Heiligen Kyros en Joannes

Heiligenleven

De heiligen Kyros en joannes

 

 

Kyros en Johannes.jpg

Heiligen Kyros en Joannes

 

 

De heiligen Kyros en Joannes , wonderdoende en onbaatzuchtige artsen van Alexandrië. Kyros was van jonsaf  als arts opgeleid en legde zich er vooral op toe de armen bij te staan die geen honorarium konden betalen. Deze toewijding bracht verschillende mensen ertoe ook zelf christen te worden. Tijdens de vervolging van Diokletiaan werd hem het  werken onmogelijk gemaakt. Daarom trok hij naar Arabië waar hij monnik werd, maar wel zijn werken van barmhartigheid voortzette.

Joannes was een soldaat uit Edessa, die in Jeruzalem gestationeerd was. Daar hoorde hij spreken over Kyros en zijn werk; hij trok naar hem toe om les te krijgen en hem te helpen bij zijn dubbele taak van geneesheer en prediker. Daar kwamen ook andere vluchtelingen uit Egypte die verhaalden hoe in Kanopus de weduwe Athanasia met haar drie dochters Theodotia, Theokista en Eudoxia na martelingen zwaar gewond in de gevangenis waren geworpen en er ellendig aan toe waren. Zonder angst voor hun eigen veiligheid trokken Kyros en Joannes erheen om haar te helpen, maar zij werden gegrepen en voor het oog van de gevangen vrouwen eveneens aan de martelingen onderworpen. Toen de monniken standvastig bleven, werden de vrouwen opnieuw gefolterd, maar geen van allen wilde Christus verloochenen.

Tenslotte werden zij onthoofd, in 311.

 

Uit : heiligenleven voor elke dag. Uitg.Orth.klooster DenHaag

 

Zondag van het laatste oordeel

Zondag van het laatste oordeel

 

 

laatste_oordeel_max.jpg

 

1 Kor.8,8-9,2

Eten van offervlees

Wat nu het offervlees betreft: ‘Wij allen bezitten de gave van de kennis’, maar kennis alleen leidt tot eigenwaan; het is de liefde die opbouwt.  Als iemand kennis meent te bezitten, weet hij nog niet op de juiste wijze te kennen.  Maar wie God liefheeft, die wordt door Hem gekend.  Wat dus het eten van offervlees betreft: wij weten dat er in de hele wereld geen afgod bestaat en dat er geen God is behalve de Ene.  Want ook al zijn er zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op aarde – en in deze zin zijn er vele goden en heren –  toch is er voor ons maar één God, de Vader, uit wie alles voortkomt en voor wie wij bestemd zijn, en één Heer, Jezus Christus, door wie alles er is, en door wie wij leven.
      Maar niet allen bezitten die kennis. Sommige mensen waren tot voor kort nog zo gewend aan afgoderij, dat ze vlees dat aan goden is geofferd, nog altijd als zodanig beschouwen; en hun geweten, zwak als het is, wordt erdoor besmet als zij het eten. Voedsel brengt ons niet dichter bij God; wij verliezen er niets bij als wij het niet eten, en als wij het wel eten, worden wij er niet beter van.  Maar zorg ervoor dat uw vrijheid van handelen de zwakken geen aanstoot geeft. Als zo iemand u, die daar geestelijk boven staat, in een afgodstempel aan een maaltijd ziet deelnemen, zal hij er dan, met zijn zwakke geweten, niet toe aangezet worden om ook offervlees te gaan eten?  Dan gaat ten gevolge van uw beter inzicht de zwakke verloren, een broeder voor wie Christus is gestorven.  Door zo te zondigen tegen de broeders, en hun angstvallige geweten te kwetsen, zondigt u tegen Christus. Daarom, als mijn voedsel aanstoot geeft aan mijn broeder, zal ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, want ik wil mijn broeder geen aanstoot geven.

Het voorbeeld van Paulus
Ben ik geen vrij man? Ben ik geen apostel en heb ik Jezus onze Heer niet gezien? En u bent toch mijn werk in de Heer?  Al ben ik voor anderen geen apostel, voor u toch zeker wel; want u bent in de Heer het waarmerk van mijn apostelschap.

 

Evangelie : Mattheüs 25,31-46 :

Het oordeel van de Mensenzoon
      Wanneer de Mensenzoon komt, bekleed met zijn heerlijkheid en rondom Hem alle engelen, dan zal Hij plaatsnemen op de troon van zijn heerlijkheid. Alle volkeren zullen vóór Hem bijeengebracht worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt.  De schapen zal Hij aan zijn rechterhand opstellen, de bokken aan zijn linkerhand.  Dan zal de koning tegen hen die aan zijn rechterhand staan zeggen: “Kom, gezegenden van mijn Vader, neem het koninkrijk in bezit dat vanaf het begin van de schepping voor jullie klaar ligt.  Want Ik had honger en jullie hebben Me te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me opgenomen.  Ik was naakt en jullie hebben Me gekleed, Ik was ziek en jullie hebben naar Me omgezien, Ik zat in de gevangenis en jullie kwamen naar Me toe.”  Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? Wanneer hebben we U als vreemdeling gezien en U opgenomen, of naakt en hebben we U gekleed? Wanneer hebben we U ziek of in de gevangenis gezien en zijn we naar U toe gekomen?”  De koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan.” Dan zal Hij zich ook richten tot hen die aan zijn linkerhand staan en tegen hen zal Hij zeggen: “Ga weg van Mij, vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat aangelegd is voor de duivel en zijn engelen.  Want Ik had honger en jullie hebben Me niet te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me niet te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me niet opgenomen, Ik was naakt en jullie hebben Me niet gekleed, Ik was ziek en zat in de gevangenis en jullie hebben niet naar Me omgezien.”  Dan zullen ook zij antwoorden: “Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis en hebben we U niet geholpen?” Dan zal Hij hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je niet voor één van deze minsten hebt gedaan, heb je ook niet voor Mij gedaan.”  Zij zullen naar de eeuwige straf gaan, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven.’

 

Borelly : Canonische discipline in de orthodoxe kerk

Canonische discipline van de orthodoxe Kerk

 

Ik geloof waarlijk, zoals ik het zo dikwijls bevestig in het Credo, «in de Kerk ». Ik kan niet ontkennen dat  de teksten die de Kerk heeft geschreven in de loop van haar geschiedenis, canons genoemd, mij zowel bevallen als hinderen. Deze teksten hebben als doel om de grenzen te definiëren van het ware leven die de christen niet zomaar achter zich kan laten, zonder aan deze  vormende daad voorbij te gaan. Een daad waardoor de hemelse Vader de christen  behandelt als zijn enige Zoon, dit wil zeggen , Hij geeft hem er een vergoddelijkende gave van Zijn heilige Geest mee.

De kerkelijke Canons tonen ons de weg die wij moeten gaan opdat ons leven in de Kerk niet slechts een natuurlijke sociaal leven zou zijn, maar ook opdat wij de autonomie van onze natuurlijke individualiteit zouden overschrijden door het ontvangen van de Heilige Geest en door de ervaring van onze deïficatie (…) Maar daarvoor moeten wij twee dwalingen vermijden . De ene bestaat erin

Dat wij zouden zeggen : het verleden is voorbij bij het begin van dit derde millennium, het is hoog tijd om een aggiornamento door te voeren. Als we zo denken dan miskennen wij volledig de diachronische (= historische ontwikkeling) en synthetische (op een synthese berustend)dimensie, en dit zonder onderbreking doorheen de periode van de kerkelijke Traditie en de eenheid van de Kerk.

Indien de kerkelijke canons ons voor alles spreken over de mogelijkheden van onze vergoddelijking in het zijn-in-communio van de Kerk, dan is het ware leven waarvan zij spreken ook het ware leven voor ons, hoe ver we nu ook mogen verwijderd zijn van hun auteurs. Er is nochtans nog een tweede dwaling waar we moeten op letten : men moet de christenen nu ook niet beangstigen met de canons door hen op een fanatieke wijze te bestoken door een automatische toepassing ervan. Gaan we in deze tijd een christen excommuniceren die de kerk verlaat vóór de anaphora zonder medisch motief ?

Zal men een moordenaar die berouw heeft, de heilige communie onthouden  tot aan het einde van zijn leven, en voor zeven jaar iemand die overspel heeft gepleegd ? Voor een  goed gebruik van de canons moeten wij voor ogen houden  dat, indien in de Oudheid de heilige Kerk, nochtans zo goed, zo moederlijk, zich streng heeft opgesteld, dat het is omdat ook nog in onze dagen, zonde exstreem zwaar is en dat wij als gevolg hiervan haar als zodanig moeten behandelen, zelfs al moet dit gebeuren met minder zware straffen. Want vroeger gaf de Kerk de communie voor zeven jaar niet aan iemand die echtbreuk had gepleegd of tot het einde van zijn leven niet aan iemand die een moord had bedreven. Wij hebben ook nu nog het recht niet om ons tevreden te stellen om zo een zonde in de biecht te belijden en direct na de biecht te communiceren  » 

 

Vader André Borrély, in Orthodoxes à Marseille octobre-Novembre 2002.

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

Ambrosius van Milaan : Zo ik ze hongerig naar huis laat gaan, zullen ze onderweg bezwijken

H. Ambrosius (ca 340-397), bisschop van Milaan en Kerkleraar 
Commentaar op het Evangelie van Lucas, VI, 73-88 
“Zo Ik ze hongerig naar huis laat gaan. zullen ze onderweg bezwijken”
    

Ambrosius van Milaan 1.jpg

Ambrosius van Milaan

 Heer Jezus, ik weet dat u deze mensen hier bij mij niet aan een lege maag wilt laten lijden, maar dat u ze wilt voeden met de voeding die u uitdeelt; zo zullen ze gesterkt door uw voedsel niet bang hoeven zijn om aan de honger te bezwijken. Ik weet heel goed dat u ons ook geen honger wilt laten lijden… U hebt het gezegd: u wilt dat niemand op de weg bezwijkt, dat wil zeggen dat ze bezwijken in de loop van dit leven, voordat ze aankomen aan het einde van de route, alvorens bij de Vader te komen en te begrijpen dat u van bij de Vader komt…
      De Heer heeft dus medelijden, opdat niemand op de weg bezwijkt… Daar Hij het laat regenen over de rechtvaardigen evenals over de onrechtvaardigen (Mt 5,45), voedt Hij ook de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen. Is het niet dankzij de kracht van het voedsel dat de profeet Elia, die bezweek, gedurende veertig dagen heeft kunnen lopen?  Dit voedsel werd hem door een engel gegeven; maar u wordt door Christus zelf gevoed. Als u het voedsel dat u op die wijze hebt ontvangen, bewaart dan zult u niet veertig dagen en veertig nachten lopen…, maar gedurende veertig jaar, vanaf uw vertrek uit de uiterste grensgebieden van Egypte tot aan uw aankomst in het land van overvloed, in het land waar melk en honing vloeien (Ex 3,8)…
      Christus verdeelt dus de levensmiddelen en Hij wil ze, zonder twijfel, aan ons allen geven. Hij weigert het aan niemand, want Hij voorziet allen. Toch zult u bezwijken op de weg, als u de hand niet uitsteekt om uw voedsel te ontvangen, wanneer Hij het brood breekt en het aan de leerlingen geeft… Dit brood dat Jezus breekt is het mysterie van het woord van God: als ze gedeeld wordt, vermeerdert ze. Met enkele woorden slechts heeft Jezus een overvloed aan voedsel gegeven aan alle volken. Hij gaf zijn preken als het brood en terwijl wij het proeven, vermenigvuldigen ze zich in onze mond… Terwijl de menigte eet, vermeerderen de brokken nogmaals, en door ze te vermenigvuldigen, zijn de resten, uiteindelijk overvloediger dan de enkele gedeelde broden.
Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Heilige Sulpicius Severus

Heiligenleven

De heilige Sulpicius Severus

 

 

 

Sulpicius Severus.jpg

De heilige Sulpicius Severus

 

 

De heilige Sulpicius Severus is geboren uit een geslacht van grootgrondbezitters in de buurt van Toulouse. Hij was een briljant student met veel letterkundig talent. Hij huwde een vrouw uit het consulsgeslacht en was op weg om carrière te maken toen zij plotseling stierf. Hij werd geheel opgenomen in het gezin van zijn schoonmoeder, maar de dood van zijn echtgenote had voor hem  de smaak in het werelds leven bedorven en hij sloot zich nauwer aan bij de Kerk. Zijn goederen stelde hij ter beschikking voor het lenigen van de nood der armen, waarbij hij handelde of hij slechts de administrator was van die bezittingen ten bate van de Kerk. Deze levenswijze werd hem zeer kwalijk genomen door zijn vroegere vrienden, die niets slechts kritiek uitten, maar ook allerlei hinderlijke moeilijkheden veroorzaakten.

Om zich daaraan te onttrekken betrok Sulpicius een huisje in een dorp verderop, en wilde daar in eenzaamheid een leven leiden van gebed. Doch verschillende van zijn bedienden en vrijgelaten slaven wilden hem niet in de steek laten en kwamen bij hem. Zij vormden een gemeenschap in dienst van de Heer, in behoeftige omstandigheden. Zij sliepen op de grond, op wat stro of een mat ; zij aten slechts oud brood met groente en wat azijn om het naar binnen te kunnen krijgen.

In 349 ging Sulpitius op bezoek bij de toen reeds beroemde Martinus van Tours. Hij kwam diep onder de indruk van zijn  heilige levenswijze, zijn gesprekken en zijn raadgevingen, en hij werd zijn trouwste leerling. Elk jaar kwam hij daar op retraite om zich beter  naar dat voorbeeld te kunnen richten. De beide heiligen raakten zo nauw met elkaar verbonden dat Sulpicius eens tijdens zijn slaap zag hoe Martinus glorierijk ten hemel opging. Kort daarna kwamen twee monniken uit Tours het overlijden van zijn geestelijke vader melden.

Sulpicius was een geleerde die ijverig publiceerde, in opvallend zuiver latijn. Zijn belangrijkste werk is de Heilsgeschiedenis, die loopt tot het jaar 400. Dan het levensverhaal van de door hem zo beminde Martinus van Tours. Ook Dialogen, waarin allerlei bijzonderheden over heilige monniken van oost en west worden verhaald. Hij stond in briefwisseling met andere geleerden o.a. de grote kerkhistoricus Eusebios.

De laatste jaren van zijn leven trok hij zich terug in de cel van de heilige Martinus, in stilzwijgen en gebed. Rond 410 moet hij gestorven zijn. De grote schrijvers van die tijd loofden hem vooral om zijn deemoed en zijn buitengewone liefde voor de armoede

Uit heiligenleven voor elke dag. Uitg. Orth.klooster – Den Haag

 

2e zondag van de voorvasten : De verloren zoon

2e zondag van de voorvasten

 -Zondag van de Verloren Zoon

 

 

Verloren zoon.jpg

Lezingen :

1 Kor.6,12-20

Het lichaam als tempel van de Geest
    ‘Alles is mij geoorloofd.’ Ja, maar niet alles is goed voor mij. ‘Alles mág ik.’ Ja, maar ik moet mij door niets laten knechten. ‘Het voedsel is er voor de buik en de buik voor het voedsel, en God zal aan allebei een eind maken.’ Het lichaam is er echter niet voor de ontucht, maar voor de Heer, en de Heer voor het lichaam. God heeft niet alleen de Heer opgewekt, Hij zal ook ons laten opstaan door zijn kracht. U weet toch dat uw lichamen lichaamsdelen zijn van Christus? Zou ik dan van die lichaamsdelen van Christus lichaamsdelen van een hoer maken? Dat nooit! Of weet u niet dat hij die met een hoer omgang heeft, één met haar wordt? De Schrift zegt immers: Die twee zullen één zijn. Maar wie zich met de Heer verenigt, is met Hem één geest. Vlucht weg van ontucht. Elke andere zonde die een mens bedrijft, gaat buiten het lichaam om; maar de ontuchtige zondigt tegen zijn eigen lichaam. U weet het: uw lichaam is een tempel van de heilige Geest die in u woont, die u van God hebt ontvangen. U bent niet van uzelf. U bent gekocht en de prijs is betaald. Eer God dus met uw lichaam.

Evangelie :

Lucas 15,11-32 :

 Hij zei: ‘Iemand had twee zonen. De jongste zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij mijn deel van de erfenis.” En hij verdeelde zijn vermogen onder hen. Niet lang daarna vertrok de jongste zoon met al zijn bezit naar een ver land, waar hij het verkwistte in een losbandig leven. Toen hij alles opgemaakt had, kwam er een zware hongersnood over dat land en ook hij begon gebrek te lijden. Hij zwierf rond tot hij in dienst trad bij een van de inwoners van dat land; die stuurde hem het veld in om varkens te hoeden. Graag had hij zijn honger gestild met het voer dat de varkens aten, maar niemand gaf hem wat. Toen kwam hij tot zichzelf en zei: “Zoveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed, en ik verga hier van de honger! Ik ga terug naar mijn vader. Ik zal hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u; ik ben het niet meer waard om uw zoon te heten, behandel me als een van uw dagloners.” En hij ging terug naar zijn vader. Toen hij nog ver van huis was, zag zijn vader hem al en werd ontroerd; snel liep hij op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem. “Vader,” zei de zoon tegen hem, “ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u; ik ben het niet meer waard om uw zoon te heten.” Maar de vader zei tegen zijn slaven: “Haal vlug de mooiste kleren en trek ze hem aan, doe een ring aan zijn vinger en schoenen aan zijn voeten. Haal het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren, want mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden.” En het feest begon.
     Maar zijn oudste zoon was nog op het land. Toen hij naar huis kwam, hoorde hij muziek en dans. Hij riep een van de knechten en vroeg wat er te doen was. Die antwoordde: “Uw broer is thuisgekomen en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond en wel terug heeft.” Toen werd hij kwaad en hij wilde niet binnenkomen. Daarop kwam zijn vader naar buiten en probeerde hem tot andere gedachten te brengen. Maar hij gaf zijn vader ten antwoord: “Ik dien u nu al zoveel jaren en nooit heb ik een gebod van u overtreden, maar mij hebt u nog nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Maar nu die zoon van u is thuisgekomen, die uw vermogen met hoeren heeft verbrast, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.” Maar hij zei : “Jongen, jij bent altijd bij me en alles wat ik heb is van jou. We moeten feestvieren en blij zijn, want die broer van je was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden