Johannes Chrysostomos : Wanneer u de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult u inzien, dat Ik het ben

H. Johannes Chrysostomos (ca. 345-407), bisschop van Antiochië, daarna van Constantinopel, Kerkleraar 
Doopcatechese, nr 3, 16v 

johannes_chrysostom1.jpg

“Wanneer u de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult u inzien, dat Ik het ben”
    
 Wilt u weten welke kracht er in het bloed van Christus verborgen is? Kijk dan waar het begon te stromen en waar de bron is: het komt van het kruis uit de zijde van Christus. Daar Jezus al dood was, zegt het Evangelie, was Hij nog aan het kruis, de soldaat kwam dichterbij en “stak een lans in zijn zij en meteen vloeide er bloed en water uit” (Joh 19,33-34). Dat water was symbool van de doop, en het bloed van de eucharistische mysteriën… De soldaat heeft dus Zijn zijde geopend; hij heeft de muur van de heilige Tempel doorstoken; en ik heb die schat gevonden en heb er mijn rijkdom van gemaakt…
      “Er vloeide bloed en water uit.” Ga niet onverschillig aan dit mysterie voorbij… Ik zei dat dit water en dit bloed symbolen waren van de doop en van de eucharistische mysteriën. Welnu de Kerk wordt geboren uit deze twee sacramenten: door dit bad van wedergeboorte en vernieuwing in de Geest, door de doop dus, en door de mysteriën. Welnu de tekenen van de doop en de mysteriën komen uit zijn zijde voort. Daarom heeft Christus de Kerk uit zijn zijde gevormd, zoals Hij Eva uit de zijde van Adam heeft gevormd (Gn 2,22).
      Daarom zegt Paulus: “Wij komen voort uit zijn vlees en botten” (cf Hand 17,29; Gn 2,23), daarmee doelend op de zijde van de Heer. Zo heeft de Heer immers ook vlees uit de zijde van Adam genomen om de vrouw te vormen, zo heeft Christus ons bloed en water uit zijn zijde gegeven om de Kerk te vormen. En zoals Hij toen vlees uit de zijde van Adam heeft genomen tijdens diens slaap, zo heeft Hij ons bloed en water gegeven na zijn dood…, want voortaan is de dood slechts een slaap. Hebt u gezien hoe Christus zich heeft verenigd met zijn bruid?  Hebt u gezien welk voedsel Hij aan ons allen heeft gegeven? Het is uit hetzelfde voedsel waaruit we geboren zijn en waardoor we gevoed worden. Zoals de vrouw haar kinderen uit haar eigen bloed baart en de kinderen met haar melk voedt, zo voedt Christus hen die Hij gebaard heeft, voortdurend met zijn bloed.
Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Heilige Euthymios de Grote

Heiligenleven

De heilige Euthymios de Grote.

 

 

Euthymius_the_Grote.jpg

 Euthymios de Grote

 

 

De heilige Euthymios de Grote is geboren in 377 te Melitinië in Armenië. Zijn ouders waren lang kinderloos gebleven en toen Euthymios hun eindelijk geschonken werd, als verhorring van hun gebeden, wijdden zij hem van kindsaf toe aan God. Al heel jong was hij geheel thuis in de Heilige Schrift, in de kerkelijke diensten en in de levens der Heiligen, zodat hij al spoedig priester werd gewijd. Zijn hart neigde echter naar het monnikschap en toen hij 29 jaar was trok hij naar het Heilig Land. Na het vereren van de heilige plaatsen vestigde hij zich nabij de Laura Faran, niet ver van Jeruzalem. Met een bevriende monnik trok hij verder de woestijn in , waar ze leefden in een grot in volkomen eenzaamheid tot ze door herders werden ontdekt. Er ging een sterke uitstraling van hen uit zodat de herders over hen spraken. Langzamerhand kwam een stroom van bezoekers geestelijke raad vragen en dukwijls wilden zij niet meer weg. Zo ontstond er een groot klooster, waarvan Theoktistos de abt werd terwijl Euthymios in de grot bleef wonen en de geestelijke vader was. Er gebeurden ook wonderbare genezingen onder de in de buurt wonende Saracenen, waardoor ook veel bekeringen tot stnad kwamen. Toen hij 96 jaar oud was voorspelde Euthymios dat hij op 20 januari zou sterven en dat de door hem gestichtte Laura weldra in een kinobion, een gemeenschapsklooster zou worden omgevormd.

 

Uit : Heiligenlevens voor elke dag . Uitg.Orth.Klooster Den Haag

Maximos de belijder : zich voeden met het woord dat uit Gods mond komt

H. Maximus de Belijdenaar (ca. 580-662), monnik en theoloog 
Sermon 16 ; PL 57, 561, CC Sermon 51, p. 206 

maximus the confessor6.jpg

Maximos de Belijder
Zich voeden met het woord dat uit Gods mond komt
    
 De Verlosser antwoordt de duivel: “De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God”. Dat wil zeggen: “Hij leeft niet van het brood van de wereld, noch van het materiële voedsel waarmee je je bediend hebt om Adam, de eerste mens, te bedriegen, maar van het Woord van God, dat de spijs van het hemelse leven bevat”. Welnu, het woord van God, dat is Christus onze Heer, zoals de evangelist zegt: “In den beginne was het Woord en het Woord was bij God” (Joh 1,1). Wie zich dus voedt met het woord van Christus heeft het brood van deze wereld niet meer nodig. Want degene die zich herstelt met het brood van de Heer, kan het brood van deze wereld niet meer wensen. Immers, de Heer heeft zijn eigen brood, of liever de Verlosser is zelf het brood, zoals Hij het onderricht met deze woorden: “Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald” (Joh 6,41).
       Wat kan mij het brood schelen dat de duivel me aanbiedt, terwijl ik het brood heb dat Christus deelt? Wat kan mij het voedsel schelen… dat de eerste mens uit het Paradijs verjoeg, dat Esau zijn eerstgeboorterecht deed verliezen… (Gn 25,29v) , die Judas Iskariot als verrader heeft aangewezen (Joh 13,26v?) Adam heeft immers het Paradijs verloren door voedsel, Esau heeft zijn eerstgeboorterecht om een bord linzen verloren, en Judas heeft zijn apostelschap verloochend om een stuk brood: want op het moment dat hij een stuk brood nam en indoopte, was hij niet langer een apostel maar werd een verrader… Het voedsel dat men moet nemen is dat welke de weg van de Verlosser opent, niet die van de duivel, en welke omvormt wie het opneemt als getuige van het geloof en niet als verrader.
      De Heer heeft gelijk om in deze vastentijd te zeggen, dat het Woord van God vervult, om ons te onderrichten dat we onze vasten niet door moeten brengen met de zorgen van deze wereld, maar met het lezen van heilige teksten. Wie zich immers voedt met de Schrift, vergeet de honger van zijn lichaam; wie zich voedt met het hemelse Woord vergeet de honger. Zo zie je het voedsel dat de ziel voedt en de honger stilt…: ze schenkt het eeuwige leven en verwijdert ons van de valstrikken van de verleiding van de duivel. Dit lezen van heilige teksten is leven, zoals de Heer ervan getuigt met: “De woorden die Ik u geef zijn Geest en leven” (Joh 6,63).
Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Evdokimov : Hert woord van God in de liturgie

Het Woord van God in de liturgie

Vader Michel Evdokimov

 

In welke zin kan men spreken van het Woord in de liturgie van de orthodoxe Kerk ? Alles in de liturgie is Woord, beluisterbaar Woord : lezingen, gezongen hymnes, zichtbare Woorden : iconen, levende iconen die de gelovigen zijn, de architectuur van het gebouw; voelbaar Woord : eten, drinken, reuk van de wierook… Het Woord van God is tezelfdertijd een openbaring van het goddelijk zijn en een weg naar zijn diepste mysterie.

In de Bijbel is spreken, handelen. Bij het begin der schepping, spreekt God, “Hij zegt”, en het universum verlaat het niet zijn, ontplooit zijn pracht onder zijn  verrukkelijke blik : Hij zag dat het goed was. Als van eeuwigheid bij God zijnde, zelf God zijnde, is dit Woord vlees geworden om onder de mensen te wonen. En de mensen hebben zijn glorie kunnen aanschouwen, zoals de heilige Johannes schrijft, het woord “glorie” hiermee in het Oosterse christendom aanduidend : de bijzondere aanwezigheid van de Geest van God, deze Geest die, volgens de woorden van het Credo, heeft gesproken, en dat nog altijd spreekt, door de profeten, hij vervolgt met te zeggen dat alles wat wij kunnen zeggen betreffende het Woord van God, altijd een trinitaire dimensie zal hebben. Een passage van de Handelingen der Apostelen (4,31), dat aan het begin stond van de verkondiging van het Woord, toont deze aanwezigheid van de drie-eenheid : “ Terwijl zij baden, werd de plaats, waar zij vergaderd waren, bewogen; en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en spraken het woord  Gods met vrijmoedigheid”. Wanneer wij in een plaats  bijeenkomen in naam van Christus, zoals deze eerste christenen, dan  vestigen wij de Kerk, dan komt de Heilige Geest bij ons zijn intrek nemen en ons getuigenis van het Woord dat komt van de Vader maakt het  doeltreffend, geeft het zijn ganse  macht.

Het woord als persoon

De kracht van het christendom ligt niet in haar onderricht, wat zeker heel belangrijk is, maar tevens gevoelig is aan verdraaiingen, vervormingen, afwijkend in zuiver intellectuele speculaties of morele voorschriften. De kracht van het christendom ligt in de persoon van de altijd levende Heer. Vader Alexander Men (1935-1990) vraagt zich af : wie verzamelde de christenen van de eerste eeuwen ? Het was niet het geschreven Woord, er bestonden slechts weinig manuscripten waar het volk toegang tot had (men zou nog moeten wachten tot Gutenberg, in de 15e eeuw, om de Bijbel te zien verspreiden in de schoot van het christelijk volk), maar het was de aanwezigheid van de levende Heer in ieder lid van zijn lichaam.

Wij hebben dikwijls de gevoeligheid van deze aanwezigheid  verzwakt of zelfs verloren,ten voordele van een intellectuele speculatie, van een abstracte hermeneutiek over de historiciteit, de filologie, de authenticiteit van de teksten, allemaal onbelangrijke dingen alhoewel  ze toch noodzakelijk zijn. Maar het essentiële , de vereniging met God ,ligt daar niet. “Ik ben de waarheid” zegt Christus, anders gezegd, wij kennen de waarheid in de mate  waarin we leven in Christus. En het Woord van God kennen, is beginnen te beminnen als persoon, is zich erdoor laten leiden op de weg van het leven.

Hoe leven geven aan het Woord in de liturgie ?

Gans de Kerk is een bevoorrechte plaats waar men de aanwezigheid van het Woord aanvoelt, voornamelijk in de middeleeuwse kathedralen, waar zoveel generaties elkaar hebben opgevolgd en die op de muren  als het ware onzichtbare sporen hebben nagelaten, onzichtbare sporen, maar wel reëel   door hun gebeden. Wanneer een gemeenschap zich installeert in een neutrale plaats, dan voelt men in de loop van de maanden en de jaren  die volgen, dat de muren zich laden met aanwezigheid. In het Westen zijn de pijlen van de kathedralen als menselijke woorden gericht op de hemel, op de ontmoeting van een goddelijk Woord. In het Oosten verlaagt het goddelijk Woord zich naar het menselijke in de vorm van de koepel, waaronder het volk bijeenkomt, als in de holte van de goddelijke hand.

De liturgie is een daad die geleid wordt door het volk en voorgezeten wordt door de priester. Wie maakt deze handelende en reële  daad in waarheid ? Het is de Heilige Geest. De apostel Paulus is formeel : “ Niemand kan zeggen  : Jezus is Heer ! tenzij door de Heilige Geest “ (1 Kor 12,3). Wij zijn dus gewaarschuwd : om het Woord levend te maken, om binnen te gaan in het mysterie van zijn aanwezigheid, worden wij uitgenodigd om ons naar de Geest van God toe te keren, en deze zal op zijn beurt dit Woord in ons hart griffen. Op dezelfde wijze als de Heilige Geest de macht had om het kind Gods in de schoot van Maria voort te brengen, op dezelfde wijze kunnen wij hem vragen om deze aanwezigheid in het diepste van ons wezen voort te brengen en op te wekken bij gelijk welke gelegenheid. Dit appèl tot de Geest willen wij formuleren bij het begin van elke liturgie, van elk goddelijk officie, evenals bij ons persoonlijk gebed in het verborgene van onze kamer. Deze “Koning van de hemel, trooster” is “overal tegenwoordig”, wij kunnen hem aanroepen bij gelijk welke omstandigheden, hij “vervult alles”, hij is altijd daar, het zijn wij die dikwijls afwezig zijn.

De epiclese of de zending van het Woord

Elk gebed waarin wij aan de Vader vragen om ons de Geest te zenden om het Woord levendig te maken in ons, heet “epiclese” ( in het grieks : aanroeping). Dit  gebed leidt niet alleen de liturgische diensten  of het persoonlijk gebed in, maar het bevestigt de doeltreffendheid van het sacrament :  zo zal het zijn in de eucharistie, het Woord dat vlees geworden is om gedeeld te worden; in het huwelijk, reeds op de bruiloft van Cana, het Woord als gave van liefde; in het doopsel, het Woord dat het bewijs is van de dood en de verrijzenis van hem die ondergedompeld was in het water opdat ook wij “in de nieuwheid des levens zouden wandelen” (Rom 6,4)

De liturgie zelf, krachtens haar diepe doordrongenheid van bijbelse teksten, wordt een beleefde commentaar, onder de vorm van een drama, van het Woord, op dezelfde wijze als de prediking, de iconografie, de hymnografie. De orthodoxe Kerk houdt ervan haar theologie te zingen, telkens opnieuw, zonder genoeg te krijgen van de grote waarheden of dogmas van het christelijk geloof. Zingen is dus in koor een commentaar geven van het Woord. Bovendien zijn deze commentaren beleefd in het hart van een mystieke ervaring waar de bijbelse gebeurtenis opspringt buiten het verloop van de tijd van een uurwerk, die sterft en die aldus ontvangen wordt in een boven-tijdelijke duurzaamheid als instrument van het heil. Zo zingen wij met Kerstmis : vandaag – een tijdloos vandaag maar mooi en wel gefixeerd op 25 december – is Christus geboren, wij worden reële getuigen van zijn geboorte, zoals met Pasen, zijn Verrijzenis. De dag van de Aankondiging aan  Maria, het is ook aan ons dat de engel Gabriël zich richt terwijl hij ons antwoord verwacht : “U geschiede naar Uw Woord”. Dit jaar hebben wij op het feest van de Theofanie een kleine jongen gedoopt : hij is gedoopt op hetzelfde ogenblik als de Heer, afdalend in de wateren van de Jordaan in Zijn gezelschap! Op die manier introduceert de geheiligde tijd van de liturgie ons in een eeuwig heden. De eeuwigheid is niet voor en niet na de tijd, zij heeft geen begin en geen einde, zij is de gans andere, de dimensie waarop de tijd zich kan openstellen voor het Woord dat niet ophoudt te handelen in de geschiedenis der mensen.

In de loop van het eerste gedeelte van de liturgie van het Woord is er een processie, de Kleine Intocht genoemd : de priester draagt plechtig het Evangelie, icoon van het Woord, gaat dooreen het volk en treedt het heiligdom binnen langs de Koninklijke poort. Dit Woord heeft zich geïncarneerd, het komt in de wereld om elke mens te verlichten, wij ontvangen het, wij vieren het want het heeft zich getoond aan de wereld om zich te laten kennen en de Vader te doen kennen en ons te leiden in het Koninkrijk.

Beluisterd Woord, volmaakt Woord

Nadat het Woord is weergegeven moet het nu beluisterd worden. Juist voor dat het uitgesproken wordt is er een gebed dat uitnodigt tot inkeer, een waarachtige epiclese : “Doe het zuivere licht  van de kennis van uw godheid stralen in onze harten,o Meester, vriend der mensen, en open de ogen van ons verstand opdat wij uw evangelische boodschap zouden begrijpen…”

Deze plechtstatigheid, dit zich uiten is noodzakelijk voor de inkeer, want men leest het Evangelie niet zoals men een krant leest of een roman. De woorden van het Evangelie geven openheid op een “ergens anders” waarvoor we ons willen engageren. Van dit gebed van hierboven kunnen we twee dingen onthouden : de vraag is gesteld om ons bekwaam te maken , enerzijds om de goddelijke inhoud van de teksten te onderscheiden en anderzijds om de ogen van ons verstand te openen. Zonder de hulp van onze Meester is de menselijke intelligentie niet in staat om de boodschap te vatten. Het is de Heer die zijn woorden van inzicht doet neerdalen in ons hart, in het verborgene van het zijn waar de Geest van waarheid verblijft. Door de actie van de Geest, hebben deze woorden een kracht om ons te transformeren, hierdoor kan mijn leven veranderen. Vader Alexander Men bevestigt dat indien de mensen deze woorden daadwerkelijk in de praktijk zouden brengen, zelfs al was het maar de helft van de Bergrede, dan zouden zij bevrijd worden van hun depressies, hun neurosen, van hun ontmoediging voor het leven.

Van zijn kant, schrijft metropoliet Antoine Bloom (1914-2003) in een gebed die hij heeft opgesteld om de lezing van het Woord in te leiden : “Help mij om de angst te overwinnen. Want ik zou niet willen hebben dat ik zou vallen over de passages die mij dwingen om mijn leven te veranderen, om mijn gedragingen met de mensen te veranderen, met mijzelf. Het idee van deze verandering beangstigt mij. Help mij om de moed te vinden, de durf en ook de wijsheid…”

Men leest niet ongestraft het Woord van God, het onttrekt ons aan deze wereld om ons te leiden naar het Koninkrijk, het verlicht de duisternissen van deze wereld waarin God zich heeft geïncarneerd, niet om te oordelen, maar om te redden.

Evangelische en eucharistische epiclese

Bij de epiclese voor de lezing van het Evangelie in de liturgie van het Woord, correspondeert in de eucharistische liturgie, de grote epiclese op het moment van de omvorming van het brood en de wijn in het lichaam en bloed van Christus : Wij offeren u deze onbloedige logosdienst ; wij roepen Uw hulp in; wij bidden en smeken u: Zend uw heilige Geest neer over ons en over deze voor u neergelegde gaven. En maak van dit brood, het kostbaar lichaam van uw Christus; Amen. En wat in deze kelk is, het kostbaar Bloed van uw Christus; Amen. Ze herscheppend door uw Heilige Geest . Amen, Amen, Amen

Deze eucharistische epiclese komt na de instellingswoorden (“Dit is mijn lichaam…dit is mijn bloed..” Het bevestigt de realiteit van het eucharistisch mirakel, maakt het werkdadig. Er zijn dus twee grote epicletische momenten : het eerste, wanneer het Woord gaat gelezen worden en gepredikt, het tweede wanneer het Woord op mysterieuze wijze wordt gebroken en geconsumeerd . Zoals de heilige Jeronimos het schrijft : “Wij eten zijn vlees en bloed in de goddelijke Eucharistie, maar ook bij de lezing van de Schriften”, in het zicht van de communio met Christus. Een reële communio, zelfs in het geval sommige personen niet zouden communiceren aan het brood en aan de wijn, maar zich “eucharistisch”zouden kunnen verenigen met het gelezen Woord.

De icoon als Woord

Er is het geschreven woord en het gezongen woord, en er is de icoon dat eigen is aan de Oosterse Kerk, maar men vindt het ook elders. De icoon waar het Woord zich laat zien, dat de ziel doordringt door de blik. Gans het lichaam neemt deel aan het leven van de geest, volgens de woorden van sint Paulus : “Verheerlijk dus God in uw lichaam” (1 Kor.6,20). Alle zintuigen zijn gemobiliseerd, zonder het lichaam is de geest niets. De blik is een belangrijk toegangsmiddel tot de spirituele realiteiten. Tot de twee leerlingen die hem vroegen waar hij woont, antwoord Jezus : “Kom en ge zult zien” In het eerste verbond werd Israël uitgenodigd om het oor gericht te houden : “Luister Israël”, maar met de menswording wordt de visie aaneengeregen : Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien”. “Gij zult de hemel geopend zien”. Er is bovendien wederkerigheid : wij kijken en wij laten ons bekijken, wij ontvangen het geschilderde Woord in de icoon en dit Woord verwelkomt ons, opent ons op onze eigen diepgang. Zo is het ook met elk Woord dat van God komt en dat belast is met een rijke volheid van betekenis, dat ons vervult met een onuitsprekelijke aanwezigheid.

De icoon als plaats van epiphanie

Zo verschijnt de icoon als een plaats van epiphanie, ’t is te zeggen : plaats van aanwezigheid van een gemanifesteerd onderwerp (Christus, de Maagd, de heiligen, deze of die gebeurtenis). Zij is de dogmatische uitdrukking van het Woord van Waarheid. Zij is geen beeld tussen anderen in een wereld die verzadigd is aan beelden, zij suggereert een eeuwige tegenwoordigheid buiten de tijd. Zoals de liturgische hymnes die het Woord van God becommentariëren gedurende een celebratie, de icoon is evenzeer een commentaar van het Woord. Om deze redenen moet zij onderworpen zijn aan zekere dogmatische criteria om geauthentificeerd en gewijd te worden. Er bestaan canons die moeten worden geëerbiedigd, men kan niet gelijk wat schilderen ( bijvoorbeeld : niets denkbeeldig, alleen de zijnden die werkelijk geleefd hebben : zo is de voorstelling van de Vader als een ouderling met een baard anticanonisch).

In de 8e eeuw barstte in het Oosten de iconoclastische crisis los : achter de wijgering om de God-mens af te beelden verborg zich in wezen de weigering van de menswording, van de mogelijkheid van het Woord om vlees te worden, en dus gezien te worden. Men moest een concilie in 787 bijeenroepen om de verering van de iconen te herstellen. De concilievaders verklaarden onder andere “dat wat het Woord zegt, toont ons de icoon in stilte”. In deze gelijkheid tussen icoon en Woord geeft men er zich rekening van dat de iconen, deze  mysterieuze gasten in de heilige ruimte, geïntegreerd zijn in het liturgisch mysterie waaraan ze deelhebben. De zichtbare Kerk op aarde en de onzichtbare Kerk verenigen zich in de celebratie van dezelfde glorie van God.

De afdaling van Christus in de hel                                                                                                     

Om Adam en Eva te redden

En met hen gans de mensheid

Het zijn de feesticonen die ons met de grootste evidentie het Woord van God laten horen. Het is een zeer rijk onderwerp, en ik stel mij tevreden met één thema, dat van de nederdaling in de hel waar de prediking aan de doden weerklinkt (1 Petr.4,6). Wij lezen in het evangelie van Johannes (3,17) dat de Vader zozeer de wereld heeft liefgehad dat “hij zijn Zoon heeft gezonden, niet om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld zou worden gered” En om dit te bereiken moet de Zoon doorheen de dood gaan en verrijzen.

Vanaf de geboorte van het Kind-God, sluipt de dood rondom hem. Op de icoon van de Geboorte, is hij neergelegd in een kribbe die de rechthoekige vorm suggereert van een graf, hij is in doodslinnen gewikkeld, het geheel is gesitueerd in een zwarte holte die gegraven is in de korst van de aarde die in de iconografie het koninkrijk van de dood doet vermoeden. Een drievoudige lichtstraal dat uit de hoge komt duidt op de aanwezigheid van de Drie eenheid die bij deze geboorte een ereplaats heeft. Deze sfeer van de dood wordt nog versterkt buiten de kribbe, door de moord op de Onschuldigen, door het rampzalige voorgevoel van Simeon : “een zwaard zal uw hart doorboren”, zegt hij tot de moeder van het kind dat geboren is in een symbolische hel. Christus wordt geboren om te sterven. Het westen, met de popularisering van de kribbe door Franciscus van Assisië in de 13e eeuw, zal meer de nadruk leggen op de vreugde van de geboorte van een kind, een familiaal feest, het is de ontroerende kant van de zaak. De twee posities zijn waar op voorwaarde dat wij een evenwicht vinden in de zachte ontboezeming van de “christelijke nacht”   met de tragiek van de incarnatie, en dat wij deze tragiek niet verbannen naar een monofysitische hemel waar de menselijke tederheid zou verdwijnen.

Op de icoon van Theofanie, die het doopsel van Christus voorstelt, dompelt Christus zich onder in de wateren van de Jordaan, symbool van oorspronkelijke chaos en van een hel waar hij elke duivelse aanwezigheid verjaagt, en er terug uit opstaat in het volle licht bij het aanhoren van de Vader (“Deze is mijn Zoon, mijn welbeminde”) en bij de ontmoeting van de Heilige Geest die onder de vorm van  een duif op hem rust. Deze icoon illustreert de interpretatie van de heilige Paulus : het is in de dood van Christus dat wij gedoopt zijn (Rom 6,3).

“Wij verkondigen ons heil in woorden en beelden”

Op de icoon van de Verrijzenis, gebeurt de beweging van de verrijzenis zich van hoog naar laag, en niet van laag naar hoog zoals in de westerse voorstellingen. Het Woord daalt af in de afgrond van de dood, de prediking begint  in de hel (1 Petrus 3,19) zoals het voorafgaandelijk met Johannes is gebeurd, de voorloper op aarde als onder de aarde. Hij wordt gewoonlijk voorgesteld aan de zijde van de Redder. Hier strijdt Christus alleen, op het kruis heeft hij zijn Geest gegeven. Hij heeft zichzelf gegeven, hij is vernederd ( dat is de “kenose”), door te gehoorzamen aan het Woord van de Vader, om te sterven op het kruis en hen te bevrijden die gebonden waren door de ketenen van de dood. Door Adam en Eva te redden uit de afgrond, dit wil zeggen de ganse mensheid die zo zijn opgestaan om een weg ten leven te leiden.

Bij wijze van besluit, ziehier een hymne van de zondag van de orthodoxie ( eerste zondag van de vasten als voorbereiding op Pasen ) : “Niemand heeft het Woord van de Vader kunnen beschrijven, maar wanneer Christus het vlees heeft aangenomen, o Moeder van God, heeft hij aanvaard om het verscheurde beeld te beschrijven en te herstellen in zijn oude vorm, door het te verenigen met de goddelijke schoonheid. Het is daarom dat wij ons heil belijden en verkondigen in woorden en in beelden”.

Uit “SOP 356

Vertaling : Kris Biesbroeck

Heiligenleven : de heilige Agnes

Heiligenleven

De heilige Agnes

 

 

Agnes heilige2.jpg

 Heilige Agnes

 

 

De heilige Agnes, de beroemste van alle romeinse Martelaressen. Als meisje van nog geen 13 jaar (officieel de huwbare leeftijd) moest zij reeds voor de rechter verschijnen omdat zij aangeklaagd was als christin, nadat zij de zoon van de prefect, die haar als vrouw begeerde, had geweigerd. De rechter, die meende zulk een kind gemakkelijk te kunnen intimideren, moest woedend ervaren dat zijn barsheid geen indruk op haar maakte. In zijn woede liet hij haar op verschillende wijzen folteren, maar Agnes bleef standvastig. De beul die haar tenslotte onthoofden moest, was zelf zo ontroerd dat zijn zwaardhouw voldoende kracht miste. Zo bleef Agnes stervend nog drie dagen liggen totdat de dood zich over haar ontfermde op deze dag in 304.

Reeds in 350 werd een kerk gebouwd tot haar eer en alle oude kerkelijke schrijvers hebben haar lof bezongen.

 

Uit : Heiligenlevens voor elke dag . Uitg. Orth.klooster Den Haag