Cyrillus van Alexandrië : Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel

Sint Cyrillus van Alexandrië (380-444), bisschop, Kerkleraar
Over Jesaja IV, 1

 

cyril van Alexandrië112

 

“Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel”

       “Zing voor de Heer een nieuw lied!” (Ps 96,1) Om zich aan de nieuwe omstandigheden aan te passen, is het lied nieuw; Paulus schreef hierover: “Daarom ook is iemand die één met Christus is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen” (2Kor 5,17). Zij die Israëlieten waren door het bloed werden bevrijd van de tirannie van Egypte dankzij de middelaar uit die tijd, de zeer wijze Mozes; ze werden bevrijd van het werken met bakstenen, van onnodig zweet… van de aardse taken, van de wreedheid van hun bewakers, van de onmenselijke hardheid van de farao. Ze zijn door de zee getrokken; in de woestijn hebben ze manna gegeten; ze hebben water dat uit de rots ontsprong gedronken; ze zijn met droge voeten door de Jordaan getrokken; ze zijn het beloofde land binnengegaan.

      Welnu voor ons is dat alles vernieuwd en de nieuwe wereld is onvergelijkelijk beter dan de oude. Wij zijn bevrijd van slavernij, niet de aardse, maar de geestelijke; wij werden niet meer van de taken van deze aarde bevrijd, maar van de smet van de vleselijke begeerte. Wij zijn niet ontsnapt aan de Egyptische opzichters of aan de kwade en meedogenloze tiran, die een mens is zoals wij, maar aan de kwade en onzuivere demonen die aandringen op het zondigen, en aan de chef van hun gebroed, Satan.

      Wij hebben de stromen van het huidige leven doorkruist als door een zee, met zijn lawaai en dwaze onrust. Wij hebben geestelijk manna gegeten, het brood dat uit de hemel neerdaalde en dat leven aan de wereld geeft. Wij hebben water gedronken dat opborrelde uit de rots, welke de zaligheid van het levend water van Christus was. Wij zijn door de Jordaan getrokken dankzij de heilige doop die wij waardig waren om te ontvangen. Wij zijn het Land dat aan de heiligen beloofd was en voor hen bereid, binnengegaan . De Heer herinnert aan dat land, als Hij zegt: “Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten” (Mt 5,4).

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Over de Heilige Communie

OVER DE HEILIGE COMMUNIE

binnen de orthodoxe Kerk

“Christenen moeten de Heilige gaven ontvangen, hoe dan ook. ‘Als je het vlees van de mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, dan hebt ge het leven niet in U….Want Mijn vlees is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank. Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij ik in hem’ (Joh.6,53-56). Het niet communiceren is zonde : een zeer zware zonde, omdat hij het bloed van Christus, Zijn Kruis en Zijn Offer misprijst. Hij misprijst Christus zelf” ( Arcim.Basileou Mpakogannh : H Jeia Koinwnia, p.53) Verwijzingen naar dit boekje zullen in ’t vervolg aangeduid worden met : JK

Het doet soms pijn, om de grote verscheidenheid van opvattingen binnen de Kerk over de Heilige Communie waar te nemen. Alles heeft te maken met bepaalde tradities, opvattingen, die soms plaatselijk zijn, maar die in de praktijk soms heel ver af staan van wat de Orthodoxie ons leert. Is het normaal, dat men in de ene kerk niet mag communiceren, dat men er zelfs de gelegenheid  niet toe krijgt, en in de kerk van het volgend dorp het helemaal geen probleem is, integendeel. Wij worden vaak bestookt met argumenten vóór of tégen de frequente communie. Vooral de argumenten tégen zijn dikwijls van een ongeloofwaardig, zelfs onaanvaardbaar gehalte. Wij komen hier op terug. Op zoek gaande in enkele boeken en websites heb ik geprobeerd een aantal vragen in verband met dit onderwerp te beantwoorden, in respect voor ieders overtuiging, doch steeds de waarheid van de Heilige Schrift, de Kerkvaders en Grote heiligen volgend.

Hoe is de praktijk van het Communiceren geevolueerd ?

           In de Handelingen van de apostelen staat : ‘ En allen die tot het geloof gekomen  en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er die hun bezittingen en have verkochten, en ze uitdeelden aan allen die er behoefte aan hadden; en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst van het gehele volk'(Hand.2,44-47). Dit was het gebruik in de allereerste periode van de Kerk. Iedereen deed mee, belangrijk was een zuiver hart, vol eenvoud en blijdschap.

 De eerste Christenen hielden de praktijk van de maaltijd in ere. Er was toen nog geen afzonderlijke ritus, los van de maaltijd.

Justinus (uit Palestina afkomstig en rond 165 gedood in Rome) zegt in zijn eerste apologie : ‘Op de dag die men zondag noemt, komen allen die in steden of op het platteland wonen bijeen.Er wordt uit de  geschriften van de apostelen en profeten gelezen… dan houdt de voorganger een toespraak….Dan wordt brood en wijn gehaald, en de voorganger spreekt met luide stem gebeden en dankzeggingen uit waarmee het volk instemt door met ‘Amen’ te antwoorden.Daarna wordt het geconsacreerde brood uitgedeeld, waarvan IEDER zijn deel krijgt . Door de diakens wordt het naar de afwezigen gebracht’. (Bijbel en Christendom, deel 1 p.62).

Pas veel later werd de Eucharistie een liturgie apart, zonder maaltijd.

Nog later, onder de Turkse overheersing en de synodale periode in de Russische Kerk, is het communiceren zeldzaam geworden. Waarschijnlijk niet uit onachtzaamheid, maar wél door een verlammend respect voor het Heilige.

Nochtans is de communie het noodzakelijk antwoord, het noodzakelijk compliment op het eucharistisch gebed. Het zegengebed en het gezamenlijk nuttigen maken  samen de grondstructuur uit van de Eucharistie (naar A.Verheul : Grondstructuren van de Eucharistie,pp.82-83). Er was ooit een periode, waarop diegenen die niet communiceerden, vóór de consecratie de kerk verlieten. Dat heeft men echter in grote mate kunnen verhinderen, alhoewel het op sommige plaatsen nog gebeurt.

   Een bijkomende reden, waarom de communiepraktijk verminderde, was waarschijnlijk de biecht-boetepraktijk. Men kreeg na de biecht een boete opgelegd, en men mocht pas communiceren, wanneer die boete volbracht werd. Het is nochtans geen gebruik in de Orthodoxe Kerk  een boete op te leggen. Dit gebruik is aan het Westen ontleend. In de Orthodoxie gelooft men dat de biecht alle zonden vergeeft, een boete hoeft niet. God is de barmhartige, en vergeeft de mens als hij oprecht berouw heeft. God schenkt ons Zijn genade, wij moeten ze niet ‘verdienen’. Christus heeft onze zonden op zich genomen.

   Over de situatie vandaag schrijft Mgr.Kallistos : ‘Recent zijn er in Griekenland en de Russische diaspora parochies die teruggekeerd zijn naar de oorspronkelijke primitieve gewoonte van de wekelijkse communie, en het blijkt dat het achter het ijzeren gordijn (het boek is van 1963 ! ) nog frequenter is geworden. Men kan hopen dat deze beweging zich in de komende tijden verder zal ontwikkelen en breder zal worden’ (L’Orthodoxie, p 385).

  Het roept heel wat vragen op, wanneer men in een orthodox land in de ene kerk niet eens de mogelijkheid heeft om te comunnie te gaan (nader in vreze Gods en met liefde…en de priester draait zich onmiddellijk weer om : ongehoord !), en men je in de andere bijna komt halen om deel te nemen aan de communie (heb ik zelf ervaren op de Athosberg : in het klooster Xenofontos ging niemand ter communie (reden : men ging direct na de liturgie eten, en men kan toch niet het lichaam van Christus ontvangen als men direct nadien moet eten !!??) terwijl het in het Russicon en vooral in Simonos Petros geen enkel probleem was, integendeel men nodigde u uit (en zonder voorafgaande biecht !)om te komen communiceren.

Hoe dikwijls te Communie gaan ?

   Hier heerst onenigheid. Sommigen zeggen : dikwijls – twee tot driemaal per week, of zelfs elke dag. Anderen zeggen : slechts 3-4 maal per jaar. (JK, p.53)

De eerste Christenen communiceerden elke zondag. Zij kwamen allen samen in één of ander huis, lazen uit de schriften van het Oude Testament, hielden liturgie en communiceerden.

     Het is pas in de loop van de geschiedenis dat de frequente communie is beginnen af te nemen (zie boven). De Heilige Simeon van Thessaloniki evenals  Metropoliet Filaret van Moscou spreken  van 40 maal per jaar, anderen spreken van 3-4 maal per jaar. Het is vooral in de 4e eeuw dat de communie zeldzaam wordt.Er waren zelfs Bisschoppen die gedurende jaren niet celebreerden, noch communiceerden ! Zij verkozen de jacht en banketten boven de eucharistie en de communie. De Heilige Johannes Chrysostomos constateert dat sommige Christenen maar communiceren op het feest van Theophanie, in de vasten en op Pasen. Men ging dit ‘zelden’ communiceren zelfs gaan aanvaarden.

   Toch zien we doorheen de geschiedenis een oproep tot het veelvuldig communiceren.

Wanneer de Heilige Johannes Chrisostomos en andere Heilige Vaders de gelovigen aanzetten om dikwijls ter communie te gaan, dan willen zij breken met de slechte gewoonte van het zelden communiceren.

Voor de Heilige Communie is het nodig te vasten. Het best communiceert een Christen één of tweemaal per maand (volgens o.a. Filaret van Moscou), en dit, opdat de gelovige zich voldoende en in alle rust kan voorbereiden. In de vasten kan men regelmatiger communiceren. Indien mogelijk elke zondag ( o.a.Heilige Simeon van Thessaloniki). Dat men geen 5 weken is zonder de Heilige Communie (letterlijk :geen 40 dagen zonder de H. Kelk te naderen) (Simeon van Thessaloniki) (vrij uit :JK,p.55)

   Diezelfde Heilige Johannes Chrysostomos heeft ook gezegd : ‘Christus heeft ons de mogelijkheid gegeven om Zijn lichaam te eten, door ons tot een nog grotere vriendschap te verheffen en door ons zijn wens tegenover ons te tonen, want, aan hen die het wensen, toont Hij zich niet alleen, maar Hij laat hen ook toe om Hem aan te raken, Hem te eten en zich in Zijn lichaam te integreren om zich met Hem te verenigen en volop hun ziel te bevredigen’ (H.Joh.Chrysostomos, Homelie 46, over de H.Johannes 2)

  Vandaag ziet men een heropleving van de frequente Communie. Dit vraagt tijd, maar God is ons hierin nabij. Maar voegen we er aan toe :’ Wie zullen wij prijzen ? zegt de H. Johannes Chrysostomos,  hem die geregeld communiceert ? of hem die zelden communiceert ?’ En hij antwoordt: noch de één noch de ander, maar hem die met een zuiver geweten communiceert’ (JK,p56).

Verschil  Communio en Communie van de Heilige gaven.

     Alhoewel beide een nauwe band hebben met elkaar  : men kan niet communiceren zonder dat men in communio leeft met de anderen. Toch is er een onderscheid.

‘Communio’ betekent : leven in de gemeenschap van gelovigen, de Kerk, verzameld rond het altaar, samen met de priester. In éénheid van geloof. In Liefde voor mekaar. Bij de ‘Communie van de H.Gaven’, biedt Christus zich persoonlijk aan ons aan. Wij gaan met een zuiver hart en groot verlangen het lichaam en bloed van Christus ontvangen, tot vergeving der zonden. De Communie van de gaven doet ons groeien naar de communio met elkaar. Christus gaat ons leiden vanuit ons innerlijk, opdat wij vanuit Christus zouden leven. ‘Gaat nu allen heen in vrede’ zegt de priester op het einde van de liturgie. Wij hebben Christus ontvangen en kunnen nu in vrede heengaan.

Moet men biechten voor de Communie ?

     “In sommige kerken was vroeger de biecht vereist om te kunnen communiceren. Men moest bijna zonden uitvinden om te kunnen communiceren. De rituele en automatische binding tussen de twee sacramenten van berouw en Eucharistie ontnam de eerste zijn geloofwaardigheid en de tweede zijn blijmoedige inhoud van deelname aan het Eucharistisch banket. Wanneer, daarentegen, men ophield de biecht als voorafgaande aan de Communie te eisen, hielden de gelovigen, van deze last bevrijd, dikwijls op te biechten, en communiceerden soms zonder de noodzaak aan te voelen hun levensstijl in vraag te stellen. Zo loopt de Communie zelf het gevaar een rituele en mechanische daad te worden, waarin men het vreeswekkend aspect vergeet van de offerende liefde, die ons haar Bloed schenkt en ons haar Leven brengt.

Indien het dus zeker niet noodzakelijk is, ja zelfs niet raadzaam is om iedere keer dat men communiceert te biechten – des te meer dat het normaal is in iedere liturgie te communiceren om de oproep te beantwoorden ‘nadert met vreze Gods, in geloof en in Liefde’, en om nadien te zingen :’Wij hebben het ware licht aanschouwd’ – blijft het niettemin essentieel voor het vervolmaken van ons leven in Christus, systematisch onze levensstijl en ons gedrag terug in vraag te stellen door een regelmatige biechtpraktijk. Het ritme van deze praktijk is in functie van de vrije beoordeling van ons eigen geweten’ (Uit de toespraak van Vader Cyrille Argenti over de VERZOENING op het achtste westeuropees Orthodox Congres te Blankenberge).

          Vooral in de Russische kerk en vele ex-communistische landen houdt men aan dit gebruik van te biechten voor de communie vast, alhoewel in het westen en op de Athos (en waarschijnlijk ook in vele Russische parochies) dit niet meer vereist wordt. Zo hoeft men in de Russische Kerk van Amsterdam en in het Russicon op de Athos enkel de zegen te vragen aan de priester (kwestie van te weten wie die vreemdeling is die te communie gaat !)

Na wat hierboven gezegd is, kunnen we besluiten. Het is een vaststaand feit dat de binding boete-Eucharistie niet juist is. De eerste Christenen namen de maaltijd, en allen kwamen tot de tafel des Heren. Ook de jonge Kerk heeft dit gebruik in deze zin gekend. Het is pas later, vooral tijdens de Turkse bezetting, en de Russische Synodale periode dat men de Communie-praktijk grondig reduceerde.Maar ook een bepaalde opvatting over biecht-boete heeft deze trend doen voortzetten.

    Gelukkig maken we al geruime tijd een tendens gewaar om terug te keren tot de gewoontes van de eerste Kerken, en dus ook naar een diepere deelname aan de Heilige Liturgie.

Traditie en tradities

Eén van de balangrijke kenmerken van de Orthodoxie is haar gehechtheid aan de Traditie. Nogal dikwijls wordt dit feit aangeduid om de gewoonte van het niet-frequent communiceren goed te praten :’het is de traditie binnen deze of die geloofsgemeenschap’. Een onderscheid tussen Traditie en tradities kan hier opheldering brengen.

We citeren hiervoor uit het boek van bisschop Kallistos Ware (L’Eglise des sept conciles pp.270-271) :

‘Alles wat uit het verleden komt heeft niet dezelfde waarde en is niet noodzakelijk juist. Zo deed het één van de bisschoppen op het concilie van Carthago in 257 opmerken. :’De Heer heeft gezegd : ik ben de Waarheid; Hij heeft niet gezegd : Ik ben de gewoonte’. Er is een verschil tussen de Traditie en tradities : vele tradities zijn menselijk en toevallig, het zijn godvruchtige opinies (of erger), maar ze zijn geen daadwerkelijk deel van de ene Traditie van de Christelijke boodschap bij uitstek.

Het is noodzakelijk, dat wij ons ondervragen over het verleden. In de Byzantijnse periode en later, hebben de orthodoxen zich daarover te weinig ondervraagd, en een zekere stagnatie is hiervan dikwijls het gevolg geweest. Vandaag kan deze houding niet voortduren : een betere scholing, het meer en meer incontact treden met westerse christenen, de secularisatie en het atheïsme hebben de orthodoxen ertoe gedwongen om deze erfenis beter te bestuderen, en een meer subtiele differentiëring tussen Traditiie en tradities te maken. Dit onderscheid is niet altijd gemakkelijk te maken. Het is ook nodig, dat wij de fouten van de ‘oud gelovigen’ als deze van de ‘levende Kerk’ proberen te vermijden : de enen zijn gevallen in een  extreem conservatisme, de anderen, daarentege
n, in een modernisme of een theologisch liberalisme welke de Traditie  verwoest. Nochtans zijn de orthodoxen, ondanks hun gebreken,

Vandaag beter geplaatst dan hun voorgangers, om een meer onpartijdig oordeel te vellen. Het zijn vooral haar contacten met het Westen die de orthodoxen toestaat terug te keren tot haar eigen erfenis.

De waarachtige trouw aan het verleden moet een creatieve trouw zijn. De orthodoxie kan zich niet voldaan voelen met een ‘steriele theologie van herhaling’, dit wil zeggen, met een herhalen van formules waarvan men de zin niet meer begrijpt. Er is niets mechanisch aan een goed begrepen trouw aan de Traditie, het is niet slechts een overbrengen en tegelijk er zich eenvoudigweg niet meer interesseren aan datgene wat ons is gegeven. Een orthodox die zich bezint ziet de Traditie vanuit het innerlijke, het doordringt de geest. Om in de Traditie te leven, is het niet voldoende  om zich intellectueel te hechten aan een systeem van doctrines, want de Traditie is heel wat anders dan abstracte stellingen. Het is een levend iets, een persoonlijke ontmoeting met Christus, in de Heilige Geest. In de orthodoxe opvatting is de Traditie niet statisch, maar dynamisch, het is geen  erfgift dat passief wordt overgenomen, maar het is de levende en actuele ervaring van de Heilige Geest. Alhoewel innerlijk onveranderbaar – want God verandert niet- neemt zij voortdurend nieuwe vormen aan, die zich wederzijds aanvullen, zonder er iets aan te veranderen. De orthodoxen praten dikwijls alsof de periode van formules voorbij is, maar het is niet zo, en wellicht zullen wij ooit een nieuw oecumenisch concilie zien samenkomen die een verrijking zal brengen door nieuwe verklaringen.

Dit idee van een levende Traditie is duidelijk uitgedrukt door Georges Florofsky :

‘ De Traditie is het getuigenis van de Heilige Geest, de voortdurende openbaring en de voortdurende boodschap van het goede nieuws….Om de Traditie te aanvaarden en te begrijpen, moeten wij leven in de Kerk, moeten wij ons bewust zijn van de levende genade van de aanwezigheid van de Heer, moeten wij er de adem van de Heilige Geest voelen…De Traditie is geen principe dat beschermt en bewaart; zij is essentieel een principe van groei en van herstel… De Traditie is niet alleen maar een woordelijk herdenken maar ze is de eeuwige woonplaats van de Heilige Geest.'(Sobornost : the Catholicity of the church, in ‘the church of God’ pp.64-65)

De traditie is het getuigenis van de Heilige Geest : in de woorden van Christus :’Wanneer Hij zal komen, de Geest van Waarheid, zal Hij u naar de volle Waarheid leiden’ (Joh.XVI,13).

Deze goddelijke belofte is de bron van de orthodoxe devotie ten aanzien van de Traditie.’

Besluit :

Als we eerlijk willen staan tegenover God, bestaat er niet zoiets als een volgen van een bepaalde taditie, omdat het nu eenmaal zo de ‘gewoonte’ is. Orthodoxen moeten durven terugkeren naar de  oorspronkelijke betekenis van de Traditie. Gelukkig keren in onze tijd vele orthodoxen terug naar de oorspronkelijk Christelijke leer. Als Christenen moeten we de leiding van de Heilige Geest hierin erkennen.

Enkele getuigenissen van Heiligen, Kerkvaders en theologen over de Heilige Communie 

    Nicodemus de Hagioriet (1748-1809) was in zijn tijd een vurige voorstander van de frequente Communie. Hij werd omwille van dit standpunt ernstig aangevallen, maar een concilie van  Constantinopel (1819) gaf hem gelijk. Voorstanders van de frequente Communie doen graag beroep op het grote gezag van deze Heilige.

   De Heilige Johannes van Cronstadt legde de nadruk op het veelvuldige communiceren; alhoewel de leken in zijn tijd maar een 4-5 maal per jaar communiceerden. Hij legde wel de nadruk op het biechten. Aangezien hij geen tijd had om individuele biechten te houden, voerde hij een soort gemeenschappelijke biecht in . Allen beleden luidop en tegelijk hun zonden.Johannes van Cronstadt heeft nog een andere vernieuwing aangebracht : nl. het meer ‘open’ maken van de ikonostase, zodat iedereen kon zien wat er aan het altaar gebeurde.

   Ook Vader Georges Khodre, libanees priester van het Patriarchaat van Alexandrië wilde het frequent Communiceren in ere herstellen. Dit deed hij via een jeugd-beweging die hij stichtte in 1941-1942.

    ‘De heilige Communie is een onontkoombare plicht voor elke gelovige, omdat hij via dit sacrament zich met Christus en met andere gelovigen verenigt. Wij zijn geroepen van dikwijls te Communiceren en niet slechts twee  of drie maal per jaar. Het regelmatig Communiceren heeft een bijzonder nut, maar mag echter geen aanleiding zijn tot het verlies van onze noodzakelijke eerbied voor het Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus'(gevonden op de internetsite van de Griekse Kerk in Nederland : www.grieksegids.nl/kerkfotos/kerk.htm)

  Mgr Kallistis : zie het boven reeds geciteerde citaat.

     In diezelfde zin als Mgr.Kallistos schrijft ook O.Clement (L’Eglise Orthodoxe,p. 95.)

   Alexander Schmemann : ‘Wij nemen deel aan de Heilige Communie ‘alleen maar’ omdat wij toegewijd, dit is heilige gemaakt zijn door Christus en in Christus. Wij nemen eraan deel om heilig te worden, d.w.z. om de gave der heiligheid in ons leven waar te maken’ (Biecht en Communie,p.38, gecit. in ‘Een open venster op de Orthodoxe Kerk, Ignace Peckstadt, p.12)

    ‘Ideaal gezien is het hele leven van een christen, en zo zou het natuurlijk moeten zijn, een voortdurende voorbereiding voor de communie, zoals ook de ‘geestelijke’ vrucht van de communie dat is en zou moeten zijn’ (Schmemann ‘biecht en communie’ p.41)

    ‘Diep geloof en gevoel van ‘onwaardigheid’ is de enige weg om God in ons te ontvangen, zoals wij het trouwens telkens in de Goddelijke Liturgie bidden : ‘God wees ons zondaars genadig’ en verder ‘Menslievende Meester, Heer Jezus Christus mijn God, maak dat deze Heilige Geheimen mij niet tot veroordeling strekken door mijn onwaardigheid maar tot genezing van ziel en lichaam’ (gebed van de Heilige Johannes Chrysostomos voor de Communie)

   In hetzelfde boek van Vader Ignace Peckstadt vindt men nog meer getuigenissen. Lees in dit verband vooral de bladzijden : 81-84.

   Eén van de martelaren van Optina Poestyn , Vader Vasily, één van de drie nieuwe heiligen van de Russische Kerk en vermoord in 1993 zegt in zijn dagboek : ‘De ellende van ons land is te wijten aan het onbegrip van de Russische priesterstand (en daardoor hun veronachtzamen) van  de frequente communie’ (Een bloedig Pasen, p.243) In voetnoot staat volgende aantekening ‘Met de priesterstand wordt hier de witte geestelijkheid genoemd, de getrouwde priesters. In de 18e eeuw was
in de Russisch-orthodoxe Kerk de traditie ontstaan dat een gelovige slechts éénmaal per jaar te communie hoefde te gaan. Nog steeds gaan vele kerkbezoekers weinig te communie. Een gewoonte die inderdaad een actieve geloofsbeleving in de weg staat.’

In het boek : een eigen kijk op de icoon en de Kerk, zegt archimandrit Zenon, Monnik en iconograaf :

‘De Eucharistie is een maaltijd, een Agape : je kan er enkel aan ‘deelnemen’, niet

toekijken hoe anderen eten, wat trouwens onwelvoeglijk zou zijn ! Waarom denk je, moesten de catechumenen buiten gaan net voor de communie ? Precies omdat alle aanwezigen deelnemen aan de offerande wat ook deelnemen aan de Eucharistie betekent; welnu, de catechumenen, dit zijn nl. de niet-gedoopten, mochten noch aan de offerande, noch aan de Eucharistie deelnemen.Ik herhaal het : men kan bij de liturgie niet spreken van ‘aanwezigheid’, enkel van ‘deelneming'(….) Een zogenaamde ‘geestelijke communie is volkomen ondenkbaar. De Kerk kent enkel de reële communie.De eucharistie is heilig, maar ze is ook voedsel. Men kan ze niet reduceren tot een symbool en metafysische gevoelens koesteren’ (p.53-54)

De Heilige Basileios de Grote raadde de Christenen aan viermaal per week samen te komen voor de liturgische viering : op maandag, vrijdag, zaterdag en zondag. Als ideaal stelde hij evanwel de dagelijkse communie voor.Eén van de Oecumenische Concilies heeft beslist – en dat werd nooit herroepen – dat wie zonder geldige reden niet aan twee of drie eucharistische vieringen heeft deelgenomen uit de kerkgemeenschap uitgestoten wordt, of juister zichzelf van Christus uitsluit. (geciteerd in het boekje van Zenon p.55). Verder zegt Zenon nog : ‘In onze grote catechese wordt gezegd dat wie gered wil worden viermaal per jaar de communie moet ontvangen of ten minste éénmaal. In onze tijd lijkt dit absurd : niemand onderhoudt dit voorschrift. Het leven heeft er anders over beslist. Ook de H.Johannes van Kronstadt gaf andere aanbevelingen’ p.55.

Men kan zo doorgaan, men moet al heel lang zoeken om een Kerkvader te vinden die voorstander is van het niet-frequent communiceren, zo men er al één kan vinden.

Het communiceren is een belangrijk moment binnen de liturgie, een liturgie is maar volledig, als men ook tot de kelk genaderd is. Het is een sterk moment, wij ontvangen het lichaam van Christus, om vanuit Hem verder te kunnen leven ! Wij gaan te communie ‘tot vergeving van onze zonden’.Zo is de Heilige Communie, evenals het sacrament van de ziekenzalving zelf zondenvergevend.

Een bekende canon van de Kerk, die nog altijd geldig is, zegt zelfs dat diegenen die niet regelmatig communiceren ‘geexcommuniceerden’ zijn: Al de gelovigen die de Kerk binnenkomen en de schriftlezingen volgen, maar niet blijven voor de gebeden en de Heilige Communie moeten worden geëxcommuniceerd, want zij veroorzaken wanorde in de Kerk ( 9e apostolische Canon)

  Ook in de Katholieke Kerk was tot vorige eeuw de communiepraktijk niet frequent. Dank zij acties, onder andere bij ons, van Priester Poppe, met zijn eucharistische kruistocht en de ‘bond van het Heilig Hart’, is in de Katholieke Kerk de frequente communie een normaal onderdeel geworden van elke misviering.

Besluit :

  Uit alles wat gezegd is, blijkt de frequente deelname aan de Heilige mysterieën het dichtst aan te sluiten bij het Evangelie, de Kerkvaders en de Eerste Kerk. Dit mag ons echter niet hoogmoedig maken. Iedereen volgt hierin zijn geweten. Het belangrijkste is niet HOEVEEL, maar HOE wij communiceren. Dit alles in respect voor ieders persoonlijk geweten.

    Waar wij westerlingen de  meeste  moeite mee hebben is de argumentatie van de tegenstanders van de frequente Communie : Welk voedsel we ingenomen hebben, of we daarna niet direct gaan eten, of we de dag ervoor de liefde niet bedreven hebben, of we onze mond gespoeld hebben, tot zelfs of we onze tong geraspt hebben, zeggen dat alles Communie is (men bedoelt eigenlijk ‘communio’), uit traditie, of we gebiecht hebben enz… Men leest en hoort dergelijke dingen ( zie : JK, p. 64-66).Wat hierbij opvalt, is, dat er geen eenduidig antwoord gegeven wordt op de vraag waarom men maar een paar maal per jaar communiceert. De ene zegt dit, de ander zegt dat…

     In veel orthodoxe landen die jarenlang onder het juk van het communisme geleefd hebben, is er gedurende die jaren weinig kans geweest om zich grondig hierover te bezinnen. Een tekort aan boeken en degelijke theologische scholing maakte dat vele priesters geen of weinig studies hadden gedaan, soms geheel niet. Het enig godsdienstig onderricht kwam van  ouders of grootouders, die dikwijls vast zaten aan bepaalde tradities. Het valt ook op, dat vele migranten uit die landen hier soms een veel behoudsgezinder standpunt innemen dan in hun eigen land van herkomst. Terwijl het juist goeddenkende theologen zijn aangevuld met een grondige kennis van de Bijbel en de Kerkvaders die ons een dieper inzicht in de betekenis van de Heilige Communie kunnen geven.                                                                                                                

  Maar Jezus kent het hart van elke mens. God is Barmhartig, hij is Liefde en een levengevende bron. Moge de Heilige Communie ons aanzetten tot verdieping van ons liturgisch en sociaal leven met en voor elkaar.

Kris Biesbroeck

 

        

 

 

 

20e zondag na Pinksteren : Opwekking van de jongen van Naïm

20e zondag na Pinksteren

“Opwekking van de jongeling van Naïm”

 

Nahum opwekking van Naim2

Lezingen :

Galaten 1,11-19

Ik  verzeker u, broeders en zusters, het evangelie dat door mij is verkondigd, is niet door mensen uitgedacht. Want ook ik heb het niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door een openbaring van Jezus Christus.

Voorvallen uit Paulus’ leven
U hebt toch gehoord hoe ik vroeger als Jood geleefd heb: hoe ik de kerk van God fel vervolgde en haar trachtte uit te roeien; en hoever ik het gebracht heb in de Joodse godsdienst, vele leeftijdgenoten onder mijn volk overtreffend in mijn grenzeloze ijver voor de overleveringen van mijn voorouders. Maar toen God, die mij had uitgekozen, nog in mijn moeders schoot, en die mij heeft geroepen door zijn genade, besloot zijn Zoon aan mij te openbaren om Hem onder de heidenvolken te verkondigen, toen ben ik aanstonds, zonder een mens te raadplegen, zonder naar Jeruzalem te gaan, naar hen die eerder apostel waren dan ik, vertrokken naar Arabië en vandaar naar Damascus teruggekeerd.
Pas drie jaar later ben ik naar Jeruzalem gegaan om met Kefas kennis te maken, en ik ben veertien dagen bij hem gebleven. Van de andere apostelen heb ik niemand gezien, behalve Jakobus, de broer van de Heer.

Evangelie : Lucas 7,11-16

Opwekking van de zoon van een weduwe uit Naïn
    Naderhand ging Jezus naar een stad die Naïn heette; zijn leerlingen en een grote menigte gingen met Hem mee. Toen Hij de stadspoort naderde, werd er juist een dode uitgedragen, de enige zoon van een weduwe. Een talrijke menigte uit de stad was bij haar. Toen de Heer haar zag, was Hij ten diepste met haar begaan. ‘Huil niet’, zei Hij tegen haar. Hij liep naar de lijkbaar toe en raakte die aan. De dragers bleven staan en Hij zei: ‘Jongeman, kom overeind, zeg Ik je!’ En de dode ging rechtop zitten en begon te praten, en Hij gaf hem aan zijn moeder. Ontzag vervulde allen en ze prezen God. Ze zeiden: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan’, en: ‘God heeft naar zijn volk omgezien

Ontmoeting tussen paus en Patriarch Kirill

‘Ontmoeting tussen paus en patriarch Kirill momenteel onmogelijk’

Geplaatst door onze redactie op donderdag 22 oktober 2009 om 09:05u

MOSKOU (RKnieuws.net) – Momenteel is er geen ontmoeting mogelijk tussen paus Benedictus en patriarch Kirill van de Russisch- orthodoxe Kerk. Dat heeft de leider van de orthodoxe diplomatie Iliarion verklaard.

‘Wij willen werken aan een dergelijke ontmoeting maar we stellen wel bepaalde voorwaarden’, aldus Ilarion. ‘Een ontmoeting is mogelijk als er positieve ontwikkelingen zijn, niet na maar voor de ontmoeting. Momenteel zijn er echter geen positieve ontwikkelingen’, stelt Ilarion.

Cyrille Argentie : Liturgie en leven

De Liturgie en het leven

Door Vader Cyrille Argentie

Hoe dikwijls heeft ieder van ons niet horen zeggen van deze of die persoon “Men ziet hem in de Kerk, maar wanneer wij hem zien leven, zou hij beter atheïst zijn”. Deze zin, die ongelukkiglijk klassiek geworden is, roept ons op : Hoe kan de liturgie terug worden wat ze moet zijn, het centrum en de uitstraling van ons leven ?  Hoe komt het ook dat wij dikwijls de indruk hebben van het tegendeel ?

Voor en na de verrijzenis van Christus.

Wij denken dikwijls dat wij naar de kerk gaan om te bidden. Dat is waar, maar wij kunnen ook bidden in onze kamer, alleen met God. De Liturgie is méér dan een simpel gebed : het is een actie, in afwachting van , en als antwoord op wat God doet. Want indien ze een “daad van het volk” is – dat is de betekenis van het griekse woord leitourgia –  is zij essentieel een daad van God; ze verdient dan ook goed de naam van Goddelijke Liturgie.

In werkelijkheid maakt men dikwijls van de liturgie een karikatuur. De mensen komen er dikwijls om zich te bezinnen, zoals ze naar een voetbalmatch gaan om zich te ontspannen, naar de zee om te baden of aan het bureau om te werken. Alsof er een “kleine hoek” zou zijn waar men naartoe gaat om een moment van vrede te vinden, van rust, vooraleer zijn werk te hervatten  zoals voordien : “Och, hoe heeft het koor goed gezongen !” of : “Och wat heeft de priester goed…of veeleer, hoe heeft hij slecht gepredikt.”

Proberen we nu naar de grond van de zaak te gaan. En daarvoor moeten wij naar het gedrag kijken van de leerlingen van Jezus voor en na zijn verrijzenis. De avond van Grote Donderdag, op de berg van Olijven, wanneer Jezus zijn doodstrijd doormaakt in de hof van Gethsemani, slapen de apostelen Petrus, Jacobus en Johannes. Op het ogenblik van zijn aanhouding, laten de leerlingen Hem in de steek  en vluchten, zoals Jezus het had aangekondigd : “De schapen  van de troep zullen verstrooid worden” (Mat.26,31).

Wanneer Jezus verschijnt voor her Sanhedrin, loochent Petrus Hem tot driemaal toe. Leerlingen die slapen, de verstrooide kudde, gelovigen op de vlucht, Petrus die zijn meester verloochent, is het verwonderlijk dat Jezus dan zegt : ” Mijn ziel is ten dode toe bedroefd” (Matt.26,38). En hij besluit : ” het is de macht van de duisternis” (Luc.22,53). Men vind vele van deze karakteristieke kenmerken, gesteltenissen van de ziel en houdingen – vlucht, verstrooiing, verdeeldheid, droefheid,  slaperigheid, krachten van de duisternis –  in de huidige samenleving terug, rondom ons en wellicht ook in ons eigen harten, in onze eigen verhouding tot het leven. Een soort van angst en vrees, van gebrek aan moed en hoop, er genoeg van hebben. Dit komt voor bij alle leeftijden, zelfs bij de jongeren.

Beschouwen wij nu de houding van de leerlingen na de Verrijzenis, zoals het opgeschreven staat in de eerste hoofdstukken van de Handelingen der Apostelen. De morgen van Pinksteren citeert  Petrus – die angst van  schrik had gehad van een klein dienstmeisje in de voorhof van de hogepriester, David : “Mijn hart is vreugdevol, en mijn tong jubelt”. Dan, vol van durf, voegt hij eraan toe : ” deze Jezus die gij gekruisigd hebt heeft God tot Heer en Christus gemaakt” (Hand.2,36). De heilige Lucas beschrijft aldus het leven van de eerste christenen : “Zij bleven volharden in het onderricht der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen. En allen die tot het geloof gekomen  en bijeengekomen waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen die er behoefte aan hadden, en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst bij het hele Volk. En de Heer voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden”.(Hand.42-47).

Vóór de Verrijzenis overheerste de verstrooiing, de slaperigheid, de droefheid, de laksheid, de vlucht, de tranen. Na de Verrijzenis regeerde de vreugde, de vrolijkheid, de kracht, de  toewijding, de broederlijkheid, de éénheid. Anders gezegd, het Kruis, de Verrijzenis, Pinksteren hebben de zielstoestand het hart van de personen en van de christelijke gemeenschap totaal veranderd. De gelovigen verschillen, niet enkel als individuen, maar ook als gemeenschap. De Verrijzenis en Pinksteren heeft hen omgevormd. Zij zijn waarachtige nieuwe mensen geworden die de ganse romeinse wereld zouden kunnen veroveren. De verandering zal een veertigtal jaar duren, het Evangelie zal verspreid worden over de ganse omtrek van de middellandse zee.

Wat is het verband met de liturgie ? Christus is niet verrezen en de heilige Geest is niet neergedaald op de dag van Pinksteren voor simpelweg de mensen van één generatie en de joden van Jeruzalem ten tijde van Pontius Pilatus, maar voor alle mensen van alle tijden. De plaats en het moment waar de mensen  kunnen veranderen door de verrijzenis van Christus en Pinksteren is juist de Goddelijke Liturgie. Deze is de plaats en het moment waar, door de Heilige Geest, Christus voor de mensen van vandaag doet wat hij onder Pontius Pilatus heeft gedaan. Bijgevolg, de verandering die zich heeft afgespeeld in de harten van de leerlingen en de christelijke gemeenschap op het moment van de Verrijzenis en Pinksteren, moet  hetzelfde kunnen tot stand brengen in de harten van alle leden , van elke christelijke gemeenschap van vandaag, wanneer de liturgie wordt gecelebreerd. Het is de reden om één van hen te zijn.(…)

Dankzegging

Komen wij nu aan het gedeelte genaamd de “liturgie van de gelovigen”, de eucharistische liturgie. Men hoort dikwijls zeggen : “ik heb de eucharistie ontvangen”. Dit is evident nonsens die aantoont dat we er niets van begrepen hebben, want ethymologisch betekent eucharistie ‘eucharistô’ : ‘dank u’. De eucharistie meemaken, is dank  zeggen, iemand danken. Het grote eucharistische gebed begint met de woorden :  ” laat ons de heer dankzeggen”, en het koor antwoordt : “Dit is recht en waardig”, terwijl de priester herneemt : “het is recht en waardig u te prijzen, te bezingen en te danken…”.

De Goddelijke liturgie is dus een dankzegging gericht tot de vader. Waarom ? Vooreerst voor de schepping, voor ons te hebben gebracht van het niets tot het zijn. Vervolgens voor gans het werk van zijn Zoon, actueel gemaakt en doeltreffend vandaag door de werking van de Heilige Geest. De celebratie zou dus moeten samengaan met een vloed van erkenning tegenover de Vader , de Zoon en de heilige Geest, en dit van de kant van hen die eraan deelnemen, voornamelijk de bedienaar die de dankzegging van de gemeente voorzit. Erkenning tegenover de Vader, want hij “heeft zo de wereld liefgehad, dat hij zijn Zoon heeft gezonden opdat al wie geloven in Hem niet zouden ten onder gaan, maar het eeuwige leven hebben” (Joh.3,16) Erkenning tegenover de Zoon, want Hij heeft zichzelf geofferd op het Kruis, het is geen kleinigheid te weten, te erkennen dat het bloed van Christus voor mij vergoten is, voor mij persoonlijk en voor ons allen tezamen. Erkenning tenslo
tte tegenover de Heilige Geest, want hij geeft ons vandaag dit leven van God dat Christus heeft gegeven op het Kruis.

Ziedaar, waarom de heilige Necarius, in het begin van deze eeuw, het gebed dat de Grote Intrede voorgafgaat niet kon zeggen zonder te wenen, zozeer was zijn erkenning en het bewustzijn van zijn onwaardigheid intens. Maar wij, vandaag, priesters en leken, wij wenen niet wanneer wij de dood en de verrijzenis van onze Redder celebreren, Hij die overgeleverd was in de handen van de mensen die Hem hebben gedood.Wij doen in het beste geval niets anders dan tot “inkeer”komen met ons hart van steen, in plaats van te trillen van liefde en erkenning met een hart van vlees. Nochtans heeft de aarde gebeefd van ontzetting, de zon is verduisterd, de ganse schepping heeft geschut omwille van de  verschrikkelijke strijd van God. Alle krachten hebben zich gebundeld met die van de Prins van deze wereld om Christus te kruisigen, zich van Hem ontdoen die op weg was om onze arme wereld uit de greep van de tiran te bevrijden, onze povere wereld, “die  kreunt onder de pijn van het baren.(Rom.8,22).In tegenwoordigheid van dit liefdesmysterie, van deze beslissende triomf van de Gekruisigde-Verrezene die gezegd heeft : “Vader vergeef hen, want ze weten niet wat ze doen” (Luc.23,34), wij, volk van God, laat ons  godvruchtig  stralend blijven. O Heer, verander onze harten van steen in harten van vlees en onze ondankbaarheid in een grote kreet van dankzegging.

De offerande van zichzelf

Hoe drukt deze dankzegging zich uit ? Door een offerande. Dit is het cruciale punt.  Eertijds zij men vooral niet “de priester leest de mis”, wat grote nonsens is. Men zei ook niet :”De priester celebreert de liturgie”, wat reeds iets beter is. Maar men verklaarde : “De priester is hij die de heilige gaven offert”. Sint Clémens van Rome, toen hij schreef  aan de christenen van Korintië in het jaar 95 , sprak van “presbyters” (van het grieks presbyteroï : “ouderen”), als “zij die de gaven  offeren”. De offerande van brood en wijn in naam van het volk, werd dus door de eerste christenen beschouwd als de meest karakteristieke daad en het belangrijkste in het ambt van priesters. Hij had ook een essentiële plaats in het leven van de gelovigen. In de IVe eeuw, bedreigde de ketterse gouverneur van Cappadocië de heilige Basilios met de dood, omdat deze hem de offerande had geweigerd. Als ketter wist hij, dat men een christen herkende door zijn offerande van brood en wijn en door het feit dat zij als aanvaardbaar werd beoordeeld. Vandaag, helaas, zijn de dingen veranderd. De offerande van brood en wijn komt niet meer naar voor als de belangrijkste en centrale daad van een priester, zij is het nog minder voor de gelovigen.

Om de betekenis van deze offerande goed te begrijpen, vergeten wij een ogenblik de industriële beschaving. Veronderstellen wij dat wij nog altijd landbouwers zijn, wij hebben het jaar doorgebracht met het werk op het land en met graan te zaaien, wij hebben het geoogst, gemalen, het omgevormd tot bloem, wij hebben het brood gebakken. In ons leven als landbouwer stelt het brood ons ganse leven voor, de vrucht van een gans jaar noeste arbeid. Zo gaat het ook met de wijn van de wijnbouwer. Het is gans onze arbeid en gans ons leven, gans onze persoon en gans de schepping die, als leden van de Kerk en met gans de Kerk, wij met het brood en de wijn offeren in de liturgie, volgens het woord van Sint Paulus : “Ik vermaan u, uzelf te offeren als een heilige en aangenaam offer voor God”(Rom.12,1).

Ik toon u mijn uurwerk, het is niet meer van mij, en ik heb het niet meer voor mij. Offeren, is dus ophouden het voor u te houden, verzaken aan alle egoïsme om zich aan God aan te bieden. Zich offeren met het brood en de wijn, is tenslotte zich associëren met het Kruis van Christus door de totale gave van zichzelf.

Het is dus zeer belangrijk dat de gelovige die de zondag naar de kerk komt, de dag des heren en Zijn verrijzenis, zijn brood  voor de offerande meebrengt (“prosfoor”), zijn wijn en zijn  diptieken ( van een grieks woord dat betekent “dubbel blad”. Het gaat om een dubbele lijst – onder de vorm van een stukje papier of een klein boekje – waar de gelovige zijn eigen voornaam en deze van alle personen : levenden en doden opschrijft die hij wil aanbieden, (“offeren” aan God en hen herdenken), die hij geeft aan de diaken of de priester. Het is ongelukkiglijk te betreuren dat wij moeten constateren dat een groot aantal gelovigen vandaag er niet meer aan denken, en niets meer aanbrengen. Maar hoe kan men gaven offeren in naam van het volk, indien het volk ze niet heeft aangebracht ? Indien de priester naar de bakker gaat om brood te kopen, dan is het niet meer de offerande van het volk.

Indien wij daadwerkelijk ons leven willen verbinden met de liturgie, dan is het essentieel dat wij ons voor God tonen met alles wat we zijn en alles wat we hebben. Deelnemen aan de Goddelijke liturgie wil zeggen : doorheen onze prosforen en onze diptieken, onszelf offeren aan onze Schepper, met gans onze familie en met allen waaraan we denken, onze vrienden – maar ook onze vijanden -, de levenden en de doden. (…).

Wij hebben allen onze zorgen en onze kwellingen : “Hoe kan ik er mij aan onttrekken, hoe ga ik tegen het einde van de maand de eindjes aan elkaar knopen ?”  Deze zorgen opzij zetten, betekent ons tekort aan vertrouwen  verwijderen, elke vrees verjagen voor de volgende dag om in een daad van vertrouwen  gans onze hoop op het altaar van God neer te leggen. Het is al ons egoïsme verwijderen om onszelf te offeren in een act van totaal vertrouwen, op het moment zelf waarop de diaken, terwijl hij de gelovigen voorbijgaat, de woorden van de goede moordenaar uitspreekt : “Gedenk ons allen Heer, wanneer gij in uw Koninkrijk komt”. Het is aan de voet van het Kruis dat wij onze zorgen van deze wereld moeten neerleggen alsmede gans ons leven, ons daardoor associërend met het Kruis van Christus. Dit doende, openen wij de vensters en de luiken op de grote hemel daarbuiten, op de adem van de Geest, op de almacht van God. (…)

Het voortdurend Pinksteren

Zich op die wijze aan God aanbieden met dankzeggingen  en in naam van de ganse bijeenkomst, zal de offerande van de Kerk – niet alleen het brood en de wijn, maar gans onze persoon en de ganse gemeenschap – overgegeven zijn aan het licht en de werking van de Geest. Het is daarom dat de celebrant het onze Vader bidt in naam van allen : ” Wij vragen u, wij smeken u, zendt over ons en over deze gaven uw Heilige Geest”. Waarom ? Opdat hij deze offerande van de Kerk zou veranderen in de offerande van Christus op het Kruis. Het brood is dan daadwerkelijk veranderd in het lichaam en de wijn in het bloed van onze Heer God en Verlosser Jezus Christus, opdat allen die  deelhebben “aan dit zelfde brood en deze zelfde kelk communiceren aan dezelfde Heilige Geest”, en opdat wij zouden deelhebben aan “de volheid van het koninkrijk der hemelen”.

Door te zeggen “Dit is mijn lichaam…Dit is mijn bloed”, bevestigt Christus door de werking van de Heilige Geest een actuele realiteit. De verscheurde materie wordt het lichaam van de Verrezene, en het koninkrijk van God midden onder ons !. Zo is Pinksteren geen gebeurtenis meer uit het verleden, maar wordt het een actuele realiteit. Het koninkrijk der hemelen is niet meer een ver afstaande realiteit, maar het object van een onmiddellijke ervaring. Als wij deelnemen aan
de Goddelijke Liturgie, is het juist om God te ontmoeten in de Persoon van de Heilige Geest die rust in het lichaam van de verrezen Christus die wij ontvangen tijdens de communie.

De Goddelijke Liturgie is juist het voortgezette Pinksteren, de Geest die neerdaalt over de gelovigen en de wereld, “vernieuwt het aangezicht der aarde” (Psalm 103,30). In het Oude testament deden de priesters van Baal veel gymnastiek, akrobatentoeren en magische gezangen om het vuur uit de hemel te aanroepen, maar niets haalde het uit. De Profeet Elias, daarentegen, nadat hij driemaal het altaar deed besproeien voor de offerande, aanriep de ware God die het vuur uit de hemel zendt en het vuur absorbeerde van de offerande.

Het vuur uit de hemel is de heilige Geest die neerdaalde op de dag van Pinksteren, en die neerdaalt in elke nieuwe liturgie op ons en de geofferde gaven. Het gaat hier niet meer om inkeer, maar om een waarachtige gebeurtenis : de Goddelijke Liturgie is dit “ontzettend” moment, waar God zelf in de Persoon van de Heilige Geest, ons bezoekt. Hij maakt van het brood “het lichaam van Christus” – het volk zegt Amen – en van de wijn “het bloed van zijn Christus” en het volk zegt opnieuw Amen – “hen veranderend door zijn Heilige Geest”, het volk antwoordt : Amen, amen, amen.

 Het is dus niet enkel de priester die vraagt. Door deze drievoudig Amen, is het het  ganse volk in de communautaire epiclese dat God daadwerkelijk op dat moment vraagt zijn Heilige Geest te zenden. Ik herinner mij een jonge vrouw die enkele jaren geleden overleden is en mij op een bepaalde dag zei : ” In mijn diepste voel ik door dit Amen op het moment van de épiclese  dat het in zekere mate van mijzelf afhangt of de Heilige Geest komt of niet komt”. (…) Ons Amen verenigt ons , verenigt elke persoon met het gebed van de priester.

Op dat moment, met de nederdaling van de heilige Geest, komt de verrezen Christus wezenlijk tegenwoordig. Hij zegt : “Dit is mijn lichaam”. Daarom zeggen wij na de communie “Wij hebben het ware licht aanschouwd”. Daarvoor, deden wij gedachtenis met erkentelijkheid van de dood en de verrijzenis van Christus. Nu is deze verrijzenis actueel geworden door de werking van de heilige Geest. Het is door de werking van diezelfde Geest dat de Zoon van God vlees geworden is en dat het brood het mysterievolle lichaam wordt van de verrezen Christus. Daarom kan ons leven veranderen.

Dat wat op het spel staat is niet de tegenwoordigheid van de Verrezene, de liturgie zal niets aan ons leven veranderen. Daarentegen, het is omdat de Verrezene bij ons in de liturgie aanwezig is zoals hij bij zijn leerlingen  was ten tijde der Apostelen, dat wij kunnen hopen dat hij na de liturgie dezelfde verandering zal teweegbrengen in onze houding, gedachten en ons leven, als bij de leerlingen na de Verrijzenis. Daarbuiten heeft de épiclese, zoals gans de liturgie trouwens geen enkele betekenis. Als het alleen gaat om het eten van brood en het drinken van wijn,  dan kan men evenzeer naar de bakker of de bistro op de hoek gaan.

Vleselijke vereniging met Christus.

De goddelijke Liturgie loopt uit op de communie : “Neemt, eet, drink allen” (Matth.26,26-27). Welnu “diegene die mijn vlees eet en mijn bloed drinkt blijft in mij en ik in hem” (Joh.6,5-6).  De Goddelijke Liturgie is dus gericht op deze intieme vereniging met Christus en de communicerenden, een vereniging die hun manier van zijn volledig kan transformeren en doet leven als ingelijfden in de verrezen Christus.

Indien wij echt geloven in de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus, indien wij inzien dat dit het lichaam van Christus is (1 Kor.11,21), dan geven wij er ons rekenschap van dat de communie een daadwerkelijke vleselijke vereniging is tussen de Zoon die vlees geworden is en de communicerende. Het is om deze vereniging mogelijk te maken dat Christus zijn bloed heeft “vergoten” op het Kruis. Geen enkel gebed, geen enkele deugd, geen enkele gedraging kan deze waarachtige bloedtransfusie die het leven geeft en waardoor wij één lichaam worden met Christus, vervangen. Het gaat er dus niet om “naar de mis te gaan” of   te “assisteren aan de mis” : gans het verloop van de Goddelijke Liturgie is georiënteerd naar het hoogste moment waarop de diaken of de priester zegt : “Nader in vreze Gods, met geloof en in liefde” en waarop de gelovigen die hebben geantwoord op deze uitnodiging  om deel te nemen aan het banket van het Koninkrijk uitroepen : “Wij hebben het ware licht aanschouwd, wij hebben de Heilige geest ontvangen, wij hebben het ware geloof gevonden, wij aanbidden de onscheidbare drie-eenheid, want ’t is hij die ons heeft gered”.(…)

Persoonlijke transformatie.

Waarom vragen wij dat het brood het lichaam van Christus wordt en de wijn het bloed van Christus ? Het gaat er niet om dat de verrezen Christus aanwezig komt alleen maar om hem te aanbidden, maar opdat wij eraan zouden communiceren en, dit doende, opdat wij zouden worden getransformeerd. Het doel van de eucharistie, is de verandering van ons leven : ” Opdat zij (de heilige gaven) worden voor hen die ze ontvangen soberheid van de ziel, vergeving van zonden, communio met de Heilige Geest , volheid van het koninkrijk Gods” (…).

Deze omvorming door het lichaam en bloed van Christus heeft niets automatisch noch mechanisch in zich, want de communie heeft geen magisch effect op de gelovigen. Zij kan maar op twee voorwaarden vruchten dragen : indien zij voorafgaat aan een oprechte bekering en indien zij gevolgd wordt door een trouwe en blijvende trouw aan  de ontvangen Christus.

De waarachtige bekering correspondeert aan een “ommekeer”, een her-oriëntatie  van gans ons wezen naar God toe, aan het waarachtige engagement om onze gedragingen en onze levenswijze te veranderen. De zekerheid van dit engagement wordt bevestigd door een effectieve verzaking aan een zondig leven. Daarom moet de communie voorafgegaan worden door een verzoening met onze vijanden, de breuk met onze geliefde of maîtresse, de verzaking aan uitbuiting of haat. Dergelijke beslissingen zouden utopisch en niet werkbaar zijn, zouden vrome wensen blijven indien zij niet zouden uitlopen op de eucharistische communie door dewelke “wat onmogelijk is bij mensen, mogelijk is voor God”.

Het trouwe volgen van Christus houdt ook in dat de tegenwoordigheid van Christus, ontvangen in de communie, gevolgd wordt door een gehechtheid die alle dagen voort duurt, een trouw en een waakzaamheid op elk moment.  Dit naar het voorbeeld van het huwelijk dat wordt voorbereid door de verloofden en een engagement waarin men zijn egoïstisch leven van celibatair begraaft, en dat gevolgd wordt door een gans leven van trouw en toewijding.

Daarentegen, indien men communiceert zonder geloof, machinaal, onbewust of op een onverantwoordelijke wijze,dan zal het lichaam van Christus – gloeiende kolen – de communicerende  verschroeien in plaats van hem te verwarmen en te verlichten. “Daarom, zegt Sint Paulus, zijn er onder ons zovele zieken en zwakken, en een zeker aantal zijn dood”(1,Kor.11,30). Maar wanneer wij communiceren met vertrouwen in hun vergevende kracht, genezen en getransfigureerd door de Heilige Geest, wanneer het lichaam van de Verrezene opstraalt, dan worden wij
beetje bij beetje een “nieuwe schepping” . Wij weerspiegelen de heerlijkheid van de Heer en wij zijn “getransformeerd in dit beeld, gaande van heerlijkheid naar heerlijkheid, zoals door de Heer, die Geest is”. (2 Kor 3,18) (…)

De gemeenschap in Christus

De verandering die zich realiseert in de communie is niet enkel individueel en vertikaal :

Tussen God en mij. Het is ook horizondaal : tussen de broeders en zusters en mij. Door te communiceren aan dezelfde Christus, communiceren de gelovigen als leden van éénzelfde lichaam. Zo wordt door de Goddelijke liturgie een gemeenschap geschapen die in communio treedt niet enkel met alle andere eucharistische bijeenkomsten verspreid over de wereld, maar ook met alle communicerenden van het verleden sinds de Apostelen, en zelfs sinds de profeten en alle rechtvaardigen van het oude testament die Christus hebben aangekondigd en verwacht. Zo wordt door de Goddelijke Liturgie “het lichaam van Christus opgebouwd totdat wij allen komen tot de eenheid in het geloof en tot de kennis van de Zoon van God (…) naar het voorbeeld van Christus in zijn volheid” (Ef.4,12-13), opdat “gans het universum onder hun  hoofd, Christus,  wordt bijeengebracht” (Ef.1,10). Op dezelfde wijze dat de schepping is meegesleept in de val van de mens, op dezelfde wijze wordt gans de schepping vernieuwd wanneer de mens, die hem verbindt met de Schepper, in zijn integriteit zal hersteld worden. De Goddelijke Liturgie is de haard van waaruit gans de schepping wordt vernieuwd.

De communio met de Heilige Geest die zich realiseert door de communie aan het heilige brood en de heilige wijn zal dus de gemeenschap binden in Christus. Niet magisch, want het is niet omdat we eenmaal samen de eucharistie zullen gecelebreerd hebben, dat wij ons voor altijd hebben verenigd. Maar wanneer een gemeenschap regelmatig communiceert met vreze Gods, geloof en liefde, dan verbindt zij zich geleidelijk aan met Christus.

In de eucharistie is alles gemeenschap : de offerande, want wij offeren niet enkel onze persoon, maar het leven van de ganse gemeenschap, met haar zwakheden, haar discussies, haar verschillen en haar hinderpalen. De épiclese, want wij vragen de komst van de Heilige Geest over ons allen. De communie, want zij realiseert geleidelijk aan de éénheid van de gemeenschap en maakt hierdoor Kerk.

Zeker, wij hervallen dikwijls in dezelfde fouten nadat wij de communie hebben ontvangen, maar ook de gemeenschap hervalt dikwijls in haar  routine, haar verschillen en haar disputen nadat de communie is ontvangen in de Goddelijke Liturgie. Maar we mogen ons niet laten ontmoedigen. Indien wij volharden, dan zal de communie geleidelijk aan onze gemeenschap transformeren. Een gemeenschap van personen die samen communiceren, zondag na zondag, wordt geleidelijk aan de Kerk, ’t is te zeggen : de plaats van Christus’aanwezigheid (…).

Door te volharden in de épiclese en de communie, zal onze gemeenschap geleidelijk aan  getuigen van deze grote woorden waar van wij  genieten, in die mate dat ik ze met moeite durf uitspreken : “liefde”, “rechtvaardigheid”, “vrijheid”.

Het is door de werking van de Heilige Geest dat deze woorden geleidelijk aan realiteiten kunnen worden in een gemeenschap. Een gemeenschap die eucharistie viert en die communiceert kan doordrongen worden door het Woord van God en door de Geest van God. Het is dus de Geest zelf die getuigt van het bestaan van de verrezen Christus in de maatschappij. Dat is ons opzet.

 Vertaling : Kris Biesbroeck

Basilios de Grote : Wat zal ik doen…

H.Basilius (ca. 330-379), monnik en bisschop van de Caesarea in Kappadocië, Kerkleraar
Homilie 16 over de rijkdom; PG 31, 261v

Basilios de grote 2873

“Wat zal ik doen? Want ik kan mijn vruchten niet bergen”

      “Wat moet ik doen” Er was een antwoord bereid: “Ik zal de zielen die honger lijden vervullen; ik zal mijn graanschuren openen en ik zal allen uitnodigen die tekort hebben… Ik zal een goed woord laten horen: U die brood tekort komt, kom tot Mij; ieder naar zijn behoefte, neem uw deel van de gaven die door God gegeven zijn en die stromen als een openbare fontein”. Maar jij, dwaze rijke man, jij bent daar ver vandaan! Waarom? Ben je jaloers om te zien hoe anderen genieten van rijkdommen? Je geeft je over aan het maken van ellendige berekeningen, je maakt je bezorgd niet opdat je weet hoe aan iedereen het broodnodige te geven, maar hoe je alles kunt verzamelen en alle anderen nog meer kunt beroven van het voordeel dat ze eruit kunnen trekken…

      En u mijn broeders en zusters, pas op om niet hetzelfde lot te kennen als die man!  Als de Schrift ons dat voorbeeld geeft, dan is het opdat we moeten voorkomen dat we ons zo gedragen. Doe als de aarde: draag vruchten zoals haar en wees niet slechter dan haar, zij is verstoken van een ziel. Zij geeft oogsten, niet voor haar eigen vreugde, maar om je een dienst te bewijzen. Daarentegen, alle vrucht van je welwillendheid, die je betoont, pluk je voor jezelf, aangezien de genade van de goede daden terugkomen op hen die er de verspreiders van waren. Je hebt aan degene die honger had gegeven, en wat je gegeven hebt, blijft voor jou en komt zelf met rente terug. Zoals een graankorrel die op aarde valt ten goede komt aan degene die het gezaaid heeft, zal het brood dat gegeven is aan iemand die honger heeft, jou later overvloedig ten goede komen. Dat het einde van je zwoegen voor jou het begin van het zaad in de hemel mag zijn.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Het Kruis in de orthodoxe theologie

HET KRUIS IN DE ORTHODOXE THEOLOGIE

kruis 46
 

In Jezus Christus is de dood het opperste offer : vooreerst omdat zij ondergaan is als verzoening voor alle menselijke zonden; en in de tweede plaats, omdat Christus zich onderwerpt aan het offer van het kruis alleen wanneer Zijn uur gekomen is, dus niet toevallig. Dit betekent dat Zijn offer ondergaan is op het moment waarop Hij tot Zijn einde toe het mysterie die, van alle eeuwigheid, de mens betreft.

Hier raken we het hart zelf van het probleem : de historische reële dood van Jezus Christus die ons tegelijk de oplossing biedt, te weten dat het antwoord op de aankondiging van de dood van God, het evangelie van de verrijzenis van de mens is. En  omgekeerd, indien de Verrijzenis volgt op het Kruis en indien zij het begin is van de achtste dag, dan is het offer van de Heer een conclusie en een opperste bekroning van de achtste dag.

Het Kruis dus, «boom van leven geplant  op Calvarie, plaats van de grote cosmische strijd », doet ons in zijn verticale tak het «descensus» en het «ascensus» zien van het Woord, schrijft Paul Evdokimov. Het is daarom dat in de iconografie van de orthodoxe Kerk, de voet van het kruis wegzinkt in een donkere grot, waar het hoofd van Adam ligt die in de hel verblijft, in deze zin  dat het gedeeltelijk « geplant is in de aarde » opdat alle dingen op aarde en in de hel zouden verenigd worden  met de hemelse dingen». Als een balans dus van rechtvaardigheid en doorbraak van de eeuwigheid is het kruis in het midden als een verbinding tussen het koninkrijk en de hel.

Voegen wij er nog aan toe dat de orthodoxe icoon van de kruisiging het lijden van Christus als getransfigureerde voorstelt door middel van een diepe sereniteit die in zekere zin een voorafbeelding is van de paas – vrede en terzelfdertijd als een teken van zijn heerschappij in het lijden en in de vrijwillig door Hem aanvaarde dood. « De Redder op het Kruis is niet enkel een dode Christus, het is den Kyrios, de Meester van zijn eigen dood en Heer van het leven. Hij heeft geen enkele verandering ondergaan omwille van zijn lijden. Hij blijft het Woord, het eeuwige Leven die zich overlevert aan de dood en het overtreft» (Sint Jan Chrysostomos). Het Kruis van Christus betekent niet enkel een moment uit zijn leven als zelfgave, een gave zonder einde « liturgie » en « eucharistie », dienst voor de mensen en dank aan de Vader (Dan-ilie Ciobotea).

Want zoals de eerste Adam, onder de boom van het paradijs,  denkend dat God afwezig is of ver weg, zich uit eigen wil heeft afgekeerd van de communio met Hem. Zon heeft de nieuwe Adam de wil van de vader volbracht door in communio met Hem te blijven. Voortaan zal de hypostase van de oneindige goddelijke Logos alle eeuwen en alle gebieden omhelzen en transcenderen, hij wordt de steun van de  mensheid die gedragen wordt door de menswording van Christus. Om deze reden heeft Christus de macht om deel te nemen aan het leven van de mensheid van alle eeuwen en van alle plaatsen op de wereld en om Zijn god-menselijk leven mee te delen (Dan-Ilie Ciobotea). En men begrijpt zo beter waarom, eenmaal dat Christus verrezen is, het kruis niet meer blijft bestaan als een eenvoudige gebeurtenis uit het verleden, medegedeeld aan het geheugen, maar als de uitstraling van zijn macht die zich verder zet en nog altijd tegenwoordig is in de verrijzenis en dus ook in de verrezen Christus en dit tot aan het einde der tijden. En het verschijnt door dit feit als een teken bij uitstek van de uiteindelijke overwinning van de Zoon des mensen; ’t is te zeggen van God die mens is geworden. « Verheug u, hout van het kruis, zingt men in de orthodoxe kerk tijdens de metten van de 3e zondag van de vasten, hout driemaal gelukkig en gedeïfieerd, licht van hen die in de duisternis zijn; gij loopt in uw schittering de verrijzenis van Christus vooruit, volgens de vier dimensies van de wereld » Het Kruis is dus geen geïsoleerd hoofdstuk van de theologie, zou het niet het belangrijkste zijn, aldus Vader Dumitru Stanilaoë : « Het is overal en altijd in de publieke dienst van de Kerk aanwezig, zoals in het gebed en het leven der gelovigen ». Zo kan men niet zeggen in de orthodoxie dat het kruis minder aanwezig is dan de verrijzenis, want de twee zijn voortdurend aanwezig in een onverbreekbare eenheid, een innerlijke samenhang.

Ziehier hoe de hymnologie van de orthodoxe Kerk deze nieuwe houding tegenover de natuur die Christus heeft gelanceerd door zijn Kruis : « In het paradijs eertijds heeft het hout mij door zijn voedsel leeg gemaakt, de vijand heeft mijn dood veroorzaakt; het hout van het Kruis, dat aan de mensen het voedsel voor het leven heeft gegeven is geplant in de aarde en het heelal is vervuld van een totale vrede » (Metten van 14 september) Zo heeft Vader Stanilaoë het geschreven, « het paradijs is opnieuw geopend omdat het zwaard van vuur dat de ingang ervan versperde omwille van de menselijke gulzigheid opnieuw verwijderd is : Christus is het paradijs binnengegaan door het hout van het Kruis te dragen waardoor hij de gulzigheid heeft geweigerd. Hij heeft de bekoring van het «hout» weerstaan, waarvan de eerste mens had gegeten. En met Christus is de dief binnengetreden, zijn eigen Kruis dragend. De eerste mens die gered werd, omdat hij de gehechtheid aan «deze wereld» heeft overwonnen door Christus te belijden ». Men kan hier dus zeggen dat gans de natuur, in zover zij door het Kruis niet meer het object is van onze begeerte, opnieuw voor ons het paradijs begint te zijn, want het hout van het kruis draagt een vrucht die tegengesteld is aan dat wat onze voorouders aten. Het is de vrucht van het liefhebbende geduld en van de vrijwillige beperking, de vrucht door dewelke onze geest de vrijheid versterkt en door hetwelke wij toegang hebben tot een «hemel» die verhevener is dan het paradijs : de communio met God.

Men kan dus niet aan Christus denken zonder het Kruis. Maar ook aan het Kruis kunnen we ook niet denken zonder Christus. Want een kruis dat onvrijwillige wordt ondergaan, of door een gewone mens, omwille van een reëel schuldgevoel of omwille van de zonde, zou niet het Kruis zijn waardoor de menselijke natuur de kracht krijgt om de angst en de dood te overwinnen. Alleen het Kruis, dat vrijwillige en zonder één enkele zonde gedragen werd door een mens die ook God was is het enige Kruis dat wij vereren, want het heeft aan onze natuur de overwinning op de dood gegeven, de verrijzenis en het eeuwig leven. Ook , de macht van het Kruis is altijd de macht van Christus, en om die reden worden de personen, de dingen en de daden in de orthodoxe Kerk geheiligd door het Kruis of met het kruisteken aldus diegene zijnde die « alles heiligt met de gave van God » (Dumitru Stanilaoë).

Maar het Kruis nodigt ons ook uit op een gelijkaardige wijze tot een andere betekenis, als het sterven van de « oude mens », als geduld in het lijden en de smarten die deze weerstand meebrengen, als tegenwoordigheid van Christus in deze wereld en tenslotte doorheen onze naasten waaraan wij niet kunnen ontsnappen , op die wijze dat het spirituele leven en de sociale activiteit zich de é&
eacute;n voor de andere als waarachtig kenmerken. En dit, omdat Christus niet het doel heeft zich door het Kruis zijn menselijke natuur, individueel,  te verheffen, maar de menselijke natuur van alle mensen. Anders, aldus Vader Stanilaoë, zou « onze verrijzenis in het hiernamaals innerlijk niet aanknopen met het afsterven van de « oude mens », aan de inspanning om onze geest te verheffen naar een eerste verrijzeniservaring; zij zou ons als het ware van buitenaf omvormen op een magische wijze ». Bijgevolg : het overwinnen van de dood op de verrijzenis, komt niet tot ons als een uitwendige daad. Het Kruis is vereist en bekroont de inspanning tot deze innerlijke groei. De dood is overwonnen door een act van God, tesamen met de menselijke inspanning.

Maar deze innerlijke groei, deze verheven kracht van de geest, kan een schepsel niet bereiken door zichzelf. Zij stemmen overeen met een kracht die van God komt en dat het schepsel doet gelijkvormig worden aan Christus. Deze bijdrage

van de gedeïfieerde mensheid van Christus aan de overwinning op de dood heeft Maximos de Belijder aldus uitgedrukt : « Want indien  de passies, de vergankelijkheid en de dood zijn binnengetreden in de natuur door de neiging van de vrije wil van Adam ten overstaan van de zonde, dan is het met reden dat de vasthechting (in het goede) van de vrije wil van Christus ons de ongevoeligheid voor het lijden, de onvergankelijkheid en de onsterfelijkheid door de verrijzenis heeft gebracht »

Men kan hier besluiten met een vaststelling : De deelname aan de gelukzalige Verrijzenis van Christus impliceert  de deelname aan zijn Kruis als weg van verrijzenis en ontvangst van de Geest.

« ALLES IS VERVULD » (Joh.19,30)

 Vertaald uit het Frans – auteur onbekend