Feest van de besnijdenis van de Heer en feest van de heilige Basilios de Grote

Feest van de besnijdenis van de Heer en feest van de heilige Basilios de Grote

Besnijdenis van christus en Basilios de grote  1 januarit.jpg

Besnijdenis van Christus en Basilios de Grote

 

LEZINGEN

2 Tim,4,5-8 :

5.Maar u, blijf nuchter bij dit alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, vervul trouw uw dienst.
Paulus’ levenseinde is nabij
[6] Want wat mij betreft, mijn bloed wordt weldra geplengd, het uur van mijn heengaan is nabij. [7] Ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop tot een goed einde gebracht, het geloof bewaard. [8] Nu wacht mij de krans der gerechtigheid, die de Heer, de rechtvaardige rechter, aan mij zal geven op die dag en niet alleen aan mij maar aan allen die met liefde hebben uitgezien naar zijn verschijnen.

Evangelie :

Marcus 1,1-8

1] Begin van de goede boodschap van Jezus Christus, Zoon van God. [2] Zoals geschreven staat bij de profeet Jesaja: Zie, Ik zend mijn bode voor U uit,
om uw weg te banen;
[3] een stem roept in de woestijn:
Bereid de weg van de Heer,
maak zijn paden recht,
[4] zo trad Johannes op. Hij doopte in de woestijn en verkondigde een doop van bekering tot vergeving van zonden. [5] Heel Judea en alle inwoners van Jeruzalem liepen naar hem uit. Ze lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, en beleden hun zonden. [6) Johannes ging gekleed in kameelhaar en had een leren gordel om zijn middel, en hij leefde van sprinkhanen en wilde honing. [7] Hij kondigde aan: ‘Na mij komt iemand die krachtiger is dan ik; ik ben te min om mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. [8] Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen in heilige Geest.’

 

Basilius de grote24.jpg

Basilios de Grote

“De belofte gedaan aan onze vaderen”

Een Griekse homilie uit de 4e eeuw
Toegekend aan Gregorius de Neocesareus ofwel de Thaumaturg no. 2 ; PG 10, 1156

“De belofte gedaan aan onze vaderen”

    

Gregorius de Thaumaturg.jpg

Gregorius de Thaumaturg

 

Toen zei Maria: “Mijn ziel juicht voor de Heer en mijn geest jubelt vanvreugde om God mijn Verlosser… Hij bracht redding aan Israel zijn kind (Lc1,54 Grieks), en herinnerde zijn barmhartigheid en het verbond dat Hij slootmet Abraham en zijn geslacht voor eeuwig.” Ziet u dat de Maagd de volmaaktheidvan de voorvader overstijgt en het verbond dat God had gesloten bevestigt, alsHij tegen haar zegt: “Zo zal mijn verbond zijn tussen u en Mij”? (Gn 17,11)…Het is het lied van deze profetie die de heilige Moeder van God tot God richtals zij zegt: “Mijn ziel juicht voor de Heer…, want de Machtige heeft grotedingen aan mij gedaan, heilig is zijn naam. Door mij Moeder van God te maken,bewaart Hij mijn maagdelijkheid. In mijn schoot vat de volheid van allegeneraties samen zich samen, om er geheiligd te worden. Want Hij heeft alleleeftijden gezegend, mannen, vrouwen, jongeren, kinderen en ouderen”…

      “Machtigen heeft Hij van hun troon geworpen en nederigen heeft Hijopgeheven”… De nederigen, het heidense volk dat dorstte naar gerechtigheid(Mt 5,6), zij jubelen. Door hun nederigheid en hun honger naar God en door tevragen om het woord van God zoals de Kananese vrouw die om de kruimels vraagt(Mt 15,27), werden zij vervuld van rijkdom die de goddelijke mysteriënverbergen. Want Jezus Christus, onze God, zoon van de Maagd, heeft het deelvan de goddelijke gunsten aan de heidenen uitgedeeld. Hij “heft Israël zijnkind op”, niet zo maar Israël, naar zijn kind, die Hij eert met de hogegeboorte. Daarom noemt de Moeder van God, dat volk haar kind en haar erfdeel.God, die dat volk uitgeput vond door de letter en afgemat door de Wet, roepthet naar zijn genade. Door die nieuwe naam aan Israël te geven verheft Hijhet, “Hij herinnerde zich zijn barmhartigheid, zoals Hij had beloofd aan onzevaderen, aan Abraham en zijn geslacht voor eeuwig”. Deze enkele woorden vattenhet hele mysterie van ons heil samen. Jezus Christus, die de mensheid wilderedden en het met onze vaderen aangegane verbond wilde verzegelen, neigde dehemel en daalde neer (Ps 18,10). En zo toont Hij zich aan ons, door zich terbeschikking van ons te stellen, opdat we Hem zouden kunnen zien, aanraken enhoren praten.

 

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

Heilige Maximianus van Ravenna

Heiligenleven

Heilige Maximianus van Ravenna

 

 

Maximianus van Ravenna.jpg

Maximianus van Ravenna

 

 

De heilige Maximianus van Ravenna was eerst diaken te Pola. Toen hij eens zijn land aan het ploegen was, stiet hij op een koffer vol goudstukken, die daar waarschijnlijk tijdens een of andere vijandelijke inval waren verborgen en verloren was geraakt. Hij vulde een paar grote soldatenlaarzen die hij nog bezat met geldstukken en bracht de rest aan de keizer in Ravenna. Deze eist alle gevonden schatten voor zichzelf op en liet Maximianus zweren dat hij alles had afgegeven. Deze zei :’Dit is alles, behalve wat ik in mijn schoenen heb’. Dat kon niet veel zijn, dacht de keizer, en hij was tevreden.

Toen in 546 de bisschopszetel van Ravenna vacant was, herinnerde de keizer zich de diaken en liet hem wijden tot aartsbisschop. Maar het volk had intussen reeds op canonieke wijze zelf een opvolger gekozen en weigerde om Maximianus zelfs maar in de stad toe te laten. Zijn gezellen wilden een klacht bij de keizer indienen, Maar Maximianus weerhield hen daarvan en vestigde zich in de buurt van de stad en wachtte rustig af of de vijandigheid niet vanzelf zou uitdoven. Dit gebeurde inderdaad. Misschien eerst met tegenzin, om moeilijkheden met de keizer te vermijden, maar al spoedig van ganser harte. Maximianus gebruikte het geld dat hij had achtergehouden op verstandige wijze ten bate van de stad en bestuurde zijn kudde met veel wijsheid, vroomheid en vriendelijkheid, zodat hij, toen hij na 10 jaar stierf, als een heilige werd beschouwd.

 

Bron : heiligenleven voor elke dag – uitg orthodox klooster Den Haag

“Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus… InChristus immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons vol liefdeuitgekozen” (Ef 1,3-4)

H. Leon de Grote (? – ca. 461), paus en Kerkleraar
3e sermon voor Kerstmis; SC 22 bis

 

 

Leo de Grote heilige.jpg

Leo de Grote

 

“Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus…  InChristus immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons vol liefdeuitgekozen” (Ef 1,3-4)

      De incarnatie van het Woord van God betreft het verleden als ook detoekomst; in geen enkele tijd, hoe onbeduidend ze ook was, werd het heil voorde mensen ooit onthouden. Wat de apostelen gepredikt hebben, hadden deprofeten al aangekondigd, en men kan niet zeggen dat wat altijd al geloofdwerd, te laat vervuld werd. Anders dan het heilswerk heeft God in zijnwijsheid en goedheid ons het meest geschikte gegeven om te antwoorden op zijnroep…, dankzij deze oude en veelvuldige verkondigingen.

      Het is dus niet waar dat God voorzien heeft in menselijke zaken doorzijn plan te veranderen en om bewogen te worden door een verlatebarmhartigheid: vanaf de schepping van de wereld, heeft Hij voor allen een endezelfde weg naar het heil uitgevaardigd. De genade van God waardoor alleheiligen altijd gerechtvaardigd werden, is immers steeds groter geworden enniet pas begonnen toen Christus geboren werd. Dat mysterie van een groteliefde die nu de gehele wereld heeft vervuld, was reeds even krachtig in detekenen die het voorafgingen; zij die er in geloofd hebben toen Hij beloofdwerd, zijn niet minder gezegend dan zij die Hem ontvangen hebben toen Hijgegeven werd.

      Geliefde vrienden, de rijkdommen van de genade van God zijn dus met eenvanzelfsprekende goedheid over ons verspreid. Geroepen tot de eeuwigheidwerden wij niet alleen ondersteund door voorbeelden uit het verleden, maar ookhebben wij de waarheid zelf zien verschijnen in een zichtbare en lichamelijkevorm. Wij moeten dus de geboortedag van de Heer vieren met een vurige liefdedie niet van deze wereld is… Dankzij het licht van de heilige Geest kunt udiegene herkennen die ons in Hem heeft ontvangen en die wij in ons hebbenontvangen: want de Heer Jezus is ons vlees geworden door geboren te worden, zozijn wij ook zijn lichaam geworden door herboren te worden… God heeft onshet voorbeeld van zijn zorgzaamheid en zijn nederigheid voorgesteld…; latenwe dus op de Heer lijken in zijn nederigheid, als we op Hem willen lijken inzijn heerlijkheid. Hijzelf zal ons helpen en zal ons leiden naar de vervullingvan hetgeen Hij beloofd heeft.

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

DE FEESTICOON VAN KERSTMIS

DE FEESTICOON VAN KERSTMIS

 

Kerstmis (Koinonia).jpg

De icoon, die de geboorte van Christus voorstelt, roept heel wat vragen op:
* Wat wordt hier afgebeeld, en waar is dat op gebaseerd?
* Welke sfeer ademt deze Kersticoon?
* Waarom ligt het Christuskind in een grot?
* Wat betekenen die os en dat paard?
* Wie is die merkwaardige gestalte daar tegenover Jozef?
* Waarom ligt Maria met haar rug naar het kind toe?
* wat betekenen die twee vrouwen, die het kind in het bad
gaan doen?

In de kunst van het westen worden de voorstellingen van de geboorte van Christus doorgaans gekenmerkt door expressie van menselijke gevoelens: Maria is daar een liefdevolle, zorgzame moeder. De magiërs adoreren het kind. En de omgeving is die van een armoedige stal in winterse koude: het kind wordt nu en dan verwarmd door de adem van de dieren.

Op de Kersticonen is dit allemaal anders. De nadruk valt op de incarnatie (God is als mens verschenen): op het goddelijk licht dat in deze duistere wereld binnendringt in de gestalte van het goddelijke kind.

De magiërs zijn vorstelijk geklede heersers, mogelijk die uit psalm 72 (v. 10). Met de herders hebben zij gemeen, dat ze ‘en profil’ worden afgebeeld: omdat ze het licht nog niet hebben “gezien”.

De grot verwijst naar deze wereld, een ruimte vol duisternis; en het kind is niet ècht een kind, maar een volwassene – voorzien van een aureool. De voederbak waar hij in ligt is tegelijkertijd een sarcofaag. Geboren worden is tegelijk het begin van sterven. De windsels zijn tegelijkertijd al een lijkwade (zie hiervoor de wijze waarop Lazarus wordt afgebeeld!)

In de eerste drie eeuwen kende de kerk geen Kerstfeest; men vierde epifanie. Op dit feest werden drie momenten herdacht waarop Jezus zich als de Christus openbaarde: de verschijning aan de wijzen uit het oosten, de doop in de Jordaan, de bruiloft in Kana waarop Jezus zijn eerste wonder verrichtte. De koningen die van verre komen (Jesaja 60: 8vv.) representeren de volken die de ‘grote koning’ komen vereren. En het doop is een verwijzing naar de doop waardoor de gelovigen met Jezus sterven en herboren worden.

In het protevangelie van Jacobus wordt de geboorte van Jezus beschreven als een zonsopgang: eerst zijn er wolken die licht worden en dan ineens is er een verblindend licht. Dat 25 december de geboortedag werd van Jezus hangt samen met het feit dat juist op die dag in het Romeinse Rijk het feest werd gevierd van Sol invictus, onoverwinnelijke zon. De invoering van het Kerstfeest, juist op deze dag, moet te maken hebben gehad met opportunisme van de kerk: het was opportuun om te verkondigen dat Christus, de zon der gerechtigheid, de plaats van deze zonnegod had overgenomen.

In de vierde eeuw ontstond binnen de kerk een stroming die bekend staat als het Arianisme: dit Arianisme zette vraagtekens achter de goddelijke natuur van Christus. Vandaar dat er behoefte ontstaat om te benadrukken, dat de verhevenheid en de majesteit van Christus al zichtbaar is geweest vanaf zijn geboorte: ook dit komt in de ikoon tot uitdrukking.

Waarom wendt Maria zich af van haar kind? Is het omdat ze “al deze woorden in haar hart overweegt” zoals we in het evangelie van Lucas lezen? Of is het om dat Jozef zich voor haar schaamt, zoals te lezen valt in het protoevangelie van Jacobus: “Waar zal ik u heenvoeren om uw schande te verbergen? Want deze plaats is verlaten? En hij vond aldaar een grot, en leidde haar daarin”? Het meest waarschijnlijk lijkt dat de afstand wordt gemarkeerd tussen het goddelijke kind en zijn (aardse) moeder. Toch neemt ook Maria, de Moeder Gods – zoals zij doorgaans in de oosterse traditie wordt genoemd – de gestalte aan van hemelkoningin: vandaar dat zij daar zo pontificaal is afgebeeld, liggend op een purperen kleed.

Jozef overdenkt wat het allemaal te betekenen heeft; de gestalte die met hem spreekt is volgens sommigen “de verzoeker” – in de gestalte van een herder; anderen menen dat het de profeet Jesaja is, die hem de oude profetieën te binnen brengt, waarin gesproken wordt over een meisje dat zwanger zal worden en een zoon zal baren.

Bij de geboorte opent zich de hemel: je zou verwachten dat het hemelse licht dan zichtbaar wordt, maar volgens de oosterse theologie is het hemelse licht voor mensen niet zichtbaar. We zouden het ook niet kunnen verdragen. In de aureolen en het goud wordt voor ons iets zichtbaar van een weerglans van het hemelse licht. Wat uit de hemel neerdaalt is de goddelijke geest, die zich uitstort over het kind. Hierbij valt te denken aan de doop in de Jordaan waarbij een stem uit de hemel zegt: “Gij zijt mijn zoon, de geliefde, in U heb ik mijn welbehagen”.

De icoon reikt ons vele mogelijkheden aan tot meditatie: hebben we ervaring met de duisternis van deze wereld? Kunnen we onszelf identificeren met de ‘herders’, de ‘vorsten’ die op reis gaan om het kind te gaan zoeken? Kunnen wij ‘het kind’ zien als een licht, een gids, een Verlosser op onze eigen levensweg? Herkennen wij, zoals “de os en de ezel” in het Christuskind onze meester? (Zie Jesaja 1:3).