij. De jonge meisjes werkten geestdriftig mee en sjouwden zand en stenen van de Maas naar de bouwplaats.

De oprichting gebeurde in de jaren 720-730. Hun ouders bleven er wonen tot aan hun dood. Het klooster werd een bekend middelpunt, zowel de heilige Willibrord als Bonifatius kwamen er graag op bezoek. Zij haalden daar de liturgische boeken die de monialen kopieerden voor de missie.

Harlindis was de eerste abdis. Na haar overlijden in 755 nam Relindis haar taak over tot haar eigen dood in 780. Reeds spoedig begon hun verering en in 860 werden hun relieken door de bisschop van Luik plechtig verheven.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orth.klooster Den Haag

20e zondag na Pinksteren : de jongeling van Naïm

20e zondag na Pinksteren

“Opwekking van de jongeling van Naïm”

 

 

Naïm9.jpg

Lezingen :

Galaten 1,11-19

Ik verzeker u, broeders en zusters, het evangelie dat door mij is verkondigd, is niet door mensen uitgedacht. Want ook ik heb het niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door een openbaring van Jezus Christus.
Voorvallen uit Paulus’ leven

U hebt toch gehoord hoe ik vroeger als Jood geleefd heb: hoe ik de kerk van God fel vervolgde en haar trachtte uit te roeien; en hoever ik het gebracht heb in de Joodse godsdienst, vele leeftijdgenoten onder mijn volk overtreffend in mijn grenzeloze ijver voor de overleveringen van mijn voorouders. Maar toen God, die mij had uitgekozen, nog in mijn moeders schoot, en die mij heeft geroepen door zijn genade, besloot zijn Zoon aan mij te openbaren om Hem onder de heidenvolken te verkondigen, toen ben ik aanstonds, zonder een mens te raadplegen, zonder naar Jeruzalem te gaan, naar hen die eerder apostel waren dan ik, vertrokken naar Arabië en vandaar naar Damascus teruggekeerd.
Pas drie jaar later ben ik naar Jeruzalem gegaan om met Kefas kennis te maken, en ik ben veertien dagen bij hem gebleven. Van de andere apostelen heb ik niemand gezien, behalve Jakobus, de broer van de Heer.

Evangelie : Lucas 7,11-16

Opwekking van de zoon van een weduwe uit Naïn
Naderhand ging Jezus naar een stad die Naïn heette; zijn leerlingen en een grote menigte gingen met Hem mee. Toen Hij de stadspoort naderde, werd er juist een dode uitgedragen, de enige zoon van een weduwe. Een talrijke menigte uit de stad was bij haar. Toen de Heer haar zag, was Hij ten diepste met haar begaan. ‘Huil niet’, zei Hij tegen haar. Hij liep naar de lijkbaar toe en raakte die aan. De dragers bleven staan en Hij zei: ‘Jongeman, kom overeind, zeg Ik je!’ En de dode ging rechtop zitten en begon te praten, en Hij gaf hem aan zijn moeder. Ontzag vervulde allen en ze prezen God. Ze zeiden: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan’, en: ‘God heeft naar zijn volk omgezien

Heilige Macarius : Wij zijn Zijn huis

Overweging bij de lezing van vandaag: :
Heilige Macarius (? – 405), monnik in Egypte
Overweging nr.33, PG 34, 741-743

Makarios koptische icoon 56.jpg

Heilige Macarios “Wij zijn Zijn huis” (Heb 3,6)

De Heer vestigt zich in een vurige ziel, Hij maakt er zijn troon van glorie van, Hij zet zich erop en verblijft er…Dat huis waar de meester woont is een en al genade, orde en schoonheid, net zoals de ziel met wie en in wie de Heer verblijft slechts orde en schoonheid is. Zij bezit de Heer en alle geestelijke schatten. Hij is er de bewoner van, Hij is er de baas.
Maar hoe afschuwelijk is het huis waarvan de meester afwezig is, waar de Heer ver weg is! Ze wordt bouwvallig, ze wordt een ruïne, vult zich met vuiligheid en wanorde. Zij wordt, volgens het woord van de profeet, een hol vol slangen en demonen (Jes 34,14). Het verlaten huis vult zich met katten, honden en vuilnis. En hoe ongelukkig is de ziel die niet meer kan opstaan na haar rampzalige val, die zich erdoor laat meeslepen en die haar Bruidegom begint te haten en haar gedachten weg te houden van Jezus Christus!
Maar wanneer de Heer ziet dat de ziel zich inkeert en dag en nacht naar de Heer zoekt, naar Hem roept zoals Hij haar uitnodigt: “Bid zonder ophouden”, dan zal “God hem recht doen” (Luc 18 1.7) – Hij heeft het beloofd – en Hij zal haar van alle zonden zuiveren. Hij maakt van haar “een bruid zonder vlek of rimpel” (Ef 5,27). Geloof in zijn belofte; het is de waarheid. Kijk of uw ziel al licht heeft gevonden dat uw stappen verlicht en het ware voedsel en drank die de Heer zijn. Komt u nog tekort? Zoek dag en nacht en u zult het vinden.

 

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

De Iwerskaja icoon

Heiligenlevens

De Iwerskaja icoon

 

 

Iwerskaja icoon.jpg

De Iwerskaja icoon is een iberische icoon van de Moeder Gods die oorspronkelijk in het bezit was van een vrome weduwe in de buurt van Nicea. Tijdens de Beeldenstorm van Theofilos kwam een opsporingsgroep ,ook bij haar huiszoeking doen. Zij wist hen echter om te kopen om de icoon nog een dag bij haar aan huis te laten. Haar gedachte was dat ze de gewijde icoon beter aan de natuur kon prijsgeven dan aan bespotting door mensen bloot te stellen. Met haar zoon bracht zij de icoon naar zee, en tot haar vreugde zag zij hoe deze rechtop in de golven bleef drijven, en zich van het land verwijderde.

Om de straf voor deze ontduiking te ontgaan, vluchtte de zoon naar de Athos, waar hij na een asketisch leven in vrede gestorven is. Tevoren had hij de monniken ingelicht over wat er met de icoon gebeurd was, en dit verhaal bleef bij de oudere monniken in herinnering en werd verder verteld.

Vele jaren later leefde de oudvader Gabriël in het Iberische klooster op de Athos. In een droom verscheen hem de alheilige Moeder Gods en zij beloofde dat zij haar icoon aan het klooster wilde schenken, en dat zij deze uit het water moesten halen. Toen de monniken naar de kust gingen, zagen zij inderdaad de icoon rechtop in het water. Zij brachten die vol eerbied naar het klooster, in de altaarruimte. Daar bleek de icoon echter de volgende morgen verdwenen te zijn. Na lang zoeken werd deze teruggevonden op de muur, boven de kloosterpoort. De icoon werd weer naar het altaar gebracht, maar verdween opnieuw naar de poortmuur. Na nog een herhaling begreep men dat de Moeder Gods dit zelf zo wilde, en er werd bij de poort een eigen kerkje gebouwd voor de icoon, die daarom ook Deurwachtster (Portaïssa) heet.

Uit: Heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orth.klooster Den Haag

19e zondag na Pinksteren : Heb uw vijanden lief

 

Vaders van het zevende oecumenisch concilieoecumenisch concilie zevende9.gif

19e zondag na Pinksteren

‘Heb uw vijanden lief !’

 Gedachtenis van de Vaders van het zevende Oecumenisch concilie

 

 

liefhebben9.jpg

 

 

Eerste Lezing

 

2 Kor. 11,31-12,9

 

 

11 .31 De God en Vader van de Heer Jezus, de God die moet worden geprezen tot in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg. 32 Toen ik in Damascus was, liet de stadhouder van koning Aretas de stad afsluiten om mij gevangen te nemen; 33 ik kon alleen aan hem ontkomen doordat ik in een mand door een venster in de muur werd neergelaten.

12 .1 Ik word er wel toe gedwongen hoog van mezelf op te geven. Daarom zal ik, hoewel het geen enkel doel dient, het hebben over visioenen en openbaringen die de Heer ons schenkt. 2 Ik ken een volgeling van Christus die veertien jaar geleden tot in de derde hemel werd weggevoerd – in zijn lichaam of buiten zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen. 3 Maar ik weet dat deze man – in zijn lichaam of zonder zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen – 4 werd weggevoerd tot in het paradijs en dat hij daar woorden hoorde die door geen mens mogen worden uitgesproken. 5 Van zo iemand wil ik hoog opgeven. Wat mijzelf betreft zal ik me slechts op mijn zwakheid laten voorstaan. 6 En zelfs al zou ik hoog van mezelf willen opgeven, dan nog zou ik geen dwaas zijn, want ik zou de waarheid spreken. Maar ik zie ervan af, want ik wil worden beoordeeld op grond van wat men van mij hoort en ziet, 7 niet op grond van de uitzonderlijke openbaringen die ik heb gekregen. Om te verhinderen dat ik mezelf zou verheffen, werd mij een doorn in het vlees gestoken: ik word gekweld door een engel van Satan. 8 Ik heb de Heer driemaal gesmeekt mij van hem te bevrijden, 9 maar hij zei: ‘Je hebt niet meer dan mijn genade nodig, want kracht wordt zichtbaar in zwakheid.’ Dus laat ik mij veel liever voorstaan op mijn zwakheid, zodat de kracht van Christus in mij zichtbaar wordt.

 

 

Evangelie :

 

Lucas 6,31-36

 

6 .31 Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen. 32 Is het een verdienste als je liefhebt wie jullie liefhebben? Want ook de zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben. 33 En is het een verdienste als je weldaden bewijst aan wie weldaden bewijzen aan jullie? Ook de zondaars handelen zo. 34 En is het een verdienste als je geld leent aan degenen van wie jullie iets terug verwachten? Ook zondaars lenen geld aan zondaars in de verwachting alles terug te krijgen. 35 Nee, heb je vijanden lief, doe goed en leen geld aan anderen zonder iets terug te verwachten; dan zullen jullie rijkelijk worden beloond, en zullen jullie kinderen van de Allerhoogste zijn, want ook hij is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is.

36 Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is.

 

 

De zeven oecumenische concilies

De Zeven Oecumenische Concilies

Het begin van de vierde eeuw is getuige geweest van het grootste keerpunt dat de geschiedenis heeft meegemaakt.
Deze eeuw was pas drie jaar begonnen toen het Romeinse Rijk nog een laatste keer (in 303)probeerde, en met een geweld dat tot nog toe nooit zo hevig was, om de christelijke religie te vernietigen.
Het is waar dat de vervolging van Diocletianus (1), na een tijd van relatieve vrede in de Kerk, heel belangrijk waren voor de de voorbereiding van de kerstening van het rijk, het heeft het leven van de Kerk diep getroffen, vooral de provincies ten oosten van Rome die latijns waren tot het Hellenistische Oosten, anderzijds was in de Kerk van Gallië, Iberia en Brittania deze vervolging niet al te ernstig , in feite werd ze weinig gevoeld in deze provincies die relatief ver lagen van de hoofdstad.

Om strategisch politieke redenen en vooral uit persoonlijk belang deed Diocletianus afstand van de troon in 305. Ook tijdens het bewind van zijn opvolger Galerius (2)en de nieuwe Caesar die hem bijstond, Maximus, nam de vervolging van de christenen een meer systematische karakter aan. Maximinus, nog fanatieker dan de keizer zelf, zocht zijn toevlucht tot nieuwe methoden van anti-christelijke propaganda en afschrikking, maar uiteindelijk moest hij (in 312) terugkeren naar een meer tolerante houding, zeker niet volledig, maar toch belangrijk voor de christenen. Na tien jaar van bloedige vervolging waren duizenden christenen gedood.
Bijna alle historici nu zeggen dat Maximinus besloten had de religieuze vrede te herstellen als gevolg van bedreigingen van binnenuit (de politieke situatie in Rome was zeer verontrustend), en in het bijzonder, onder de slagen die zijn twee collega’s en rivalen van het Westen hem toebrachten : Constantijn en Licinius.
Dit is niet de plaats om alle gebeurtenissen die het begin van de vierde eeuw kenmerkten naar voor te brengen, ze zijn ook zeer complex. Toch is de naam van Constantijn heel nauw verbonden met de triomf van het christendom. Zijn regering zag de vervulling van de omwenteling als de grootste die ooit in de geschiedenis van de christelijke kerk is waargenomen.
Constantijn wordt terecht beschouwd als “isapostolos” (gelijk aan de apostelen). Inderdaad, hij was het die als eerste dacht dat het Romeinse Rijk vroeg of laat een christen rijk zou zijn, het moest in ieder geval stevig vaststaan in het ware geloof. Dus, bezorgd om de eenheid van het geloof van zijn onderdanen te bewaren, riep hij een EERSTE oecumenische concilie samen in 325 in Nicea, een stad dichtbij de nieuwe hoofdstad van het Romeinse Rijk, Constantinopel.
Maar wat is een concilie van de Kerk? En waarom heten sommige”oecumenisch”?
Laat ons meteen zeggen dat “een concilie het orgaan is waarvoor God heeft gekozen om de bisschoppen te leiden, het is een incarnatie van de essentiële aard van de Kerk”. (3) Deze definitie is eerlijk en mooi,. Ik denk dat het voor iedereen toegankelijk is,omdat het gemakkelijk is te begrijpen Voor de oude Grieken was een “Organon” het “middel” bij uitstek en een”middel tot actie” (Organon = Ergon). Het woord “Concilie” wordt elders in het Grieks “synodos” genoemd. Dit woord betekent “samen” of “dezelfde weg opgaan.” De bisschoppen, dus dat wil zeggen zij die “zorgen” (Episkopos) voor de goede werking van de Kerk, komen in een vergadering samen, en werken in een geest van vrede en liefde samen, en ten slotte verwoorden zij op een normatieve manier wat de christologische boodschap van de Kerk is. (4) Een concilie wordt door de keizer samengeroepen; deze laatste versterkt de decreten van het concilie, maar dicteert nooit de termen, het komt toe aan de bisschoppen om het ware geloof te onderwijzen, de keizer was de beschermer. Leken (van het Griekse woord “laos”, dat ” volk” betekent)hadden het recht om concilies bij te wonen en soms een actieve rol te spelen(als de eerste keizer Constantijn en andere keizers van Byzantium). Maar op het moment dat er formele verklaringen moesten gegeven worden waren de bisschoppen de enigen die, vanuit hun charisma tot lering, definitieve besluiten konden nemen.
Een concilie kan “lokaal” of “oecumenisch” zijn. Een “lokaal” concilie bestaat uit leden van één of meerdere kerken, maar zonder de intentie om de ganse Kerk te omvatten. De beslissingen ervan kunnen gevoelig zijn aan fouten. Daarentegen kunnen de leerstellige besluiten van een “oecumenisch concilie” niet worden herzien of veranderd. Ze zijn onfeilbaar en hun autoriteit is universeel omdat ze betrekking hebben op”de gehele bewoonbare aarde” (Oecumene).

Er waren verschillende oecumenische concilies, maar de Orthodoxe Kerk erkent er slechts “zeven” als oecumenisch, en zij werden alle opgeroepen door keizers van het Byzantijnse Rijk. Zij kwamen bijeen in steden van het oostelijk Middelands-Zeegebied.

Het EERSTE oecumenisch concilie van de christelijke Kerk werd in 325 in Nicea (5), bijeengeroepen door Keizer Constantijn die persoonlijk aanwezig was samen met driehonderd bisschoppen. Het is juist dit concilie dat Arius veroordeelde (6), die verklaarde dat de Zoon van God, dat wil zeggen Christus “consubstantieel” is met de Vader (“homoousios” in het Grieks, dwz. van dezelfde essentie). Christus is de ware God uit de ware God, en is niet ondergeschikt aan de Vader volgens Arius. Dit Concilie verkondigde ook dat Christus geboren is en niet geschapen. Dit werd uitdrukkelijk opgenomen in het “Credo”, dat wil zeggen in de belijdenis van het ware geloof van een orthodox Christen. Het concilie hield zich ook bezig met de materiële organisatie van de Kerk, maar de veroordeling van Arius was een bijzondere datum in de geschiedenis van het leerstellige christendom.

Het was een gegantische en vaak gepassioneerde opdracht, maar alles werd gedaan in liefde, begrip en wijsheid. De aarzeling en terughoudendheid echter van sommige bisschoppen schiep een klimaat van onrust binnen de Kerk zelf.

Het is daarom dat in de woelige periode die zich uitstrekt van 325 tot 381, werd besloten terug te keren naar het werk van Nicea en in het bijzonder de ontwikkeling van de geloofsbelijdenis. Ook werd er een nieuw oecumenisch concilie bijeengeroepen (het TWEEDE)in Constantinopel in 381. Tijdens dit concilie werd een bijzonder accent gelegd op de Heilige Geest, die gelijk is aan God op dezelfde wijze als de vader en de Zoon. “De heilige Geest die voortkomt uit de Vader, die met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt”. Maar er werd ook verkondigd dat de absolute eenheid van God (ousia) onlosmakelijk verbonden is die niet verscheiden is. Zo zijn de Vader, de Zoon en de Heilige Geest drie goddelijke personen (hypostases) “in één persoon”. Deze leer werd prachtig ontwikkeld door drie groten van de orthodoxe theologie : de heiligen Gregorius van Nazianze, Basilios de Grote en gregorios van Nyssa.

Vijftig jaar na het concilie van Constantinopel werd een DERDE concilie bijeengeroepen te Efese in 431. Dit concilie verkondigde de hypostatische eenheid van Christus, dat er in Christus geen onderscheid is tussen zijn goddelijkheid en zijn menselijkheid, maar een perfecte combinatie van het goddelijke en het menselijke. Christus kan alleen bestaan in twee verschillende naturen (ousies) : Hij is tegelijk God en mens. Het was ook tijdens dit concilie dat plechtig werd verkondigd dat Maria de Moeder van God is, de Godsmoeder. Maria schonk het leven aan het Woord Gods( de Logos), dat vlees geworden is. Het kind dat maria droeg was een bijzonder persoon (7), zowel God als mens (Johannes 1,14).

Maar nauwelijks twintig jaar waren verstreken sinds het concilie van Efese of er werd een VIERDE concilie bijeengeroepen te Chalcedon, een stad in de buurt van Constantinopel, aan de andere kant van de Bosphorus in 451. Dit vierde oecumenisch concilie maakt samen met het vorige het hoogtepuint uit van de orthodoxe christologie. Het is tijdens de werkzaamheden van dit concilie dat verkondigd werd dat “Christus waarlijk God en waarlijk mens is, Hij laat zich kennen zonder vermenging, zonder verandering, individueel en onlosmakelijk verbonden met elkaar op zo een wijze dat de eigenschappen van elke natuur (goddelijk en menselijk) steviger blijven als ze verenigd zijn in één persoon” (of hypostase). (zie O.Clément : De orthodoxe Kerk).

Hier zien wij dat de concilievaders een beslissende slag wilden toebrengen aan de aanhangers van Nestorius (8)(die in dit concilie en zelfs ervoor sterk insisteerde op het onderscheid tussen de mensheid en de goddelijkheid van Christus), maar ook aan de aanhangers van de leer van één natuur in Christus (monofysieten). Echter verre van een conclusie te geven over de besproken problemen, is het concilie in een lange crisis terechtgekomen die duurde tot het einde van de 5e eeuw en geheel de zesde eeuw.

Het VIJFDE concilie werd bijeengeroepen in Constantinopel in 553 om de nawerking van het Nestorianisme en monofysitisme te boven te komen en om opnieuw te proberen uit te leggen hoe de twee naturen van Christus slechts één zelfde persoon vormen. Maar een aanzienlijk deel van de kerken, vooral in Syrië en Egypte weigerden nog steeds de besluiten van het concilie van Chalcedon te erkennen.

Maar de vrede in de Kerk zal slechts honderddertig jaar duren. In 681 werden de bisschoppen opnieuw geroepen naar Constantinopel om een nieuwe vorm van het monofysitisme te behandelen en er zich over uit te spreken : de ketterij van het “monothélitisme” (één enkele wil). Deze laatsten beweerden dat “omdat er in Christus twee naturen zijn in één persoon, dan zou er in Hem slechts één wil zijn (de goddelijke).De Monothélitisten vielen ook de volheid van de menselijkheid van Christus aan. Dit was het voornaamste doel van het ZESDE oecumenisch concilie.Het is de mening van het geheel van theologen dat het zesde oecumenisch concilie slechts een relatieve vrede in de christelijke Kerk brengt. De geschillen rond de persoon van Christus zouden nog lang duren onder één of andere vorm. Nieuwe problemen hielden niet op om te verschijnen, bijvoorbeeld dit van de verering van de heilige Iconen van Christus, van de Moeder Gods en van de heiligen.Maar voordat wij dit probleem aanraken, zeggen wij eerst iets over de Iconen en wat ze betekenen voor een orthodoxe christen. Een Icoon is volgens de orthodoxe traditie ” een heilige getuigenis van de goddelijke tegenwoordigheid” De icoon is geen schilderij, of een artistiek oevre dat tot een bepaalde school in een bepaald tijdperk behoort en als zodanig niet gedateerd noch gehandtekend is. ze behoort niet tot onze kortstondige en sterfelijke wereld maar wel aan dit van het hemels Jeruzalem.Dat is de reden waarom een orthodoxe icoon dikwijls genoemd wordt : “acheiropdiète” ’t is te zeggen “niet door mensenhanden gemaakt”. Maar de beeldenstormers beschuldigden de orthodoxie van afgoderij. Ze wilden ze vernietigen en laten verdwijnen uit de kerken (beeldenstormers, iconoclasten). De iconoclastische controverse spreidde zich over een periode van 20 jaar en was vaak gekenmerkt door gewelddadige vervolging. Maar de orthodoxie triomfeerde, de iconenverering werd uiteindelijk hersteld door de vrome keizerin Theodora (9) in 843 (Feest van de zondag van de orthodoxie). Het ZEVENDE oecumenisch concilie, dat bijeenkwam in Nicea in 787 verkondigde duidelijk en krachtig dat de afbeeldingen in de kerken moesten blijven bestaan om vereerd te worden zoals de andere materiële symbolen van ons geloof.

Ziehier dus, in het kort de geschiedenis van de Zeven Oecupmenische Concilies, de enige die onfeilbaar zijn en de universele autoriteit bezitten die onze universele kerk erkent. Zij heeft zich nooit ervan verwijderd. Herinneren wij er ons hier aan dat de orthodoxe kerk noch de middeleeuwse scholastiek van het Westen, noch de Hervorming en de Contra-reformatie heeft gekend. Bedenk ook dat de Orthodoxie nooit probeert te overtuigen. Ze heeft de waarheid en de genade van de betovering.

+ Nicolas SARAFOGLOU, in Syntaxis nr.23, Jan.-Febr.-Maart 1993

voetnoten :

(1) Romeins keizer 284 tot 305.

(2) Romeins keizer 306 tot 311.

(3) in : Orthodoxie, Timoty Ware, Desclee de Brouwer 1948

(4) in : De Orthodoxe Kerk. O.Clément : Que sais je ? 1965

(5) Stad in klein Azië in de buurt van Constantinopel.

(6) Arius : priester van Alexandrië (280-336)

(7) in het grieks “Monogénis” (enige zoon)

(8) Nestorius : heresiarch, Patriarch van Constantinopel, afgezet door het concilie van Efese in 453

(9 )Vrouw van de Byzantijnse keizer Theophilos.

vertaling : Kris Biesbroeck

Joh.Chrysostomos :”Alleen God kan immers zonden vergeven” (Mc 2,7)

Johannes Chrysostomus (ca. 345-407), bisschop van Antiochië, daarna van Constantinopel, Kerkleraar
Homilie over het evangelie van Mattheus, nr. 29, 1

 chrysostomos - Michaël Damaskinos - Laat 16e eeuws.jpgJoh. Chrysostomos

 

 “Alleen God kan immers zonden vergeven” (Mc 2,7)

“Men bracht Hem een lamme.” Mattheus vertelt eenvoudig dat deze verlamde naar Jezus werd gebracht. De andere evangelisten vertellen dat hij door een opening in het dak naar beneden werd gelaten, en zo voor de Verlosser werd gelegd zonder ook maar iets te vragen, ze lieten Hem zelf een oordeel vellen over zijn genezing…
Het Evangelie zegt “toen Jezus hun geloof zag”, dat wil zeggen van hen die de verlamde naar Jezus hadden gebracht. Zie hoe Christus soms geen enkele zaak maakt van het geloof van deze zieke: misschien is hij er niet toe in staat, of onwetend of bezeten door een kwade geest. Hier had de verlamde toch een groot geloof in Jezus; zou hij het anders toegestaan hebben dat men hem voor Hem neer zou leggen? Christus antwoord op dat vertrouwen met een bijzonder wonder. Met de macht van God zelf vergeeft Hij de zonden van deze man. Hij toont zo dat Hij aan de Vader gelijk is, een waarheid die Hij reeds had getoond toen Hij tegen de lamme zei: “Ik wil het, wordt rein” (Mt 8,3)… en toen Hij in één woord de woeste zee had gekalmeerd (Mt 8,26), of toen Hij, in de hoedanigheid van God demonen had uitgedreven, die in Hem hun vorst en hun rechter zagen (Mt 8,32). Welnu hier toont Hij zich aan zijn tegenstanders, tot hun grote verbazing, dat Hij gelijk aan de Vader is.
En de Verlosser toont hier nog een keer hoe Hij alles verwerpt dat spectaculair is of bron van ijdelheid. De menigte dringt van alle kanten bij Hem aan, maar Hij haast zich niet om een zichtbaar wonder te doen door de uiterlijke verlamming van de man te genezen… Hij begint met een onzichtbaar wonder, en geneest de ziel van die mens. Deze genezing is oneindig veel beter voor hem – en schijnbaar minder glorieus voor Christus.

 

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org