“Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus… InChristus immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons vol liefdeuitgekozen” (Ef 1,3-4)

H. Leon de Grote (? – ca. 461), paus en Kerkleraar
3e sermon voor Kerstmis; SC 22 bis

 

 

Leo de Grote heilige.jpg

Leo de Grote

 

“Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus…  InChristus immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons vol liefdeuitgekozen” (Ef 1,3-4)

      De incarnatie van het Woord van God betreft het verleden als ook detoekomst; in geen enkele tijd, hoe onbeduidend ze ook was, werd het heil voorde mensen ooit onthouden. Wat de apostelen gepredikt hebben, hadden deprofeten al aangekondigd, en men kan niet zeggen dat wat altijd al geloofdwerd, te laat vervuld werd. Anders dan het heilswerk heeft God in zijnwijsheid en goedheid ons het meest geschikte gegeven om te antwoorden op zijnroep…, dankzij deze oude en veelvuldige verkondigingen.

      Het is dus niet waar dat God voorzien heeft in menselijke zaken doorzijn plan te veranderen en om bewogen te worden door een verlatebarmhartigheid: vanaf de schepping van de wereld, heeft Hij voor allen een endezelfde weg naar het heil uitgevaardigd. De genade van God waardoor alleheiligen altijd gerechtvaardigd werden, is immers steeds groter geworden enniet pas begonnen toen Christus geboren werd. Dat mysterie van een groteliefde die nu de gehele wereld heeft vervuld, was reeds even krachtig in detekenen die het voorafgingen; zij die er in geloofd hebben toen Hij beloofdwerd, zijn niet minder gezegend dan zij die Hem ontvangen hebben toen Hijgegeven werd.

      Geliefde vrienden, de rijkdommen van de genade van God zijn dus met eenvanzelfsprekende goedheid over ons verspreid. Geroepen tot de eeuwigheidwerden wij niet alleen ondersteund door voorbeelden uit het verleden, maar ookhebben wij de waarheid zelf zien verschijnen in een zichtbare en lichamelijkevorm. Wij moeten dus de geboortedag van de Heer vieren met een vurige liefdedie niet van deze wereld is… Dankzij het licht van de heilige Geest kunt udiegene herkennen die ons in Hem heeft ontvangen en die wij in ons hebbenontvangen: want de Heer Jezus is ons vlees geworden door geboren te worden, zozijn wij ook zijn lichaam geworden door herboren te worden… God heeft onshet voorbeeld van zijn zorgzaamheid en zijn nederigheid voorgesteld…; latenwe dus op de Heer lijken in zijn nederigheid, als we op Hem willen lijken inzijn heerlijkheid. Hijzelf zal ons helpen en zal ons leiden naar de vervullingvan hetgeen Hij beloofd heeft.

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

DE FEESTICOON VAN KERSTMIS

DE FEESTICOON VAN KERSTMIS

 

Kerstmis (Koinonia).jpg

De icoon, die de geboorte van Christus voorstelt, roept heel wat vragen op:
* Wat wordt hier afgebeeld, en waar is dat op gebaseerd?
* Welke sfeer ademt deze Kersticoon?
* Waarom ligt het Christuskind in een grot?
* Wat betekenen die os en dat paard?
* Wie is die merkwaardige gestalte daar tegenover Jozef?
* Waarom ligt Maria met haar rug naar het kind toe?
* wat betekenen die twee vrouwen, die het kind in het bad
gaan doen?

In de kunst van het westen worden de voorstellingen van de geboorte van Christus doorgaans gekenmerkt door expressie van menselijke gevoelens: Maria is daar een liefdevolle, zorgzame moeder. De magiërs adoreren het kind. En de omgeving is die van een armoedige stal in winterse koude: het kind wordt nu en dan verwarmd door de adem van de dieren.

Op de Kersticonen is dit allemaal anders. De nadruk valt op de incarnatie (God is als mens verschenen): op het goddelijk licht dat in deze duistere wereld binnendringt in de gestalte van het goddelijke kind.

De magiërs zijn vorstelijk geklede heersers, mogelijk die uit psalm 72 (v. 10). Met de herders hebben zij gemeen, dat ze ‘en profil’ worden afgebeeld: omdat ze het licht nog niet hebben “gezien”.

De grot verwijst naar deze wereld, een ruimte vol duisternis; en het kind is niet ècht een kind, maar een volwassene – voorzien van een aureool. De voederbak waar hij in ligt is tegelijkertijd een sarcofaag. Geboren worden is tegelijk het begin van sterven. De windsels zijn tegelijkertijd al een lijkwade (zie hiervoor de wijze waarop Lazarus wordt afgebeeld!)

In de eerste drie eeuwen kende de kerk geen Kerstfeest; men vierde epifanie. Op dit feest werden drie momenten herdacht waarop Jezus zich als de Christus openbaarde: de verschijning aan de wijzen uit het oosten, de doop in de Jordaan, de bruiloft in Kana waarop Jezus zijn eerste wonder verrichtte. De koningen die van verre komen (Jesaja 60: 8vv.) representeren de volken die de ‘grote koning’ komen vereren. En het doop is een verwijzing naar de doop waardoor de gelovigen met Jezus sterven en herboren worden.

In het protevangelie van Jacobus wordt de geboorte van Jezus beschreven als een zonsopgang: eerst zijn er wolken die licht worden en dan ineens is er een verblindend licht. Dat 25 december de geboortedag werd van Jezus hangt samen met het feit dat juist op die dag in het Romeinse Rijk het feest werd gevierd van Sol invictus, onoverwinnelijke zon. De invoering van het Kerstfeest, juist op deze dag, moet te maken hebben gehad met opportunisme van de kerk: het was opportuun om te verkondigen dat Christus, de zon der gerechtigheid, de plaats van deze zonnegod had overgenomen.

In de vierde eeuw ontstond binnen de kerk een stroming die bekend staat als het Arianisme: dit Arianisme zette vraagtekens achter de goddelijke natuur van Christus. Vandaar dat er behoefte ontstaat om te benadrukken, dat de verhevenheid en de majesteit van Christus al zichtbaar is geweest vanaf zijn geboorte: ook dit komt in de ikoon tot uitdrukking.

Waarom wendt Maria zich af van haar kind? Is het omdat ze “al deze woorden in haar hart overweegt” zoals we in het evangelie van Lucas lezen? Of is het om dat Jozef zich voor haar schaamt, zoals te lezen valt in het protoevangelie van Jacobus: “Waar zal ik u heenvoeren om uw schande te verbergen? Want deze plaats is verlaten? En hij vond aldaar een grot, en leidde haar daarin”? Het meest waarschijnlijk lijkt dat de afstand wordt gemarkeerd tussen het goddelijke kind en zijn (aardse) moeder. Toch neemt ook Maria, de Moeder Gods – zoals zij doorgaans in de oosterse traditie wordt genoemd – de gestalte aan van hemelkoningin: vandaar dat zij daar zo pontificaal is afgebeeld, liggend op een purperen kleed.

Jozef overdenkt wat het allemaal te betekenen heeft; de gestalte die met hem spreekt is volgens sommigen “de verzoeker” – in de gestalte van een herder; anderen menen dat het de profeet Jesaja is, die hem de oude profetieën te binnen brengt, waarin gesproken wordt over een meisje dat zwanger zal worden en een zoon zal baren.

Bij de geboorte opent zich de hemel: je zou verwachten dat het hemelse licht dan zichtbaar wordt, maar volgens de oosterse theologie is het hemelse licht voor mensen niet zichtbaar. We zouden het ook niet kunnen verdragen. In de aureolen en het goud wordt voor ons iets zichtbaar van een weerglans van het hemelse licht. Wat uit de hemel neerdaalt is de goddelijke geest, die zich uitstort over het kind. Hierbij valt te denken aan de doop in de Jordaan waarbij een stem uit de hemel zegt: “Gij zijt mijn zoon, de geliefde, in U heb ik mijn welbehagen”.

De icoon reikt ons vele mogelijkheden aan tot meditatie: hebben we ervaring met de duisternis van deze wereld? Kunnen we onszelf identificeren met de ‘herders’, de ‘vorsten’ die op reis gaan om het kind te gaan zoeken? Kunnen wij ‘het kind’ zien als een licht, een gids, een Verlosser op onze eigen levensweg? Herkennen wij, zoals “de os en de ezel” in het Christuskind onze meester? (Zie Jesaja 1:3).

H. Hilarius : “Neem bezit van het Koninkrijk, dat voor u is bereid vanaf degrondvesting van de wereld”

H. Hilarius (ca 315-367), bisschop van Poitiers, Kerkleraar
De Drie-eenheid, 11, 38-39

Hilarion van Poitiers.jpg

Hilarius van Poitiers

 

“Neem bezit van het Koninkrijk, dat voor u is bereid vanaf degrondvesting van de wereld”

       “Christus zal het Koninkrijk aan zijn Vader overdragen”, zegt Paulus (1Kor 15,28), dit betekent niet dat Hij zal afzien van zijn macht door Hem hetKoninkrijk terug te geven, maar dat wij het Koninkrijk van God zullen zijn,als wij gelijkvormig zijn gemaakt aan de heerlijkheid van zijn lichaam… Hijzal ons terug aan God geven, na ons door de verheerlijking van zijn lichaamals Koninkrijk van God te hebben gevormd. Hij zal ons aan de Vader geven alsKoninkrijk, volgens hetgeen Hij in het Evangelie heeft gezegd: “Komtgezegenden van mijn Vader, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is vanaf degrondlegging van de wereld”.

      “Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk vanhun Vader” (Mt 13,43).Want de Zoon zal hen als Koninkrijk, aan Godoverleveren, die Hij in zijn Koninkrijk heeft uitgenodigd. Hij heeft hen eengeluk beloofd dat eigen is aan dat mysterie door deze woorden: “Gelukkig dezuiveren van hart, want ze zullen God zien” (Mt 5,8)… Christus levert aanGod het Koninkrijk over, zie hen die Hij aan zijn Vader overdraagt als zijnKoninkrijk dat God ziet. De Heer zelf verklaart aan zijn apostelen waaruit ditKoninkrijk bestaat: “Het Koninkrijk van God bevindt zich in u” (Lc 17,21).

      En als iemand probeert te weten wie degene is die het Koninkrijkoverdraagt, dan zal hij moeten luisteren: “Christus is opgewekt uit de doden,als eersteling van hen, die ontslapen zijn. Want, daar de dood er gekomen isdoor een mens, is ook de opstanding der doden gekomen door een mens” (1Kor15,20-21). Dat alles betreft het mysterie van het Lichaam, want Christus is deeerste Verrezene onder de doden… Het is dus voor de vooruitgang van demensheid die aangenomen is door Christus dat “God alles in allen zal zijn”(1Kor 15,28).

 

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

Cyrillus (+869) en Methodius(+885)

 

 

Heiligenlevens

Cyrillus (+869) en Methodius(+885)

 

 

Cyril_and_Methodius_19th_c_Russian.jpg

Cyrillus en Methodius

Methodius en Constantinus – zo luiden hun oorspronkelijke namen – waren broers. Van afkomst waren zij grieken uit Thessaloniki, maar zij beheersten de Slavische taal in het Bulgaars-Macedonische dialect, dat in die tijd rondom Thessaloniki door Slavische kolonisten werd gesproken. Constantinus kreeg in Constantinopel een uitstekende opleiding. Hij wijdde zich echter al gauw aan de missie en werkte eerst onder de mohammedanen, en daarna in het Rijk van de Chatsaren aan de Zee van Azov. Kort voor zijn dood werd hij monnik en kreeg de naam Cyrillus. Zijn broer Methodius was aanvankelijk werkzaam in het politiek bestuur van de Slavische gebieden onder het Byzantijnse Rijk, werd eveneens monnik en werkte als abt in het beroemde klooster Polychron. Toen kregen de gebroeders de opdracht, die de oorzaak is geworden van hun historische betekenis voor de Zuid- en Westslaven. De Moravische hertog Rostislaw (846-870) was overgegaan tot de stichting van een zelfstandig Westslavisch rijk. Om zijn zelfstandigheid te kunnen bewaren wilde hij de Moravische Kerk onafhankelijk en wendde zich tot Keizer Michaël III in Constantinopel met het verzoek hem leraren te zenden voor zijn volk. De keizer gaf aan dit verzoek gehoor en stuurde de gebroeders Constantinus en Methodius. In 864 kwamen zij in Moravië aan en legden zich vooral toe op het opleiden van leerlingen om de Moravische Kerk te voorzien van Slavische priesters. In Moravië heeft Constantinus de vertaling van enige delen uit de Heilige Schrift en de Liturgie in de Slavische taal ter hand genomen; aan hem moet vermoedelijk ook het ontwerp van het oudste Slavische alfabet, het glagolitische geschrift worden toegeschreven, dat in bewaarde documenten tot het midden van de roe en gedeeltelijk zelfs tot de 9e eeuw is na te gaan. Het bewustzijn van een kerkelijke afscheiding van Rome was destijds nog niet algemeen tot de orthodoxe gelovigen doorgedrongen – het aanzien van de beide broers was in het Moravische Rijk immers vooral gebaseerd op het feit, dat zij het gebeente van bisschop Clémens van Rome, die volgens een legendarische overlevering in de tijd van de vervolging naar het Krim was verbannen en daar gestorven was, van daaruit naar Moldavië hadden overgebracht.

Dienovereenkomstig hebben de beide broers ook ondanks hun Byzantijnse missie getracht, de stichting van een slavisch sprekende kerk in het Moravische Rijk  door de paus van Rome legitiem te laten verklaren om haar zodoende van Rome uit veilig te stellen voor de aanspraken van de Frankisch-Duitse kerk. Met deze bedoelingen begaven zij zich na een arbeid van tweeënhalf jaar via Panninië naar Rome, waar zij door paus Hadrianus met alle eerbetaan werden ontvangen. Constantinus stierf op 14 februari 869 in Rome en werd in de kerk van de H. Clémens plechtig bijgezet. Methodius werd, nadat hij de bisschopswijding had ontvangen, tot aartsbisschop en pauselijk legaat van Pannonië en Moravië benoemd en kreeg daarmee dus onder de slaven eenzelfde missionaire en organisatorische taak toegewezen als Bonifacius die voor de Duitse stammen had gekregen, maar vanwege de oorlog tussen de Moravische en Duitse vorsten, bleef hij in het gebied van de Pannonische vorst Kozel, tot dan toe het missieterrein van het aartsbisdom Salzburg en vormde het begin van een lange reeks twisten, die hebben geleid tot zijn veroordeling door een beierse synode en een gevangenschap van tseeënhalf jaar. Het centrale punt bij deze strijd was nog steeds de weerstand van de Duitse Clerus tegen de invoering van de Slavische liturgie en de oprichting van een Slavische kerkprovincie met een slavische voertaal. Ten slotte gelukte het de Duitse kerkelijke leiders ook de paus te winnen voor hun standpunt tegenover het oorspronkelijk plan van paus Hadrianus. Paus Stefanus VI verbood de Slavische taal in de kerk; de door Methodius zelf als zijn opvolger aanbevolen Slavische bisschop Gorazd werd erkend, maar de leerlingen van Methodius werden het land uitgezet. Zo kon de Slavische liturgie zich ook in Bohemen, waar zij door toedoen van Methodius’leerlingen al ingang had gevonden niet verder ontwikkellen. De pas gestichte hiërarchie viel na het jaar 900 ten offer aan de invallen van de Hongaren; Moravië werd in 950 aan Regensburg en in 973 aan Praag toegewezen. Het eigenlijke levenswerk van Cyrillus en Methodius was hiermee een mislukking geworden. De West-slavische stammen bleven de eerste tijd onder leiding van de Duitse kerk; ook in Polen werd de latijnse ritus ingevoerd. De poging tot de vorming van een Westslavische kerk met een Slavische voertaal onder de obediëntie van Rome was mislukt.

Daarentegen kwam het werk van de beide broers tot een onverwachte bloei onder de leerlingen van Methodius, die hun werk na de verdrijving uit het Moravische Rijk onder de Zuidslavische stammen langs de Donau en op de Balkan vooertzetten. In Bulgarije werd de Slavische Kerk gesticht, nu echter niet meer onder het toezicht van Rome, dat zijn lankmoedige houding ten opzichte van de Slavische kerk had laten varen, maar onder de bescherming van Byzantium, dat zijn oude missietraditie getrouw, ieder volk toestond de liturgie in zijn eigen taal te vieren en dat zich een eeuw later zou gaan toeleggen op de missionering van het Rijk van Kiev. Hoewel het eigenlijke werk van de Slavenapostelen in het Moravische Rijk op kerkelijk gebied niet met succes werd bekroond, uiteindelijk zelfs door Rome werd verworpen, is hun werk op literair gebied toch van buitengewoon groot belang geweest voor de missionering. Cyrillus heeft de Oudslavische kerktaal ontwikkeld. De Bijbel en vele liturgische teksten heeft hij vertaald in het Bulgaars- Macedonisch dialect, waarmee hij vertrouwd was, omdat het in zijn geboortestreek werd gesproken. Nog vele historische en filosofische detailproblemen hiervan zijn omstreden of onopgelost. Hoe dan ook, een feit is het, dat met dit orthodoxe missioneringswerk onder de slaven de basis werd gelegd voor de ontwikkeling van een literatuur in het Kerkslavisch, waar ook de missionering onder de Oostslaven houvast aan had.

Uit : De oosters orthodoxe Kerk : Ernst Benz pp.119-122