Isaak de Syriër bloemlezing

Isaak de Syriër :

Over de schade die de bittere ijver, die zich in ijver voor God vermomt, veroorzaakt, en over de hulp die de zachtmoedigheid en andere deugden verlenen

Eerste verzameling, discours 58

Deel 2

 

Isaac_the_Syrian (groot formaat).jpg

 

Isaak de Syriër (van Ninive)

13.

Een rechtvaardig mens, maar verstoten van wijsheid, is als een lamp in volle zon. Het gebed van wie zich beledigingen herinnert, is als een zaad dat op de rots is geworpen. Een asceet zonder barmhartigheid is als een onvruchtbare boom. Een verwijt dat voortkomt uit het begeren, is als een vergiftigde pijl. Een lofbetuiging die voortkomt uit dubbelhartigheid , is een verborgen valkuil. Een onredelijke raadgever is als een blinde leider. De kring van de spotters breekt het hart. Geregeld een wijs man bezoeken, is als een verfrissende bron. Een wijze raadgever is een veilige schutsmuur. Een onredelijke vriend en verstoten van wijsheid, is een vat vol onheil. Het is beter een huis in rouw te zien dan een wijze die een dwaas volgt. Het is beter bij wilde dieren te verblijven dan met begerige lieden. Het is beter en een graf te wonen dan met verdorven mensen. Verkies eerder te leven met gieren dan met hebzuchtige en onverzadigbare mensen. Heb liever een moordenaar als gezel dan een ruziemaker. Verkies het gezelschap van een zwijn boven dat van een gulzigaard, want de pens van een zwijn is beter in de mond van een gulzigaard. Verkies het gezelschap van melaatsen boven dat van trotsen.

14.

Wees vervolgd,maar vervolg niet. Wees gekruisigd, maar kruisig niet, lijd onrechtvaardigheid, maar bega geen onrechtvaardigheid. Word neergehaald, maar haal niet neer. Wees lankmoedig en geef geen blijk van slechts ijver. Zich als rechter gedragen, past niet in de zeden van de christenen. Er is niets dergelijks in het onderricht van Christus. Wees blij met wie blij zijn, en ween met wie wenen : dit is het teken van de helderheid van de ziel. Lijd mee met de zieken, maak je te doen met de zondaars, verheug je met wie berouw tonen. Wees de vriend van elke mens, maar blijf alleen in je gedachte. Deel in het lijden van allen, maar blijf lichamelijk ver van allen. Wijs niemand terecht, richt verwijten aan niemand, zelfs niet aan wie een heel slecht leven lijden. Spreid je mantel over de zondaar, en bedek hem. Als je niet in staat bent zijn zonden op je te nemen en het oordeel erover te dragen in zijn plaats, deel tenminste zijn schaamte, veeleer dan hem te schande te maken.

15.

Weet mijn broeder dat, als wij binnen in onze cel moeten blijven, dan is dat om de slechte handelingen van de mensen niet te kennen en om zodoende ze alle te kunnen beschouwen als heilige en goed, in de zuiverheid van onze geest. Als wij makers worden van verwijten, lieden (worden) die er op uit zijn om anderen te oordelen, onderzoekers, kritische geesten, wezens die steeds onvoldaan zijn, waarin zou ons leven uiteindelijk verschillen van dat van de bewoners  van de steden ? Wat is erger dan ons leven in de woestijn als we aan dit alles niet zouden verzaken ?

16.

Als je niet in staat bent om de stilte in je hart te bewaren, bewaar ten minste deze van je tong. Als je niet in staat bent om je gedachten te bedwingen, bedwing dan ten minste je zintuigen. Als je niet in staat bent om alleen te zijn in je gedachte, wees ten minste lichamelijk alleen. En als je de ascese van het lichaam niet kan beoefenen, wees dan ten minste kommervol in je gedachte. En als je gedurende de nachtwake niet kan blijven rechtstaan, blijf dan wakker terwijl je op je bed zit, of zelfs neerligt. Als je geen kracht hebt om twee dagen zonder voedsel te blijven, vast dan tenminste tot de avond, wees dan ten minste op je hoede voor de verzadiging. Als je niet zuiver bent in je hart, wees dan tenminste zuiver van lichaam. Als je geen kommer draagt in je hart, draag dan tenminste het berouw op je gelaat. Als je niet in staat bent om barmhartig te zijn, spreek dan in het bewustzijn uit dat je een zondaar bent. Als je geen vredestichter bent, wees dan tenminste geen stichter van verwarring. Als je niet in staat bent om vol vurigheid te zijn, wees dan tenminste nederig in je geest. Als je niet in staat bent om overwinnaar te zijn, veracht dan niet wie overwonnen is. Als je niet de moed hebt de mond te sluiten van wie over zijn naaste kwaad spreekt, hoed je er dan toch voor het eens te zijn met hem.

17.

Weet dat, als er een vuur uit je hart komt en (het) de anderen verbrandt, God je rekenschap zal vragen voor de zielen die door het vuur dat uit jou kwam, verteerd zijn. En als jij het vuur niet hebt aangestoken maar het eens waart met hem die het ontstak en er plezier in vond, weet dat je zijn metgezel zult zijn bij het oordeel.

18.

Als je van de zachtmoedigheid houdt, wees vredelievend. En als je de vrede waardig bent  bevonden, zal je ten allen tijde vol vreugde zijn. Zoek de wijsheid, en niet het goud. Bekleed je met nederigheid, en niet met purper. Verover de vrede, en geen (aards) koningschap. Wie de nederigheid niet bezit is niet verstandig. Wie niet vredelievend is, is niet nederig. En niemand is vredelievend zonder vreugdevol te zijn. Langs geen van de wegen waarop de mensen lopen op deze wereld, zal een mens de vrede vinden, vóór dat hij de ‘hoop op God’ is genaderd. Het hart kan geen vrede vinden te midden van de smarten en moeilijkheden die hij tegenkomt, zolang het niet tot deze joop gekomen is. Zij is het die vrede uitspreidt in het hart en er vreugde uitgiet. Het is van haar dat de aanbiddelijke en alheilige lippen van de Heer spraken toen Hij zei : ‘Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en ik zal u rust schenken’ (Matth.11,28). Nadert, zo zei Hij, tot de joop, en je zal rust vinden, ver van je zwoegen en je angsten.

19.

De hoop op God verheft het hart, en de vrees voor de hel breekt het (hart). Het licht van de gedachte verwekt het geloof. Het geloof verwekt de troost en de hoop, en de hoop sterkt het hart. Het geloof is een inwendige openbaring en als de gedachte verduisterd wordt, dan verbergt het geloof zich, gaat de vrees ons beheersen en onze hoop afsnijden. Het is niet het geloof dat voortkomt uit een onderricht van buitenaf dat de mens bevrijdt van hoogmoed en twijfel, maar het geloof dat ontwaakt en opgaat in het bewustzijn en dat men “epignosis” noemt of openbaring van de waarheid. Zolang de geest dankzij deze inwendige openbaring van God als God waarneemt, kan de vrees het hart niet naderen. Als we dan, opdat we nederig zouden worden, overgelaten worden aan de duisternis en dit bewustzijn (van God) verliezen, dan komt de vrees terug, tot de genade weerom dichterbij ons komt, door de nederigheid en het berouw.

20.

De Zoon van God heeft het kruis verduurd; laten wij dus, wij, zondaars, moed vatten en ons overgeven aan de rouwmoed. Als het aanlichten van de rouwmoed voor Achab de toorn van God afwendde (1 Kon.21,27-29), zal ook ons oprecht berouw heel zeker niet zonder voordeel voor ons blijven. En, als een opflakkering van nederigheid de toorn Gods van hem afwendde – en hij was niet oprecht – hoeveel te meer zal (een ongeveinsde nederigheid) van onzentwege dit bewerken als we op waarachtige wijze over onze fouten kommer voelen. De kommer van de gedachte kan dit (bewerken), beter dan gelijk welke lichamelijke ascese.

21.

De Heilige Gregorius (de Theoloog) heeft gezegd : “Een tempel van God is hij, die nauw met Hem verenigd is en die zonder ophouden bekommerd is over het oordeel !. Waarin bestaat de bezorgdheid over het oordeel, tenzij hierin dat men onophoudelijk zijn rust zoekt en dat men voortdurend in kommer is als men bedenkt dat men de volmaaktheid niet kan bereiken door de zwakheid van onze natuur ?

Onophoudelijk hierover bekommernis voelen, dat is zonder ophouden in zijn ziel de herinnering aan God bewaren. Zoals de gelukzalige Basilius het zegt : “Het gebed zonder verstrooiing is het (het gebed) dat in de ziel de voortdurende gedachte aan God voortbrengt. En het inwonen van God in ons betekent dat we God in onszelf bezitten, omdat de herinnering aan Hem er stevig is ingeplant”, (H.Baslios de grote, Brief 2, Aan Gregorius 4.). Zo worden wij de tempel van God. Dit is onze zorg en dit vermorzelt ons hart, om ons klaar te maken om in zijn rust binnen te gaan.

Hem zij de eer in de eeuwen.

(uit : Heiliging – 1-2/2008)

Heilige Dositheos

Heiligenleven

De heilige Dositheos

 

Dositheos heilige.jpg

De heilige Dositheos was page bij een generaal van het byzantijnse leger, in het begin van de zesde eeuw. Hij was een aardige jongen en maakte deel uit van een gezin dat klaarblijkelijk maar heel oppervlakkig christen was, want hij had nog nooit iets over God en het eeuwige leven gehoord. Wel had hij horen spreken over de stad Jeruzalem en hij was nieuwsgierig geworden, en op verzoek gaf de generaal hem mee aan een van zijn vrienden die van plan waren de heilige plaatsen te bezoeken. Zo kwam hij ook in de kerk die in Gethsemani was gebouwd. In de nartex bevond zich een uitbeelding van de hel. Dositheos was door dat merkwaardig schouwspel zeer getroffen en hij keek er vol aandacht naar. Plotseling stond er naast hem een statige vrouw, in purper gekleed, die hem uitleg gaf over het lot van de verdoemden. Dositheos werd angstig en vroeg hoe hij aan zult een lot kon ontkomen. De vrouw zeide hem : “Vast, eet geen vlees, en bid onophoudelijk”, waarna zij verdwenen was.

De jongen hield zich daaraan, maar toen de soldaten uit het gezelschap hem zo zagen leven, zeiden ze : éZoiets past hniet in de wereld, dan moet je in een klooster zijn”. En ofschoon Dositheos geen flauw idee had wat een klooster was, vroeg hij daarheen gebracht te worden. En zo kwam hij terecht in het klooster van Seridos bij Gaza, in het zuiden van Palestina.

Abt Seridos vond het een nogal twijfelachtig geval, maar hij stelde hem in handen van de toen nog jonge , heilige Dorotheos, die aan het hoofd stond van de ziekenafdeling. Deze zag de onschuld en de goede wil van Dositheos en werkte heel geleidelijk aan zijn opvoeding. Hij liet hem helpen bij de ziekenverzorging, een afdeling die een aantal monniken volkomen in beslag nam. De zware ascese van weinig afwisselend en zelden eten, met daarbij het gebrek aan voldoende nachtrust door de diensten en de persoonlijke nachtwaken, waren oorzaak van veel ziekten onder de monniken. Dositheos deed dit werk met hart en ziel en was slechts af en toe bitter bedroefd wanneer hij zich door een lastige zieke tot ongeduld had laten verleiden.

Maar wat Dorotheos vooral in hem wilde bereiken was het volkomen verzaken aan de eigen wil, het blijmoedig volbrengen van alles wat hem werd opgedragen en het nooit iets voor zichzelf zoeken. Daar worden enige typerende voorbeelden van opgenoemd in zijn levensverhaal. Toe hij een mantel nodig had, gaf Dorotheos hem een oude, en de handige Dositheos verstelde deze zo netjes dat die weer als nieuw leek. Toen kreeg hij opdracht die aan een zieke te geven. En dat deed de jongen, zonder enige blijk van protest of wrevel. En dat niet slechts eens, maar herhaalde malen achter elkaar.

Deze volkomen overgave bracht hem rechtstreeks tot een grote volmaaktheid. In het vijfde jaar van zijn kloosterleven, liep hij een tuberculeuze besmetting op van een byzonder kwaadaardig type, zodat zijn gezondheidstoestand met grote snelheid achteruitging. Een tijdlang kon hij nog het Jezusgebed zeggen tot hij ook daarvoor te zwak werd. Zijn aan alle kanten pijnlijk lichaam moest in een laken gedragen worden. Hij kon nog alleen maar innerlijk zich in Christus’tegenwoordigheid stellen. Tenslotte werd hij zo door uitputting overmand dat hij verlof vroeg om te mogen sterven. Maar zijn geestelijke vader maande hem aan geduld te hebben en vol te houden, en pas na enkele dagen, toen Dositheos zei dat hij niet meer kon, en aan het einde van zijn krachten was, liet de Grote Oudvader Barsanoefios hem zeggen : “Ga in vrede, neem plaats bij de Heilige Drie eenheid en bid voor ons”

Zo was hij door zijn bewonderenswaardige levenswijze van volkomen overgave, zonder dat hij enige opvallende daad of ascese had verricht, en enkele jaren gegroeid tot een grote graad van heiligheid.

Uit : heiligenleven voor elke dag – Uit. Orth.Klooster – Den Haag

14e zondag na Pinksteren : onthoofding van Johannes de Doper

14e zondag na Pinksteren

Feest van de Onthoofding van Johannes de Doper

 

Johannes de doper hoofd.jpg

 

LEZINGEN :

 

Handelingen 13,25-32

 Toen Johannes zijn taak had volbracht, zei hij: “Wie u denkt dat ik ben, ben ik niet; maar, let op, na mij komt iemand wiens schoenen ik niet waard ben los te maken.” Broeders, afstammelingen van Abraham en ook u, godvrezenden, wij hebben de taak gekregen deze redding te verkondigen. Want de inwoners van Jeruzalem en hun leiders erkenden Hem niet en door hun vonnis hebben zij de uitspraken van de profeten, die elke sabbat worden voorgelezen, in vervulling doen gaan. Hoewel ze geen enkele grond voor een doodvonnis konden vinden, eisten ze van Pilatus zijn terechtstelling. Toen ze alles ten uitvoer hadden gebracht wat over Hem geschreven staat, namen ze Hem van het kruis en legden Hem in een graf. Maar God wekte Hem op uit de doden en Hij verscheen gedurende vele dagen aan hen die met Hem van Galilea naar Jeruzalem waren getrokken, en die nu zijn getuigen zijn voor het volk. En wij brengen u de goede boodschap

Marcus 6,14-30 :

 Het levenseinde van Johannes de Doper
     Koning Herodes hoorde over Hem, want zijn naam was bekend geworden, en ze zeiden: ‘Johannes de Doper is uit de doden opgewekt. Daarom zijn die krachten in Hem werkzaam.’ Maar anderen zeiden: ‘Het is Elia’, en weer anderen: ‘Het is een profeet als andere profeten.’ Toen Herodes dat hoorde, zei hij: ‘Die Johannes, die ik heb laten onthoofden, is uit de doden opgewekt.’ Want zelf had Herodes Johannes laten arresteren en in de gevangenis laten zetten vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, omdat hij haar getrouwd had. Want Johannes had tegen Herodes gezegd: ‘Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te bezitten.’ Herodias was daarom op hem gebeten en wilde hem uit de weg ruimen, maar ze had daartoe niet de macht. Want Herodes had ontzag voor Johannes, in het besef dat deze een rechtvaardige en heilige man was, en hij nam hem in bescherming. Als hij naar hem luisterde, raakte hij steeds in verlegenheid, en toch hoorde hij hem graag. Er kwam een gunstige dag toen Herodes op zijn verjaardag een feestmaal gaf voor zijn hofhouding, de legerleiding en de hoge heren van Galilea. De dochter van hem en Herodias kwam binnen en met haar dans deed ze Herodes en zijn gasten een groot genoegen. De koning zei tegen het meisje: ‘Vraag me wat je maar wilt, ik zal het je geven.’ En hij deed er zelfs een eed op: ‘Wat je me ook vraagt, ik zal het je geven, al was het de helft van mijn koninkrijk.’Ze ging weg en zei tegen haar moeder: ‘Wat moet ik vragen?’ Die zei: ‘Het hoofd van Johannes de Doper.’ Haastig ging ze recht op de koning af en vroeg: ‘Ik wil dat u mij terstond op een schotel het hoofd van Johannes de Doper geeft.’ De koning werd bedroefd, maar vanwege zijn eed en omwille van zijn gasten wilde hij het haar niet weigeren. Meteen stuurde de koning iemand van zijn lijfwacht en gaf het bevel om het hoofd van Johannes te brengen. Die ging weg en onthoofdde hem in de gevangenis. Hij bracht zijn hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje, en het meisje gaf het aan haar moeder. Toen zijn leerlingen het hoorden, kwamen ze zijn lijk halen en legden het in een graf.

Jezus geeft vijfduizend mensen te eten
     De apostelen kwamen terug bij Jezus, en ze vertelden Hem alles wat ze hadden gedaan en hoe ze onderricht gegeven hadden

Johannes de doper onthoofding.jpg

Het leven van de Geest…

Het leven van de Geest

pantokrator 55.jpg

 “ Het leven van de Geest zoekt verschillende wegen om zich naar buiten uit te drukken in concrete gedragingen waarvan liefden de drijfveer is. Wie de ervaring mocht opdoen van Gods Barmhartige Liefde, kan niets anders dan die liefde rond hem uitstralen. ‘Wees volmaakt ( of ‘barmhartig ‘bij Lucas’); zei Jezus, ‘zoals uw Vader in de hemel volmaakt (of ‘barmhartig’ ) is’ (Matth.5,48; Luc.6,36). Hier ligt de eerste bron van wat straks ‘christelijke moraal’ zal genoemd worden. Op de eerste plaats komt de ervaring van het goddelijk leven in elk van ons. Het is een ervaring die kan herkend worden aan bepaalde onbetwistbare criteria : spontaniteit, vrijheid en diepe vreugde. Dit zijn altijd de tekenen van authentiek leven “

Citaat : Dom A LOUF +

Gregorius van Nyssa : Er is hier meer dan Salomo

H. Gregorius van Nyssea (ca 335-395), monnik en bisschop
Homile 1 over het Hooglied

“Er is hier meer dan Salomo”

 

Gregor_von_Nyssa 2212.jpg

      De tekst van het Hooglied van Salomo stelt de ziel voor als een verloofde, getooid voor een onlichamelijke, geestelijke en smetteloze vereniging met God. Degene die “wil dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen” (1Tm 2,4) zet daar het meest volmaakte middel, het zalige middel om gered te worden, uiteen: ik hoor Hem die uit liefde voorbijkomt. Sommigen kunnen het heil ook zonder vrees vinden: door de straffen te beschouwen die dreigen in de hel, behoeden we ons voor het kwaad. Zo is het ook voor degenen die een oprecht en deugdzaam leven leiden omdat ze hopen op het loon dat bestemd is voor hen die een vroom leven hebben geleid; ze handelen zo niet uit liefde voor het goede, maar uit hoop om beloond te worden.

      Welnu om zich naar de volmaaktheid te begeven, begint men eerst met het verjagen van de vrees uit zijn ziel; dat is een dienstbaar gevoel ervaren van slechts aan zijn meester verbonden te zijn uit liefde… Men bemint “met heel zijn hart en met heel zijn ziel en met heel zijn kracht” (Mc 12,30), niet één van de gaven waarmee men begiftigd is, maar Degene die de bron is van zijn bezit. Zo moet dus een ziel zijn naar hetgeen Salomo zegt…

      Denk je dat ik Salomo, de zoon van Batseba, aanroep die op de berg duizend runderen heeft geofferd en die, op advies van zijn vreemde vrouw, een zonde heeft begaan? Nee. Ik denk aan een andere Salomo die ook naar het vlees geboren is uit het zaad van David; hij heeft als naam `vrede´ [de naam Salomo betekent “man van vrede” (1 Kron 22,9)]. Hij is de ware koning van Israël, de bouwer van de Tempel van God, de houder van de universele kennis. Zijn wijsheid is onvergelijkbaar; nog beter gezegd hij is bij uitstek wijsheid en waarheid; zijn naam en zijn gedachte zijn volmaakt goddelijk en subliem. Hij heeft van Salomo gebruik gemaakt als van een instrument en door zijn stem, richt Hij zich tot ons, eerst in de Spreuken, vervolgens in Prediker, dan in het Hooglied. Zo toont Hij, met methode en orde, de wijze van vooruitgang naar de volmaaktheid aan onze overdenking.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Bloemlezing uit Isaak de Syriër

Bloemlezing uit Isaac van Ninive (de Syriër)(Deel 1)

 

isaac de syriër.jpg

Isaak de Syriër

Over de schade die de bittere ijver, die zich in ijver voor God vermomt, veroorzaakt en over de hulp die de zachtmoedigheid en andere deugden verlenen.

Eerste verzameling, discours 58

1.

Een ijveraar zal nooit tot de vrede van de gedachten geraken. En hij die de vrede niet kent, kent evenmin de vreugde. Als, zoals men zegt, de vrede van de gedachte volmaakte gezondheid betekent, dan is de ijver om de anderen te verbeteren het tegenovergestelde van de vrede, en hij die door deze ijver wordt bewogen lijdt aan een erge ziekte

O mens ! Wanneer je ijvert tegen de gebreken van de anderen, heb je de gezondheid uit je eigen ziel verjaagd. Je zou er beter aan doen om zorg te dragen voor je eigen gezondheid. Als je kost wat kost de zieken wil verzorgen, weet dan dat zij meer nood hebben aan liefdevolle bezorgdheid dan aan berispingen.

Maar jij, in plaats van anderen te helpen, maakt jezelf ernstig ziek. De ijver om de anderen te verbeteren wordt onder de mensen niet beschouwd als een vorm van wijsheid, maar als een ziekte van de ziel die enggeestigheid noemt en diepe onwetendheid die voortkomen uit de grootmoedigheid en uit het geduld om de menselijke zwakheid te verdragen. Ook staat er geschreven “De sterke moet de onvolkomenheden van de zwakke dragen” (Rom 15,1), en “Richt de gevallenen op in een geest van zachtmoedigheid (Gal 6,1). De Apostel rekent de vrede en het geduld onder de vruchten van de Geest (cf Gal 5,22).

2.

Een hart dat zich pijnlijk te doen maakt omdat de ziekte en de zwakheid het lichaam verhinderen om zichtbare daden te stellen, levert op deze wijze een bijdrage aan alle lichamelijke werken. Deze werken, zonder de kommervolle smart (Dit gaat over een mens die steeds de anderen oordeelt en heel zijn ijver aanwendt om hen op te richten en hun fouten, of wat hij als zodanig beschouwt te verbeteren) van de gedachte, zijn als een lichaam zonder ziel. Hij die kommervolle smart voelt in zijn hart maar zijn eigen zintuigen alle vrijheid laat, gelijkt op een zieke die lijdt in zijn lichaam, maar zijn mond toelaat om alle soorten voedsel die voor hem schadelijk zijn, te eten. Wie kommervolle smart voelt in zijn hart, maar zijn zintuigen alle vrijheid laat, gelijkt op een man die een enige zoon heeft en hem beetje bij beetje doet sterven door zijn eigen handen. De smart van de gedachte is een kostbare gave in de ogen van God, en wie haar bezit zoals het hoort, gelijkt op een mens die gezond is in zijn ledematen. Maar de mens die zijn tong de vrije teugel laat om over de anderen te praten, ten goede of ten kwade, is een dergelijke genade niet waardig.

De rouwmoed die samengaat met geklets is als een doorboorde ton. De goede manieren die samengaan met het honen van anderen, zijn een zwaard dat in honing is gedrenkt. De zuiverheid en het bezoeken van vrouwen zijn als een leeuwin en een lam in hetzelfde huis.

3.

De werken die volbracht zijn zonder barmhartigheid, zijn in de ogen van God als een man die een zoon doodt onder de ogen van zijn vader. Hij die ziek is in zijn ziel en een ander corrigeert, gelijkt op een blinde die de weg wijst aan anderen. De barmhartigheid en de strikte rechtvaardigheid(letterlijk : rechtvaardig oordeel), als zij samen in éénzelfde ziel wonen, zijn als een mens die in éénzelfde huis God aanbidt en de afgoden. De barhartigheid is het tegendeel van de strikte rechtvaardigheid. Deze (laatste) bestaat in een billijke verdeling onder allen. Zij bedeelt aan elkeen wat hij verdient, helt niet over naar de ene kant noch naar de andere, is zonder partijdigheid in de verdeling. Maar de barmhartigheid is een “geraakt worden” opgewekt door de genade. Zij buigt zich over elkeen met mededogen, geeft aan wie tuchtiging waardig is, niet terug wat hij verdient, en ze overlaadt mateloos hij die een beloning waardig is.

Als de barmhartigheid aan de kant staat van het goede, dan staat de strikte rechtvaardigheid aan de kant van het kwade. Zoals het hooi en het vuur niet in eenzelfde plaats kunnen samen zijn, zo kunnen de strikte rechtvaardigheid en de barmhartigheid niet verblijven in éénzelfde ziel. Zoals een korrel zand niet opweegt tegen een grote hoeveelheid goud, zo weegt de strikte rechtvaardigheid van God niet door in vergelijking met zijn barmhartigheid.

4.

Gelijkend op een handvol zand dat in de oceaan valt zijn de fouten van alle vlees, in vergelijking met de voorzienigheid en de barmhartigheid van God. Zoals een bron die overvloedig stroomt en niet kan worden verstopt door een handvol zand, zo kan de barmhartigheid van de Schepper niet overwonnen worden door de kwaadwilligheid van de schepselen. Gelijkend op een mens die zaait in de zee en hoopt te oogsten is hij die wrok koestert en bidt. Zoals het niet mogelijk is de lichtende vlam van het vuur te verhinderen om te klimmen, evenzo kan niets verhinderen dat het gebed van de barmhartige opstijgt naar de hemel. Zoals het water zich naar de diepte toe verspreidt, evenzo (doet) de macht van de woede, als deze haar plaats heeft gevonden in onze geest. Hij die de nederigheid heeft verworven in zijn hart, is voortaan dood voor de wereld, en wie dood is voor de wereld, is afgestorven aan de hartstochten. Voor wie in zijn hart dood is voor zijn verwanten, is de duivel dood. Wie de begeerte heeft binnengehaald, heeft, met haar, de duivel binnengehaald.

5.

Er is een nederigheid die komt van de vreze Gods, en er is een nederigheid die van God zelf komt. Er is hij die nederig is omdat hij God vreest, en er is hij die nederig is omdat hij de vreugde gevonden heeft. Bij wie nederig is omdat hij de vreugde gevonden heeft, volgt daaruit de bescheidenheid van zijn ledematen, de goede orde van zijn zintuigen en te allen tijde een vermorzeld hart; bij de andere, bij hem die nederig is omdat hij de vreugde gevonden heeft, volgt daaruit een grote jubel (het grieks geeft : eenvoud), een verruimd hart dat zichzelf niet meer omvat. De liefde kent geen schaamte, daarom is zij niet in staat een juiste maat aan haar veruitwendigheden op te leggen. De liefde is van nature spontaan en ze vergeet de in acht te nemen grenzen. Gelukzalig die U Heeft gevonden, U, de haven van alle vreugde.

6.

De samenkomst van de nederigen wordt door God in gelijke mate bemind als de samenkomst van de serafijnen. Een kuis lichaam is voor God kostbaarder dan een zuivere offergave. Beide zaken, de nederigheid en de kuisheid, bereiden in de ziel een verblijf (het grieks heeft : waarborg) voor de Drie eenheid.

7.

Als je met vrienden onderweg bent, bewaar dan een gereserveerde houding. Door zo te handelen bewijs je hen een dienst en ook aan jezelf. Inderdaad, het gebeurt vaak dat de ziel onder voorwendsel van vriendschap, de teugels van de waakzaamheid loslaat. Wees wantrouwig voor gesprekken, zij bouwen niet altijd op. Houd in de vergaderingen de stilte in ere, want zij bespaart voor heel wat schade. Waak over je buik, maar meer nog over je gezichtsvermogen, want een huiselijk conflict is zonder twijfel minder erg dan een oorlog die zich buiten afspeelt. Denk niet broeder dat het mogelijk is de innerlijke gedachten te bestrijden, als het lichaam niet goed toegerust is en niet goed geordend. Vrees de gewoonten meer dan de vijand. Wie in zichzelf een gewoonte voedt, is als een man die het vuur voedt, want de kracht van de gewoonten, en evenzo die van het vuur, komt van wat men hem als voedsel geeft. Als de gewoonte je één keer vraagt haar voedsel te geven, en je het haar weigert, zal ze je in het vervolg krachteloos bevinden. Maar als je één keer haar wil involgt, zal ze je daarna met nog meer kracht aanvallen.

8.

Aangaande alle zaken, houd dit in gedachten : de hulp die de waakzaamheid biedt, is meer waard dan (de hulp) die van de (ascetische) werken komt. Wees niet de vriend van wie graag lacht en (van wie) de mensen graag aan het lachen brengt, want hij zal je de gewoonte van de verstrooiing doen aannemen. Bied geen glimlachend gezicht aan wie zich laat gaan in zijn manier van leven. Hoed je er echter voor om hem te haten. Als hij verlangt zich op te richten, reik hem dan de hand en draag zorg voor hem tot aan zijn dood. Maar als je zelf ziek bent, mijd het dan om voor hem te zorgen Zoals men heeft gezegd : reik hem het uiteinde van je stok, enz. (Isaak verwijst naar een apophtegma dat door zijn lezers gekend is). Spreek in de nabijheid van een zelfvoldaan en begerig mens met omzichtigheid, want terwijl jij spreekt, interpreteert hij in zijn binnenste wat jij zegt op zijn manier, en hij zal jouw goede woorden gebruiken om de anderen te doen vallen, en hij verdraait in zijn geest de betekenis van jouw woorden om ze dienstbaar te maken aan zijn ziekte. Van zodra hij, in jouw aanwezigheid, over iemand begint te spreken, versomber (dan) je gelaat. En door zo te handelen zal je voor God en voor hem blijk geven van waakzaamheid.

9.

Als je iets geeft aan een mens die behoeftig is, laat dan een blije gelaatsuitdrukking de gift die je hem geeft voorafgaan en troost hem in zijn kommer met welwillende woorden. Als je zo handelt zal de vreugde die zijn gedachte zal vervullen, het halen op de voldoening van zijn lichamelijke behoeften.

10.

De dag waarop je de mond opent om van iemand kwaad te spreken, weet dan dat je dood bent voor God en dat al je werken ijdel zijn gemaakt, zelfs als je denkt dat dit terecht is en dat het met de intentie is om op te bouwen dat je gedachte deze aanvechting om te spreken heeft gekend. Inderdaad, waartoe dient het om zijn eigen huis af te breken om dat van zijn gezel te herstellen.

11.

De dag waarop je moeite doet voor een mens, op een of andere wijze, met je lichaam of in je gedachte, zonder onderscheid te maken of hij nu goed is of slecht, beschouw jezelf die dag als een martelaar en als iemand die heeft geleden voor Christus en waardig is bevonden hem te belijden. Herinner je inderdaad dat Christus gestorven is voor de zondaars, en niet voor de rechtvaardigen (cf. Matth 9,13). Begrijp hoe het een grote zaak is als je bekommerd bent voor slechte mensen en om eerder goed te doen aan zondaars dan aan rechtvaardigen ! De Apostel brengt het ons in herinnering als een zaak die bewondering verdient (Rom.5,7-8).

12.

Als je ertoe geraakt om in je binnenste de gerechtigheid van de ziel te verwerven, maak je dan niet bezorgd om een andere gerechtigheid te zoeken. Dat al je werken worden voorafgegaan door de kuisheid van het lichaam en de zuiverheid van het geweten, want, zonder deze zijn al je daden ijdel voor God (letterlijk : leeg). Wees je ook bewust dat elke daad die je zonder bedachtzaamheid of onderscheiding volbrengt, eveneens ijdel is, zelfs al is ze (op zichzelf) goed, want God beschouwt als gerechtigheid wat met onderscheiding is volbracht en niet wat de vrucht is van het toeval.

Uit :  Heiliging 1-2/2008

Wordt vervolgd…..