Cyprianos van Carthago : wees gereed

H. Cyprianus (rond 200-258), bisschop van Carthago en martelaar
Over de eenheid, 26-27

“Wees gereed”

Cyprianus-de-Carthago 58.jpg

 

      De Heer dacht aan onze tijd toen Hij zei: “Als de Mensenzoon komt, vindt Hij dan het geloof op aarde?” (Lc 18,8). Wij zien dat deze profetie zich verwerkelijkt. Men gelooft niet meer in de vrees voor God, de wet van gerechtigheid, de liefde, de goede werken… Alles wat ons geweten zou vrezen, als ze er in zou geloven, vreest ze niet, omdat ze er niet in gelooft. Want als zij er in geloofde, zou ze waakzaam zijn; en als ze waakzaam zou zijn, dan zou ze gered worden.

      Laten we dus ontwaken, beste broeders en zusters, voor zover we daartoe in staat zijn. Schudden we de slaap van onze luiheid af. Laten we wakker blijven en de voorschriften van de Heer beoefenen. Laten we zo zijn, zoals Hij ons heeft voorgeschreven te zijn, toen  Hij zei: “Houdt uw lenden omgord, en brandend uw lampen. Wees als mensen, die wachten op hun heer, wanneer hij van de bruiloft komt, om als hij komt en klopt, terstond hem open te doen. Gelukkig de knechten, die de heer bij zijn komst wakker zal vinden”.

      Ja, wij houden onze lendenen omgord, uit angst dat, wanneer de dag van vertrek komt, Hij ons in verlegenheid en in verwarring aantreft. Dat ons licht straalt van goede werken, dat dit licht ons van de nacht van deze wereld leidt naar het licht en de eeuwige liefde. Laten we met zorg en omzichtigheid wachten op de plotselinge komst van de Heer, opdat, als Hij aan de deur zal kloppen, ons geloof wakker zal zijn om van de Heer de beloning voor de waakzaamheid te ontvangen. Als wij deze geboden onderhouden, als we deze waarschuwingen en deze waakzaamheid onthouden, dan zullen we met de zegevierende Christus heersen.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Russen zien geen vooruitgang in dialoog over Petrusambt

Russen zien geen

 

vooruitgang in

 

dialoog over Petrusambt

 

Hilversum (Van onze redactie) 28 september 2010 – Er is geen sprake van een doorbraak in de oecumenische dialoog tussen de Rooms-Katholieke Kerk en de Orthodoxe Kerken. Dat zegt de Russisch-orthodoxe aartsbisschop Hilarion in een verklaring op de website van het patriarchaat van Moskou. De andere deelnemers aan de dialoog, onder wie aartsbisschop Kurt Koch, president van de Pauselijke Raad ter Bevordering van de Eenheid der Christenen, zijn aanmerkelijk optimistischer over voortgang van de dialoog.

Twaalfde zitting
De gezamenlijke internationale commissie voor de theologische dialoog tussen de Rooms-Katholieke Kerk en de Oosters-Orthodoxe Kerken hield vorige week in Wenen haar twaalfde zitting.

Schisma
De kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders spreken sinds vorig jaar in verschillende sessies over de rol van de bisschop van Rome in de eerste tien eeuwen van de christenheid. De Rooms-Katholieke Kerk en de Oosters-orthodoxe Kerken waren tot aan het jaar 1054 nog niet van elkaar gescheiden.

Petrusambt
De Kerken verschillen onder andere van opvatting over de invulling van het Petrusambt. De rechtsbevoegdheid die de paus in de Rooms-Katholieke Kerk heeft, gaat de orthodoxen, die een synodale kerkinrichting hebben, veel te ver. De Rooms-Katholieke Kerk ziet in de bisschop van Rome een verbindende factor die de nu nog vaak autonoom opererende patriarchaten kan verbinden

Bron : RKK

Kallistos Ware : Mijn weg naar de orthodoxie (deel 2)

ONGEWOON EN TOCH VERTROUWD

MIJN WEG NAAR DE ORTHODOXIE

 

Deel II – Vervolg

De Kerk als communio

  Deze drie elementen – traditie, martelaarschap en stilte – volstonden reeds om mij te overtuigen van de waarheid en de gegrondheid van de Orthodoxie. Het beslissende argument om mij niet alleen tevreden te stellen om de Orthodoxie van buitenaf te beschouwen, maar te verlangen om er binnen te treden, werd mij gegeven door de woorden die ik hoorde in Augustus 1956, op de zomerconferentie van het ‘Fellowship of st.Alban and st.Sergius’. Men vroeg aan Vader Lev Gillet om de term ‘Orthodoxie’ te definiëren . Hij antwoordde : ‘ Een Orthodox is iemand die de apostolische traditie aanvaardt en die leeft in communio met de bisschoppen die de institutionele meesters zijn van deze traditie’

   Het tweede deel van deze bevestigingdeze welke ik in schuine letters heb weergegeven – was bijzonder betekenisvol voor mij. Ik dacht aan mijzelf : ja, als Anglicaan heb ik de vrijheid om de apostolische traditie te beschouwen als mijn eigen private idee. Maar kan ik eerlijk gezegd zeggen  dat deze apostolische traditie unaniem onderwezen wordt door de Anglicaanse bisschoppen met dewelke ik in communio ben ? De Orthodoxie: ik erkende het meteen met een heldere intuïtie, is niet zuiver een persoonlijke geloofsmaterie; zij veronderstelt ook een uitwendige en zichtbare communio in de sacramenten met de bisschoppen die de getuigen zijn van de waarheid, gemandateerd door God. De kwestie kon niet vermeden worden : indien de Orthodoxie wil zeggen : communio, was het dan mogelijk voor mij om werkelijk Orthodox te zijn zolang ik Anglicaan bleef ?

     Deze weinige woorden uitgesproken door Vader Lev Gillet schiepen geen enkel rumoer in de vergadering, maar ze betekenden wél voor mij een kritische ommekeer. Het idee, dat ze in mijn geest teweegbrachten – dat het Orthodoxe geloof onverbreekbaar verbonden is met de eucharistische communio – werd bevestigd door twee lezingen welke ik heb gegeven op dat moment. Vooreerst, viel ik op de briefwisseling tussen Alexis Khomiakov en de Anglicaan (wat hij toen was) William Palmer, lid van het Magdalen College van de universiteit van Oxford. Palmer had aan Khomiakov een exemplaar gestuurd van zijn werk ‘A Harmony of Anglican Doctrine with the Doctrine of the Catholic Church of the East’. Hierin hernam hij zin voor zin de Grote russische Catechismus van de heilige Philaret, metropoliet van Moscou : bij elke bevestiging citeerde hij passages van Anglicaanse bronnen die dezelfde leer bevestigden. In zijn antwoord ( gedateerd op 28 november 1846) maakte Khomiakov hem duidelijk dat hij evengoed een ander volume kon schrijven met citaten van andere Anglicaanse auteurs – met evenveel autoriteit als die welke Palmer citeerde – die rechtstreeks in tegenspraak waren met het onderricht van de Catechismus van Philaret (…).

     De woorden van Khomiakov waren streng maar juist, ze bevestigden datgene wat Vader Lev Gillet had gezegd. In deze periode, was ik ertoe gekomen datgene te geloven wat de Orthodoxe Kerk gelooft : maar ‘de manier en het proces’ door dewelke ik dit geloof had bereikt waren daadwerkelijk ‘protestants’. Mijn geloof was slechts een ‘ persoonlijk opinie’ en niet ‘het geloof van de gemeenschap’, want ik kon niet zeggen dat mijn Anglicaanse broeders allen geloofden zoals ik of dat mijn geloof dit was dat onderwezen werd door alle Anglicaanse bisschoppen met wie ik in communio was. Het is door volwaardig lid te worden van de orthodoxe Kerk – door binnen te treden in de volle en zichtbare communio met de Orthodoxe bisschoppen, die de geïnstitutionaliseerde meesters zijn van het Orthodoxe geloof – dat ik de ‘zekerheid van de waarheid’ kon bekomen.

    Enkele maanden later las ik een getypte tekst van een artikel over de ecclesiologie van de heilige Ignacius van Antiochië, geschreven door de grieks-amerikaanse theoloog Vader Romanides. Daar heb ik voor de eerste keer, onder een volledig ontwikkelde vorm,het perspectief van de ‘eucharistische ecclesiologie’ ontmoet.. Dit werd achteraf gepopulariseerd door de geschriften van Vader Nicolas Afanassief en van metropoliet Jean (Zizoulas) van Pergamo. Bij de eerste lezing gaf de interpretatie welke Vader John gaf aan de brieven van Sint Ignace mij de onmiddellijke overtuiging; wanneer ik de brieven zelf consulteerde, kregen mijn overtuigingen volledige bevestiging (…)

         De eenheid van de Kerk zoals de bisschop van Antiochië voor het ogen  had, is niet enkel een theoretisch idee, maar een praktische realiteit, gevestigd en zichtbaar gemaakt door de deelname van de ganse locale gemeenschap aan de heilige mysteriën, de eenheid wordt niet van buitenaf opgelegd door een juridische macht, maar zij ontstaat van binnen uit door het ontvangen van de communie.

De Kerk is boven alles een eucharistisch organisme die ontstaat door de celebratie van het sacrament van het Avondmaal van de Heer, ‘totdat Hij wederkeert’ (1Kr.11,26). In deze zin gaf sint Ignatius , verklaard door Vader John Romanides, mij de belangrijke ontbrekende schakel. Khomiakov had gesproken over de organische eenheid van de Kerk, maar hij had het niet in verband gebracht met de eucharistie. Vanaf het moment dat ik de integrale band tussen de kerkelijke eenheid en de sacramentele communie had begrepen, kwam alles in orde.

Maar wat betekende dit voor mij , ik die (nog altijd) er buiten stond, onbekwaam om de sacramenten te ontvangen in de Orthodoxe Kerk ? Op Pasen 1957 woonde ik voor de eerste maal de nachtdienst bij. Ik was van plan om later in de morgen de communie te ontvangen in een Anglikaanse kerk (dat jaar vielen het Orthodoxe en Westerse Pasen op dezelfde dag), maar toen ik terugkwam van de Orthodoxe celebratie, wist ik dat dit onmogelijk was. Ik had de Verrijzenis van Christus gevierd  met de Orthodoxe Kerk, op een manier dat zij volledig  en niet voor herhaling vatbaar was. Indien ik nadien ergens anders de communie zou hebben ontvangen, dan zou dit voor mij – voor mij persoonlijk – onwerkelijk en oneerlijk geweest zijn.

Na dit alles communiceerde ik nooit meer aan een Anglicaans altaar, zodat ik meerdere maanden zonder communiceren bleef. Ik sprak in september 1957 met Madeleine, de vrouw van Vladimir Lossky. Zij toonde mij het risico van mijn situatie aan, levend in een ‘no man’s land’ . ‘Gij kunt zo niet verdergaan, zei zij. De eucharistie is ons mystiek voedsel; zonder haar sterven we van honger’ (…)

Wees niet trots op het uiterlijke….

Dit bleef een argument dat in sterke mate vreesaanjagend was. Indien de Orthodoxe Kerk werkelijk de enig ware Kerk van Christus op aarde is, hoe kan het  dan, vroeg ik mij af, dat zij in het Westen in haar uiterlijke vorm zich zo etnisch en nationalistisch voordoet, zo weinig geïnteresseerd is in haar missionaire taak, zo verdeeld  in parallelle jurisdicties, die dikwijls met mekaar in conflict liggen ?.

In principe is de Orthodoxie er zeker  van en is ze altijd duidelijk geweest in haar vordering, de enig ware Kerk te zijn . Zoals ik las in de boodschap van de Orthodoxe gedelegeerden op de vergadering van de Oecumenische raad van kerken te Evanston (1954) :

Als besluit, komen wij ertoe om onze diepste overtuiging uit te drukken, dat de heilige Orthodoxe Kerk de enige is die volledig en intact ‘ het geloof die haar werd toevertrouwd éénmaal voor allen aan de heiligen’ heeft bewaard.. Dit is niet omwille van onze menselijke verdienste, maar omdat het God behaagt om het te bewaren als een ‘schat in lemen vaten,want de overvloed van  kracht komt  van God’(2 Kor.4,7).

Er scheen nochtans een gapende kloof te bestaan tussen de principes en de Orthodoxe praktijk . Indien de Orthodoxen geloofden dat zij werkelijk de enig ware Kerk zijn, waarom leggen ze met zoveel kracht obstakels op de weg van diegenen die er met overtuiging willen toetreden ? In welke zin was de Orthodoxie werkelijk ‘één’, terwijl, bijvoorbeeld er in Noord Amerika ten minste negentien verschillende Orthodoxe jurisdicties bestonden met niet minder dan dertien bisschoppen in de stad New York alleen ? Verschillende van mijn anglicaanse vrienden argumenteerden dat de Orthodoxe Kerk niet méér één was dan de Anglicaanse communio – zelfs minder volgens sommigen – en dat de stap ernaartoe zetten mij zou doen vallen van Charybde naar  Scylla.

Op dat moment werd ik geholpen door de woorden van Vladimir Lossky : Hoevelen hebben de Zoon van God herkend in de ‘man van smarten’ ?  Men moet ogen hebben om te zien, en een open oordeelsvermogen in de Heilige Geest om de volheid daar te herkennen waar het uiterlijk oog slechts beperkingen en gebreken waarneemt (…). Om de overwinning  te kunnen  onderscheiden  van de mislukking, de kracht van God die zich verwezenlijkt in zwakheid, de ware Kerk in zijn historische realiteit, moet men , volgens de woorden van de sint Paulus ‘ niet de geest van de wereld, maar de Geest die van God komt’, ontvangen, ‘ opdat wij de zaken van God zouden kennen die ons zijn gegeven door Zijn genade’ (1 Kor.2,12).

Als ik de empirische situatie van de Orthodoxie in de Westerse wereld van de XXe  eeuw onder ogen nam, was ik in werkelijkheid geconfronteerd met een duidelijke ‘mislukking’ en een duidelijke ‘zwakte’. De Orthodoxen zelf ontkennen dit  niet. Maar door ze in haar diepste dimensie te bekijken, kon ik ook ‘de ware Kerk in het innerlijk van haar historische dimensie’ zien.De etnische bekrompenheid en de Orthodoxe intolerantie, hoe diep ze ook mogen verankerd zijn, maken geen deel uit van de essentie van de Kerk, maar tonen ons een vertekend beeld en een verraad aan haar vrije natuur – Er zijn natuurlijk ook positieve aspecten aan het Otyhodox Christelijk nationalisme. Voor wat betreft het juridisch  pluralisme in de Orthodoxe Kerk in het Westen: er zijn specifieke historische oorzaken, de meest helderziende onder de Orthodoxe leiders hebben dit altijd beschouwd als een voorlopige  oplossing, die slechts voorlopig en tijdelijk is. Meer nog, er is een duidelijk verschil tussen de scheidingen die de overhand hebben in de schoot van het Anglicanisme en deze welke men vindt in de schoot van de Orthodoxie. De Anglicanen zijn (voor het grootste deel) één in hun uiterlijke organisatie, maar diep verdeeld in hun geloofsovertuigingen en hun vormen van openbare cultus. De Orthodoxen daarentegen  zijn enkel verdeeld in hun uiterlijke organisatie, maar sterk verenigd in hun geloof en cultus (…)

Verder kijkend,over  het  uiterlijk en zichtbaar falen van de Orthodoxie heen, deed ik een acte van geloof in ‘ de dingen die men niet ziet’ (2 Kor.4,18), in  haar fundamentele éénheid en onderliggende doctrinele  traditie, liturgisch en spiritueel.

Om binnen te treden in het Orthodoxe huis, moest ik aan een bijzondere poort aankloppen. Welke ‘jurisdictie’ ging ik kiezen ? Ik voelde mij sterk aangetrokken door de Russische Kerk in ballingschap, de Kerk buiten de grenzen (hors frontières) zoals men het gemeenlijk  noemt. Ik bewonderde er vooral haar trouw aan de liturgische, ascetische en monastieke erfenis van de Orthodoxie. Ik was slechts zestien jaar toen ik het boek had gelezen van Helen Waddel, ‘The Desert Fathers’, en sindsdien was ik gefascineerd  door de monastieke geschiedenis van het Christelijk Oosten . Ik ontdekte dat het grootste deel van de monasteria toebehoorden aan de russische Kerk buiten de grenzen. In West Europa had ik twee vrouwenkloosters bezocht die er van afhingen : deze van de ‘Aankoniging (Annuntiatio)’ te Londen en deze van de Moeder Gods te Lesna ( aan de buitenkant van Parijs). Ik werd er in beiden warm onthaald. Ik bewonderde ook de manier waarop de Kerk buiten de grenzen de nieuwe martelaren en de belijders vereerden die hadden geleden onder het juk van de Soviëts  Van de andere kant, was ik voor een stuk verlegen door het canonisch isolement van de synode in ballingschap. In de jaren vijftig was dit isolement minder dan nu, want in die periode waren er nog regelmatig concelebraties tussen de russische clerus in ballingschap en de bisschoppen en priesters van het Oecumenisch Patriarchaat. Maar ik zag dat de Orthodoxe Kerk in ballingschap meer en meer afgesneden werd van de wereld- Orthodoxie, en dat maakt mij bezorgd.

Ondanks mijn liefde voor de russische spiritualiteit, werd het mij duidelijk dat het best was voor mij om mij te voegen bij het Grieks diocees van Groot Brittanië, onder de obedientie van de Patriarch van Constantinopel. Daar ik klassiek filoloog was , had ik een goede kennis van het Nieuwtestamentisch en byzantijns grieks, en in die tijd had ik nog geen Kerkslavisch gestudeerd. Als ik lid werd van het Oecumenisch Patriarchaat, dan zou ik ook geen partij moeten kiezen tussen de verschillende rivaliserende russische groepen en kon ik ook mijn vriendschappelijke relaties onderhouden met zowel de leden van het Patriarchaat van Moscou als met de russische Kerk in ballingschap. Nog belangrijker :’Constantinopel was de moeder-Kerk van wie Rusland het geloof had ontvangen. Het leek mij juist, in mijn zoektocht naar de Orthodoxie, om naar de bron terug te keren.

Ik ging dus opnieuw bisschop Jacques d’apamée opzoeken en ik was zeer verbaasd dat hij tevreden was om mij praktisch onmiddellijk terug te zien.. Hij verwittigde mij echter :’Maar begrijp goed dat wij voor niets ter wereld u tot priester zullen wijden : wij hebben slechts behoefte aan Grieken’. Dit verontrustte mij niet, want ik was gelukkig mijn toekomst in God handen te kunnen leggen. Ik was zeer tevreden dat de deur eindelijk voor mij openging., en ik werd opgenomen zonder mijn condities  te stellen. Ik beleefde mijn opname in de Orthodoxie niet als iets dat ik met recht ‘opeiste’ , maar eenvoudig als een vrije en onverdiende gave van Gods genade. Ik was gelukkig en rustig wanneer bisschop Jacques mij als spirituele vader, Vader Georges Chérémétieff gaf, wat mij toeliet om dicht bij de russische Kerk in ballingschap te blijven.

Ik kwam zo aan het einde van mijn weg, of beter gezegd aan een nieuwe en beslissende etappe van een weg die was begonnen vanaf mijn jeugdjaren, en die, door Gods genade, zal voortduren tot in eeuwigheid. Een weinig na Pasen 1958, de vrijdag van de stralende week, op het feest van de Levende Bron, ontving ik de Myronzalving in de  griekse kathedraal van de heilige Sofia, te Londen-Bayswater. Ik was eindelijk thuis gekomen (…)

Binnen de Orthodoxie heb ik werkekijk bijna overal waar ik kwam, warmte, vriendschap en totale liefde vol mededogen gevonden, en ik heb zeker het voorrecht gehad om levende heiligen te ontmoeten. Deze die hadden voorspeld dat ik, eens Orthodox geworden, mij zou afsnijden van mijn eigen volk en mijn nationale cultuur hebben zich vergist. Door de Orthodoxie te omhelzen ben ik niet minder ‘engelsman’ geworden, maar juist een meer authentieke ‘engelsman’. Ik heb de oude wortels van mijn engels-zijn herontdekt, want de Christelijke geschiedenis van mijn land gaat reeds tot vele eeuwen voor het schisma tussen Oost en West. terug. Ik herinner mij een gesprek met twee Grieken, kort na mijn opneming. ‘Dit moet voor u wel heel moeilijk zijn, merkte de eerste op, om de Kerk van uw vaders te verlaten’. Maar de tweede zei me :’ Jij hebt de Kerk van uw vaders niet verlaten, jij bent er teruggekeerd’. Hij had gelijk.

Het is onnodig om het te verduidelijken : mijn leven als Orthodox was niet altijd de ‘hemel op aarde’. Dikwijls was ik ten diepste ontmoedigd ; Maar heeft Christus zelf  ons niet gewaarschuwd dat leerling-zijn wil zeggen ‘uw kruis opnemen’?. Achtenveertig jaar later kan ik uit gans mijn hart bevestigen dat de visie op de Orthodoxie, die ik had vanaf mijn eerste dienst van de vigilie in 1952 de juiste en ware was. Ik ben niet teleurgesteld.

Ik zou slechts één voorbehoud willen maken  : dat wat ik niet kon  op prijs stellen in 1952, maar dat ik nu klaarder inziezie, is het diep raadslachtig karakter van de Orthodoxie, zijn talrijke tegenstellingen en polariteiten.. De paradox van het Orthodoxe leven in de XXe eeuw  is samengevat in de woorden van Vader Lev Gillet, zelf Westerling die de weg naar de Orthodoxie is gegaan. Het zijn woorden die dichter bij het hart van de dingen staan dan alles wat ik mij kan herinneren van  andere.woorden :

O wonderlijke Orthodoxe Kerk, zo arm en zo zwak, die als bij mirakel stand houdt temidden van de wisselvalligheden en strijd, Kerk van contrasten, tegelijk zo traditioneel en zo vrij, zo archaïsch en zo levendig, zo ritualistisch en zo persoonlijk mystiek. Kerk waar de parel van grote waarde, het Evangelie,zo zorgvuldig is bewaard, dikwijls onder een laag stof ; Kerk die dikwijls niet wist hoe te handelen, maar die als geen ander de vreugde van Pasen weet te bezingen.

                                                           Uittreksel uit : Kallistos Ware,

                                                           Approches de Dieu dans la voie

                                                           Orthodoxe, Cerf/Le Sel de la terre,

                                                           2004. Vertaald uit de franse vartaling

                                                           van Françoise Lhoest door Kris Biesbroeck

                                                                                                                                                                 

Heiligenleven : Sulpicius Severus

Heiligenleven

De heilige Sulpicius Severus

 

Sulpicius Severus3.jpg

 

De heilige Sulpicius Severus is geboren uit een geslacht van grootgrondbezitters in de buurt van Toulouse. Hij was een briljant student met veel letterkundig talent. Hij huwde een vrouw uit het consulsgeslacht en was op weg om carrière te maken toen zij plotseling stierf. Hij werd geheel opgenomen in het gezin van zijn schoonmoeder, maar de dood van zijn echtgenote had voor hem  de smaak in het werelds leven bedorven en hij sloot zich nauwer aan bij de Kerk. Zijn goederen stelde hij ter beschikking voor het lenigen van de nood der armen, waarbij hij handelde of hij slechts de administrator was van die bezittingen ten bate van de Kerk. Deze levenswijze werd hem zeer kwalijk genomen door zijn vroegere vrienden, die niets slechts kritiek uitten, maar ook allerlei hinderlijke moeilijkheden veroorzaakten.

Om zich daaraan te onttrekken betrok Sulpicius een huisje in een dorp verderop, en wilde daar in eenzaamheid een leven leiden van gebed. Doch verschillende van zijn bedienden en vrijgelaten slaven wilden hem niet in de steek laten en kwamen bij hem. Zij vormden een gemeenschap in dienst van de Heer, in behoeftige omstandigheden. Zij sliepen op de grond, op wat stro of een mat ; zij aten slechts oud brood met groente en wat azijn om het naar binnen te kunnen krijgen.

In 349 ging Sulpitius op bezoek bij de toen reeds beroemde Martinus van Tours. Hij kwam diep onder de indruk van zijn  heilige levenswijze, zijn gesprekken en zijn raadgevingen, en hij werd zijn trouwste leerling. Elk jaar kwam hij daar op retraite om zich beter  naar dat voorbeeld te kunnen richten. De beide heiligen raakten zo nauw met elkaar verbonden dat Sulpicius eens tijdens zijn slaap zag hoe Martinus glorierijk ten hemel opging. Kort daarna kwamen twee monniken uit Tours het overlijden van zijn geestelijke vader melden.

Sulpicius was een geleerde die ijverig publiceerde, in opvallend zuiver latijn. Zijn belangrijkste werk is de Heilsgeschiedenis, die loopt tot het jaar 400. Dan het levensverhaal van de door hem zo beminde Martinus van Tours. Ook Dialogen, waarin allerlei bijzonderheden over heilige monniken van oost en west worden verhaald. Hij stond in briefwisseling met andere geleerden o.a. de grote kerkhistoricus Eusebios.

De laatste jaren van zijn leven trok hij zich terug in de cel van de heilige Martinus, in stilzwijgen en gebed. Rond 410 moet hij gestorven zijn. De grote schrijvers van die tijd loofden hem vooral om zijn deemoed en zijn buitengewone liefde voor de armoede

Uit heiligenleven voor elke dag. Uitg. Orth.klooster – Den Haag

18e zondag na pinksteren :”de wonderbare visvangst”

 

18e zondag na Pinksteren, 1e zondag na het Kruis

“Van de wonderbare visvangst”

 

 wonderbare visvangst.jpg

LEZINGEN :

Eerste Lezing :2 Kor.9,6-11

Bedenk dit: wie karig zaait, zal karig oogsten; wie overvloedig zaait, zal overvloedig oogsten. Laat iedereen geven waartoe hij in zijn hart besloten heeft, zonder tegenzin en zonder dwang, want God houdt van een blijmoedige gever. En God heeft de macht om u met allerlei gaven te overstelpen, zodat u altijd in alle opzichten goed voorzien bent en nog ruimschoots overhoudt voor elk goed werk. Zo staat er ook geschreven: Hij heeft overvloedig gegeven aan de armen, zijn gerechtigheid zal altijd blijven.
     Hij die de zaaier zaad verschaft en brood geeft als voedsel, Hij zal ook u zaad verschaffen, het vermenigvuldigen en uw gerechtigheid rijke vrucht laten opleveren. Zo bent u van alles rijk voorzien om vrijgevig te kunnen zijn, en door onze bemiddeling wordt uw vrijgevigheid weer reden tot dankzegging aan God

Evangelie :Lucas 5,1-11

Roeping van enkele vissers
Toen Hij aan het meer van Gennesaret stond en de mensenmenigte zich om Hem verdrong om het woord van God te horen, zag Hij twee boten bij het meer liggen. De vissers waren van boord gegaan en spoelden de netten. Hij stapte in een van die boten, die van Simon, en vroeg hem een eindje van het land af te varen. Hij ging zitten en vanuit de boot gaf Hij de mensen onderricht. Toen Hij uitgesproken was zei Hij tegen Simon: ‘Vaar nu het meer op naar diep water. Daar moeten jullie je netten uitwerpen.’  ‘Meester,’ antwoordde Simon, ‘de hele nacht hebben we ons al afgetobd zonder iets te vangen. Maar als U het zegt zal ik de netten uitwerpen.’ Dat deden ze en ze vingen zo’n massa vis dat hun netten ervan scheurden. Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot om hen te komen helpen. Die kwamen, en beide boten vulden ze tot zinkens toe. Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op z’n knieën voor Jezus en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, ik ben een zondig mens.’ Want schrik had hem, en allen die bij hem waren, bevangen, vanwege de vissen die ze samen gevangen hadden. Zo verging het ook Jakobus en Johannes, zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Maar Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang. Voortaan zul je mensen vangen.’ Ze brachten de boten aan land, lieten alles achter en volgden Hem.

 

Basilios van caesarea : Wie betrouwbaar is in het kleine….

H. Basilius (ca. 330-379), monnik en bisschop van de Caesarea in Kappadocië, Kerkleraar
Homilie 14, over de liefde voor de armen, § 23-25 ; PG 35,887

“Wie betrouwbaar is in het kleine, is ook betrouwbaar in het grote”

 

Basilios de grote 235.jpg

      Je moet weten waar voor jou het bestaan, de adem, de intelligentie en wat het meest kostbaar is, de Godskennis vandaan komt. Waar komt de hoop op het Koninkrijk van de hemelen vandaan en die van het schouwen van de heerlijkheid die je nu op verduisterde wijze ziet, zoals in een spiegel, maar die je in de toekomst in al zijn zuiverheid en straling zult zien (1Kor 12,12). Vanwaar komt het dat jij kind van God bent en erfgenaam met Christus (Rm 8,16-17) en, ik waag het te zeggen, dat je zelf een god bent? Waar komt dat alles vandaan en door wie?

      Of om nog meer te spreken over minder belangrijke dingen, de dingen die je ziet: wie heeft je het vermogen gegeven om de schoonheid van de hemel te zien, de omloop van de zon, de maancyclus, de ontelbare sterren en in dat alles, harmonie en orde die hen leidt?… Wie geeft je de regen, de landbouw, voeding, kunst, wetten, de stad, een geciviliseerd leven, vertrouwde relaties met je gelijken?

      Is het niet Degene die voor alles en in ruil voor alle gaven, je vraagt om de mensen lief te hebben?… Terwijl Hij, onze God en onze Heer zich niet schaamt om onze Vader genoemd te worden, gaan wij dan onze broeders en zusters verloochenen? Nee, mijn broeders en zusters en mijn vrienden, wees niet de onbetrouwbare rentmeester van goederen die ons zijn toevertrouwd.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org