Heiligen Kyros en Joannes

Heiligenleven

De heiligen Kyros en joannes

 

 

Kyros en Johannes.jpg

Heiligen Kyros en Joannes

 

 

De heiligen Kyros en Joannes , wonderdoende en onbaatzuchtige artsen van Alexandrië. Kyros was van jonsaf  als arts opgeleid en legde zich er vooral op toe de armen bij te staan die geen honorarium konden betalen. Deze toewijding bracht verschillende mensen ertoe ook zelf christen te worden. Tijdens de vervolging van Diokletiaan werd hem het  werken onmogelijk gemaakt. Daarom trok hij naar Arabië waar hij monnik werd, maar wel zijn werken van barmhartigheid voortzette.

Joannes was een soldaat uit Edessa, die in Jeruzalem gestationeerd was. Daar hoorde hij spreken over Kyros en zijn werk; hij trok naar hem toe om les te krijgen en hem te helpen bij zijn dubbele taak van geneesheer en prediker. Daar kwamen ook andere vluchtelingen uit Egypte die verhaalden hoe in Kanopus de weduwe Athanasia met haar drie dochters Theodotia, Theokista en Eudoxia na martelingen zwaar gewond in de gevangenis waren geworpen en er ellendig aan toe waren. Zonder angst voor hun eigen veiligheid trokken Kyros en Joannes erheen om haar te helpen, maar zij werden gegrepen en voor het oog van de gevangen vrouwen eveneens aan de martelingen onderworpen. Toen de monniken standvastig bleven, werden de vrouwen opnieuw gefolterd, maar geen van allen wilde Christus verloochenen.

Tenslotte werden zij onthoofd, in 311.

 

Uit : heiligenleven voor elke dag. Uitg.Orth.klooster DenHaag

 

Zondag van het laatste oordeel

Zondag van het laatste oordeel

 

 

laatste_oordeel_max.jpg

 

1 Kor.8,8-9,2

Eten van offervlees

Wat nu het offervlees betreft: ‘Wij allen bezitten de gave van de kennis’, maar kennis alleen leidt tot eigenwaan; het is de liefde die opbouwt.  Als iemand kennis meent te bezitten, weet hij nog niet op de juiste wijze te kennen.  Maar wie God liefheeft, die wordt door Hem gekend.  Wat dus het eten van offervlees betreft: wij weten dat er in de hele wereld geen afgod bestaat en dat er geen God is behalve de Ene.  Want ook al zijn er zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op aarde – en in deze zin zijn er vele goden en heren –  toch is er voor ons maar één God, de Vader, uit wie alles voortkomt en voor wie wij bestemd zijn, en één Heer, Jezus Christus, door wie alles er is, en door wie wij leven.
      Maar niet allen bezitten die kennis. Sommige mensen waren tot voor kort nog zo gewend aan afgoderij, dat ze vlees dat aan goden is geofferd, nog altijd als zodanig beschouwen; en hun geweten, zwak als het is, wordt erdoor besmet als zij het eten. Voedsel brengt ons niet dichter bij God; wij verliezen er niets bij als wij het niet eten, en als wij het wel eten, worden wij er niet beter van.  Maar zorg ervoor dat uw vrijheid van handelen de zwakken geen aanstoot geeft. Als zo iemand u, die daar geestelijk boven staat, in een afgodstempel aan een maaltijd ziet deelnemen, zal hij er dan, met zijn zwakke geweten, niet toe aangezet worden om ook offervlees te gaan eten?  Dan gaat ten gevolge van uw beter inzicht de zwakke verloren, een broeder voor wie Christus is gestorven.  Door zo te zondigen tegen de broeders, en hun angstvallige geweten te kwetsen, zondigt u tegen Christus. Daarom, als mijn voedsel aanstoot geeft aan mijn broeder, zal ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, want ik wil mijn broeder geen aanstoot geven.

Het voorbeeld van Paulus
Ben ik geen vrij man? Ben ik geen apostel en heb ik Jezus onze Heer niet gezien? En u bent toch mijn werk in de Heer?  Al ben ik voor anderen geen apostel, voor u toch zeker wel; want u bent in de Heer het waarmerk van mijn apostelschap.

 

Evangelie : Mattheüs 25,31-46 :

Het oordeel van de Mensenzoon
      Wanneer de Mensenzoon komt, bekleed met zijn heerlijkheid en rondom Hem alle engelen, dan zal Hij plaatsnemen op de troon van zijn heerlijkheid. Alle volkeren zullen vóór Hem bijeengebracht worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt.  De schapen zal Hij aan zijn rechterhand opstellen, de bokken aan zijn linkerhand.  Dan zal de koning tegen hen die aan zijn rechterhand staan zeggen: “Kom, gezegenden van mijn Vader, neem het koninkrijk in bezit dat vanaf het begin van de schepping voor jullie klaar ligt.  Want Ik had honger en jullie hebben Me te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me opgenomen.  Ik was naakt en jullie hebben Me gekleed, Ik was ziek en jullie hebben naar Me omgezien, Ik zat in de gevangenis en jullie kwamen naar Me toe.”  Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? Wanneer hebben we U als vreemdeling gezien en U opgenomen, of naakt en hebben we U gekleed? Wanneer hebben we U ziek of in de gevangenis gezien en zijn we naar U toe gekomen?”  De koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan.” Dan zal Hij zich ook richten tot hen die aan zijn linkerhand staan en tegen hen zal Hij zeggen: “Ga weg van Mij, vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat aangelegd is voor de duivel en zijn engelen.  Want Ik had honger en jullie hebben Me niet te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me niet te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me niet opgenomen, Ik was naakt en jullie hebben Me niet gekleed, Ik was ziek en zat in de gevangenis en jullie hebben niet naar Me omgezien.”  Dan zullen ook zij antwoorden: “Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis en hebben we U niet geholpen?” Dan zal Hij hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je niet voor één van deze minsten hebt gedaan, heb je ook niet voor Mij gedaan.”  Zij zullen naar de eeuwige straf gaan, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven.’

 

Borelly : Canonische discipline in de orthodoxe kerk

Canonische discipline van de orthodoxe Kerk

 

Ik geloof waarlijk, zoals ik het zo dikwijls bevestig in het Credo, «in de Kerk ». Ik kan niet ontkennen dat  de teksten die de Kerk heeft geschreven in de loop van haar geschiedenis, canons genoemd, mij zowel bevallen als hinderen. Deze teksten hebben als doel om de grenzen te definiëren van het ware leven die de christen niet zomaar achter zich kan laten, zonder aan deze  vormende daad voorbij te gaan. Een daad waardoor de hemelse Vader de christen  behandelt als zijn enige Zoon, dit wil zeggen , Hij geeft hem er een vergoddelijkende gave van Zijn heilige Geest mee.

De kerkelijke Canons tonen ons de weg die wij moeten gaan opdat ons leven in de Kerk niet slechts een natuurlijke sociaal leven zou zijn, maar ook opdat wij de autonomie van onze natuurlijke individualiteit zouden overschrijden door het ontvangen van de Heilige Geest en door de ervaring van onze deïficatie (…) Maar daarvoor moeten wij twee dwalingen vermijden . De ene bestaat erin

Dat wij zouden zeggen : het verleden is voorbij bij het begin van dit derde millennium, het is hoog tijd om een aggiornamento door te voeren. Als we zo denken dan miskennen wij volledig de diachronische (= historische ontwikkeling) en synthetische (op een synthese berustend)dimensie, en dit zonder onderbreking doorheen de periode van de kerkelijke Traditie en de eenheid van de Kerk.

Indien de kerkelijke canons ons voor alles spreken over de mogelijkheden van onze vergoddelijking in het zijn-in-communio van de Kerk, dan is het ware leven waarvan zij spreken ook het ware leven voor ons, hoe ver we nu ook mogen verwijderd zijn van hun auteurs. Er is nochtans nog een tweede dwaling waar we moeten op letten : men moet de christenen nu ook niet beangstigen met de canons door hen op een fanatieke wijze te bestoken door een automatische toepassing ervan. Gaan we in deze tijd een christen excommuniceren die de kerk verlaat vóór de anaphora zonder medisch motief ?

Zal men een moordenaar die berouw heeft, de heilige communie onthouden  tot aan het einde van zijn leven, en voor zeven jaar iemand die overspel heeft gepleegd ? Voor een  goed gebruik van de canons moeten wij voor ogen houden  dat, indien in de Oudheid de heilige Kerk, nochtans zo goed, zo moederlijk, zich streng heeft opgesteld, dat het is omdat ook nog in onze dagen, zonde exstreem zwaar is en dat wij als gevolg hiervan haar als zodanig moeten behandelen, zelfs al moet dit gebeuren met minder zware straffen. Want vroeger gaf de Kerk de communie voor zeven jaar niet aan iemand die echtbreuk had gepleegd of tot het einde van zijn leven niet aan iemand die een moord had bedreven. Wij hebben ook nu nog het recht niet om ons tevreden te stellen om zo een zonde in de biecht te belijden en direct na de biecht te communiceren  » 

 

Vader André Borrély, in Orthodoxes à Marseille octobre-Novembre 2002.

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

Ambrosius van Milaan : Zo ik ze hongerig naar huis laat gaan, zullen ze onderweg bezwijken

H. Ambrosius (ca 340-397), bisschop van Milaan en Kerkleraar 
Commentaar op het Evangelie van Lucas, VI, 73-88 
“Zo Ik ze hongerig naar huis laat gaan. zullen ze onderweg bezwijken”
    

Ambrosius van Milaan 1.jpg

Ambrosius van Milaan

 Heer Jezus, ik weet dat u deze mensen hier bij mij niet aan een lege maag wilt laten lijden, maar dat u ze wilt voeden met de voeding die u uitdeelt; zo zullen ze gesterkt door uw voedsel niet bang hoeven zijn om aan de honger te bezwijken. Ik weet heel goed dat u ons ook geen honger wilt laten lijden… U hebt het gezegd: u wilt dat niemand op de weg bezwijkt, dat wil zeggen dat ze bezwijken in de loop van dit leven, voordat ze aankomen aan het einde van de route, alvorens bij de Vader te komen en te begrijpen dat u van bij de Vader komt…
      De Heer heeft dus medelijden, opdat niemand op de weg bezwijkt… Daar Hij het laat regenen over de rechtvaardigen evenals over de onrechtvaardigen (Mt 5,45), voedt Hij ook de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen. Is het niet dankzij de kracht van het voedsel dat de profeet Elia, die bezweek, gedurende veertig dagen heeft kunnen lopen?  Dit voedsel werd hem door een engel gegeven; maar u wordt door Christus zelf gevoed. Als u het voedsel dat u op die wijze hebt ontvangen, bewaart dan zult u niet veertig dagen en veertig nachten lopen…, maar gedurende veertig jaar, vanaf uw vertrek uit de uiterste grensgebieden van Egypte tot aan uw aankomst in het land van overvloed, in het land waar melk en honing vloeien (Ex 3,8)…
      Christus verdeelt dus de levensmiddelen en Hij wil ze, zonder twijfel, aan ons allen geven. Hij weigert het aan niemand, want Hij voorziet allen. Toch zult u bezwijken op de weg, als u de hand niet uitsteekt om uw voedsel te ontvangen, wanneer Hij het brood breekt en het aan de leerlingen geeft… Dit brood dat Jezus breekt is het mysterie van het woord van God: als ze gedeeld wordt, vermeerdert ze. Met enkele woorden slechts heeft Jezus een overvloed aan voedsel gegeven aan alle volken. Hij gaf zijn preken als het brood en terwijl wij het proeven, vermenigvuldigen ze zich in onze mond… Terwijl de menigte eet, vermeerderen de brokken nogmaals, en door ze te vermenigvuldigen, zijn de resten, uiteindelijk overvloediger dan de enkele gedeelde broden.
Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Heilige Sulpicius Severus

Heiligenleven

De heilige Sulpicius Severus

 

 

 

Sulpicius Severus.jpg

De heilige Sulpicius Severus

 

 

De heilige Sulpicius Severus is geboren uit een geslacht van grootgrondbezitters in de buurt van Toulouse. Hij was een briljant student met veel letterkundig talent. Hij huwde een vrouw uit het consulsgeslacht en was op weg om carrière te maken toen zij plotseling stierf. Hij werd geheel opgenomen in het gezin van zijn schoonmoeder, maar de dood van zijn echtgenote had voor hem  de smaak in het werelds leven bedorven en hij sloot zich nauwer aan bij de Kerk. Zijn goederen stelde hij ter beschikking voor het lenigen van de nood der armen, waarbij hij handelde of hij slechts de administrator was van die bezittingen ten bate van de Kerk. Deze levenswijze werd hem zeer kwalijk genomen door zijn vroegere vrienden, die niets slechts kritiek uitten, maar ook allerlei hinderlijke moeilijkheden veroorzaakten.

Om zich daaraan te onttrekken betrok Sulpicius een huisje in een dorp verderop, en wilde daar in eenzaamheid een leven leiden van gebed. Doch verschillende van zijn bedienden en vrijgelaten slaven wilden hem niet in de steek laten en kwamen bij hem. Zij vormden een gemeenschap in dienst van de Heer, in behoeftige omstandigheden. Zij sliepen op de grond, op wat stro of een mat ; zij aten slechts oud brood met groente en wat azijn om het naar binnen te kunnen krijgen.

In 349 ging Sulpitius op bezoek bij de toen reeds beroemde Martinus van Tours. Hij kwam diep onder de indruk van zijn  heilige levenswijze, zijn gesprekken en zijn raadgevingen, en hij werd zijn trouwste leerling. Elk jaar kwam hij daar op retraite om zich beter  naar dat voorbeeld te kunnen richten. De beide heiligen raakten zo nauw met elkaar verbonden dat Sulpicius eens tijdens zijn slaap zag hoe Martinus glorierijk ten hemel opging. Kort daarna kwamen twee monniken uit Tours het overlijden van zijn geestelijke vader melden.

Sulpicius was een geleerde die ijverig publiceerde, in opvallend zuiver latijn. Zijn belangrijkste werk is de Heilsgeschiedenis, die loopt tot het jaar 400. Dan het levensverhaal van de door hem zo beminde Martinus van Tours. Ook Dialogen, waarin allerlei bijzonderheden over heilige monniken van oost en west worden verhaald. Hij stond in briefwisseling met andere geleerden o.a. de grote kerkhistoricus Eusebios.

De laatste jaren van zijn leven trok hij zich terug in de cel van de heilige Martinus, in stilzwijgen en gebed. Rond 410 moet hij gestorven zijn. De grote schrijvers van die tijd loofden hem vooral om zijn deemoed en zijn buitengewone liefde voor de armoede

Uit heiligenleven voor elke dag. Uitg. Orth.klooster – Den Haag

 

Endokimov Paul : Het heilige

Het heilige

 

De gewone omgangstaal gebruikt dikwijls de uitdrukkingen : de heilige wil, de heilige plicht, de heilige wet, een heilig man. In de loop van de semantische evolutie zal de term “heilig” zich losmaken  van haar wortels en een morele betekenis aannemen die ver  staat van haar initiele ontologische betekenis.

Voor alles, stelt het heilige zich boven de elementen van deze wereld en stelt zij het binnendringen vast van wat R.Otto het “ganz Andere” noemt, alsoluut anders, verschillend van deze wereld. De Bijbel geeft ons de juiste betekenis : God alleen is “ontos” – waarachtig in alles wat hij is, de Heilige; het schepsel is er in zekere zin van afgeleid; het heilige of de heilige is nooit zo door zijn eigen natuur, door zijn essentie, maar altijd door participatie. De term Qadosh, agios,sacer,sanctus, houdt een relatie in van totaal toebehoren aan God en postuleert een uitzondering. De act die heilige maakt ontneemt iets of een zijnde zijn empirische condities en plaatst hem in communio met het numineuze, dat wat hun natuur verandert en dat onmiddellijk aan de omgeving het mysterium tremendum doet ervaren, de heilige siddering voor de tegenwoordigheid van dit “numineuze”. Het is niet de schrik voor het onbekende, maar een zeer karakteristieke mystieke ontzetting die elke manifestatie van de transcenderende, zijn energetische uitstraling vergezeld doorheen de realiteiten van deze wereld : “ Vrees voor mij zal ik doen uitgaan. Alle volkeren die gij aantreft zal ik in paniek brengen” zegt God (EX.23,27; of nog :”Kom niet dichterbij en doe uw sandalen uit, want de plaats waar gij staat is heilige grond” (Ex,3,5).

Het is onder de onechte elementen van deze wereld, de ontstellende intrede van een “onschuldige” realiteit, want geheiligd, wat betekent gereinigd en teruggebracht tot zijn  originele staat, tot zijn authentisch  noodlot :  de  zuivere verzamelplaats van een aanwezigheid, opdat het heilige van God erin ruste en uitstraalt. Immers, “deze plaats is heilige” door de aanwezigheid van God, zoals dat gedeelte van de Tempel  heilig was dat de ark van het Verbond bevatte, zoals de “Heilige schriften” het  zijn, want zij bevatten de aanwezigheid van Christus in zijn woord, zoals gans de Kerk heilig is, want God verblijft er en maakt het tot “Huis van God”, hij spreekt er en geeft het zijn voedsel. De “Vredeskus”, tijdens de  liturgische synaxis werd “heilig” genoemd want  het bezegelde de communio met de aanwezige Christus. De engelen, “tweede lichten” zijn heilig want zij leven in het licht van God en stralen het uit. De profeten, de apostelen, “de heiligen van Jeruzalem” zijn heilig door de charismen van hun dienstverlening. Het is door een “uitverkiezing” dat Israël het ethnos agion, een “heilige natie” was; en in de economie van het Nieuwe Israël wordt elke gedoopte  “gezalfde”, gezalfd met de gaven van de heilige Geest; deze gaven integreren hem in Christus opdat hij zou “participeren aan de natuur van God” (IIPetrus 1,4), en door deze deelname, wordt hij heilig , heiligt hij zich. De bisschoppen onder hen kennen zich de titel toe van sanctus frater,  en een patriarch draagt de titel “zijne heiligheid”, niet krachtens zijn menselijke realiteit, maar door zijn bijzondere deelname aan het priesterschap van Christus, enige opperpriester, alleen heilig.

De liturgie brengt ons een zeer uitdrukkelijke lering over deze notie. Voordat hij het eucharistisch maal offert, zegt de priester : “het heilige voor de heiligen” en de verzamelde gelovigen, alsof gegrepen door deze ontzagwekkende eis, antwoord door zijn onwaardigheid te belijden : Tu solus sanctus, Alleen de Heer Jezus Christus is heilig”. De enige, de unieke Heilige door zijn natuur is Christus, zijn leden zijn slechts heilig door het participatie aan deze unieke heiligheid. “Uw licht weerkaatst op de gezichten van uw heiligen” zingt de Kerk. “Christus heeft zijn Kerk liefgehad…opdat zij heilig zou zijn” (Ef.5,25-27), en “de gelovigen worden  heiligen genoemd omwille van de heilige dingen waaraan  zij deelhebben”legt Nicolas Cabasilas uit. Jesaja (6,5-6) geeft er een zeer nauwkeurige beschrijving van : “Ik ben een mens wiens lippen onzuiver zijn…maar één van de serafijnen vloog naar mij toe met in de hand een brandende kool die hij van het altaar had genomen met  een tang…en hij raakte mijn mond aan en zegt : dit heeft uw lippen aangeraakt, uw ongerechtigheid is weggenomen” De mens is  heilig geworden door zuivering, want de machten van daarboven hebben hem aangeraakt. De priester “herdenkt” dit visioen van  Jesaja : hij kust de rand van de kelk, symbool van de doorstoken zijde van Christus zeggend : Dit heeft mijn lippen aangeraakt, neem mijn ongerechtigheden  weg en zuiver mij van mijn zonden” De lepel waarmee de priester zich bediend om de heilige gaven te geven noemt in het grieks “lavis”, pincet, waarvan ook Jesaja spreekt, en de spirituelen,  die de eucharistie voor de geest halen, zeggen : “Gij nuttigt het vuur”

Uit deze unieke goddelijke bron vloeit, door participatie, de liturgische heiliging voort welke alle daden van het menselijk leven  integreren volgens hun daadwerkelijke bestemming.

De mens  geraakt er aan gewend om te leven in de wereld van God, in de diepten  waarin hij een paradijselijke toekomst kan waarnemen; het universum wordt opgebouwd in de cosmische liturgie, als tempel van de glorie van God. Dit doet ons begrijpen dat alles virtueel heilig is en dat er niets profaan is,  niets neutraal, want alles is op God gericht  ( het  liturgisch “gedenken” betekent zich op God richten, alles terugbrengen in de herinnering, tot  gedachtenis van God). Niettemin, naast het heilige vormt zich zijn karikatuur, de bedenkelijke deelname aan de “Prins van  de duisternis, aan de demoon.Het is daarom dat de heilige Gregorius van Nyssa categoriek  simpel weg het menselijke en het zuivere profane als onbestaand beschouwt. Ofwel is de mens  de “engel van het licht”, de icoon van God, zijn gelijkenis, of hij draagt het masker van het beest en  speelt hij voor aap.

De liturgie gewijd aan de taal van het heilige, introduceert in de wereld symbolen. Een symbool ( een kruis, een icoon, een tempel) vertegenwoordigt een deelnam aan het hemelse, zelfs in haar  uiterlijke materiële verschijning. Echter, een fragment van de tijd of het heelal wordt een hiërofanie, een  verzamelplaats  voor het heilige, en dit, zonder dat er iets verandert voor de fysieke ogen die blijven deelnemen aan de empirische omgeving. Maar tussen het heilige en zijn materiële drager, bestaat er een ontologische communio ( tussen de materie van de sacramenten of het menselijk zijn enerzijds, en de energieën van de genade van het andere anderzijds).  In het uiterste geval, de communie gaat over tot een consubstantialiteit en een totaal metabolisme : het brood en de eucharistische wijn betekenen noch symboliseren het lichaam en bloed , maar zij zijn het. Dit is het mirakel van de “identiteit door de genade” waarvan de heilige Maxim spreekt; de heilige Arsenius verscheen aan zijn leerlingen, onder de vorm van vuur, licht-mens :  hij ving het niet alleen op, hij bracht het voort. Maar voor deze beperkte gevallen zegt het woord van het evangelie : “Wie oren heeft om te horen hij hore”.

 

UitL’Art de l’icone’- Paul Evdokimov – pp.105-108

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

Avonddienst van de grote Vespers voor het geboortefeest van Johannes de Doper

Byzantijnse liturgie 
Avonddienst van de Grote Vespers voor het geboortefeest van Johannes de Doper 

Johannes de doper synaxis 7 januari.jpg

Johannes de Doper

“Hij sprak, en zegende God”
Door zijn geboorte, bracht Johannes
Een einde aan de stilte van Zacharias:
Voortaan kon hij niet meer zwijgen 
Hij die de roepende Stem in de woestijn voortbracht (Mt3,3)
en verkondigde van te voren de komst van Christus.
Maar omdat de ongelovigheid over hem 
eerst de tong zijn vader vastbond, 
gaf zijn openbaring hem de vrijheid terug;
zo werd hij aangekondigd en vervolgens gebaard
de Stem van het Woord, de Voorloper van de Helderheid, 
die de Voorspreker is van onze zielen.
Op die dag maakt de Stem van het Woord 
de vaderlijke stem vrij, die vastgebonden was door zijn gebrek aan geloof; 
zij toont de vruchtbaarheid van de Kerk, 
en maakt een einde aan haar moederlijke steriliteit.
Voor het licht gaat de kandelaar uit, 
dit is de weerschijn van de Zon der Gerechtigheid (Ml 3,20) 
de straal verkondigt zijn komst voor het universele herstel 
en het heil van onze zielen.
Hier komt uit een steriele schoot 
de Boodschapper van het goddelijk Woord
die zelf geboren moest worden uit een maagdelijke schoot, 
van alle kinderen uit vrouwen geboren de grootste (Mt 11,11), 
de Profeet heeft geen gelijke; 
want de goddelijke dingen hebben een wonderbaarlijk begin nodig, 
of dat nu vruchtbaarheid op hoge leeftijd is (Lc 1,7) 
of dat de bevruchting zonder zaad plaatsvindt.
God die wonderen doet omwille van ons heil, eer aan U…
Universele apostel
Aangekondigd door Gabriel (Lc 1,36),
Verwerper van steriliteit en mooiste bloem in de woestijn
Vriend van de Bruidegom (Joh 3,29),
Profeet waardig om bejubeld te worden,
Bid Jezus om zich over onze zielen te ontfermen. 
Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Heilige Sabas van Servië

Heiligenleven

 

De heilige Sava van Servië

 

 

 

Sabas_von_Serbien12.jpg

Heilige Sabas van Servië

 

 

 

De heilige Sabbas, de eerste aartsbisschop van Servië. Hij was de zoon van de Servische vorst Stefan en diens griekse vrouw. De in 1169 geboren Rastko was al vroeg een bijzonder ernstig kind, dat zich bezig hield met de zaken van het geestelijk leven. Toen zijn ouders hem op 16 jarige leeftijd wilden uithuwelijken, vluchtte hij samen met een bevriende monnik naar de Athos die toen juist bekend begon te worden als monnikenhuis. Hij werd opgenomen in het Russische klooster Panteleimon. Een uit Servië gekomen delegatie liet hij vorstelijk onthalen, en toen na de maaltijd allen sliepen, sloot hij zich met een oude monnik in de vestingstoren en legde in diens handen de geloften af. Zijn wereldse kleding en zijn afgeknipt  hoofdhaar wierp hij vanuit de toren naar de bezoekers om ze mee te nemen als een getuigenis voor zijn vader.

Sava begon een stregn monniksleven en verhuisde later naar het Watopediklooster waar hij zich beter thuisvoelde. Maar toen hij de kluizenaars bezocht, die in de grotten van de steile bergflank woonden, verlangde hij ernaar daarheen te trekken. Hij kreeg echter te horen dat hij zich eerst in het gemeenschappelijk leven moest oefenen.

Enige tijd later zonden zijn ouders grote geschenken naar Watopedi het het verzoek dat Sava hen zou komen opzoeken. Deze schreef echter terug dat hij hen omwille van Christus had verlaten en hij raadde zijn vader aan hetzelfde te doen als hij hem nog tijdens dit leven wenste terug te zien. Sava had dit met zoveel overtuigingskracht onder woorden gebracht dat zijn vader diep onder de indruk kwam. Zijn beide ouders legden de monniksgelofte af : vorst Stefan werd de monnik Simeon, zijn moeder Anna werd monachina Anastasia. Simeon leefde eerst in Servië, in het klooster van studenitsa ; later vertrok hij met veel geschenken naar de Athos. Hij woonde bij zijn zoon in Watopedi en zij verwierven het vervallen klooster Chilandari, dat door hen in 1199 werd opgebouwd tot het nu nog bestaande Servische klooster. Spoedig daarna stierf Simeon als een Heilige.

Op verzoek van de andere zoon, die nu vorst Stefan is, begeleidde Sava het lichaam van de gestorvene naar Servië, waar het een vereerde rustplaats vond in Studenitsa. Op aandringen van Stefan bleef Sava in Servië en bouwde een kathedraal in Zjitsja. Dat duurde nog tot 1216, maar daarna keerde sava terug naar zijn kluis bij Karyes op de Athos.

In 1219 ging hij de patriarch opzoeken in Nicea (Constantinopel was in handen van de Kruisvaarders) en vroeg om een aartsbisdom voor Servië. Toen de patriarch Sava daarvoor wilde wijden, stemde deze toe op voorwaarde dat dit aartsbisdom dan onafhankelijk zou zijn, zodat de gang van zaken niet te lijden zou hebben door de moeilijke en gevaarlijke verbindingen met de patriarchale troon. Onder diplomatieke druk gaf de patriarch hiervoor zijn zegen.

Sava berok het reeds gebouwde bisschoppenverblijf in Zjitsja en wijdde al spoedig twaalf van zijn monniken tot bisschop. Toen hij zo een eigen bisschopssynode had opgericht stelde hij voor om Servië tot een koninkrijk te verheffen. Zijn broer Stefan werd tot eerste koning van Servië gewijd. Deze Stefan vroeg op zijn sterfbed om de monnikswijding, omdat hij alleen maar uit gehoorzaamheid koning geworden was(1223).

Op het einde van zijn leven ging Sava op bedevaart naar Jeruzalem. Zijn krachten schoten tekort en op de terugweg stierf hij in Bulgarije, in 1237. Hij werd daar begraven maar zijn relieken werden later naar Servië overgebracht als bron van kracht voor het gehele volk. En al werden deze in 1594 door de Turken verbrand als straf na een opstand, de heilige Sava blijft in het bewustzijn van het volk voortleven als een grote heilige Verlichter van Servië.²

TROPARION

Aan uw volk hebt gij de weg geleerd die naar het werkelijke leven voert, heilige aartsbisschop Sabbas. Gij hebt uw land herboren doen worden door de Heilige Geest en zijn kinderen gemaakt tot olijfbomen in het paradijs. Bid voor ons die u vereren, tot Christus onze God, om de grote genade

KONDAKION

Als de grootste en opperste Bisschop en deelgenoot van de Apostelen vereert uw volk u, eerbiedwaardige Vader. En omdat gij gehoor bij Christus vindt, smeek dat Hij ons verlost uit alle nood, nu wij met liefde tot u roepen : verheug u, in God wijze vader Sabbas.

 

Uit : heiligenlevens voor elke dag – Uitg. Orth. Klooster Den Haag