Het beeld en de gelijkenis van God in de mens

Het beeld en de gelijkenis van God in de mens

(Ascetisch essai van de heilige bisschop Ignace Briantchaninov)

ignatius_Brianchaninov_the_Bishop 30e april
 

“Laten wij de mens maken naar Ons Beeld en Onze gelijkenis!” Dit is de mysterieuze raad die de heilige Drie-eenheid, onze God doet weerklinken in en met Zichzelf door de schepping van de mens. Aldus is de mens het beeld en de gelijkenis van God ! aldus is God, in zijn grootheid, onbereikbaar en staat hij boven elk beeld. Het is weergegeven in de mens, helder en met luister. Weerspiegelt de zon zich niet in een nederige druppel water ?

De menselijke natuur is naar het beeld van de goddelijke natuur. Dat wat de mens anders maakt dan een dier, dat wat hem gelijk maakt aan de engelen, is zijn geest. De eigenschappen van de menselijke geest, wanneer hij nog in zijn staat van zuiverheid en onschuld verkeerde, zijn volgens de gelijkenis met God. God heeft vanuit zijn almachtige Rechtschapenheid deze gelijkenis geboetseerd in de mens. Hij staat boven elke gelijkenis en elke vergelijking !

Wat is de mens ? Een volmaakt wezen, vervuld met alle waardigheid en alle schoonheid. De Almachtige heeft ter zijner intentie van de zichtbare natuur, welke hij totaal bestemd had om hem te dienen, een buitengewone omgeving gemaakt. Wanneer hij alle andere wezens vanuit het niet tot het bestaan heeft gebracht, heeft Hij zich tevreden gesteld met een almachtige orde; maar wanneer hij het grote werk van de schepping van de wereld door de schepping van de meest verfijnde en de meest vervulde van alle schepselen heeft volbracht, dan heeft hij deze act doen voorafgaan met een raad…..

De imposante materie die vóór de mens geschapen is, met haar oneindige diversiteit, is niets anders (wij durven dit bevestigen want het is de waarheid) dan een voorbereidende schepping. Een aardse koning is bezorgd om een zaal te vinden om er zijn portret in op te stellen. Op dezelfde wijze is het bij de Koning der koningen. Hij heeft de zichtbare natuur en al haar schoonheid, schitterend en bewonderenswaardig,voorbereid om er Zijn Beeld in te plaatsen, ultieme oorzaak van alles wat er is voorafgegaan. Anderzijds, na de schepping van de wereld heeft God datgene wat Hij had gemaakt bewonderd en zag dat het goed was (Gen 1,25). Maar na de schepping van de mens, nadat hij opnieuw datgene wat Hij had geschapen bewonderde, vond Hij Zijn schepping  beëindigd, volmaakt, volledig, Hij zag alles wat Hij geschapen had en zie het was zeer goed (Gen.1,31).

Mens, begrijp dus je waardigheid ! Bekijk de grasvelden en de landerijen, de grote rivieren, de immense zeeën , de hoge bergen, de prachtige bomen, alle dieren van de aarde en alle die zich verplaatsen in de wateren, de maan, de zon en de hemel : dit alles is voor u, tot uw dienst ! En als extra, buiten de wereld die wij zien, is er ook een onzichtbare wereld voor onze ogen, onvergelijkbaar hoger dan de zichtbare wereld : en deze onzichtbare wereld is ook geschapen voor de mens !

Hoe heeft God Zijn beeltenis geëerd !… En welk edele bestemming heeft hij ervoor voorzien ? De zichtbare wereld is niets anders dan de wachtkamer van een onvergelijkbaar uitgestrekt en mooi verblijf. Het beeld van God verblijft in deze wachtkamer om bekleed te worden met de definitieve kleuren, om zo veel mogelijk te gelijken op haar al heilig en volmaakt Origineel : Zij zou kunnen, door de schoonheid en de fijnheid van deze gelijkenis , doordringen in het paleis waar het Originele zich onuitsprekelijk laat kennen, en die  Zijn Oneindigheid onuitsprekelijk  beperkt om toegankelijk te zijn voor Zijn redelijke schepselen en wel-beminden.

Het beeld van God-Drie-eenheid is de trinitaire mens. Men vindt in de ziel van deze laatste drie krachten, die deze ziel kenmerken.

Onze gedachten en onze spirituele waarnemingen tonen ons met alle zekerheid het bestaan van het verstand, of het intellect , dat volstrekt onzichtbaar en onbegrijpelijk is. Het past hierbij te verduidelijken dat de Heilige Schrift en de Geschriften van de Vaders, het woord geest dikwijls als de ziel in het algemeen aanduidt, en dikwijls één van de machten  van de ziel, het intellect of de machten van het woord. Maar algemeen gesproken, geven de Vaders aan de ziel deze drie bijzondere machten : het intellect (of de rede), de gedachte ( of het woord), en de geest. De geest is de bron en de oorsprong van de gedachte, zoals de spirituele waarneming. De geest duidt de bekwaamheid aan om het spirituele waar te nemen (Bij sommige auteurs kan men het woord geest door het woord intellect vervangen; wij gebruiken het ook om de geschapen geesten aan te duiden).

Van nature is onze ziel het beeld van God. En zelfs na de zondeval blijft de ziel het beeld van God ! Zelfs als men in de vlammen van de hel zijn geworpen blijft de ziel het beeld van God ! Zo is de leer van de heilige Vaders. De Heilige Kerk zingt in haar heilige hymnen : “Ik ben het beeld van Uw glorie, zelfs al draag ik de tekenen van de zonde”.

Ons intellect is naar het beeld van de Vader, onze gedachte (wij noemen gewoonlijk gedachte, elk woord dat niet is uitgesproken) naar het beeld van de Zoon, onze geest naar het beeld van de Heilige Geest. Op dezelfde wijze als in de Drie-eenheid, zijn de Drie Personen samengesteld zonder verwarring noch verdeling, een enig Goddelijk Zijn., in de trinitaire mens vormen deze drie “personen” één enkel zijnde, zonder verwarring nog verdeling in drie zijnden.

Ons intellect doet ontstaan en geeft onophoudelijk geboorte aan de gedachte. Eénmaal geboren, houdt de gedachte niet op om opnieuw geboren te worden, en terzelfdertijd is zij reeds geboren, verborgen in het intellect. Het intellect kan niet bestaan zonder de gedachte, en de gedachte zonder het intellect. Het begin van het ene is noodzakelijk het begin van de andere. Het bestaan van het ene is noodzakelijk het bestaan van het andere.

Op dezelfde wijze, komt de geest voort uit het intellect en draagt bij aan de gedachte. Elke gedachte heeft zijn geest, het bestaan van het eerste is noodzakelijk vergezeld van het bestaan van het tweede. Het bestaan van het ene en het andere tonen ons het bestaan van het intellect.

Wat is de geest van de mens ? het is de verzameling van gevoelens uit het hart die toebehoren aan de redelijke en sterfelijke ziel, en die niet bestaat in de ziel van een dier.

Het hart van de mens verschilt van het hart van de dieren door zijn geest. Het dier heeft waarnemingen die uit het bloed en de zenuwen komen, maar hij heeft geen spirituele waarneming. Deze daad van het goddelijk beeld is het erfdeel dat exclusief voor de mens is. De kracht van de mens is dus in zijn geest.

Ons intellect, onze gedachte en onze geest, omwille van de gelijktijdigheid van hun afkomst en hun wederzijdse relaties, zijn naar het beeld van de Vader
, de Zoon en de Heilige Geest, de mede-eeuwige Drie Personen, zonder begin, gelijk in eer en van dezelfde natuur. Diegene die Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien, kondigt de Zoon aan, Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij (Joh.14,9-10). Men kan spreken in dezelfde termen van het menselijk intellect en zijn gedachte.  Het intellect, onzichtbaar uit zichzelf, openbaart zich door de gedachte; diegene die kennis genomen heeft van de gedachte, heeft kennis genomen van het intellect die deze gedachte heeft voortgebracht.

De Heer heeft de Heilige Geest genoemd : heilige macht vanuit de hoge, Geest van Waarheid (Luc 14,49; Joh.14,17). De waarheid is de Zoon, de geest van de mens heeft ook de eigenschappen van deze Macht : hij is de geest van de gedachte van de mens,  zij is waar of vals. Deze geest verschijnt in elke geheime beweging van het hart, in elke wijze van denken, in elke daad van de mens,het is  de geest die de mens heeft geleid in zijn actie.

De barmhartige Heer heeft elke mens getooid naar Zijn Beeld en Zijn gelijkenis. Bestaan naar het beeld van God is de natuur zelf van elke ziel. Maar de gelijkenis is het bezit van de ziel. Van nature is de Schepper eeuwig, wijs, goed, onvergankelijk, heilig, vreemd aan elke passie en elke zonde, aan elke idee en waarneming van de zonde. De mens, van zijn kant, werd ook geschapen naar het beeld van God.

Een handig schilder schets eerst de vormen en de trekken van het gezicht waarvan hij een portret wil maken. Vervolgens geeft hij aan het gezicht en aan de klederen de kleur van het origineel, en zo voltrekt zich de gelijkenis : het beeld werd zo in alle dingen begiftigd met de gelijkheid met God. Indien dit niet het geval was, dan zou het resultaat onvolledig zijn, God onwaardig, en God zou zijn objectief hebben gemankeerd.

Maar helaas, driemaal helaas ! Ween hemelen, en gij zon, de sterren , de aarde en alle aardse schepselen ! Ween, ganse natuur ! Heilige engelen, weent ! snikt met bitterheid en wees ontroostbaar ! Trek de rouwklederen aan ! Het onheil is vervuld, het enige onheil dat de verdienste heeft om onheil te worden genoemd : het beeld van God is gevallen ! Geëerd  door de vrije wil en verleidt door de gevallen engel, heeft de mens gecommuniceerd met de gedachten van duistere geesten en met de vader van de leugen en alle kwaad. Deze communicatie wordt gemanisfesteerd door een act : de scheiding met de goddelijke wil. En Ecclesiasticus zegt met juistheid dat datgene wat krom en gebogen is niet meer recht kan gemaakt worden , datgene wat ontbreekt kan er niet meer bij gerekend worden (Prediker.1,15).

De ontregeling van het beeld en de gelijkenis kan gemakkelijk  geobserveerd worden in elk van ons. De schoonheid van de gelijkheid, die bestaat uit het verbond van alle deugden, werd besmet door de talrijke passies en de slechte adem. De trekken van het beeld zijn hun eerste regelmaat verloren : hun wederzijds akkoord. De gedachte en de geest strijden met elkaar, zij houden op om het intellect te gehoorzamen, zij richten er zich tegen op. Hijzelf verblijft in een blijvende vertwijfeling, in een vreselijke duisternis die God in hem verduisterd, alsook de weg die naar God leidt, de heilige en onfeilbare weg.

Deze ontregeling van het beeld en de gelijkenis wordt vergezeld van een verschrikkelijk lijden. Het volstaat voor de mens om zich lang genoeg te concentreren op zichzelf in de eenzaamheid om zich ervan te overtuigen dat dit lijden permanent is, hoewel het kan afnemen of opgewekt worden, het kan verdrukt worden of niet.

O mens ! Uw verstrooiing en uw plezier verraden het lijden die in u broedt ! Gij zoekt om het te doen verdrinken in de kelk van het luidruchtige lachen en van de vermakelijkheden zonder einde. Ongelukkig ! Vanaf het moment dat je één minuut van waakzaamheid vertoond, wordt gij opnieuw overwonnen door dit lijden die gij trachtte te overwinnen. Maar weet dat de ontspanning het voedt en versterkt. Na te hebben uitgerust in de schaduw van het tekort aan waakzaamheid , bloeit het lijden weer op met een grotere kracht, als een getuige die in de mens woont, de getuige van zijn val.

Het lichaam van de mens is ook gekenmerkt door het zegel van de val. Vanaf de geboorte kent hij  vijandigheid. Hij vecht tegen alles wat hem omringt en tegen de ziel zelf die in hem leeft. Alle elementen vallen hem aan. Op het einde van het leven, uitgeput door innerlijke en uiterlijke strijd, gegrepen door ziekte, en geknecht door de ouderdom, valt hij onder de valsheid van de dood en wordt tot stof herleid, alhoewel hij als onsterfelijk is geschapen.

Maar opnieuw manifesteert zich de grootheid van de mens als beeld van God ! Ze manifesteert zich in de val zelf doorheen het instrument die het onttrekt aan deze val : God heeft Zijn Beeld op Zich genomen, op één van Zijn goddelijke Personen ! God is mens geworden om Zijn beeld aan de val te onttrekken, het opnieuw in ere te herstellen in zijn oorspronkelijke glorie, en meer nog, het te verheffen naar een onvergelijkbare hoogte die de zijne was tijdens de schepping!

De Heer is rechtvaardig in Zijn barmhartigheid. Door de Verlossing te verzekeren, heeft Hij Zijn beeld geëerd meer nog dan Hij het deed tijdens de schepping, want de mens had zelf zijn val niet beraamd : het is de gevallen engel die heeft teweeggebracht uit afgunst, en bedrogen door het kwade onder het masker van het goede.

Elke Persoon van de Heilige Drie-eenheid heeft deelgenomen aan het werk van de incarnatie, elk volgens zijn  eigenschap. De Vader blijft degene die voortbrengt, de Zoon wordt geboren, de Heilige Geest bekleedt de mensheid. Door Hem treedt de Heilige Drie-eenheid in communio met ons intellect en onze geest.

De Zoon en het Woord van God is geïncarneerd. Dus is onze gedachte verbeterd, gezuiverd door de Waarheid. Onze geest is bekwaam geworden om te communiceren met de heilige Geest. Deze geest, die de eeuwige dood heeft gedood, is levendig geworden door de Heilige Geest, en ons intellect heeft toegang gekregen tot de kennis en het zien  van de Vader.

De trinitaire mens is genezen door de God-Drie-eenheid. Door het Woord is de gedachte genezen, zij is verwezen naar de wereld van de leugen en de valstrik naar die van de waarheid. Door de Heilige Geest is de geest geanimeerd, hij is overgegaan  van de vleselijke gewaarwordingen  van de ziel naar de spirituele waarnemingen. De Vader verschijnt aan het intellect en onze geest wordt geest van God : wij hebben de gedachte van Christus (1 Kor.2,16) zegt de Apostel.

Voor de komst van de Heilige Geest, vraagt de mens die dood is door de Geest : Heer, toon ons de Vader !(Joh14,8). Na het ontvangen van de Heilige Geest en de kinderlijke adoptie, zal de mens, geanimeerd door de nieuwe geest en gekeerd naar God en zijn heil, zich tot de Vader richten onder de actie van de Heilige Geest zoals tot iemand die wij kennen, en hij zal hem zeggen : Abba, Vader ! (Rom.8,15)

Het gevallen beeld wordt hersteld in  het Heilig Doopsel. De mens, wordt door het water en de geest geboren tot een nieuw leven. Vanaf het doopsel, zal de Geest, die zich verwijderd had van de mens door de zondeval, deelnemen aan zijn aards leven. Door het berouw geneest hij d
e wonden die de zonde  heeft geopend na zijn Doopsel, en brengt alzo het heil toegankelijk tot de laatste adem.

De schoonheid van de gelijkheid is hersteld door de Geest; zij is ontwikkeld en vervolmaakt door de  vervulling van de evangelische geboden. Het model en de volheid van deze schoonheid is niets anders dan de God-Mens, onze Heer Jezus Christus. “Wees mijn navolgers zoals ik het ben in Christus” (1 Kor.2,1), zegt de apostel. Door deze woorden  roept hij de gelovigen op om de gelijkenis in zichzelf te vestigen en te vervolmaken. Hij toont ons aan wat voor de nieuw geschapen en vernieuwde mens door de verlossing Zijn Heilig Model is voor de volmaaktheid : “Bekleedt u met de Heer Jezus Christus” (Rom.13,14).

De Heilige Drie-eenheid, onze God, door de verlossing van de mens, Zijn beeld, offert ons zo een mogelijkheid om te slagen in de vervolmaking en de gelijkenis, dat deze gelijkenis gaat tot aan de transformatie in eenheid met het Originele, een vereniging van het arme schepsel met zijn totaal volmaakte Schepper.

Hoe bewonderingswaardig en wonderlijk is het beeld van God ! God schittert en handelt door dit beeld ! De schaduw van de Apostel Petrus genas ! Hij die hem verloochend had stierf alsof hij God zelf had belogen !  Het linnen zelfs van de Apostel Paulus vervulden de tekenen ! Het gebeente van de profeet Eliséus stond op uit de dood waarvan de de resten van de Pneumatophore  reeds lang in het graf lagen, en dit door de eenvoudige onoplettendheid van de   grafbewakers !

De uiteindelijke gelijkenis, de vereniging met God, wordt bereikt en bevestigd door het onderhouden van de evangelische geboden. ” Blijf in Mijn en Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, maar alleen als zij blijft aan de wijnstok, zo gij evenmin, als gij niet blijft in Mij. Ik ben de wijnstok, gij de ranken. Wie in Mij blijft, zoals ik in hem, die draagt veel vrucht, want los van Mij kunt gij niets” (Joh.15,4-5). 

De gelukzalige vereniging wordt verleend, wanneer een gezuiverd geweten door de verwijdering van elke zonde en door de geboden van Christus, de christen communiceert aan het heilige lichaam en aan het bloed van Christus, en dus aan Zijn goddelijkheid die ermee gepaard gaat. “Hij die mijn vlees eet en mijn Bloed drinkt blijft in Mij en ik in hem”Joh.6,56)

Redelijk Beeld van God ! Onderzoekt tot welke glorie en welke eer gij zijt geroepen en bestemd door God ! De onbegrijpelijke wijsheid van de Schepper heeft u toegestaan te beschikken over uw eigen wil : is het mogelijk dat gij niet waardig wilt blijven om Beeld van God te zijn, wilt gij de gelijkenis vernielen en kapotmaken, zoekt gij om te gelijken op de duivel en u te verlagen tot de waardigheid van de beesten ?

God heeft niet tevergeefs zijn goederen uitgestort. Hij heeft niet tevergeefs de wonderlijke schepping verricht, Hij heeft niet onnodig de schepping van Zijn beeld geëerd door een voorafgaandelijke voorwaarde, Hij heeft  niet onbewust  dit beeld vrijgekocht na de val door Zichzelf te offeren ! Hij zal geen rekenschap vragen voor dit alles. Hij zal oordelen hoe zijn weldaden werden gebruikt, hoe Zijn Incarnatie is gewaardeerd, en hiermee het vergoten Bloed voor onze verlossing.

Ellende voor de schepselen die de weldaden van God zullen hebben versmaad, hun Schepper en Redder ! Het eeuwig vuur, een onblusbare vuurgloed     zonder bodem, aangestoken sinds lang, en bereid voor de duivel en zijn engelen en die wacht op de bedorven ,nutteloos geworden beelden. Daar zullen zij eeuwig branden, zonder te verteren.

Broeders  , zolang wij op deze aarde zullen rondwandelen, zolang wij in deze zichtbare wereld zijn, wachtkamer voor de eeuwigheid, laten wij ons inspannen om de  gegraveerde lijnen van het beeld door God in onze ziel te herstellen ! Laten wij aan de nuances en de kleuren van de gelijkheid schoonheid, levendigheid en frisheid geven ! En God, na de vreselijke beproevingen, zal ons waardig achten om in Zijn eeuwig paleis binnen te gaan, in Zijn eeuwige dag, in het feest en de eeuwige triomf !. 

Herneem de moed, mensen van weinig geloof ! Doe inspanningen, luiaards !  Deze mens die aan ons gelijk geworden is door zijn passies, die in zijn blindheid eertijds   de kerk vervolgde, die vooral de tegenstander en de vijand van God was, en die  zoveel deed om na zijn bekering in hem het beeld te herstellen. Deze mens vervolmaakt zo goed de gelijkheid zodat hij kan zeggen over zichzelf : “Niet meer ik ben het die leef, het is Christus die leeft in mij” (Gal.2,20).

Dat niemand twijfele aan de echtheid van deze stem ! Deze stem is zo vol van de Heilige Waarheid, de Heilige Geest werkt er zodanig mee samen, dat de doden verrezen, de demonen de mensen verlieten  die zij deden lijden en deed hun fantasieën zwijgen. De vijanden van het Licht verloren het licht van hun ogen, de heidenen verwierpen hun idolen, zij erkenden God als de ware God, en zij aanbaden Hem !  

Amen.

Vertaling : Kris Biesbroeck                                                                          

 

.

 

Heilige Christodoulos de Wonderdoener

Heiligenleven

 Heilige Christodoulos de Wonderdoener

 

Chrystobulos van Patmos 11

De heilige Christodoulos de Wonderdoener was afkomstig uit de buurt van Nicea omstreeks 1020. Van jongsaf leefde in hem de wens om monnik te worden en zijn ouders, die dit niet wilden, besloten hem zo vroeg mogelijk te laten trouwen. Toen de jongen dit bemerkte, ontvluchtte hij heimelijk zijn ouderlijk huis en ging naar de Olymposberg, eveneens in Bitthynië, een beroemd monnikencentrum. Daar ontving Johannes de naam Christodoulos en hij leerde de praktijk van het monniksleven.

Toen enkele jaren later zijn geestelijke vader gestorven was, maakte Christodoulos een grote pelgrimsreis van Rome tot Palestina, en daar ging hij als monnik naar een van de woestijnkloosters. Nu het byzantijnse rijk zwak was geworden, en dit gebied niet meer kon beschermen, werden die kloosters telkens weer lastig gevallen door roversbenden die veel monniken vermoordden en anderen als slaaf verkochten. Christodoulos wist met enkele anderen te ontsnappen, zij trokken naar een ander monnikencentrum, de berg Latra bij Milete.

De combinatie van leiderstalent en heilig leven in zijn persoon trok de aandacht, en de monniken wilden hem tot abt over de gehele gemeenschap maken. Hij weigerde, maar kreeg toen van de patriarch van Constantinopel de opdracht die taak te aanvaarden, en deze stelde hem tevens aan tot archimandriet, belast met het toezicht over alle kloosters van die provincie.

Maar hier herhaalde zich de treurige geschiedenis : piraten, moord, gevangenschap. En opnieuw deed het praktisch verstand van Christodoulos zich gelden, zodat hij met de zijnen kon ontvluchten. Hij trok nu rond op zoek naar eenzaamheid, en vond toen het eiland Patmos, dat aan zijn verlangen beantwoordde : grote onherbergzaamheid en, vooral, de aanwezigheid van de grot waar de apostel Johannes de Apocalyps had geschreven.

Hij ging naar Constantinopel om een vestigingsoorkonde te vragen, maar de keizer verzocht hem om het klooster op de Zagora aan de Hellespont onder zijn hoede te nemen. Christodoulos loste dit slim op door te zeggen dat zij dan eerst moesten beloven zich te houden aan de strikte Regel die hij zou invoeren. Zoals hij voorzien had, vonden de monniken deze regel veel te streng, en zo kreeg hij de handen vrij. De keizer (Alexios Kommenos) verleende de verlangde bul met vrijstelling van de keizerlijke belasting en de toezegging van een jaarlijks geschenk van broodgraan. Hij kreeg ook geld en arbeiders mee, zodat direct kon worden begonnen met de bouw van een kerk, toegewijd aan de heilige Johannes de Evangelist. Om allen aan te sporen deed hij zelf mee aan de zware handenarbeid, zonder af te zien van zijn strenge vasten en lange gebedsuren.

Onder Gods zegen vorderde de bouw voorspoedig, en tijdens een droogteperiode met voedselgebrek vermeerderden zich de rantsoenen op het gebed van de heilige. Maar aan die gelukkige toestand kwam opnieuw een einde : nu waren het de Noormannen die zelfs tot hier doordrongen op hun plundertochten. En  weer besloot Christodoulos te vluchten, en hij gaf opdracht de gehele voedselvoorraad aan de armen uit te delen. Pas na herhaald aandringen gaven de angstig bezorgde monniken gehoor. Toen zij echter een veilig toevluchtsoord hadden gevonden op het eiland Euboia, was er direct iemand die een heel schip graan ter beschikking stelde.

Na verloop van tijd begonnen er geregelder toestanden te heersen en de plundertochten  namen een einde. Christodoulos was intussen oud geworden, maar hij drong er bij zijn monniken op aan weer terug te keren naar het klooster dat zij met zoveel moeite hadden opgebouwd op Patmos en daar de verering van de heilige Johannes levend te houden. Zijn wens was dat ook zijn gebeente daar zou rusten. Zijn lichaam werd inderdaad overgebracht, na zijn dood in 1094. Er werd een kerkje gebouwd voor zijn relieken, waar vele wonderen geschiedden.

 

Uit : Heiligenlevens voor elke dag – uitg. Orth.Klooster heilige Johannes de Doper – Den Haag

Wijdingen te Deventer (nl)

Hypo-diakenwijding Johan en diakenwijding Josef in Deventer

Op zaterdag 17 april 2010 vond in de parochie van de HH. Eersttronende Petrus en Paulus de lezer- en hypodiakewijding van de dienaar Gods Johan en de diakenwijding van de dienaar Gods plaats.

Aartsbisschop Gabriël van Komana arriveerde rond 10.00 uur in de Kerk. De openeningsgebeden werden gedaan. Daarna werd de aartsbisschop in de liturgische gewaden gehuld.

Aankleding Aartsbisschop

Openeningsgebeden Aartsbisschop 2

Openingsgebeden Aartsbisschop 1

 

Voordat de Pontificale Liturgie begon werd eerst de Dienaar Gods Johan tot Lezer gewijd door de Aartsbisschop:  “Mijn Zoon. Het ambt van Lezer is de eerste schrede tot het Priesterschap. Ge behoort dus dagelijks de Goddelijke Schrift te lezen, op zulk een wijze, dat zij die u horen en zien, daardoor gesticht worden; en gij uw uitverkiezing niet te schande maakt. Immers, door matigheid, heiligheid en gerechtigheid verkrijgt ge de genade van de menslievende God, en toont ge u waardig aan Zijn Dienst.”

Lezerwijding 1Lezerwijding 2

Vervolgens wordt de Lezer Johan tot Hypo-diaken gewijd, en krijgt hij de gewaden aan van een Hypo-diaken.

Hypo-diakenwijding

De Pontificale Liturgie begint: verschillende Litanieën, Antifonen, de Lezingen, preek, Geloofsbelijdenis, Eucharistisch Gebed.

VredeslitanieGeloofsbelijdenis

Intocht

Na de Epiclese wordt de hypo-diaken Josef door de pasgewijde hypo-diaken Johan tot voor de Koninklijke Deuren geleid.

 

Intrede in Altaar 1 

De Diakens in het Altaar leidden de wijdeling het Altaar binnen.

Intrede in Altaar

De wijdeling knielt voor de Aartsbisschop, kust de pallista en de hand. Vervolgens wordt hij rond Altaar geleid, waarbij hij de 4 hoeken van het Altaar kust. Dit geschiedt driemaal. Nadien knielt de wijdeling bij de rechterhoek. De Aartsbisschop bidt nu de wijdingsgebeden:

Heer onze God, in Uw voorzienigheid zendt Gij Uw heilige Geest over hen, die Uw ondoorgrondelijke kracht heeft aangewezen om U te dienen en Uw alreine Mysteriën te verrichten. Gij zelf Heer, bewaar in alle zuiverheid deze hypo-diaken, die Gij door mij wilt wijden tot de dienstbaarheid van het diakonaat, opdat hij het geloofsmysterie met een rein geweten moge bewaren. Schenk hem de genade die het deel was van Uw Protomartelaar Stefanos, dien Gij als eerste tot het werk van Uw Diakonaat geroepen hebt. Maak hem waardig om dit door Uw genade geschonken ambt volgens Uw welgevallen te vervullen. Doe hem een goede plaats verwerven door een goede dienstbaarheid. Schenk aan Uw Diaken de volkomenheid. Want aan U is het Koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid: Vader, Zoon en Heilige Geest: nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

God onze Verlosser, Uw onvergankelijke stem heeft door middel van de Apostelen het Diakonaat ingesteld, en de Protomartelaar Stefanos als eerste geroepen om het Dienstwerk van een Diaken te doen. In Uw heilig Evangelie staat ook geschreven: “Wie onder u de eerste wil zijn, moet aller diaken wezen”. Meester van het heelal, vervul ook Uw dienaar hier, die Gij tot het diakonaat geroepen hebt, met alle geloof, liefde, kracht en heiligheid; door de instorting van Uw heilige en levendmakende Geest. Want niet de oplegging van mijn handen, maar Uw rijke barmhartigheid is het, die de genade schenkt aan hen die U waardig zijn. Geef dan ook dat Uw dienaar hier vrij moge worden van elke zonde, zodat hij op de vreeswekkende dag van Uw Gericht onberispelijk voor U mag staan, om het onvergankelijk loon van Uw beloften te ontvangen. Wamt Gij zijt onze God, en tot U zenden wij onze lof: Vader, Zoon en Heilige Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

De nieuwe diaken krijgt de Orarion over zijn linkerschouder gelegd, waarbij de bisschop roept: AXIOS? Dit betekent: waardig? De clerus en de gehele kerk antwoordden met: AXIOS, AXIOS, AXIOS. Op dezelfde wijze geschiedde het met de epimankia en de rhipidion.

Na de Communie zei de pasgewijde diaken Josef onder begeleiding van een ervaren diaken de Slotlitanie:

Slotlitanie

Zondag van de Myrondraagsters

ZONDAG VAN DE MYRONDRAAGSTERS

3e zondag na Pasen

myrondraagsters25

Apostellezing: Handelingen, 1-7

Zeven medewerkers gekozen; groei van de gemeente
In die dagen, toen het aantal leerlingen steeds groter werd, begonnen de hellenisten te mopperen op de Hebreeën; ze vonden dat hun weduwen bij de dagelijkse ondersteuning* werden achtergesteld. De twaalf riepen daarop de hele groep leerlingen bij elkaar en zeiden: ‘Het is onverantwoord dat wij het woord van God verwaarlozen om te kunnen zorgen voor de ondersteuning. Zie daarom uit, broeders, naar zeven personen uit jullie midden, die goed bekend staan, vol van de Geest en van wijsheid. Hen zullen wij dan met deze taak belasten, terwijl wíj ons blijven toeleggen op het gebed en de bediening van het woord.’ De hele groep stemde met dit voorstel in. Zij kozen Stefanus, een man vol geloof en heilige Geest, en verder Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië. Ze droegen hen voor aan de apostelen, en die legden hun na gebed de handen op.
     Het woord van God bleef zich verbreiden; het aantal leerlingen in Jeruzalem werd nog veel groter, en ook een grote groep priesters aanvaardde het geloof.

Evangelie : Marcus 15,43 – 16,8

de dag vóór de sabbat – durfde Jozef van Arimatea, een vooraanstaand lid van de raad, die zelf ook leefde in de verwachting van het koninkrijk van God, het aan om naar Pilatus te gaan en het lichaam van Jezus te vragen. Pilatus was verbaasd dat Hij al dood zou zijn, en hij riep de centurio bij zich en vroeg hem of Hij al gestorven was. Toen hij dat van de centurio vernomen had, gaf hij het lijk aan Jozef. Deze kocht een linnen doek, nam Hem van het kruis af, en wikkelde Hem in het linnen; hij legde Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen, en hij rolde een steen voor de ingang van het graf.

De vrouwen bij het graf
Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala, Maria van Jakobus, en Salome kruiden om Hem te gaan zalven. In alle vroegte op de eerste dag van de week gingen ze na zonsopgang naar het graf. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen bij de ingang van het graf wegrollen?’ Toen ze opkeken, zagen ze dat de steen weggerold was; hij was overigens buitengewoon groot. Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een jongeman zitten met een wit kleed om, en ze schrokken hevig. Maar hij zei hun: ‘Schrik niet. U zoekt Jezus van Nazaret, die gekruisigd is. Hij is tot leven gewekt, Hij is niet hier. Kijk, hier is de plaats waar ze Hem neergelegd hadden. Maar ga tegen zijn leerlingen en tegen Petrus* zeggen: “Hij gaat u voor naar Galilea. Daar zult u Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft.” ‘ Ze vluchtten naar buiten, van het graf weg, bevend van angst en buiten zichzelf. Ze zeiden niemand iets, want ze waren bang.

De ervaring van de heilige Geest in de orthodoxe kerk

De ervaring van de Heilige Geest in de orthodoxe Kerk

Door Elisabeth Behr Sigel

 

Orthodoxe theologen en spirituele mensen onderlijnen het verborgen , mysterieuze karakter van de Derde  Persoon van de drie-eenheid.  Zij constateren een soort anonimiteit van de Geest, waarvan de volle openbaring enkel op het einde der tijden wordt verwacht. De geest heeft geen eigen naam. Spiritualiteit en heiligheid behoren toe aan de Drie  goddelijke Personen. Terzelfdertijd  heeft de Geest vele namen. Alles wat de mensheid verheft boven zichzelf, alles  wat het werk en de uitstraling is van de Heilige Geest. “Gij hebt vele namen, hoe zal ik je noemen, Gij die men niet kan noemen ?” roept Gregorios van Nazianze uit. ” Uw naam, zo begeerd en voortdurend aanroepen, niemand kan zeggen wie het is”, zingt de byzantijnse mystieker Symeon de Nieuwe Theoloog.

De Geest heeft geen onthuller in de andere goddelijke Persoon, stellen de Kerkvaders vast. “De beelden zelf waarmee de Schrift de Geest beschrijft blijven duister”, schrijft de monnik van de Oosterse Kerk. “Hij is een vlam, zalving, parfum. Hij is een duif die vliegt en rust – en hij is tegelijk niets van dit alles” (Een monnik van de Oosterse Kerk, de duif en het lam, Chevetogne, 1979,pp.13-14). De Geest, is de anonieme God die in de wereld aanwezig is zonder zich ermee te vermengen. Zijn persoon  verbergt zich tegelijk in hem aan wie hij zich geeft, Christus, waarvan hij de tegenwoordigheid actualiseert, en in hen aan wie Hij zich geeft.

Er is dus ook een kenose van de Geest, zoals er een kenose van de Zoon van God is. De Geest ontledigt zich en verootmoedigt zich als persoon om de Zoon des mensen  te openbaren  en in de mensen.

“Zijn tegenwoordigheid is verborgen in de Zoon zoals de adem en de stem verdwijnt  voor het woord die zij hoorbaar maken” schrijft Paul Evdokimov (L’Esprit Saint dan la Tradition orthodoxe, p88). Het is in de volheid der tijden, in de veelheid van de verlichte aangezichten door hen, de menselijke personen die hij geheiligd heeft, het is in de Kerk-mensheid die de  vrouw geworden is,omhuld met de zon uit de Apocalyps (Hand.12,1-2), dat de persoon van de geest onthuld zal worden. De geest kennen, hier en nu, betekent zijn kracht ontvangen, maar het is ook, zoals de heiligen het getuigen, zich laten binnenleiden in het mysterie van zijn tederheid, het zichzelf wegcijferen, de vreugde, in de wederzijdse zelfgave. Zo is het einde van de christelijke existentie, het Koninkrijk van God waarvan wij de komst afsmeken.  Het is kenmerkend dat in  sommige zeer oude teksten van het Onze Vader, het afsmeken van het Koninkrijk van God wordt vervangen door de vraag : “dat uw Geest kome”.

In dit perspectief betekent Pinksteren de ultieme  openbaring die wij zouden kunnen ontvangen in dit aardse leven, een anticipatie van deze waarnaar wij verlangen – en waarnaar wij gaan in geloof en hoop. De gave van de Heilige geest kondigt zich aan en bevat de cosmische transfiguratie in kiem, de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, het hemels Jeruzalem waar God elke traan wist. Daarom komen op de dag van Pinksteren de gelovigen naar de Kerk met groene takken en bloemen. Zij symboliseren het nieuwe van de Geest, die van de verrezen Christus,die vloeit op de aarde en op de mensen, de goddelijke belofte vervullend : ” In zal een nieuwe Geest over hen zenden, ik zal uit hun lichaam het hart van steen  weghalen en zal hen een hart van vlees geven ” (Ez.2,19).

Eén van de specifieke uitingen van dit veranderen van hart is de staat van de ziel welke de Russen oumilénié noemen,  “ontroering” : pijnlijke vreugde, gemengd met tranen, universele godsvrucht, exstase wanneer het hart zich verblijd  over de dimensies van het universum, van gans de schepping die in barensweeën verkeert en die  zuchtend streeft – maar met hoop – naar de openbaring van de Zonen en dochters van God ( cf. Rom.8,18-23). Van de woestijnvaders tot de byzantijnse mystiekers en de russen, van Ephraïm de Syriër tot Symeon de  Nieuwe Theoloog, van Tikhon en Seraphim van Sarov tot Aliocha Karamazov ( personnage uit de roman “De gebroeders Karamazov van Dostoïevski) en in de anonieme ‘russische pelgrim”, doorkruisen de accenten van deze smartelijke vreugde de oosterse spiritualiteit in een immense doxologie.

Het meest gewoon gebed gericht tot de Geest in de orthodoxe Kerk aanroept hem als ‘Koning van de hemel’. De koninklijkheid van de Geest wordt nochtans nooit in  de kerkelijke godsvrucht beschouwd als een soort ‘derde rijk’ die zou volgen op dat van de Vader en de Zoon, als een nieuwe openbaring, volgens de illusie van sommige duizendjarige secten en die dikwijls gevolgd worden door nobele en grootmoedige geesten. De orthodoxe godsvrucht scheidt nooit de geest van de Zoon en de Vader. Zijn koninklijkheid, schrijft de Monnik van de Oosterse Kerk, bestaat erin “zijn onderwerpen te doen buigen naar diegene die gezegd heeft tot Pilatus : “Ik ben koning” (Joh.18,37). De functie van de Geest is om Jezus aan de mensen mede te delen, zijn genade,  het inzicht in Zijn Woord en Zijn verrijzenis. En terzelfdertijd in hen en onder hen het rijk van de Zoon te grondvesten. Hij toont hen met hem en in hem en door hem het rijk van de Vader, totdat God in allen zij (cf. 1 Kor.15,24-28).

De gave van de Geest zou in dit perspectief niets anders zijn dan een buitengewone gave, alleen gegeven aan sommigen. Leven in de Heilige Geest, dat is de roeping van elke Christen en tenslotte de ultieme roeping van elk menselijk zijn. In zijn beroemd onderhoud met Nicolas Motolitov, zegt de heilige Seraphim van Sarov, een Russische heilige uit de XIXe eeuw, aan zijn leerling en vriend : “Het gebed, de vasten, de waken en elk ander Christelijk werk zijn goed op zichzelf. Echter, het is niet in hun vervulling dat het doel van het christelijk leven bestaat. Het zijn slechts middelen. Het waarachtig doel van het christelijk leven is de verwerving van de Heilige Geest”. De heilige Seraphilm van Sarov doet niets anders dan – in de taal van een simpele Russische monnik, een taal waarin men niet te veel de termen moet benadrukken – de vaste leer van de Kerk te onderwijzen, Helaas, dikwijls  verduisterd door het ritualisme en het legalisme, maar altijd aangepast voor de authentische spirituelen.

Tien eeuwen voor Sint Seraphim, vermaande Symeon de Nieuwe Theoloog zijn tijdgenoten : ” Het zegel van de Geest is vanaf nu gegeven aan de gelovigen…aangespoord door dit geloof, loop zoals het behoort om het doel te bereiken….Klopt totdat men u opent en   dat gij binnen de bruidskamer de Bruid kunt aanschouwen”. Dit appel en nog andere analoge die verspreid worden door deze bijbel van de mystiek van de Oosterse Kerk, dat de philocalie is, miljoenen orthodoxen hebben niet opgehouden het te bemediteren : hesychasten van de Athos berg, monniken-eremijten van Rusland en Moldavië, leerlingen van Nil van de Sora (Sorsky) of de staretz Païssii Velitchkovski, maar ook eenvoudige leken, mannen en vrouwen levend in deze wereld, zoals de beroemde Verhalen van de Russische pelgrim. Vandaag nog, is het spirituele gebed of het gebed van het hart de geheime bron die de orthodoxe  vroomheid  besproeien. Een gebed waarvan de naam van Jezus in zekere zin de materie vormt en waarvan de kracht de Adem is, de onuitsprekelijke Geest verenigt met de menselijke adem.

De Geest en de Kerk

De persoonlijke bewustwording van de inwoning van de Geest, “God is intiemer dan mijn intiemste”, situeert zich nochtans in een kerkelijke context. De Kerk is, volgens de orthodoxe opvatting, bij uitstek “de plaats waar de Heilige Geest werkzaam is”. Deze definitie is ons gegeven door Vader nicolas Afanassieff in zijn boek “L’Eglise de l’Esprit Saint” (De Kerk van de Heilige Geest). Het werd hernomen door de libanese metropoliet Georges Khodr in een communicatie die hij gedaan heeft op het theologisch colloquium over de heilige Geest te Rome (maart 1982) : “De Kerk is geactualiseerd op de dag van Pinksteren door de Geest en in de Geest. Zij is de plaats waar de Heilige Geest handelt en de Geest is haar principe van activiteit door de charisma’s”. En Georges Khodr citeert het gezang van de grote vespers van Pinksteren : “De Geest doet de profeten opspringen als een bron ; hij stelt de priesters aan ; de zondaars, hij maakt theologen , hij vormt de Kerk”. En om de woorden van de heilige Johannes Chrysostomos  op te roepen : ” Indien de Geest niet aanwezig was in haar midden, dan zou zij niet blijven bestaan. Indien zij blijft bestaan, dan is dit een teken van de aanwezigheid van de Geest”.

Er is geen tegenstelling in dit perspectief tussen “het instituut” en de “Charisma’s”. Er zijn verschillende functies in de Kerk. Spanningen ontwikkelen zich, te wijten aan de menselijke zonde. Maar de Geest  is de enige bron van de gaven die aan ieder gegeven worden met het oog op het bouwen van het gemeenschappelijk spirituele huis, waarvan alle gelovigen de kostbare en noodzakelijke stenen zijn. Als plaats waar de Heilige Geest handelt beschikt de Kerk niet over hem als haar eigendom, krachtens een magische priesterlijke macht die de  bedienaar zou bezitten. Als gave en gever geeft de Geest zich in vrijheid. Hij is de persoon-gave die zichzelf geeft om met de Zoon, de wil van de Vader te vervullen. Hij is het antwoord van de Vader op het nederige en vertrouwvolle gebed van de Kerk, conform de woorden van het evangelie : “Vraagt en gij zult verkrijgen…Klopt en er zal u worden opengedaan. Als gij dus , die slecht zijt, de goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer dan zal uw hemelse vader zijn heilige Geest geven aan hen die erom vragen.”(Luc.11,13). De orthodoxe eucharistische liturgie bereikt haar hoogtepunt in de épiclese : een dringend gebed gericht tot God om Zijn Heilige Geest te zenden, tegelijk over de gaven om ze te veranderen in het lichaam en bloed van Christus en over de gelovigen opdat het ontvangen van deze gaven voor hen zouden zijn “zuivering van de ziel, vergeving der zonden, communicatie met de Heilige Geest en vervulling van het Koninkrijk der hemelen “. Zo is elke eucharistie de actualisatie van zowel Pasen als Pinksteren, communio, door en in de Heilige Geest voor de gelovigen ten overstaan van de bevrijdende verlossing van het heil dat vervuld is door Christus eenmaal voor allen (Hebr.10,10) “Wij hebben het ware licht aanschouwd, wij hebben de Heilige Geest ontvangen” zingen de gelovigen na de eucharistische communie.

Zo sterk uitgedrukt in de eucharistische epiclese, vergezeld en authentificeert  de Geest alle sacramenten. Zij is de ademhaling van de Kerk : gans het leven van de Kerk is epicletisch, ’t is te zeggen, afwachting, aanroeping en ontvangst van de Geest. De figuur van de kerk is de biddende die men ziet op de muren van de catacomben : de vrouw rechtop, haar lege,open handen omhoog naar de hemel gericht. Als gemeenschappelijk werk, volgens de ethymologische betekenis van het woord, actualiseert de liturgie het gebed van de Geest en de bruid : “Kom, Heer Jezus…Maranatha” (Apoc.22,17-20). Als antwoord doet de Heer de bruid deelnemen aan haar Pasen. Zo is de dialoog die het liturgisch gebed uitdrukt, als een echo van de eeuwige dialoog, in het intertrinitaire leven, van de Duif en het Lam. “De liturgische bijeenkomst”, schrijft Georges Khodr, “is een bruidsvergadering die  de bewoners van hemel en aarde omvat en zelfs het universum. Haar bezieler, de daadwerkelijke liturgie, is de Geest “gever van het leven”. Aanwezig in de christelijke bijeenkomst, zingt de Geest in haar, spreekt hij ten beste in haar bij de Vader. De Kerk smeekt de Geest heiligmaker en verlichter  dat zij haar zet – en in haar elke gelovige- in de staat van het gebed” (Georges Khodr, “L’Esprit Saint dans la Tradition orthodoxe” SOP, supplément n° 68np.7).). Dit gebed sluit de Kerk niet op in haarzelf. Zij verruimt haar tot wereldse dimensies. Als wij, door de Heilige Geest, de aanwezigheid van de Heer midden onder ons kunnen waarnemen, dan worden wij opgeroepen om zijn aangezicht waar te nemen in elk menselijk wezen, vooral in de minsten van onze broeders.

Wanneer de priester, op het einde van de eucharistische liturgie zegt : “Laat ons heengaan in vrede”, dan wil dit zeggen, zoals vader Bobrinskoy eraan herinnert, dat wijzelf dragers zijn geworden van de Geest, dat wij geroepen zijn om het Goede Nieuws te zijn voor de wereld, verenigt met hem die het Goede Nieuws in persoon is.

Als gratis gave wordt de genade van de Geest gegeven aan de gelovige voor de geestelijke strijd in zijn eigen hart en in de wereld. Zij is Koninklijke en priesterlijke zalving die zichtbaar wordt in de cultus “in geest en waarheid” waartoe de mensheid is geroepen (cf.Joh.4,24). : offerande van zichzelf en het nutteloze universum waarvan hij de woordvoerder is, aan de Vader als de bron van de liefde zonder grenzen. Een offerande die de werken van een authentische menselijke cultuur zou kunnen veranderen in een cultus. Zo is de doelgerichtheid kenbaar gemaakt door het sacrament van het chrisma zoals het wordt  toegekend in de orthodoxe kerk, na het doopsel. Wij vermelden hierbij de zalving met het heilig chrisma over alle leden en in het bijzonder over de zintuigen, die het menselijk wezen in relatie stelt met zijn gelijken en met de wereld, deze zalving consacreert hem totaal aan God, opdat zijn ganse leven, hier en nu wordt veranderd, in afwachting van de uiteindelijke cosmische transfiguratie.

De Geest en de éénheid van de Kerk

Een voorafbeelding van de éénheid in Christus in de schepping in haar geheel, op het einde der tijden  wanneer “God alles in allen zal zijn” (1 Kor.15,28),is de éénheid van de Kerk in orthodox perspectief,  als een  gave van de Geest. Het is de geest die de Kerk bijeenbrengt; een vergadering van hen die Hij heeft geroepen uit het Oosten en het Westen om ondergedompeld te worden in de dood van Christus en te verrijzen met Hem door hen het nieuwe leven te schenken in de uitstraling van de trinitaire liefde.

Zoals Vader Jean Meyendorf  opmerkt,  (Jean Meyendorf, Introduction à la théologie Byzantine, pp232-233, Seuil, 1975) dat in de byzantijns liturgische taal, de griekse term koinonia – Communio -specifiek de aanwezigheid van de Geest in de eucharistische  bijeenkomst aanduidt. Aldus is het idee evident dat de communio van de Vader, de Zoon en de Geest – deze communicatie van de Heilige Geest die de mens binnenleidt in het goddelijke leven, en de communio-communauté die er is tussen de mensen, in Christus, door de Geest, niet alleen worden aangeduid met hetzelfde woord maar ook geworteld zijn in  dezelfde realiteit. De eucharistische communio is een gave bij uitstek van de Geest, ze geeft vorm aan en actualiseert sacramenteel, de Kerk in haar volheid en dit in een gegeven plaats en tijd.

Door de uitstorting van de Geest, wordt een virtuele
gemeenschap van zondaars veranderd zodat het Lichaam van Christus in hen aanwezig is, “De Kerk is één, heilig, katholiek en apostolisch”.

Deze band tussen de sacramentele eucharistie en de éénheid van de Kerk die zij actualiseert door de gave van de Heilige Geest wordt sterk uitgedrukt in het anafoor  van Sint Basilius : “Wij bidden en smeken u, o Heilige der Heiligen, opdat door uw goedheid, uw Heilige Geest over ons en over de gaven die wij nu offeren kome, en dat hij ze zegent, heiligt en kenbaar maakt als het kostbaar Lichaam van onze Heer en God, en deze kelk als het kostbaar Bloed van onze Heer en Verlosser Jezus Christus… en dat de Geest ons allen, die het Brood en de Kelk delen, in de gemeenschap van de Heilige Geest, moge verenigen.”

Geworteld in de gemeenschap van de Drie Goddelijke Personen is de kerkelijke communie ook een communio tussen personen. Traditioneel wordt in de Kerk van het Oosten ieder die communiceert genoemd bij zijn naam. “Het is omdat ieder van ons de tempel van de Heilige Geest is en dat wij gezamenlijk het “lichaam van Christus” vormen” (Un Moine de l’Eglise d’Orient, op.cit.p21). Eén van de thema’s uit de byzantijnse hymnologie van Pinksteren is de parallel tussen de “verwarring van Babel” en de harmonie die gegrondvest is door de nederdaling van de Geest onder de vorm van vurige tongen die op ieder rustte, “Hij riep ons allen op tot éénheid, zo verheerlijken wij ook met één stem de Alheilige  Heilige Geest” (Kondakion van Pinksteren).

De gave van de geest heft de pluraliteit van personen niet op. Hij schaft deze onuitsprekelijke verschillen tussen de één en de ander niet af. Maar door de uitstorting van de Geest, triomfeert God op de zaaier van verdeeldheid – diabolos –  die de verschillen omvormt tot een instrument van scheiding, onderdrukking, wederzijdse uitsluiting. De Geest is de ziel van de symfonie van de schepping die sacramenteel wordt geanticipeerd in de Kerk, maar die zich slechts ten volle zal realiseren wanneer de tijden vervuld zijn.

Het empirische leven van de historische Kerken ontkent dikwijls deze visie, die nochtans ingeschreven staat in de diepten van het kerkelijk geweten. Moge de kerk worden zoals ze is in de gedachten van de levende God ! Mogen wij Kerk worden door de altijd vernieuwende uitstorting van de Geest !

Koning van de hemel, trooster, Geest der Waarheid

Die overal tegenwoordig zijt en met wie alles vervuld is.

Schatkamer van alle goed, en Gever van het leven

Kom en verblijf in ons

Zuiver ons van alle smet, en red onze zielen, O Algoede.

 (Uittreksel uit : Quelques aspects de le théologie et de l’experience de l’Esprit Saint dans l’Eglise orthodoxe aujourd’hui”, Contacts, Vol.36)

 Vertaling : Kris Biesbroeck