Het kind sprong van vreugde op in mijn schoot

Byzantijnse liturgie,
Akathistos hymne (7e eeuw)

“Het kind sprong van vreugde op in mijn schoot”

Maria, die de Heer in haar schoot droeg, haastte zich naar Elisabeth. Toen hij de begroeting van Maria hoorde, verheugde het kind zich ook, en sprong op van vreugde als wilde het zingen voor de Moeder van God:
Verheug u, bloemknop die de onsterfelijke bloem bevat.
Verheug u, boomgaard die de levensvrucht draagt.
Verheug u, tuin van de Heer, de vriend van de mensen (Wijsh.1,6).
Verheug u, gezaaid uit de groei van ons leven.
Verheug u, akker die een overvloed aan verlossing voortbrengt.
Verheug u, heilige tafel van de verzoening voor de zonde.
Verheug u, want u plant voor ons een tuin van schoonheid.
Verheug u, want u bereidt voor onze zielen een haven van vrede.
Verheug u, wierook van een offerande die God bevalt (Gn 8,21).
Verheug u, in wie het universum zich verzoend heeft.
Verheug u, genade van God voor alle mensen.
Verheug u, onze advocate bij de Heer.
Verheug u, ongehuwde Bruid.
Jozef, de voorzichtige, maakte zich grote zorgen, zijn ziel werd heen en weer geschud door de stormen van gedachten, want hij kende uw maagdelijkheid en verdenkt u nu, o onbevlekte moeder. Maar toen hij hoorde dat degene die verwekt was van de heilige Geest kwam (Mt 1,20) riep hij uit: “Alleluja, alleluja, alleluja”.
Toen de herders de engelen hoorden die zongen over de menswording van Christus, renden ze naar de goede Herder om het pasgeboren Lam te schouwen dat rustte op de borst van Maria. Ze jubelden en zongen:
Verheug u, moeder van het Lam en van de goede Herder (Joh 1,29, 10,14).
Verheug u, schaapskooi van de verzamelde schapen (Joh 10,16).
Verheug u, beschermster tegen de rovende wolven (v.12).
Verheug u, u opent de poorten van het Paradijs.
Verheug u, aangezien de hemelen zich op aarde verheugen (Lc 2,14).
Verheug u, aangezien de mensen als engelen jubelen.
Verheug u, u geeft zekerheid aan het woord van de apostelen.
Verheug u, u geeft kracht aan de getuigenissen van de martelaren.
Verheug u, onwankelbare zuil van ons geloof.
Verheug u, u kent de schittering van de genade.
Verheug u, door wie de hel leeg is geworden.
Verheug u, door wie wij met heerlijkheid bekleed zijn.
Verheug u, ongehuwde Bruid.
Als wij deze ongewone geboorte schouwen, worden wij vreemdelingen in onze gewone wereld en onze geest keert zich naar de werkelijkheden van boven, want de Allerhoogste heeft zich in nederigheid aan de mensen geopenbaard om allen op te heffen die tot Hem zingen: “Alleluja, alleluja, alleluja”.

De heilige Johannes van de ladder

 De heilige Johannes van de ladder

 

 

 

 

Johannes climacos235.jpg

 

 

Georges Florovski (1)

 

“De stroom van uw tranen heeft de onvruchtbare woestijn doen bloeien,

en door uw zichten uit de diepte heeft uw arbeid honderdvoudig vrucht gedragen.

Zo zijt gij, onze heilige Vader Johannes, een ster geworden,

die heel de wereld verlicht door uw wonderen.

Bid tot Christus, onze God, om onze zielen te redden”

(troparion in toon 8)

 

1. zijn leven

 

Men kan het leven van de heilige Johannes van de ladder een lofzang noemen. We kunnen hem typeren als een man van gebed en beschouwing. “Want Johannes was genaderd tot de geheime berg waartoe de niet-ingewijden geen toegang hebben, en opgevoed in de stadia van het geestelijke leven, had hij het visioen (van God) en de door Hem geschreven wet ontvangen.” Hij is een soort nieuw gemanifesteerde Mozes. Men weet weinig over zijn leven. Alles wijst er op dat hij gestorven is in het midden van de VIIde eeuw. Hij kwam zeer jong toe in de Sinaï en bleef er gans zijn leven. Hij was er gedurende vele jaren in de leer bij een geestelijke vader. Na diens dood leefde Johannes als kluizenaar in een niet zo verafgelegen maar wel eenzame grot. Hij was reeds hoog bejaard toen hij tot higoumen van het klooster werd verkozen. Hij was dit voor korte tijd en keerde terug naar het kluizenaarsleven(2)

 

1. De Ladder van de heilige Johannes Climacos

 Toen hij kloosteroverste was schreef hij zijn Ladder, “een boek dat genoemd wordt: de tafels van de spirituele weg”, “voor de opbouw van de nieuwe Israëlieten, te weten de nieuwkomers die het spirituele Egypte en de oceaan van het bestaan hadden verlaten”. Het is een systematische beschrijving van de normale monastieke weg, volgens de stadia van de spirituele volmaaktheid. Fundamenteel hierin is precies het systeem: de idee van een logische en regelmatige voortgang in de ascetische strijd. De Ladder is geschreven in een eenvoudige, bijna volkse taal. De auteur houdt van vergelijkingen aan het dagelijkse leven ontleend, hij houdt van spreuken en gezegden. Hij schrijft zijn persoonlijke ervaring neer. Toch blijft hij steeds steunen op de traditie, op het onderricht van de “door God geïnspireerde vaders”. Hij refereert naar de vaders uit Kappadocië, naar Nilus en Evagrius, naar de Apoftegmata en naar een Cassianus en een Gregorius de Grote in het Westen. De Ladder eindigt met een “Brief aan de herder” waar Johannes het heeft over de plichten van de kloosteroverste.

 De Ladder is het te lezen boek bij uitstek en dit niet enkel in de kloosters. Het bewijs is het grote aantal kopijen in oost en in west.

 Het plan van het boek is zeer eenvoudig. Het is bepaald door de logica van het hart, eerder dan door de logica van de geest (verstand). De praktische raadgevingen worden gestaafd door de psychologische analyse. Elke vereiste moet worden uitgelegd. Dit betekent dat hij die de ascese beoefent duidelijk moet weten waarom deze of gene vereiste hem aangereikt wordt en waarom dat in deze logische volgorde gebeurt. Vergeten we niet dat Johannes speciaal voor monniken schrijft en dat hij steeds de levensomstandigheden in de kloosters voor ogen heeft.

 De eerste vereiste van het monachisme is te verzaken aan al wat van de wereld is. Het verzaken (aan de wereld) is slechts mogelijk door de vrijheid, de vrije wil, en deze vrijheid is de essentiële waardigheid van de mens. De zonde bestaat erin God vrijwillig af te wijzen of van zich van Hem te verwijderen. Deze ontkenning van het leven, dat is de vrijwillige dood, een soort van ingestemde zelfmoord.

 De ascetische strijd bestaat erin zich tot God te keren in alle vrijheid en met heel zijn wil, bestaat erin Christus te volgen en na te volgen. Het is dus anders gezegd steeds zijn wil richten en zich naar God keren. Het hoogtepunt van de ascese wordt beleefd in het monachisme. “De monnik is een permanent geweld aan de natuur aangedaan en het onophoudelijk bewaken van de zinnen. Het verzaken aan de wereld moet totaal en absoluut zijn: “het verwerpen van de natuur om de goederen te ontvangen die hoger zijn dan de natuur”. Dit is een zeer belangrijke tegenstelling: het “natuurlijke” wordt doorbroken ten voordele van het boven-natuurlijke en is niet vervangen door het tegen-natuurlijke. De opdracht van de ascetische strijd bestaat erin de natuurlijke vrijheid te sublimeren (op te tillen), maar dit betekent niet het bevechten van haar authentieke wetmatigheden. Het is daarom dat alleen de ware motivaties en het waarachtige doel het verzaken (aan de wereld) en de ascetische strijd rechtvaardigen. De ascese is een middel, niet het doel. En de ascetische strijd bereikt slechts zijn volmaaktheid wanneer Jezus Zelf komt en de steen van de deur van het verharde hart komt wegrollen. Zoniet is de ascese steriel en ijdel.

 De opdracht ligt niet in het verzaken zelf, maar in die vereniging met God die slechts realiseerbaar is  doorheen een authentiek verzaken, te weten het vrij-komen van de wereld, Het vrij-komen van de hartstochten en neigingen, van de gehechtheden en de aantrekking van de wereld teneinde de apatheia te vinden en te verwerven. In de ascetische strijd zelf is de motor van het proces het belangrijkste: i.e. de liefde voor God en de bewuste keuze. Voor het overige kan zelfs de onvrijwillige strijd vruchtbaar zijn: verzaken naargelang de omstandigheden (het vragen). Ook als men (tot verzaken) gedwongen wordt, want de ziel kan ook plotseling ontwaken.

 “En welk is de wijze en trouwe monnik, die de vurigheid tot aan het einde van zijn leven heeft bewaard zonder deze uit te doven, en die, tot op het einde van zijn leven, elke dag onophoudelijk dit vuur in het vuur aanwakkert, deze vurigheid in de vurigheid, deze ijver in de ijver en dit verlangen in het verlangen?”. Het is met andere woorden niet zozeer het los staan ten opzichte van de wereld, dan wel het brandende verlangen om naar God uit te gaan, dat van belang is. Het verzaken bereikt zijn volmaaktheid in het spirituele omzwerven. De wereld moet vreemd worden en vreemd voorkomen. “Het (geestelijk) omzwerven bestaat erin alles achter zich te laten, zonder erop terug te komen, wat, in het vaderland, ons tegenwerkt in onze inspanning voor de vroomheid.” Het is de weg naar het zo verlangde goddelijke. En het feit van zich tot vreemdeling te maken is enkel te rechtvaardigen om “de eigen gedachte onafscheidbaar te maken van God”. Anders zou de pelgrimstocht naar God een ijdele omzwerving zijn zonder doel.

 Het (geestelijk) omzwerven moet zich niet voeden met de haat voor de wereld en voor diegenen die in de wereld blijven maar enkel met de oprechte liefde voor God. Werkelijk, deze liefde is exclusief en dooft zelf de liefde voor de ouders. En het verzaken moet onvoorwaardelijk zijn: “Trek weg uit uw land, uw ras en het huis van uw vader” (Genesis XII,1). Maar, deze “haat” voor wat in de wereld achtergelaten is, is een “haat zonder hartstocht”. Het monachisme is een uittocht uit het “vaderland”. Dit is uit de sociale omgeving waarin ieder zich bevindt uit hoofde van zijn geboorte. Het monachisme is de verleidingen en geneugten vluchten. Men moet een nieuw milieu creëren en gunstige omstandigheden voor de ascese: “Dat uw vader diegene is die met u kan en wil zwoegen om de zware last van uw zonden te dragen”.  Deze nieuwe levensorde komt tot stand in alle vrijheid. Niettemin is het belangrijk eens te meer te verzaken: nu aan de eigen wil, maar niet aan zijn vrijheid. Het gaat hier over het stadium van de gehoorzaamheid.

 Gehoorzamen is niet de vrijheid verstikken, maar de wil transfigureren, zijn neiging voor hartstochten in de wil zelf overstijgen. “De gehoorzaamheid is het graf van de eigen wil en de opstanding van de nederigheid”. Het is “een leven vreemd aan de nieuwsgierigheid” of “een daad die niet beproefd wordt”. (…) De gehoorzaamheid wordt gerechtvaardigd door het geloof in en de hoop op de hulp van God. De onwankelbare hoop is de poort die leidt tot de passieloosheid. (…) De gehoorzaamheid is een anticipatie van de waarachtige apatheia. “De gehoorzame, als een dode, weerspreekt niet en argumenteert niet, noch ten aanzien van wat goed is, evenmin ten aanzien van wat slecht lijkt”. (…)

 De innerlijke strijd gaat via het berouw. Of juister gezegd: het berouw of de droefheid over de zonden is het eigenlijke (spirituele) element dat de ascese mogelijk maakt. Het berouw is verbonden met de gedachtenis van de dood. Het gaat hier over de spirituele anticipatie van de dood en in zekere zin al een “dagelijkse dood”. De waarachtige “gedachtenis van de dood” is slechts mogelijk door de totale afwezigheid van hartstochten en het volmaakte verzaken aan de (eigen-) wil. Er is geen vrees in deze gedachte. En dit is een gave van God.

 De volgende stap zijn de tranen en de tranen van vreugde. “Het berouw is de vernieuwing van het doopsel” en de tranen zijn meer dan het doopsel. “De bron van de tranen na het doopsel is meer dan het doopsel”, hoe paradoxaal dit ook moge zijn. Want de tranen zuiveren onophoudelijk de zonden die begaan worden. Er zijn tranen van vrees en tranen die de barmhartigheid afsmeken; en er zijn ook de tranen van liefde, die getuigen dat het gebed werd verhoord. “Wij zullen niet beschuldigd worden, mijn broeders, omdat wij geen wonderen hebben verricht, niet omdat wij geen theologie hebben bedreven, niet omdat wij geen visioenen hebben gehad. Maar zonder enige twijfel zullen wij rekenschap moeten geven aan God omdat wij niet zonder ophouden onze zonden hebben beweend”.

“Gij waart een bewoner van de woestijn en hebt daar geleefd

als een Engel in het vlees. Wonderbaar hebt gij allen bijgestaan,

 

heilige Goddragende Vader Johannes:

door uw vasten, uw waken en uw gebed

hebt gij de hemelse genadegaven ontvangen.

Gij geneest de zieken en de zielen van hen die gelovig tot u komen.

Ere zij Hem, Die u kracht heeft geschonken,

ere zij Hem Die u gekroond heeft;

ere zij Hem, Die door u aan allen genezing schenkt”

(Troparion in toon 1)

 

De apatheia, het doel van de ascese

 Het doel van de innerlijke ascetische strijd is de apatheia te verwerven, de afwezigheid van hartstochten. De innerlijke opdracht om dit op gang te brengen herleidt zich tot het onophoudelijk doven van de hartstochten. Het is noodzakelijk erop gericht te zijn en erin te slagen om, in zichzelf, de beweging en het ontwaken van de hartstochten een halt toe te roepen.

 Voor alles moeten we de neigingen tot toorn (woede) overstijgen, dit “onweer van het hart”; we moeten de afwezigheid van toorn verwerven, de zachtmoedigheid, de vrede en de stilte. Voor de heilige Johannes Climacos, is de toorn gebonden aan de eigenliefde. Daarom definieert hij de afwezigheid van toorn als “het onlesbare verlangen naar vernederingen” en de zachtmoedigheid als “een onwrikbare gesteldheid van de ziel die gelijk blijft aan zichzelf in de eer en de oneer”.

 Nog hoger (op de ladder) staat de volmaakte afwezigheid van wrok, naar het beeld van de zachtmoedigheid van Jezus. Men moet er zich totaal van onthouden te oordelen. “Voor hen die zondigen, bid in het geheim: deze vorm van liefde is God aangenaam”. Oordelen en veroordelen passen niet bij diegenen die zich berouwen. “Oordelen betekent zich op hoogmoedige wijze de rang van God eigen maken”. Want de mens kan niet alles kennen, en zonder alles te kennen gaat men vluchtig oordelen. “Zelfs als gij met uw eigen ogen iemand ziet die zondigt, oordeel hem niet. Want vaak gaan zelfs de ogen bedriegen”.

 De heilige Johannes Climacos spreekt vaak over hoe men de zinnelijke begeerten kan overwinnen en de zuiverheid kan bereiken. De bron van de zuiverheid is in het hart. De zuiverheid overstijgt de menselijke krachten, zij is een gave van God, zelfs indien zij bekomen wordt door de ascese.

 De liefde voor het geld wordt overwonnen door de bezitloosheid, wanneer wij “alle aardse zorgen terzijde stellen”. Het is een vorm van afwezigheid van de zorgen voor het aardse, afwezigheid van droefheid, en dit omwille van het geloof en de hoop.

 Nog gevaarlijker is de verleiding van de hoogmoed, want de hoogmoedige wordt verleid, zelfs zonder (de verleiding van) de duivel, en hij is voor zichzelf een demon en vijand geworden. De hoogmoed wordt overwonnen door de nederigheid. De nederigheid laat zich niet met woorden omschrijven, het is een vorm van “onzegbare genade van de ziel” die men slechts verwerft in de eigen ervaring. We kunnen de nederigheid slechts leren bij Christus: “Leer niet van de engel, noch van de mens, noch van een boek, maar van mij, omdat ik in u woon en omdat ik u heb verlicht en omdat ik in u handel, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart” (cf. Mat. XI,29). In zekere zin is, voor diegenen die de ascese beoefenen, de nederigheid een vorm van blindheid met betrekking tot hun eigen deugden: “de goddelijke bescherming die ons niet toelaat onze eigen vooruitgang te zien”.

 In de ontwikkeling van de hartstocht, onderscheidt de heilige Johannes van de Ladder de volgende stappen. Vooreerst is er de suggestie (het voorspiegelen) of de aanval, een bepaald beeld of gedachte, “de toestroom (flux) van gedachten”. Er is nog geen zonde, want de wil neemt geen deel. “De wil treedt naar voren in de verbinding (die hij aangaat), een soort van onderhoud(gesprek, dialoog) met het beeld dat zich heeft aangediend”. En in deze interesse of deze aandacht (voor het zich aandienende beeld of gedachte) zit het begin van de zonde. Het engagement van de wil (in dit gebeuren)is echter veel belangrijker, “het instemmen van de ziel met de gedachte die zich aandient, en dit, geassocieerd met het plezier dat men erin vindt”. Later verwortelt de gedachte (de verleidende gedachte of het beeld) zich in de ziel: dit is de trede (van de Ladder) van de gevangenneming, een soort van inbezitname van het hart van het hart. Tenslotte ontstaat een terugkerende gewoonte: dit is de hartstocht in de letterlijke zin van het woord. We zien dus dat de wortel van de hartstochten eerst en vooral gelegen is in het laten varen van de wil, en ten tweede in de aanval van de verleiding doorheen de gedachte, onder de vorm van een overweging of een gedachte.

 De taak van de ascese is dus dubbel. Enerzijds vereist zij dat de wil versterkt wordt (door het afsnijden van de eigenwil en door de gehoorzaamheid) en anderzijds vereist zij een uitzuivering van de gedachte. De verleiding komt van buitenaf: “van nature bestaan het kwaad en de hartstochten niet in de mens. Want God heeft geen hartstochten geschapen”. Dit wil niet zeggen dat de mens vandaag nog zuiver is. Maar hij is zuiver door de kracht van het doopsel, en hij valt opnieuw door zijn wil, maar hij zuivert zich (opnieuw en telkens weer) door het berouw en de ascese. In de natuur zelf is er een kracht gegeven, een mogelijkheid om het goede te doen. Nu de zonde is tegen de natuur. De zonde is een perversie van de natuurlijke mogelijkheden. De taak van de mens echter bestaat er niet alleen in om de natuurlijke maat te vervullen, maar om deze te overstijgen, opdat hij zich verheft boven de natuur. Zo zijn de zuiverheid, de nederigheid, het waken, en het voortdurende berouw van het hart.

Daarom is er een synergie nodig van de vrij aangegane ascetische strijd en de Goddelijke gaven, die de mens verheffen boven de beperkingen van de natuur. Het gevecht tegen de zonde en de verleiding moet zo vroeg mogelijk beginnen, vooraleer de verleiding verhardt tot hartstocht. Maar zeldzaam zijn zij die hierin niet te laat komen. Daarom is de ascese zo moeilijk is en zo lang en op deze weg zijn er geen binnenwegen. Meer nog, de weg zelf is ook zonder einde. De liefde van God kent geen einde of (met andere woorden) het eindpunt zelf is eindeloos: “de liefde houdt niet op”. “En ook wij zullen nooit ophouden erin te groeien, noch in deze eeuw, noch in de komende eeuw. In het licht zullen wij altijd een nieuw geestelijk licht ontvangen. Ik zou zeggen dat ook de engelen, deze onlichamelijke wezens, niet zonder vooruitgang blijven, maar dat zij altijd glorie op glorie en inzicht op inzicht zullen ontvangen”.

 

Het eindpunt van de ascese

 

Het eindpunt van de ascese ligt in de heilige stilte (ήσυχία), in de stilte van het lichaam en de ziel. “De stilte van het lichaam is de goede orde en harmonie van de gewoonten en de lichamelijke gevoelens. De stilte van de ziel is de goede orde van de gedachten die opkomen in de geest, en een gedachte die zich niet laat inpalmen”.

 Anders gezegd, (de stilte is) de innerlijke en dus ook de uiterlijke harmonie en vrede, de coherentie en de harmonie van het leven. De stilte is de waaktoestand van de ziel: “ik slaap maar mijn hart waakt” (Hooglied V,2). En deze innerlijke stilte is veel belangrijker dan alleen de uiterlijke stilte. Deze strikte waakzaamheid van het hart is belangrijk. De ware stilte is “de geest die niet beroerd wordt”. Het gaat hier over “de waakzaamheid van het hart” en “de waakzaamheid van de geest”.

De kracht van de stilte ligt in het onophoudelijke gebed (dat zich niet laat verstrooien): “de stilte is de voortdurende dienst aan God en het feit van in Zijn

aanwezigheid te staan”. Of nog, de stilte overstijgt de menselijke krachten. Ook het gebed moet zich in de aanwezigheid van God volbracht worden, en zich vervolgens met Hem verenigen. Of anders gezegd, in waarheid voor God staan, dat is bidden.

 In de verscheiden wijzen van bidden, moet men eerst en vooral dankzeggen, zich dan zondig erkennen voor Hem, tenslotte vragen. Het gebed moet altijd eenvoudig zijn en uit weinig woorden bestaan. Het hoogste gebed bestaat uit de éen-woord-aanroeping van de naam van Jezus. Het gebed moet eerder gelijken op het  eenvoudige en herhaaldelijke gebrabbel van het kind dan op een intelligente en gekunstelde redevoering. De vloed aan woorden in het gebed verstrooit en brengt de dromerij binnen in de geest. En als er iets gevaarlijk is in het gebed, dan is de “sentimentele dromerij”.

 De gedachte moet altijd beteugeld worden en opgesloten worden in de woorden. Alle “gedachten” en “beelden” (fantasieën) moeten met waakzaamheid afgesneden worden. Men moet zijn geest concentreren. “Want indien hij doolt zonder remming, dan zal hij nooit met U vertoeven”. Het gebed is een rechtlijnig gericht zijn op God, het gebed is vreemdeling zijn ten aanzien van de zichtbare en de onzichtbare wereld”. Tot volmaaktheid gekomen, wordt het gebed een geestelijke gave, een soort van neerdaling van de Geest, handelend in het hart. Dan bidt de Geest in diegene die deze staat van gebed heeft bereikt. Dan vallen gebed en stilte in zekere zin samen. En deze zelfde geestelijke toestand kan als apatheia omschreven worden. Want ook de apatheia is eveneens gericht op God, en zij geeft zich vrijwillig over aan Hem. “Sommigen zeggen nog dat de apatheia de verrijzenis van de ziel is vóόr de verrijzenis van het lichaam”. Voor de rest wordt het lichaam zelf, bij het bereiken van de apatheia, onbederfelijk. Dit is wat men verstaat onder het verwerven van de geest van de Heer (cf.1 Cor.II,16).

 “In de ziel weerklinkt de onzegbare stem van God zelf, waarbij Hij zijn wil bekend maakt, en dit is al hoger dan elk menselijk onderricht”. Het is voor deze werkelijkheid dat de dorst voor de onsterfelijke schoonheid ontvlamt. “Hij die de stilte heeft bereikt, die heeft de diepte van de mysteries gekend”. De heilige Johannes Climacos aanschouwt de dynamische spanning naar de geestelijke wereld en wordt deze gewaar. In de wereld der engelen is er ook een spanning naar de hoogte der serafijnen. De ascetische strijd van de mens omvat ook de hunkering naar de hoogten der engelen en naar de “levenswijze van de geestelijke machten”.

 De apatheia is het eindpunt én de gegeven opdracht. Allen bereiken dit eindpunt niet, maar zij die het niet hebben bereikt kunnen even goed aan hun verlossing werken. Want het belangrijkste is er naar te verlangen. De drijvende kracht van de ascese is de liefde. De volheid van de ascese bestaat in het verwerven van de liefde. In de liefde zijn er gradaties die wij niet volledig kunnen kennen, want Liefde is de Naam van God zelf. Daarom is het dat, in haar volheid, de liefde onuitsprekelijk is. “Het woord over de liefde is door de engelen gekend, maar ook voor hen, in de mate van hun verlichting”. De apatheia en de liefde zijn verschillende namen van de ene volmaaktheid. De liefde is tegelijk de weg en het eindpunt.

 “Gij hebt mijn ziel verwond en mijn hart verdraagt Uw vlam niet. Ik ga mijn weg terwijl ik U bezing”. In de fragmentarische en sobere aforismen (spreuken) van de heilige Johannes Climacos over de liefde, voelen wij hoe dicht dit aanleunt bij de mystiek van het Corpus Areopagiticum. (cf. de betrokkenheid tussen de menselijke wereld en die van de engelen). Bijzonder is dat de heilige Johannes Climacos minder spreekt over de superieure stadia en etappes en hierin zo karig wordt met zijn woorden.

 Hij schrijft voor de beginnelingen en de gevorderden. De volmaakten hebben geen adviezen en geen menselijke gids meer nodig. Zij bezitten reeds de innerlijke zekerheid en evidentie. Bovendien verliezen in de superieure stadia de woorden zelf hun kracht en voldoen ze niet meer. Deze stadia zijn nauwelijks te beschrijven. Het is reeds de hemel op aarde, die opengaat in de ziel. Het is de woning van God zelf in de ziel.

Icoon uit het Sinaïklooster : 12e eeuw

“Het gebed van hij die werkelijk bidt is het gericht, het oordeel en de troon van de Rechter vόόr het Laatste Oordeel”. Of nog: het is het anticiperen van de toekomst. “En deze gelukzalige ziel draagt in zich het altijd aanwezige Woord. Dit Woord is het dat hem inwijdt in de mysteries van God, hem onderricht en verlicht”.                                                                    

 

 

       “Als een leidende ster die niet kan dwalen heeft

de Heer u hoog aan het firmament der onthouding geplaatst,

om uw licht te doen schijnen tot aan de einden der wereld,

onze Leraar en Vader Johannes”

(kondakion in toon 4)

 

Schematisch presenteert Bisschop Kallistos (Timothy Ware) de dertig trappen als volgt:

1. verzaking  2. onthechting  3. vreemdelingschap  4. gehoorzaamheid  5. boete  6. gedachte aan de dood  7. rouwmoedigheid  8. toorn  9. wrok  10. kwaadsprekerij  11. veelpraterij  12. leugen  13. lusteloosheid  14. gulzigheid  15. onkuisheid  16-17. geldzucht  18-20. gevoelloosheid  21. ijdelheid  22. hoogmoed  23. godslastering  24. eenvoud  25. nederigheid  26. onderscheiding  27. stilheid  28. gebed  29. hartstochtloosheid  30. liefde.             

 

VOETNOTEN :

(1).uit “les pères byzantins du Vème au VIIIème siècles, les pères ascètes” cours de l’institut de théologie orthodoxe Saint-Serge de Paris, 1997, traduit du russe par Françoise Lhoest.

Vader Georges Florovski, geboren in Odessa in 1893, was assistent professor aan de universiteit van Odessa in 1919. Na Rusland te hebben verlaten onderwees hij filosofie in Praag van 1922 tot 1926. Toen werd hij uitgenodigd tot een leerstoel van patrologie aan het theologische instituut Saint-Serge te Parijs. In 1948 kwam v. Florovski aan in de Verenigde Staten. Hij was er professor en dekaan van Saint Vladimir’s theological school tot in 1955, terwijl hij ook onderwees als adjunct professor aan de Columbia University en Union Theological Seminary. Van 1956 tot 1964 hield hij de leerstoel van Oosterse Kerkgeschiedenis aan de Harvard University. Sinds 1964 tot 1972 onderwees hij Slavische studies en geschiedenis aan de Princeton University. Hij overleed in 1979.

(2)Voor een volledige biografie en analyse van het werk en vertaling van ‘de Ladder’ zie “Johannes Climacus, de Geestelijke Ladder” in Monastieke cahiers nr. 50 door Drs. Paul Gillis, uitgaven Abdij Bethlehem, B-2820 Bonheiden, 2002.

Vader Dominique

“Aan allen, die Hem ontvingen, aan allen, die in zijn Naam geloven,gaf Hij de macht om Gods kinderen te worden”

Clemens van Alexandrië (150-ca 215), theoloog
Homilie “Welke rijke kan gered worden”? », 37

“Aan allen, die Hem ontvingen, aan allen, die in zijn Naam geloven,gaf Hij de macht om Gods kinderen te worden”

     

Clemens_van_Alexandrie.jpg

 Clemens van Alexandrië

Aanschouw de mysteriën van de liefde, als u “de schoot van de Vader” zult zien, die alleen “de eniggeboren Zoon ons heeft leren kennen”, Hij die God is (Joh 1,18). God zelf is liefde (1Joh 4,8), en door deze liefde heeft Hij zich door ons laten zien. In zijn onuitspreekbare wezen is Hij Vader; in zijn compassie voor ons is Hij Moeder geworden. Door lief te hebben toont de Vader zich vrouwelijk.

Het opzienbarende bewijs hiervan is dat Hij uit zichzelf baart. En deze Zoon, vrucht van zijn liefde, is liefde. Door deze liefde heeft Hij vrijwillig aan alles dat de menselijke toestand openbaart, geleden. Zo heeft Hij zich in de mate van onze zwakheid aan ons die Hij liefheeft, de mate van zijn kracht teruggegeven. Bij het offeren van zichzelf en het geven van zichzelf als losprijs, heeft Hij een nieuw testament voor ons nagelaten: “Ik geef u mijn liefde” (cf Joh 13,34; 14,27). Wat is die liefde? Welke waarde heeft de liefde? Voor ieder van ons “heeft Hij zijn leven gegeven” (1Joh 3,16), een kostbaarder leven dan het gehele universum.

 

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

DE SPIRITUELE WEG VAN DE HEILIGE SERAFIM VAN SAROV

Heiligenleven

 

DE SPIRITUELE WEG VAN DE HEILIGE SERAFIM VAN SAROV

 

 

serafimvan Sorovsk_ eind 19e eeuw-begin 20e eeuw.jpg

Serafim van Sarov

 

 

De monnik in gemeenschap.

 Het leven van de heilige Seraphim van Sarov is eenvoudig en één. Maar deze eenvoud, deze eenheid verbergt in zich een mysterie. Er zijn verschillende goed afgebakende periodes in te onderkennen, waarvan elke periode verschijnt als de spirituele vrucht van deze die er aan voorafgaat.

  Een eerste periode bestaat uit zijn jeugd vanaf zijn geboorte in 1759 tot aan zijn intrede in het monasterium van Sarov in 1779. Prokhor, de toekomstige Serafim was de zoon van vrome handelaars uit de stad Koursk, genaamd Mochnine. Niets was  er bijzonders aan deze  toegewijde blije jongen, die zich gaarne mengde onder de kinderen van zijn leeftijd. Hij was heel  scherzinnigheid van geest, het hiernamaals was voor hem een  heel nabije realiteit. Zo zag hij gedurende een ziekte de Moeder Gods die met hem sprak en hem genezing beloofde. Heel jong nog voelde hij zich tot het monastieke leven aangetrokken. Op de leeftijd van 18 jaar trok hij, samen met enkele andere vrienden, die dezelfde roep als hij hadden ontvangen, op bedevaart naar Kiev om er te bidden bij de relieken van de ‘Petcherskaïa Lavra’.  Hij ging ook om raad bij se startz Dosithéos die hem naar de ermitage van Sarov leidde.

 Hij was twintig jaar toen hij verzaakte aan de erfenis van zijn vader en deed gaven voor de armen. Hij verlaat definitief zijn geboortestad, alleen voorzien van een kleine zak, een stok en als enige schat droeg hij het zilveren kruis bij zich waarmee zijn moeder hem had gezegend en dat hij altijd bij zich droeg.

Een vorm van mystieke predestinatie lijkt zich te openbaren in het feit dat hij als novice binnentrad te Sarov , op de vooravond van het feest van de opdracht in de tempel van de Moeder Gods (de 20e novamber 1779).

 Van 1779 tot 1793 leidde hij het leven als novice, vervolgens van voorbeeldige monnik. In absolute gehoorzaamheid aan zijn staretz. Hij deed lichamelijke arbeid als bakker, als meubelmaker, vervolgens als koster. Hij vastte, las onafgebroken in de Bijbel en in de mystieke werken  van de Vaders, maar vooral wijdde hij zich aan het gebed. Dit waren de oefeningen waarop hij zich voorbereidde op de monastieke tonsuur. Vanaf het begin vermeed hij elke lichamelijke versterving, buiten het vasten en de onthouding. Naar buiten toe was hij een mooie en sterke jongen. Het vasten veranderde daar niets aan . Hij was bedreven in het uitoefenen van zowel de zwaarste als de meest delicate arbeid. Hij is de houthakker van de gemeenschap en beeldhouwt terzelfdertijd kruisen uit cypressenhout . Gans zijn arbeid was in éénheid met zijn gebed, waarin hij voortdurend de Naam van Jezus aanroept. Hij is zwijgzaam en gaat elk gesprek uit de weg. In zijn  vrije tijd, trekt hij zich terug in het bos om te bidden. Hij is nochtans niet somber, maar weet met een woord of een eenvoudige glimlach diegenen die verdrietig zijn te troosten. Deze opgeruimdheid is nochtans geen teken van een natuurlijk optimisme.

 De enige ernstige bekoring waar hij melding van maakt is deze van droefheid, van wanhoop. Hij overwint ze door te volharden in het gebed en bereikt op die manier de vrede. Deze vrede laat hem niet in de steek tijdens een ziekte waaraan hij drie jaar lijdt, zonder zich ook maar eens te beklagen, zonder een dokter erbij te willen roepen. Hij geeft zich volledig over “aan de ene ware geneesheer van de ziel, Onze Heer Jezus Christus en Zijn heilige Moeder”. Het is opnieuw na een mysterieuze verschijning van de Moeder Gods dat hij genezen is. Deze richtte tot hem dezelfde woorden die hij reeds had gehoord gedurende zijn ziekte in de kinderjaren : “ Deze hier is van ons geslacht….” Korte tijd na zijn genezing vertrekt de jonge monnik als pelgrim om gaven in te zamelen voor de bouw van een kerk binnen de omheining van het monasterie.

De 13e augustus 1786 ontvangt Prokhor de monastieke tonsuur alsook de naam Serafim – de “fakkel”, het “vlammend vuur”. Een weinig later werd hij diaken gewijd, vervolgens tot hiëromonnik  (titel gegeven in de orthodoxe Kerk, echter relatief weinig, aan hen die bekleed worden met de priesterlijke waardigheid). Het laatste deel van deze periode van zijn leven is gekenmerkt door een intense spirituele deelname aan het liturgisch mysterie. In de loop een liturgie van heilige vrijdag had hij een vidioen van Christus “ in de vorm van de lijdende mensenzoon”.

 

De eremiet van de “afgelegen kleine woestijn”

 Het jaar 1794 wordt gekenmerkt door het begin van een nieuwe fase in zijn leven. Serafim krijgt de toelating om zich terug te trekken, ver van het monasterie, in een kleine hut op het einde van het bos. Dit is de aanvang van zijn lange periode van afzondering, van zijn duizelingwekkende spirituele opgang in de sferen waar de meeste mensen zelfs het bestaan ervan niet vermoedden. Hij moet zijn weg gaan zonder enig menselijke hulp, geleid en gesterkt door Gods genade. Deze verre vlucht van de menselijke gemeenschap kan echter in verschillende etappes ingedeeld worden.

 De eerste is het leven van een eremiet in een isba (ermitage) op vijf-zes kilometer van het monasterie. Hij noemt het zijn “afgelegen kleine woestijn”. De heilige Serafim heeft nog niet alle aardse werkzaamheden opgegeven. Hij bebouwt een kleine moestuin en verzorgt een bijenkorf. Vervolgens zal hij ook deze eenvoudige werkzaamheden in de tuin opgeven om zijn voedsel uitsluitend te halen  uit kruiden en wilde bessen. Op zondag gaat hij naar het monasterie om deel te nemen aan de Liturgie en om te communiceren. Zijn leven in deze periode doet denken aan  dit van de heilige Sergius van Radonège. De traditie schildert hem af zoals deze laatste, zich voedend als een wilde beer. Maar wat nieuw is bij hem, en waar er een verwantschap te bespeuren valt met sommige  westerse heiligen, is zijn inspanning om spiritueel het aardse leven van Jezus te herbeleven. Gans het bosrijke domein die zijn ermitage omgeeft wordt omgevormd voor het eenzame gebed in het Heilig Land. Een hoek van het bos wordt Nazareth en hij bidt er de groet van de engel aan Maria. In een grot beschouwen zijn ogen de geboorte van Christus. Hij houdt ervan om de bergrede te herlezen op de top van een heuvel die de streek domineert. Hij heeft zijn Berg Tabor, zijn Gethsemanie en zijn Golgotha waar hij zich oefent om deelachtig te worden aan het lijden van Christus.

De vurige meditatie van het Evangelie, samen met het gebed, helpen hem om de angsten van de eenzaamheid te overwinnen gedurende de lange wintermaanden, wanneer de onweders losbarsten over zijn hut en de duivel over zijn ziel. Een tragisch incident sluit deze eerste eenzame periode af. Bandieten vallen de heilige aan en slaan hem met een stok neer. Van de  kwetsuren die hij hierbij opliep is hij nooit geheel hersteld geraakt. Vanaf deze periode liep hij geboden, zich steunend op een stok zoals een ouderling. Desondanks keerde hij, na een ander visioen van de Moeder Gods waarin deze hem opriep om een nieuwe spirituele strijd te voeren, naar zijn ermitage terug.

 Wanneer de rovers die hem hadden aangevallen werden gearresteerd  , vroeg hij aan de autoriteiten om hen genade te verlenen. Hij dreigde zelfs om het monasterie te verlaten zo hen een straf werd opgelegd. Hijzelf heeft hen vergiffenis geschonken. Nochtans had hij het gevoel de laatste der zondaars te zijn. Men kan alleen raden naar de innerlijke strijd met de machten van het kwaad die zich in zijn ziel verderzette. Het uiterlijke teken van deze strijd is de vernieuwing door de heilige van de heldendaden van de stylieten (pilaarheiligen). Rechtop staande op een rots in het bos, zijn handen naar de hemel opgeheven, bidt hij gedurende duizend nachten, zonder ophouden de woorden van de tollenaar herhalend : “Heer, heb medelijden met mij, zondaar” (Luc.18,13).

 Dit gebeurt tussen 1804 en 1807.  Tot dusver had hij zich gedurende de dag aan de bezoekers getoond en had hij gesproken met hen die hem raad kwamen vragen. Vanaf 1807, nam hij het kruis op zich van de absolute stilte. Tot zijn “geestelijke kinderen” die erover bedroefd waren antwoord hij : “Het is goed om voor God te spreken, maar het is nog beter om zich innerlijk voor Hem te zuiveren” Tot 1810 leeft hij in stilte. Hij spreekt met niemand. Wanneer hij een bezoeker ontmoette in het bos, dan knielde hij, het hoofd tegen de grond, tot wanneer hij terug weg was. Deze stilte is voor hem “het kruis waarop de mens zich moet kruisigen met al zijn zonden en al zijn passies” (spirituele instructies, 38).

 

Het teruggetrokken leven van Sarov

 n 1810, wordt hij door de abt van Sarov en te wijten aan intriges van monniken, verplicht om naar het monasterium terug te keren. Maar God stond hem nog niet toe om zijn gelofte van stilte te verbreken. Hij vroeg daarom aan zijn overste de zegen om het leven van een ‘zatvor’ te mogen leiden, dit wil zeggen de totale afzondering in een smalle cel, waar niemand binnen mag en waaruit hij ook nooit komt. Men weet over deze tijd van zijn leven bijna niets. Men weet alleen dat hij bidt en het Evangelie leest : hij leest elke week het Nieuwe Testament volledig uit. Zijn cel is arm en koud. In de voorhof bevindt zich zijn eigen kist waarbij hij lange meditaties houdt. Eén enkel klein lampje brandt in de ‘iconenhoek’, voor het beeld van de Moeder Gods van de Tederheid. Nochtans is hij in deze tijd vervuld van een mysterieuze vreugde, een sprirituele atmosfeer van een heilige, die veel later aan zijn leerling Johannes Tikhonovitch zal vertellen over de bijzondere visioenen die hem toen werden toevertrouwd. Hij beschouwd ‘de schoonheid van de verblijven in het paradijs. De heiligen, de profeten, de martelaren, de apostelen schitteren er van glorie en van een oneindige vreugde’. Vanaf dat moment begint  Serafim zelf te gelijken op ‘een aardse engel of een hemelse mens’, aldus zij die hem ontmoet hebben.

 Vanaf 1815 begint de strengheid van de afzondering wat te milderen. Hij staat toe dat men de deur van zijn cel opent. Maar hij spreekt nog niet tot hen die komen om hem te zien. In 1820 begint hij met raadgevingen te geven en de pelgrims te zegenen. Tenslotte, in 1820, na het bevel ertoe te hebben gekregen van de Moeder van God, verlaat hij zijn cel om de mensen te dienen.

 

De starets treedt naar buiten

  Dit luidt de laatste periode van zijn leven in. Het zijn de jaren van arbeid als ‘vader’ en geestelijke raadgever van duizenden monniken en leken. Geheimzinnig en verborgen in God zoals hij tot nog toe geweest was, verschijnt hij nu, althans gedeeltelijk, in de openbaarheid, in deze mate, dat zijn naasten nu in staat waren om hem te benaderen ‘voor het leven van het komend Rijk’. In alle nederigheid en vrolijk ontving hij alle bezoekers. Hij noemde iedereen ‘mijn vreugde’. Honderden kaarsen brandden nu in zijn cel voor de icoon van de Moeder Gods, symbool van alle zielen die hem werden toevertrouwd en hem om zijn voorspraak kwamen vragen.

  Aan allen die hem kwamen opzoeken gaf hij zich volledig, aan allen wist hij woorden te zeggen die bij hen en bij hen alleen pastte. Allen kon hij de realiteit van het Komend Rijk en het bovennatuurlijk leven doen aanvoelen.

 Er was een heel bijzondere, mystieke band tussen hem en de gemeenschap van de zusters van Divejevo Deze gemeenschap van zusters was aan Serafim toevertrouwd door zijn eigen starets op zijn sterfbed. Hij organiseerde het leven van de gemeenschap tot in de kleinste details. Hij had met hen lange en diepe spirituele gesprekken, en hij ging zelfs zo ver om zijn eigen ‘engelen-habijt’ te schenken aan een jonge religieuze. Het ‘groot schema’ van de monnik, teken van de meest verheven graad van monastieke inwijding

 

Bron : onbekend