3e zondag van de voorvasten : het laatste oordeel

3e zondag van de voorvasten :

Zondag van het laatste oordeel

 

laatste oordeel okn

 

 LEZINGEN :

1 Kor. 8,8 – 9,2 :

8,8-13

Voedsel brengt ons niet dichter bij God; wij verliezen er niets bij als wij het niet eten, en als wij het wel eten, worden wij er niet beter van. Maar zorg ervoor dat uw vrijheid van handelen de zwakken geen aanstoot geeft. Als zo iemand u, die daar geestelijk boven staat, in een afgodstempel aan een maaltijd ziet deelnemen, zal hij er dan, met zijn zwakke geweten, niet toe aangezet worden om ook offervlees te gaan eten? Dan gaat ten gevolge van uw beter inzicht de zwakke verloren, een broeder voor wie Christus is gestorven. Door zo te zondigen tegen de broeders, en hun angstvallige geweten te kwetsen, zondigt u tegen Christus. Daarom, als mijn voedsel aanstoot geeft aan mijn broeder, zal ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, want ik wil mijn broeder geen aanstoot geven.

9,1-2

Het voorbeeld van Paulus
Ben ik geen vrij man? Ben ik geen apostel en heb ik Jezus onze Heer niet gezien? En u bent toch mijn werk in de Heer? Al ben ik voor anderen geen apostel, voor u toch zeker wel; want u bent in de Heer het waarmerk van mijn apostelschap

EVANGELIE : Matth.25,31-46

Het oordeel van de Mensenzoon
     Wanneer de Mensenzoon komt, bekleed met zijn heerlijkheid en rondom Hem alle engelen, dan zal Hij plaatsnemen op de troon van zijn heerlijkheid. Alle volkeren zullen vóór Hem bijeengebracht worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt. De schapen zal Hij aan zijn rechterhand opstellen, de bokken aan zijn linkerhand. Dan zal de koning tegen hen die aan zijn rechterhand staan zeggen: “Kom, gezegenden van mijn Vader, neem het koninkrijk in bezit dat vanaf het begin van de schepping voor jullie klaar ligt. Want Ik had honger en jullie hebben Me te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me opgenomen. Ik was naakt en jullie hebben Me gekleed, Ik was ziek en jullie hebben naar Me omgezien, Ik zat in de gevangenis en jullie kwamen naar Me toe.” Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? Wanneer hebben we U als vreemdeling gezien en U opgenomen, of naakt en hebben we U gekleed? Wanneer hebben we U ziek of in de gevangenis gezien en zijn we naar U toe gekomen?” De koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan.” Dan zal Hij zich ook richten tot hen die aan zijn linkerhand staan en tegen hen zal Hij zeggen: “Ga weg van Mij, vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat aangelegd is voor de duivel en zijn engelen. Want Ik had honger en jullie hebben Me niet te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me niet te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me niet opgenomen, Ik was naakt en jullie hebben Me niet gekleed, Ik was ziek en zat in de gevangenis en jullie hebben niet naar Me omgezien.” Dan zullen ook zij antwoorden: “Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis en hebben we U niet geholpen?” Dan zal Hij hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je niet voor één van deze minsten hebt gedaan, heb je ook niet voor Mij gedaan.” Zij zullen naar de eeuwige straf gaan, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven

Gebed

 

GEBED

biddend

Jezus, zachtmoedig en nederig van hart, u komt tot ieder mens om de liefde van de Vader te openbaren.

Jezus, goedheid zonder grenzen, u bevrijdt de gevangenen, u vergeeft onze fouten.

Jezus, onze rust en onze toevlucht, uw juk is zacht en uw last is licht.

Jezus, gezonden door de Vader, u geneest onze blindheid.

Jezus, brood des levens, u voedt onze hart door uw woord.

Jezus, u kwam om vuur op aarde te brengen.

Opgestane Jezus, u laat ons delen in uw vreugde

Gebed uit Taizé

Cyrianus : “ons dagelijks brood”

H. Cyprianus (rond 200-258), bisschop van  Carthage et martelaar
Het gebed van de Heer nr. 18

“Ons dagelijks brood”

     

cyprianus van Carthago

“Geef ons heden ons dagelijks brood” Deze woorden kun je op een geestelijke en letterlijke wijze horen: in het plan van God, moeten de twee interpretaties bijdragen aan ons heil.

 

      Ons levensbrood is Christus, en dat brood is niet voor iedereen, maar het is voor ons. Zoals wij “Onze Vader” zeggen, omdat Hij de Vader is van hen die geloof hebben, zo noemen wij Christus “ons brood”, omdat Hij het brood van hen is die zijn lichaam vormen. Om het brood te verkrijgen, bidden we elke dag; wij willen niet … vanwege een ernstige fout… ons dat hemels brood ontzeggen, ons scheiden van het lichaam van Christus, Hij die verkondigde: “Ik Ben het levend brood dat uit de hemel is neergedaald; als iemand van dit brood eet, zal hij eeuwig leven. En het brood dat Ik u geef is mijn vlees voor het leven van de wereld” (Joh 6,51)… De Heer heeft ons waakzaam gemaakt: “Als u niet eet van het vlees van de Mensenzoon en zijn bloed niet drinkt, dan zult u het leven niet in u hebben” (Joh 6,53). Wij vragen dus om alle dagen ons brood te ontvangen, dat wil zeggen Christus, om in Christus te blijven en te leven, en om ons niet te verwijderen van zijn genade en van zijn lichaam.

      Wij kunnen deze vraag ook op een volgende manier begrijpen: wij hebben de wereld achter ons gelaten; door de genade van het geloof hebben we zijn rijkdommen en zijn verleidingen verworpen; wij vragen eenvoudig voeding… Degene die net leerling  van Christus begint te worden en van alles afstand doet naar het woord van de Meester (Lc 14,33), moet het dagelijks voedsel vragen en zich geen zorgen maken over de toekomst. De Heer heeft gezegd: “Maakt u niet bezorgd over de dag van morgen, want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last” (Mt 6,34). De leerling vraagt dus met reden zijn dagelijks brood, aangezien men hem verboden heeft om zich met morgen bezig te houden.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Johannes Chrysostomos : verbazingwekkend modern

Een portret

Johannes Chrysostomus (344-407): verbazingwekkend modern

Chrysostomos johannes marginem of chludov Psalter

“Wil je het lichaam van de Verlosser eer brengen? Hij die heeft gezegd: “Dit is mijn lichaam” heeft ook gezegd: “Want ik had honger en jullie gaven mij niet te eten; alles wat jullie voor een van deze onaanzienlijken niet gedaan hebben, hebben jullie ook voor mij niet gedaan!” (Mt 25:42,45) Eer Christus dus door je bezittingen te delen met de armen” (Preek 50 over Matteüs).

Wie is toch deze man, die in het Oosten de bijnaam ‘Gulden Mond’ kreeg vanwege zijn gave om gebed uit te drukken in de taal van de poëzie? Welke aspecten van zijn leven kunnen ons in deze tijd nog steeds inspireren?

Het leven van Johannes Chrysostomus kent drie hoofdlijnen: zijn bijzondere talent om het goede nieuws van Christus vol vuur te verkondigen in de culturele taal van zijn tijd; de sterke nadruk die hij legde op de sociale implicaties van het evangelie; zijn inspanning om de schoonheid van het gemeenschappelijk gebed te vergroten en om theologische waarheden te vertalen in poëzie.

Johannes Chrysostomus werd geboren in Antiochië, in het huidige Turkije, in een familie van aristocraten. Geïnspireerd door het geloof van zijn moeder, bestudeerde hij de Schrift onder leiding van meesters uit de school van Antiochië, die de bijbelse gedachtewereld probeerden te vertalen naar de Griekse manier van denken, zonder de oorspronkelijke betekenis ervan te verliezen.

Zich losmakend van zijn moeder, die hem als een ‘huismonnik’ dichtbij zich wilde houden, gaat hij de bergen in en begint een leven van gebed en eenzaamheid, helemaal afgescheiden van de wereld. Dan komt hij in een gewetenscrisis: moet hij de maatschappelijke problemen ontvluchten om zuiver te blijven in zijn verbondenheid met het evangelie, of moet hij juist de wereld in gaan om de liefde van Christus, die hij graag en bij herhaling ‘de mensenvriend’ noemt, te verspreiden?

Hij kiest er uiteindelijk voor om zijn radicale breuk met de wereld ongedaan te maken en keert terug naar Antiochië, waar hij in 386 tot priester wordt gewijd. Hij wordt beroemd vanwege zijn talent om de teksten uit de bijbel in verband te brengen met het dagelijks leven en de vragen van de gewone mens. Soms praat hij twee uur achterelkaar, onder instemming en applaus van zijn toehoorders. Als antwoord op de luxe en het achteroverleunen van de rijken, onderstreept hij het belang van de gemeenschap van goederen, van werken en van de vrijlating van slaven. Hij roept op om zowel individueel als collectief samen te delen en lanceert zelfs een plan om de armoede in Antiochië uit te bannen. Solidariteit betekent voor hem meer dan handelen vanuit een goed geweten; het is een sacrament, een teken van de daadwerkelijke aanwezigheid van Christus in onze wereld. Hij preekte vaak over de uitspraak van Jezus: “Alles wat jullie voor een van deze onaanzienlijken hebben gedaan, hebben jullie ook voor Mij gedaan.” Hij trok daaruit de conclusie dat de arme een ‘andere Christus’ is en dat het ‘sacrament van het altaar’ zich ‘op straat moet voortzetten’ door het ‘sacrament van de broeder of zuster’.

In 397 wordt Johannes, vanwege zijn talenten als prediker, tegen wil en dank benoemd als aartsbisschop van de hoofdstad van het Oosterse Rijk. In Constantinopel laat hij, tegemoetkomend aan de behoeften van het volk, vele ziekenhuizen en opvangcentra bouwen en verkondigt hij de goede boodschap op het platteland en zelfs aan de Goten die zich in de regio hebben gevestigd.

Hij hangt zeer gedurfde politieke opvattingen aan en verzet zich tegen een minister die het recht op asiel wil afschaffen. Later beschermt hij diezelfde minister voor een opstand als hij, in ongenade gevallen, zijn toevlucht zoekt in de basiliek. Hij probeert om de hoge geestelijkheid meer nederigheid bij te brengen en om het keizerlijke hof te herinneren aan de oproep van het evangelie.

Dit gaat te ver voor zijn vijanden, die tegen hem samenspannen en hem in 404 naar Armenië verbannen. Hij verblijft daar 3 jaar onder huisarrest. Maar zijn briefwisselingen en de grote stroom bezoekers, waaronder velen uit Antiochië, brengen onrust teweeg bij de gevestigde macht, die hem uiteindelijk nog verder wegvoert, naar de oevers van de Zwarte Zee. Na de lange voetreis is hij uitgeput en bereidt zich in Comana voor op zijn dood. In het wit gekleed ontvangt hij de eucharistie, bidt voor degenen die hem omringen en geeft de geest, terwijl hij zegt: “Aan God komt alle eer toe.”

Enkele vragen die kunnen helpen om het leven van Johannes Chrysostomus te laten doorklinken in ons eigen leven:

- Vanwege zijn roeping kon Johannes niet altijd tegemoet komen aan de verlangens van zijn moeder. Moet ook ik soms ingaan tegen de verwachtingen die anderen van mij hebben?

- Johannes benadrukt het ‘sacrament van de broeder of zuster’. Welke plaats nemen anderen en hun verlangens in in mijn leven?

- Johannes beleefde zijn monastieke roeping uiteindelijk midden in de maatschappij. Welke opdracht heb ik in de maatschappij te vervullen? Welke plaats bekleden christenen in deze tijd in de politiek? Kan het soms nodig zijn om, omwille van het geloof in Christus, je te verzetten tegen de macht of tegen de heersende opvattingen?

Tekst geciteerd in de “Brief uit Calcutta” – Taizé communauté p.3