Heiligenleven : Heilige Meletios van Antiochie

 

Heiligenleven

De heilige Meletios, aartsbisschop van Antiochië

meletios

De heilige Meletios, aartsbisschop van Antiochië, stamde uit een der voornaamste families van Melitene, de hoofdstad van Klein-Armenië. Vanaf zijn jonge jaren was hij geneigd tot gebed en hij had een echt studiehoofd. Zijn oprechte hartelijkheid en vredelievendheid, zijn begrip voor het standpunt van anderen, wonnen waardering bij arianen zowel als orthodoxen. Daarom werd hij gekozen tot bisschop van Sebaste, maar dit kon de merendeels ariaanse bevolking toch niet verkroppen, zodat hij te maken kreeg met hardnekkige tegenwerking. Hij deed daarom afstand en trok zich terug in de eenzaamheid. Na allerlei twisten werd Meletios tot aartsbisschop verkozen van Antiochië, maar toen hij te zeer de orthodoxe leer verkondigde over de godheid van Christus, werd hij reeds na een maand in ballingschap gezonden. Bij het begin  van de regering van Keizer Juliaan kon hij naar zijn zetel terugkeren, maar toen deze het heidendom weer wilde invoeren, verzette Meletios zich daartegen met zoveel overtuiging, dat hij al spoedig opnieuw in ballingschap moest gaan.

In de verwarde tijden die volgden, werd hij herhaalde malen op zijn troon hersteld en in ballingschap gezonden, terwijl intussen een nieuwe bisschop, Paulinos, werd benoemd. De beroemde heilige Kerkvaders uit die tijd, Basilios, Johannes Chrysostomos, Gregorius van Nazianze en Gregorios van Nyssa, schaarden zich achter Meletios, maar deze toonde zijn vreedzame gezindheid door aan te bieden de zetel te delen met Paulinos. Er moesten nog grote moeilijkheden overwonnen worden, maar tenslotte werd dit aanbod aanvaard. Hij werd voorzitter van het concilie van Antiochië in 1379, waar de dwalingen van Apollinaris werden veroordeeld, zonder diens naam te noemen.

Toen hij in 381 voorzitter was van het tweede Oecumenisch Concilie van Constantinopel, overleed hij, door iedereen diep betreurd.

Uit : heiligenleven voor elke dag -orthodox  klooster van den Haag

Pinksteren

PINKSTEREN

Pinksteren nb (440 x 543)

 

LEZINGEN :

Eerste lezing : Handelingen 2,1-11

Pinksteren
 Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren zij allen op één plaats bijeen.  Plotseling kwam er uit de hemel een geraas alsof er een hevige wind opstak, en het vulde heel het huis waar zij waren.  Er verschenen hun vurige tongen, die zich verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten.  Zij raakten allen vol van heilige Geest en begonnen te spreken in vreemde talen, zoals de Geest hun ingaf.
     
Nu woonden er in Jeruzalem vrome Joden, afkomstig uit ieder volk onder de hemel.  Toen dat geluid opkwam, liep de menigte te hoop en raakte in verwarring, omdat iedereen hen in zijn eigen taal hoorde spreken.  Ze stonden versteld en vroegen zich verwonderd af: ‘Maar dat zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken!  Hoe is het dan mogelijk dat ieder van ons de taal van zijn geboortestreek hoort?  Parten en Meden en Elamieten, en bewoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, Pontus en Asia,  Frygië en Pamfylië, Egypte en het Libische gebied bij Cyrene, en hier woonachtige Romeinen,  Joden en proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal spreken over de grote daden van God.’

EVANGELIE

Johannes 7,37-5. 8,12.

Stromen levend water
      Op de laatste dag, het hoogtepunt van het feest, stond Jezus daar en riep: ‘Heeft iemand dorst, laat hij dan naar Mij toe komen, en laat drinken  wie in Mij gelooft! Zoals de Schrift zegt: Uit zijn binnenste zullen stromen levend water vloeien.’  Hiermee doelde Hij op de Geest die men zou ontvangen als men tot geloof in Hem kwam. Toen was de Geest er namelijk nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.

Verdeeldheid onder de toehoorders
      Onder het volk waren er die bij het horen van deze woorden zeiden: ‘Dit is werkelijk de profeet.’  Sommigen beweerden: ‘Hij is de Messias.’ Maar er waren er ook die zeiden: ‘De Messias komt toch niet uit Galilea Zegt de Schrift niet dat de Messias uit het geslacht van David komt en uit Betlehem, de woonplaats van David?’  Zo ontstond er verdeeldheid over Hem onder het volk.  Er waren er die Hem wilden grijpen, maar niemand sloeg werkelijk toe.

Ongeloof van de autoriteiten
      Toen de gerechtsdienaren bij de hogepriesters en farizeeën terugkwamen, vroegen dezen: ‘Waarom hebben jullie Hem niet meegebracht?’  De dienaars zeiden: ‘Nog nooit heeft een mens zo gesproken!’  Waarop de farizeeën antwoordden: ‘Hebben jullie je ook al laten misleiden?  Heeft een van de leiders Hem geloof geschonken? Of iemand van de farizeeën?  Maar dat volk, dat de wet niet kent, vervloekt zijn ze!’  Nikodemus, de man die indertijd naar Jezus toe was gekomen, iemand uit hun eigen kring, merkte op:  ‘Sinds wanneer staat de wet ons toe iemand te veroordelen zonder hem eerst te horen en ons over zijn daden een oordeel te vormen?’  Maar hij kreeg als antwoord: ‘Bent u soms ook een Galileeër? Zoek het maar na en u zult zien: uit Galilea komen geen profeten!’

  Weer richtte Jezus zich tot hen: ‘Ik ben het licht van de wereld. Wie Mij volgt, gaat zijn weg niet in de duisternis, maar zal het ware levenslicht bezitten.

pinksteren

Cyrillus van Alexandrië : Vader ik heb uw naam bekend gemaakt aan der mensen

H. Cyrillus van Alexandrië (380-444), bisschop, Kerkleraar
Commentaar op het Evangelie van Johannes, 11, 7; PG 74, 497-499

CyrillusAlexandrie258

“Vader, Ik heb uw naam bekend gemaakt aan de mensen”

       De Zoon heeft de naam ‘Vader’ niet alleen laten kennen om Hem te openbaren en om ons een onderricht te geven over zijn goddelijkheid. Want dat alles werd reeds verkondigd door de geïnspireerde Schrift vóór de komst van de Zoon. Maar ook door ons te leren dat Hij niet alleen waarlijk God is, maar dat Hij ook waarlijk Vader is, en werkelijk zo betiteld door in Hemzelf en buiten zichzelf zijn Zoon, van nature even eeuwig, voort te brengen.

      De naam Vader is meer eigen aan God dan de naam God: welke een naam van waardigheid is, die andere naam betekent echter een wezenlijk kenmerk. Want wie God zegt, zegt de Heer van het Universum. Maar wie Hem Vader noemt, preciseert de kenmerken van de Persoon: het toont dat Hij het is die verwekt. Dat deze naam Vader nog meer waar en eigen is dan die van God, toont ons de Zoon zelf door hoe Hij deze Naam gebruikt. Hij zei niet “God en Ik”, maar: “Ik en de Vader, wij zijn één” (Joh 10,30). En Hij zei ook: “Op de Zoon heeft God de Vader zijn zegel gedrukt” (Joh 6,27).

      Maar als Hij aan zijn leerlingen heeft voorgeschreven om alle naties te dopen, heeft Hij daarbij opzettelijk verordend dat dit niet in de naam van God gedaan zou worden, maar in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Gregorius van Nyssa : Aanstonds zag hij weer, en volgde Hem op zijn weg

H. Gregorius van Nyssea (ca 335-395), monnik en bisschop
Het leven van Mozes, II, 231-233, 251-253  

Gregorius van Nyssa523

Gregorius van Nyssa

“Aanstonds zag hij weer, en volgde Hem op zijn weg”

      [Op de berg Sinaď zei Mozes tegen de Heer :”Laat mij toch uw Majesteit zien”. God antwoordde: “Ik zal in mijn volle luister voor je langs gaan … , maar mijn Gelaat zul je niet kunnen zien” (Ex 33,18s).] Het voelen van dat verlangen, lijkt me voort te komen uit een ziel die door de liefde voor de essentiële schoonheid wordt bewogen, een ziel die door de hoop steeds wordt meegevoerd naar de schoonheid die zij gezien heeft bij Degene die aan de andere zijde is… Deze moedige vraag die alle grenzen van het verlangen te boven gaat, gaat niet over het zien van de Schoonheid in spiegels en weerspiegelingen, maar van gelaat tot gelaat. De goddelijke stem staat het gevraagde toe door het feit dat ze het weigert…: de vrijgevigheid van God staat haar de vervulling van haar verlangen toe; maar tegelijkertijd belooft ze haar niet de rust en de verzadiging… Daaruit  bestaat het ware zien van God: in het feit dat degene die de ogen opheft naar Hem nooit stopt met naar Hem te verlangen. Daarom zegt Hij: “Je zult mijn Gelaat niet zien”…

      De Heer, die Mozes zo had geantwoord, drukt zich op dezelfde wijze uit tegenover zijn leerlingen en zet daarmee de betekenis van dat symbool in het licht. “Wie achter mij aan wil komen”, zegt Hij (Lc 9,23) en niet : “Wie voor Mij uit wil gaan”. Degene die Hem een verzoek doet betreffende het eeuwige leven, stelt Hij hetzelfde voor: “Kom, volg Mij” (Lc 18,22). Welnu degene die volgt kijkt naar de rug van degene die leidt. Dus het onderricht dat Mozes ontvangt op een wijze waarbij het onmogelijk is om God te zien, is als volgt: God volgen waar Hij je heenleidt, dat is God zien…

      Het is immers niet mogelijk om veilig te reizen voor degene, die de weg niet kent die hij moet gaan, als hij de gids niet volgt. De gids toont hem de weg door voor hem uit te gaan; degene die volgt zal daardoor niet van de goede weg afgaan, als hij zich altijd naar de rug, van degene die leidt, keert. Als hij immers naast hem loopt of als hij tegenover zijn gids loopt, dan bevindt hij zich op een andere weg dan die welke de gids toont. Daarom zegt God tegen degene die Hij leidt: “Mijn Gelaat zul je niet zien”, dat wil zeggen: “Ga niet tegenover je gids staan”. Want dan loop je de tegenovergestelde richting op als Hij… Hier zie je hoe belangrijk het is om God te leren volgen. Degene die Hem zo volgt, zal geen enkele tegenwerking van het kwaad meer op zijn reis hebben.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org