10e zondag na Pinksteren : de genezing van de maanzieke

 10e zondag na Pinksteren

 ‘de genezing van de maanzieke’ (bezetene)

 

 (Geen liturgie in de parochie van Gent)

maanzieke.jpg

miniatuur uit een middeleeuw handschrift

EERSTE LEZING : 1 Kor.,4.9-16

 Maar volgens mij heeft God ons, apostelen, de laagste plaats toegewezen, alsof we ter dood veroordeeld zijn. We zijn voor heel de wereld, zowel voor engelen als mensen, een schouwspel geworden.  Wij zijn dwaas omwille van Christus, terwijl u dankzij Christus zo geweldig wijs bent; wij zijn zwak, terwijl u zo geweldig sterk bent; u staat enorm in aanzien, terwijl wij worden veracht.  Tot op de dag van vandaag lijden we honger en dorst, hebben we nauwelijks kleren, worden we mishandeld, zijn we dakloos,  zwoegen we voor ons eigen brood. Worden we bespot, dan zegenen we; worden we vervolgd, dan verdragen we het;  worden we beledigd, dan antwoorden we vriendelijk. Tot op dit ogenblik zijn wij het uitschot van de wereld, het uitvaagsel van de mensheid. Ik schrijf dit alles niet om u te beschamen, maar om u als mijn geliefde kinderen terecht te wijzen.  Hoeveel opvoeders in het geloof in Christus u ook zult hebben, u hebt maar één vader. Door Christus Jezus ben ik uw vader geworden, omdat ik u het evangelie heb gebracht.  Ik roep u dus op mij na te volgen.

EVANGELIE: Matth.,17.14-23

Gebrek aan geloof

 Toen ze zich weer bij de mensenmassa voegden, kwam er iemand naar hem toe die voor hem op zijn knieën viel  en zei: ‘Heer, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maanziek en lijdt daar erg onder; hij valt dikwijls in het vuur of in het water.  Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet genezen.’  Jezus antwoordde: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet ik jullie nog verdragen? Breng hem bij me.’  Daarop sprak Jezus de demon op strenge toon toe. Deze ging uit de jongen weg, en vanaf dat moment was hij genezen.  Later kwamen de leerlingen naar Jezus toe. Eenmaal met hem alleen vroegen ze: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’  Hij antwoordde: ‘Vanwege jullie gebrek aan geloof. Ik verzeker jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zullen jullie tegen die berg zeggen: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.’  Andere handschriften hebben een extra vers: ‘ Dit soort kan alleen door gebed en vasten worden uitgedreven.’ Terwijl ze door Galilea trokken, zei Jezus tegen hen: ‘De Mensenzoon zal uitgeleverd worden aan de mensen.  Die zullen hem doden, maar op de derde dag zal hij uit de dood worden opgewekt.’ Dit maakte hen zeer bedroefd.

COMMENTAAR OP HET VERHAAL :

 KLEIN GELOOF
De tweede maat van geloof is “kleingeloof”. In Mt.17 lezen wij het verhaal van een wanhopige vader. Zijn zoon is bezeten door een boze geest die de jongen dikwijls in het vuur doet vallen en dikwijls in het water. Marcus voegt daaraan toe dat van kinds af aan: 9:18 “waar (de boze geest) hem aangrijpt, werpt hij hem op de grond; en hij heeft het schuim op de mond, en hij knerst met zijn tanden en verstijft.”. En Lucas schrijft dat de boze geest de jongen grijpt “en dan schreeuwt hij plotseling en hij doet hem stuiptrekken, … en als hij hem mishandelt, laat hij hem nauwelijks los.” – kortom: een hoopje hopeloze ellende. De vader wil Jezus vragen om zijn bezeten zoon te bevrijden. Maar wanneer hij aankomt, ontdekt hij dat Jezus gisteren met Petrus, Johannes en Jacobus de verheerlijkingsberg beklom. De negen overgebleven discipelen proberen het klusje zelf te klaren, maar het lukt hun niet om de boze geest uit de bezeten jongen te drijven. Gelukkig keert Jezus op tijd bij Zijn discipelen terug. De vader: Mt.17:14-20a “kwam tot Hem, knielde voor Hem neder, en zeide: 15 Here, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maanziek en hij is er slecht aan toe; want dikwijls valt hij in het vuur en dikwijls in het water.”. Matteüs, Marcus en Lucas verslagen alle drie wat de wanhopige vader dat aan Jezus zegt: “16 … ik heb hem naar uw discipelen gebracht en zij hebben hem niet kunnen genezen.” “17 Jezus antwoordde en zeide: … Breng hem Mij hier. 18 En Jezus bestrafte hem en de boze geest ging van hem uit, en de knaap was genezen van dat ogenblik af. 19 Toen kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden, toen zij met Hem alleen waren: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven? 20 Hij zeide tot hen: Vanwege uw kleingeloof.”. De discipelen staan tegelijk in verwondering en in verwarring. Boze geesten uitdrijven is veel moeilijker gebleken dan zij dachten. De vader van de bezeten – nu bevrijdde – knaap heeft gelijk: zij hebben het niet gekund. Hoe komt het dat wat voor de discipelen een onmogelijke opgave was, voor Jezus maar een klein kunstje bleek te zijn? Zij willen graag weten hoe het komt dat het Hem lukt en hun niet: “Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?”. Jezus’ antwoord: “Vanwege uw kleingeloof.”!

Wat is “kleingeloof”? Wanneer is ons geloof te klein? Het Marcusevangelie verslaat het gesprek tussen Jezus en de vader van de bezeten jongen vollediger. De vader zegt aan Jezus: v.22b “als Gij iets kunt doen, help ons en heb medelijden met ons!”. Jezus antwoordt: vv.23-24 “Als Gij kunt! Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft. 24 Terstond riep de vader van de knaap uit en zeide: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!”. Ik denk dat de vader van de bezeten knaap ons toont wat klein geloof is, nl. geloof dat met twijfel gepaard gaat; geloof dat niet zeker is. Echt geloof: Hebr.11:1 “is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet.”, of, zoals “Het Boek” dit vers prachtig vertolkt: “de absolute zekerheid dat onze hoop ook werkelijkheid wordt en het is het bewijs van dingen die wij niet kunnen zien.”. De NBV geeft het nog anders weer: “Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien.”. De vader van de bezeten jongen heeft zeker geloof. Hij gelooft wellicht dat boze geesten kunnen worden uitgedreven, en dat Jezus dit ook kan, want anders was hij niet met zijn zoon om hulp komen vragen. Maar nu het de discipelen van Jezus niet gelukt is om hem te helpen, twijfelt hij. Laten wij ons geloof ook soms beïnvloeden door het “succes” van medegelovigen? Als een voorganger of een oudste voor een zieke bidt, en wij de zieke niet zien genezen, laten wij ons ontmoedigen om voor ons te laten bidden? I.a.w.: stellen wij te veel vertrouwen op het “personeel” van de Heer dan op de Heer Zelf? Zo ja, lijden wij aan klein geloof.

 

Gregorius van Nazianze : Kom naar het licht

H. Gregorius van Nazianze (330-390), bisschop en Kerkleraar
Hymne 32 ; PG 37, 511-512

Kom naar het licht

gregorius-van-nazianze23.jpg
Wij zegenen U, Vader van de lichten,
Christus, Woord van God, schittering van de Vader,
Licht van licht, en bron van licht,
Geest van vuur, adem van de Zoon en van de Vader.

Heilige Drie-eenheid, ongedeeld licht,
U verdrijft de duisternis om te scheppen
Een wereld vol van licht, orde en schoonheid,
Die uw gelijkenis draagt.

Met rede en wijsheid verlicht U de mens,
Hem verlicht U met het zegel van uw Beeld,
Opdat hij in uw Licht, het licht ziet (Ps 37,10),
En opdat alles licht wordt.

U laat talrijke lichten aan de hemel stralen,
Bedoeld voor de dag en de nacht
Om samen de tijd te verdelen,
Rustig om de beurt.

De nacht maakt een einde aan het werk van het vermoeide lichaam.
De dag roept op tot het werk waar je van houdt,
En leert ons om de duisternis te ontvluchten, om ons te haasten
Naar de dag die geen nacht meer zal hebben.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Augustinus : Broederliefde

Broederliefde

Boutons_upimage.jpg

“Wie niet rechtvaardig leeft, is geen kind van God, en allerminst hij die zijn broeder niet liefheeft. Want dit is de boodschap – dat gij vanaf het begin hebt gehoord : dat wij elkaar moeten beminnen” Hier laat Johannes  in zijn eerste brief duidelijk zien hoe hij tot de uitspraak komt dat alwie tegen  het gebod van de broederliefde misdoet, vervalt tot die misdadige zonde, die het kenmer is van hen die niet uit God zijn. “Niet gelijk Kaïn, die een kind van het kwaad was, en zijn broeder vermoordde. En waarom vermoordde hij hem ? Omdat zijn eigen daden slecht waren en die van zijn broer goed. Waar afgunst heerst, is geen plaats voor broederliefde”

 Augustinus : Eenheid en liefde – Augustinus preken over de eerste brief van Johannes. Vertaald door Prof. Dr. T.J.van Bavel. Uitgave Augustijns historisch instituut. P91

bloemenrand2.gif

Heilige Efraïm de Syriër

Heiligenleven

Heilige Efraïm de Syriër

Efraïm de Syriër 111.jpg 

De heilige Efraïm de Syriërwerd in 306 geboren te Nisibis in Mesopotamië. Hij kwam uit een arm gezin en moest in zijn jeugd reeds de kost verdienen als schaapsharder. Eens werd de kudde aangevallen door een overmacht van wolven, zodat ondanks het moedig gevecht van de herders, een aantal schapen gedood en opgevreten werden. In die streek was dat eigenlijk nog nooit voorgekomen en daarom werden de herders niet geloofd. Integendeel, ze werden ervan beschuldigd zelf de schapen geroofd te hebben en ze werden veroordeeld tot gevangenisstraf. In het begin was Efraïm, evenals de anderen, geheel en al opstandig over de schreeuwende onrechtvaardigheid, maar in een droom kwam hem het inzicht dat hij toch in veel andere dingen schuldig stond tegenover God. Daarna aanvaardde hij gelaten de straf.

Toen na enige tijd duidelijk werd dat inderdaad een grote groep wolven de streek onveilig maakte, kwam hun onschuld aan het licht zodat zij vrijgelaten werden. Het gedrag van Efraïm had echter de aandacht getrokken van de priester die belast was met de zorg voor de gevangenen, en deze sprak over hem met de bisschop Jacobos. Deze nam hem toen op in zijn seminarie. Daar bleken al spoedig zijn helder verstand en geestelijk inzicht en nadat Efraïm diaken was gewijd, vergezelde hij zijn bisschop naar het Concilie van Nicea.

Terug in Nisibis werd hem het predikambt toevertrouwd, waarin hij zich op bijzondere wijze ontwikkelde. Hij was een groot dichter en schreef zijn preken in metrische vorm. Ze werden min of meer zingend voorgedragen en daardoor wist hij diepzinnige theologische beschouwingen en opwekkingen tot geestelijk leven aantrekkelijk te maken, ook voor gewone mensen, die hem als een van de hunnen herkenden.

Zijn roem breidde zich uit over heel de christenheid; zijn geschriften werden alom vertaald en gebruikt. Toen Nisibis in 363 door de Perzen was ingenomen werd Efraïm uitgenodigd naar de beroemde theologische school van Edessa te komen. Ook daar zette hij zijn ascetische levenswijze voort en hij vestigde zich in een grot buiten de stad. Hij gaf onderricht aan de studenten die bij hem kwamen, en predikte voor het volk dat aangetrokken werd door zijn roep van heiligheid.

Toen hij ouder werd trok hij nog naar Egypte om de grote woestijnmonniken te bezoeken. Onderweg werd hij door de grote Basilios tot priester gewijd, maar hij heeft nooit de Heilige Liturgie durven vieren, omdat de verhevenheid van dit Mysterie hem zo duidelijk voor ogen stond.

Ook na zijn dood te Edessa, in 373, heeft hij grote invloed uitgeoefend door zijn bijbelcommentaren en liturgische gebeden. Denken we slechts aan dat wonderbare gebed : “Heer en Meester van mijn leven…” dat ons de gehele Vastentijd zo intensief vergezelt (meneon V,82-90)

Bron : Heiligenleven voor elke dag : uitg.orthodox klooster Den Haag

9e zondag na Pinksteren : “Petrus zinkt”

 

9e zondag na Pinksteren

“Petrus zinkt”

Feest van de ontslaping van de heilige Anna

Gedachtenis van de Vaders van het 5e oecumenisch concilie

 

Petrus - zinkt.jpg

Armeens muzeum Isfahan

 

LEZINGEN VAN DE ZONDAG

 (met een verhaal voor kinderen !)

1 Kor.3,9-17

.Dus wij zijn medewerkers van God en u bent zijn akker.U bent een bouwwerk van God. Overeenkomstig de taak die God mij uit genade heeft opgelegd, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, en anderen bouwen daarop voort. Laat ieder erop letten hoe hij bouwt,  want niemand kan een ander fundament leggen dan er al ligt – Jezus Christus zelf.  Of er op dat fundament nu verder wordt gebouwd met goud, zilver en edelstenen of met hout, hooi en stro,  van ieders werk zal duidelijk worden wat het waard is. Op de dag van het oordeel zal dat blijken, want dan zal het door vuur aan het licht worden gebracht. Het vuur zal laten zien wat ieders werk waard is.  Wanneer iemands bouwwerk blijft staan, zal hij worden beloond. Wanneer het verbrandt, zal hij daarvoor de prijs betalen; hijzelf zal echter worden gered, maar door het vuur heen. Weet u niet dat u een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont?  Indien iemand Gods tempel vernietigt, zal God hem vernietigen, want Gods tempel is heilig – en die tempel bent u zelf.

 

Evangelielezing :

 

Matth. 14,22-34

 Meteen daarna gelastte hij de leerlingen in de boot te stappen en alvast vooruit te gaan naar de overkant, hij zou ook komen nadat hij de mensen had weggestuurd. Toen hij hen weggestuurd had, ging hij de berg op om er in afzondering te bidden. De nacht viel, en hij was daar helemaal alleen.  De boot was intussen al vele stadiën van de vaste wal verwijderd en werd, als gevolg van de tegenwind, door de golven geteisterd.  Tegen het einde van de nacht kwam hij naar hen toe, lopend over het meer.  Toen de leerlingen hem op het meer zagen lopen, raakten ze in paniek. Ze riepen: ‘Een spook!’ en schreeuwden het uit van angst.  Meteen sprak Jezus hen aan: ‘Blijf kalm! Ik ben het, wees niet bang!’  Petrus antwoordde: ‘Heer, als u het bent, zeg me dan dat ik over het water naar u toe moet komen.’ Hij zei: ‘Kom!’ Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe.  Maar toen hij voelde hoe sterk de wind was, werd hij bang. Hij begon te zinken en schreeuwde het uit: ‘Heer, red me!’  Meteen strekte Jezus zijn hand uit, hij greep hem vast en zei: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’  Toen ze in de boot stapten, ging de wind liggen.  In de boot bogen de anderen zich voor hem neer en zeiden: ‘U bent werkelijk Gods Zoon!’  Toen ze overgestoken waren, gingen ze aan land bij Gennesaret.

 

 +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

KIJK, DIE PETRUS!

 Nooit zou Petrus voor iemand knielen. Dat deed immers geen enkele vrome Jood. Voor geen koning, geen keizer, voor niemand. Voor niemand?

 ‘Jouw beurt, Johannes.’ zegt Petrus. Hij schuift wat naar achteren en reikt de riemen over aan Johannes.

Gelukkig, hij kan even uitrusten. Wat een wind, zeg! En dan nog tegen. Zeilen kan helemaal niet meer. Nee, het wordt echt een nachtje ploeteren. Brr! Petrus huivert in zijn wollen jas. Zijn ogen proberen door de duisternis heen te boren om te ontdekken waar ze eigenlijk zijn. Wat vervelend dat Jezus niet bij hen is. Petrus voelt zich niks op zijn gemak zonder zijn grote vriend.

‘Ik wil dat jullie vast naar de overkant varen,’ had de Heer gezegd. ‘Ik kom wel.’

’t Kon wel een tijdje duren voordat ze Hem weer terugzagen. Petrus was zo graag gebleven. Het ging juist zo spannend worden. De mensen die van de broden en vissen hadden gegeten, wilden Jezus koning maken. Tsjonge, wat een avontuur. Het zou er dan eindelijk van komen. Jezus op de troon en alle vijanden het land uit. Maar nee hoor! De Heer had hen allemaal in het bootje geduwd en gezegd: ‘Ik stuur de mensen weg en dan kom ik bij jullie.’

 ‘Jouw beurt, Jakobus!’ hoort hij Johannes roepen. Jakobus schuift naar de riemen. ’t Lijkt wel of de wind nog toeneemt. Wolkenflarden vliegen langs de lucht. Het lapje, dat als vlaggetje dienst doet, klappert in de wind.

Plotseling voelt Petrus zich naar achteren glijden. Een grote golf tilt het voorschip op. Ze tuimelen allemaal over elkaar heen. Hou je vast! Hou je toch goed vast!!

Andreas, die de schipper is, schreeuwt zijn bevelen. Petrus is wel wat gewend als visser, maar hij klemt zich toch met beide handen aan de rand van de boot vast. Daar komt weer een grote golf… Ineens, als ze een moment zo hoog opgetild worden, ziet hij iets wits. Een zeil soms van een ander schip? Het zou wel stom zijn om met dit weer je zeil omhoog te houden. Het schip is al weer in een dal terechtgekomen. De anderen hebben het echter ook gezien.

‘Daar! Daar is iets!’ schreeuwt Judas met schorre stem. Een grote golf spat uiteen tegen de boeg. Een klets water zorgt ervoor dat Judas even niets meer ziet. Iedereen kijkt gespannen uit naar de volgende hoge golf. Daar istie…

‘Het is een spook!’ gilt Tomas.

Ja echt. Er is een witte gedaante midden op het meer. Wat vreselijk eng. Spoken bestaan niet, maar toch… Joeiii! Daar glijden ze al weer een waterdal in. Met angst en vrezen wordt de volgende golf afgewacht. Zal het spook er nog zijn?… en dichterbij?

‘Houdt moed. Ik ben het. Weest niet bang!’

Wat een bekende stem. Dat is toch de stem van Jezus?

Hij komt hen zomaar tegemoet. Lopend over het water. De wind blaast Hem niet weg. De golven slokken Hem niet op. Een koude rilling gaat door Petrus heen, een onbeschrijfelijk gevoel van trots. Zijn meester. De baas over wind en golven.

‘Daar wil ik bij zijn.’ flitst het door hem heen. Hij schreeuwt luid: ‘Mag ik bij U komen, Jezus? Als u het zegt doe ik het.’

Z’n ene been glijdt al vast over de rand. Mag het?

‘Kom!’ zegt Jezus.

Kijk die Petrus nou toch! Een moment later zit hij wiebelig op de rand van de boot, beide handen achter zich om de rand geklemd, zijn voeten tastend naar het water. Een, twee, hoeps! En plons natuurlijk.

Niks geen plons!

Onder zijn voeten is, glad als glas het water. Aarzelend, stap voor stap, alsof hij lopen leert, gaat hij naar Jezus. Zijn hoofddoek waait weg in de wind. Vanuit de boot klinken kreten van bewondering.

‘Hoe doe ik het eigenlijk? Dit kan toch helemaal niet?’ denkt Petrus. ‘Kijk die golven eens en die wind.’

Hij voelt angst in zich opkomen.

En dan… Nee! Nee, het gaat niet goed. Hij zinkt!!

‘Help, Heer, red mij!’ schreeuwt hij in doodsnood.

Daar is de hand van Jezus al. Net op tijd.

‘Waarom ben je gaan twijfelen? Vertrouw mij toch.’ zegt de Heer vriendelijk. Hand in hand lopen ze naar de boot, de leerling en de meester.

Behulpzame handen worden uitgestoken om hem in het schip te trekken. De wind gaat liggen. De zon komt op met prachtige oranjekleurige banen over het water. Denk je dat Petrus dat ziet? Nee, hij kijkt vol eerbied naar Jezus.

Ook de anderen zwijgen vol ontzag en vallen met Petrus op de knieën neer. De een na de ander zegt: ‘Heer, meester… U bent Gods Zoon!!

Ontslaping van de heilige Anna

ontslaping van sint Anna 25 juli.jpg

Ontslaping van de heilige Anna
 
Oecumenisch concilie 5e.jpg
5e oecumenisch concilie

Efraïm de Syriër : De mensenzoon moet worden verheven….

Sermon toegeschreven aan de H. Efraļm (ca. 306-373), diaken in Syriė, Kerkleraar
Over het berouw

“De Mensenzoon moet worden verheven: opdat ieder die in Hem gelooft, het eeuwige leven zou hebben”

 Efraim de Syriër.jpg

     Toen het volk gezondigd had in de woestijn (Nm 21,9), beval Mozes, die profeet was, aan de Israėlieten om een slang op een kruis te plaatsen, dat wil zeggen dood aan de zonde brengen… Men moest naar een slang kijken, omdat de kinderen van Israėl als straf, door de slangen getroffen waren. En waarom door slangen? Omdat ze het gedrag van onze eerste ouders hadden herhaald. Adam en Eva hadden beiden gezondigd door de vrucht van de boom te eten; de Israėlieten hadden gemopperd over een kwestie van voedsel. Klachten uiten omdat men groente mist, is het toppunt van gemopper. Daarom verklaard de psalm: “Ze waren in de wildernis weerspannig tegen God” (Ps 78,17). Welnu, ook in het Paradijs is de slang de oorsprong van gemor…

      De kinderen moesten ook leren dat diezelfde slang die de dood van Adam had beraamd, ook hun dood had veroorzaakt. Mozes had dus de slang op het hout geplaatst, opdat zij die het zagen, door de overeenkomst herinnerd zouden worden aan de levensboom. Zij die er immers naar keken, waren gered, zeker niet dankzij de slang, maar door hun bekering. Ze keken naar de slang en ze herinnerden zich hun zonde. Omdat ze gebeten waren, hadden ze berouw, en nogmaals werden ze gered. Hun bekering transformeerde de woestijn in een woonplaats voor God; het zondige volk werd door het berouw een kerkelijke gemeenschap en nog beter, ondanks zichzelf aanbad het volk het kruis.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org