Beda de eerbiedwaardige : God de Heer zal hem de troon van zijn Vader David geven

H. Beda de Eerbiedwaardige (ca 673-735), monnik, Kerkleraar
Overwegingen voor de advent, nr 3 ; CCL 122, 14-17

Beda heilige 444

“God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David geven; Hij zal koning zijn over het huis van Jakob in eeuwigheid, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.”

      “De engel Gabriël werd door God gezonden naar een stad in Galilea, Nazareth genaamd, naar een jonge vrouw, een maagd die verloofd was met een man genaamd Jozef, die uit het huis van David stamde; haar naam was Maria.” Wat er over het huis van David gezegd wordt, betreft niet alleen Jozef, maar ook Maria. Want de wet schreef voor dat een ieder moest trouwen met een vrouw uit zijn stam of familie, zoals de apostel Paulus aan Timoteüs schreef: “Houd Jezus Christus in gedachten, Davids nazaat, die uit de doden is opgestaan. Zo luidt mijn evangelie, dat ik verkondig” (2Tm 2,8)…

      “Hij zal een groot man zijn, en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. God, de Heer, zal Hem de troon van zijn vader David geven”. De troon van David betekent hier macht over het volk Israël, waarover David in zijn tijd vol met ijver voor het geloof regeerde… Dit volk dat David leidde door zijn tijdelijke macht, wordt door Christus met geestelijke genade meegenomen naar het eeuwige Koninkrijk…

      “Hij zal eeuwig koning zijn over het huis van Jakob.” Het huis van Jacob verwijst naar de universele Kerk, die door het geloof en de getuigenis van Christus, zich opnieuw verbindt met het lot van de vaderen, hetzij met hen die hun lichamelijke oorsprong hebben door hun stamvader, hetzij hen die lichamelijk geboren zijn in een andere natie, en herboren zijn in Christus door de doop van de heilige Geest. Over dat huis van Jacob zal Hij eeuwig heersen: “aan zijn koningschap zal geen einde komen”. Ja, Hij regeert over haar in het huidige leven, wanneer Hij regeert over de harten van de uitverkorenen, waarin Hij woont door hun geloof en hun liefde jegens Hem; en Hij heerst over hen door zijn eeuwige bescherming, en laat hen de gaven van zijn hemelse beloning toekomen; Hij regeert in de toekomst, als eenmaal de staat van de tijdelijke ballingschap is afgelopen, dan brengt Hij hen binnen in het verblijf van het hemels vaderland. En daar, genieten ze van zijn zichtbare aanwezigheid welke hen er voortdurend aan herinnert dat ze niets anders hoeven te doen dan lofzangen te zingen.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Bezoek van de engel aan Maria

Groot feest van de blijde boodschap van de Heilige Moeder Gods

 bezoek van de engel 564

Apostellezing : Hebr.2,11-18

Want Hij die heiligt en zij die geheiligd worden hebben allen één Oorsprong; daarom schrikt Hij er ook niet voor terug om hen zijn broeders te noemen, wanneer Hij zegt:  Ik zal uw naam verkondigen aan mijn broeders
en uw lof zingen midden in de gemeente; 
en opnieuw:
Ik zal mij geheel op Hem verlaten;
en nog eens:
Hier ben Ik met de kinderen die God Mij gegeven heeft. 
Omdat ‘de kinderen’ mensen zijn van vlees en bloed, heeft Hij ons bestaan willen delen, om door zijn dood de vorst van de dood, de duivel, te onttronen,  en hen te bevrijden die door de vrees voor de dood heel hun leven aan slavernij onderworpen waren.  Want het zijn niet de engelen van wie Hij zich het lot aantrekt, maar de nakomelingen van Abraham.  Vandaar dat Hij in alles aan zijn broeders gelijk moest worden, om een barmhartig en getrouw hogepriester te worden bij God en de zonden van het volk uit te boeten.  Omdat Hij zelf de proef van het lijden doorstaan heeft, kan Hij allen helpen die beproefd worden.

Evangelielezing : Joh 11,1-45

      Niet lang daarna werd zijn vrouw Elisabet zwanger. Zij hield zich vijf maanden lang verborgen. Ze zei:  ‘Dit heeft de Heer voor mij gedaan, toen Hij zich mijn lot aantrok en mijn smaad onder de mensen wegnam.’

Aankondiging van de geboorte van Jezus
      In de zesde maand werd de engel Gabriël door God gezonden naar een stad in Galilea, met de naam Nazaret,  naar een maagd die verloofd was met een man genaamd Jozef, die uit het huis van David stamde; haar naam was Maria.  De engel trad bij haar binnen en zei: ‘Verheug u, begenadigde, de Heer is met u.’  Zij raakte geheel in verwarring door wat hij zei en vroeg zich af wat deze begroeting te betekenen had.  Maar de engel zei: ‘Schrik niet, Maria, u hebt genade gevonden bij God.  U zult zwanger worden en een zoon baren, die u de naam Jezus moet geven.  Hij zal een groot man zijn, en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. God, de Heer, zal Hem de troon van zijn vader David geven.  Hij zal eeuwig koning zijn over het huis van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’  ‘Maar hoe moet dat dan?’ zei Maria tegen de engel. ‘Ik heb geen omgang met een man.’  De engel antwoordde haar: ‘Heilige Geest zal op u komen en kracht van de Allerhoogste zal u overdekken. Daarom zal het kind heilig genoemd worden, Zoon van God.  Bovendien, ook Elisabet, uw verwante, is op haar oude dag zwanger van een zoon; zij werd onvruchtbaar genoemd, maar zij is al in haar zesde maand.  Want voor God is niets onmogelijk.’  Toen zei Maria: ‘Ik ben de dienares van de Heer; laat met mij gebeuren wat u gezegd hebt.’ Toen ging de engel van haar weg.