De patristieke fundering van de sacamenten van de Kerk

De patristieke fundering van de sacramenten van de Kerk

Metropoliet Kallistos Ware

 

Toespraak gehouden in Moscou 13-16 november 2007

 

“Het zijn de sacramenten die het Lichaam van Christus vormen” schreef de heilige Nicolas Cabasilas. Ze zijn, zegt hij “vensters in de duistere wereld”. Wat dan, zijn de voornaamste thema’s in de Patristieke lering omtrent deze goddelijke activiteiten, zonder welke er geen leven in Christus mogelijk is ? Hoe verstonden de Vaders dit “venster” dat ons bestaan hier op aarde verlicht ?.

1 Het woord “sacrament

Dat wat de latijnse theologie sacramentum noemt is in de griekse theologie mysterion (in het de Slavische theologie aangeduid met het woord tainstvo). De twee woorden hebben een grondig verschillende betekenis. De latijnse term sacramentum betekent oorspronkelijk de eed van trouw door de romeinse soldaten, terwijl het in wettelijke termen de betekenis heeft van een belofte die onder ede gedaan werd onder redetwistende partijen. De Griekse term Mysterion anderzijds heeft een rijkere en diepere betekenis. Het woord komt ongeveer dertig maal voort in het Nieuwe testament , en nergens heeft het de betekenis van een liturgische ritus. Tegelijk betekent in het Nieuwe Testament “mysterie” niet, zoals het in het moderne gebruik de gewoonte is, een onopgeloste puzzel, een  raadsel of  enigma. In de eigenlijke Schriftuurlijke en theologische betekenis, daarentegen, is mysterie iets wat onthuld wordt voor ons verstaan, uiteindelijk nooit totaal en uitsluitend, daar het peilt naar de oneindige diepten van God.

In het Nieuwse Testament is het hoogste en fundamenteelste mysterie de menswording van Christus. Sint Paulus in de Kollosenzen 1,25-26 spreekt  over “het geheimenis (mysterie) dat eeuwen en geslachten verborgen is geweest”, en dat u geopenbaard is in Christus die de “hoop en de glorie”is. Zo ook in de Efesiërsbrief 1,9-10 sprekend over het mysterie van Gods wil zegt Paulus dat dit niets anders is dan het “plan ter voorbereiding van de volheid der tijden”,om in Christus alles in de hemel en op aarde bijeen te brengen of te verzamelen onder één hoofd, Jezus Christus. Meer in het bijzonder dit “mysterie” dat eerst verborgen was en nu geopenbaard, bestaat in de vereniging van Joden en heidenen onder één lichaam, Christus (Efesiërs 3,3-6).

De grote omvang van de term mysterion, waarbij het refereert naar de totaliteit van Christus’incarnerend werk, komt dikwijls voor  bij de vroege Kerkvaders Het is pas in de 3e en 4e eeuw dat het woord wordt gebruikt om meer nauwkeurig een liturgisch rite aan te duiden. De term gebruikend  in de bredere Nieuw Testamentische betekenis, spreekt Ignatios van Antiochië van de maagdelijkheid van Maria, haar kind baren en de dood als van “drie mysteries die om luid gechreeuw vragen, wat ons brengt tot de stilte van God” In dezelfde termen spreekt Clemens van Alexandrië over “het merkbaar mysterie” van de incarnatie, “God in de mens en de mens in God”. In de latijnse traditie verwijst Tertullianus  naar “het sacrament van de economie” (sacramentum oeconomiae”, daarmee bedoelt hij de reddende  ingreep van de geïncarneerde Christus in haar totaliteit. Maar hij gebruikt ook de term sacramentum in een meer beperkte betekenis, om er het doopsel en de eucharistie mee aan te duiden. Lang nadat de term mysterion haar technische betekenis had gekregen als een sacramentele rite, gaan de Griekse Vaders nog altijd verder met haar te gebruiken op een meer  uitgebreide en flexibele wijze. Wanneer we hen lezen is het belangrijk daarvoor  de patristieke teksten niet automatisch te lezen in de meer specifieke betekenis van het woord “sacrament”, zoals ze gevonden wordt in de Rooms Katholieke en Orthodoxe theologie.

Er is een bijzondere reden waarom de bredere betekenis van het woord “mysterie” nooit vergeten mag worden, en dat is de weg waarin het de essentiële link tussen de sacramenten en de incarnatie wordt onderlijnd. Alle sacramenten hebben hun bron en gronding in de incarnatie van Christus. De “mysterievolle” daden van de Kerk zijn niets anders dan de levende en onophoudelijke voortzetting  van de incarnatie in ruimte en tijd. In de sacramenten wordt de constante en dynamische tegenwoordigheid van de incarnatie van Christus in de aanbidding van het volk van God verzekerd. In de woorden van Leo de Grote : ” Hij die zichtbaar was als onze redder gaat nu verder in de sacramenten “. Sacramentenleer is een tak van de Christologie.

Het woord mysterion heeft ook nog verdere weerklanken en associaties. Het roept in de geest het adjectief “mystiek” op. Dit wordt dikwijls gebruikt door de Vaders in combinatie met het substantief “contemplatie”, “gebed”, “theologie” en “verbond”. Het mystieke leven, zoals verstaan wordt door de Vaders, is gegrond op het oorspronkelijke mysterie van Christus’ menswording, en tegelijk is het nooit te scheiden van de sacramenten. In deze context is het vanzelfsprekend te denken aan Vladimir Lossky’s welbekende woorden “Verre van  wederzijds tegengesteld te zijn dragen en vervolledigen theologie en mystiek elkander. Het ene is ondenkbaar zonder het andere…Mystiek is…het hoogtepunt en de kroon van alle theologie : het is theologie bij uitstek”. Zeker mag Lossky’s  standpunt toegepast worden op de sacramenten. Sacramentele theologie en mystiek ondersteunen en vervolledigen elkaar. Het mystieke leven is onmogelijk zonder de sacramenten. Het mystieke leven is niets anders dan de perfectie en de kroon van onze sacramentele deelneming. Met de woorden van Myrrha Lot-Borodine : ” De ganse leer van de mystieke verlichting is…een bovennatuurlijke realiteit die inherent is in de onthulling van het doopsel, en, mogen we eraan toevoegen inherent in ons voortdurend ontvangen van de Eucharistie en de andere sacramenten.

2. De dubbele natuur van de sacramenten

In de catechismus van de Kerk van Engeland ,die ik van buiten moest leren als kind, wordt een sacrament gedefinieerd als ” het uitwendig en zichtbaar teken van een innerlijke en spirituele genade”. Een teken dat werkzaam is, dat  doeltreffend is en de oorzaak van wat het betekent. : uiterlijk en innerlijk, zichtbaar en onzichtbaar. Dit is ook de richting waarin de Vaders de natuur van het sacrament verstonden. Elk sacrament heeft twee aspecten : een uiterlijk en een innerlijk, een zichtbaar en een onzichtbaar. Om deze reden geven de Vaders gewoonlijk aan het sacrament de naam “symbool”, niet in een zwakke, maar in een sterke betekenis.

Reeds in het begin van de derde eeuw heeft Tertullianus duidelijk het dubbel karakter van de sacramenten aangeduid : ” Het vlees is gereinigd , moge de ziel brandschoon zijn; het vlees is getekend door het kruis, moge de ziel ook beschermd worden, het vlees is overschaduwd door de handoplegging, moge de ziel verlicht worden door de Heilige Geest, het vlees voedt zich met het lichaam en bloed van Christus, zo dat de ziel ook mag gevuld worden met God. “aan de sacramenten een anthropologische grondslag gevend, zegt de heilige Ambrosius van Milaan dat hun twe
evoudig karakter, zicht baar en onzichtbaar, overeenstemt met de twee-voudige natuur van de mens : lichaam en ziel. Zo wordt in het doopsel het lichaam gewassen met water, terwijl de ziel wordt gezuiverd door de Heilige Geest. St.Augustinus heeft hetzelfde in zijn gedachten in zijn geschriften over het eucharistisch brood en wijn : “Zij worden sacramenten genoemd, omdat één ding wordt gezien terwijl een ander wordt verstaan. Wat gezien wordt heeft een fysieke vorm, maar wat wij verstaan heeft spirituele vruchten”.

Griekse auteurs spreken ongeveer in parallelle termen. Volgens Theodor van Mopsueste is “elk sacrament de aanduiding van vele betekenissen en symbolen, van onzichtbare en  onuitsprekelijke realiteiten”. Ze worden sacramenten genoemd, schrijft St.Johannes Chrysostomos, omdat datgene wat wij geloven niet hetzelfde is als wat we zien, maar wij zien één ding en geloven een ander..  Wanneer ik het Lichaam van Christus hoor vernoemen, versta ik wat gezegd wordt, de ongelovige denkt dan aan iets anders.

Beide kenmerken van de sacramenten, zichtbaar en onzichtbaar, benadrukken , vanuit christelijk standpunt,met een uiterste helderheid de waarde van  materiële dingen en meer in het bijzonder van het menselijk lichaam. Zoals Tertullianus  in deze context benadrukt : : ” Het vlees is de spil van de verlossing” (caro salutis est cardo). Om deze reden wil men in de orthodoxe Kerk onverminderd de materialiteit van de sacramentle elementen bewaren : wij dringen er op aan, dat het doopsel zou gebeuren door onderdompeling, uitgezonderd in noodgevallen; voor de Eucharistie gebruiken wij levend brood en rode wijn; bij begrafenissen wordt het deksel van de kist genomen en wij kussen het dode lichaam.

De materialiteit van de sacramenten maakt duidelijk het verband, wij hebben het reeds benadrukt, tussen de “mysterievolle daad” van de Kerk en de menswording. Bij zijn menselijke geboorte nam de Redder het menselijk vlees aan (met een menselijke ziel), en maakte van dit materiële vlees een voertuig van de Geest. Zo ook wanneer we het water zegenen bij het doopsel, wanneer wij het brood zegenen in de Eucharistie, en wanneer wij de olie voor de ziekenzalving zegenen, dan omvormen wij deze materiële elementen  tot voertuigen van de Geest. Zoals we in verband met de incarnatie achterom kijken, zo kijken de sacramenten voorwaards, of beter, ze anticiperen  de apocatastasis , of de uiteindelijke verlossing op de laatste dag (zie : Romeinen 8,19-23). Zoals Minucius Felix bevestigt : ” Wij zijn in de verwachting  van de lente van het lichaam” (expectandum nobis etiam corporis ver est). De eschatologische lente van het lichaam, en meer in het algemeen, van de ganse natuur is reeds aanwezig in de spirituele materialiteit van de sacramenten.

3. De voorganger of de tussenpersoon van de sacramenten

In overeenstemming met de universele Patristieke traditie, Griekse en Latijnse, is de echte celebrant altijd Christus zelf, onzichtbaar  doch werkelijk aanwezig door de Heilige Geest. Dit is duidelijk uit de liturgische praxis van de orthodoxe Kerk. In geen enkele sacrament gebruikt de officiant het woord “ik”. Hij zegt niet “ik doop u”, maar “de dienaar Gods wordt gedoopt”, niet “ik wijd u”, maar “de goddelijke genade, die altijd heelt wat zwak is en opricht wat gebrekkig is, wijd de devote sub-diaken (naam)tot diaken, zoals de bisschop zegt tot God wanneer hij een diaken wijd (hetzelfde gebeurt voor de andere wijdingen).”het is niet door de handoplegging, maar door de zegen van Uw rijke barmhartigheid, dat de genade is gegeven aan hem die U waardig is”. Het is waar dat Peter Mohila in zijn Euchologion voor het sacrament van de boete de formule gebruikt “ik  vergeef u”; maar dit kan enkel gezien worden als een afwijking van de sacramentele traditie van de Orthodoxe Kerk.

Dit geloof in Christus als  de ware celebrant van alle sacramenten is bijzonder duidelijk in de Goddelijke Liturgie. Voor de zegen bij het begin zegt de diaken tot de priester. “Het is tijd voor de Heer om te handelen”, een citaat uit psalm 118(119).126). De liturgie, is niet enkel woorden uitspreken maar actie; bovendien is het niet op de eerste plaats onze actie, maar de actie van de Heer. De ware celebrant in elke Eucharistie is altijd Christus de enige hogepriester, wij, de clerus en het volk, zijn niet meer dan concelebranten met Hem. Ditzelfde punt wordt expliciet bevestigd  in het gebed die door de officiant wordt gezegd gedurende de Hymne van het Cherubicon , wanneer hij tot Christus zegt “Gij zijt het aan wie wij offeren en die geofferd zijt. Christus is beide : offer en offergave , beide, offeraar en offer, beide : priester en slachtoffer. De onmiddellijke deelname van Christus in de Eucharistische actie wordt ook uitgedrukt in het uitwisselen van groeten door de clerus gedurende de “vredeskus” : “Christus is in ons midden”.

Het zelfde verstaan van de sacramenten als een actie van Christus is bij de Vaders te vinden alsook in de liturgische teksten. Zoals St. Augustinus zei : “Het doopsel is werkzaam, niet door de deugd en de verdienste van hen die toedienen, maar door de verdienste van zijn intrinsieke heiligheid en waarheid, omwille van Hem die het ingesteld heeft”.Onder de griekse Vaders is het vooral St.Johannes Chrysostomos die speciaal zich over dit punt heeft uigesproken. “Het is de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, die alles vervuld” zegt hij. “De priester leent slechts zijn tong en levert zijn handen”.” Bij de heilige Communie is het de hand van Christus dat naar jou wordt uitgestoken”. “Gods gaven zijn niet het resultaat van enige verdienste van de priester, zij zijn volledig het werk van de genade. De functie van de priester bestaat er enkel in zijn mond te openen en het is God die vervult wat moet gedaan worden… De eucharistische offering  blijft dezelfde, of nu Peter of paul het zouden offeren. De offerande welke Christus geeft aan Zijn Apostelen is identiek met deze die nu geofferd wordt door de priester. Laatstgenoemde is helemaal niet ondergeschikt aan de vorm, want het is niet de mens die consacreert, maar Hij die de oorspronkelijke offerande heeft geconsacreerd”.

Hieruit volgt dat de geldigheid van de sacramenten niet in het gedrang komt door de onwaardigheid van de celebrant, noch hangt het af van het persoonlijk geloof van de ontvanger. Integendeel, als actie van Christus zelf hebben de sacramenten een objectief karakter.

4 Het getal van de sacramenten

Hier, als op andere gebieden, moeten eigen toegevingen gedaan worden voor het flexibel gebruik van de term mysterion bij de vaders. Wij moeten niet de vroegste bronnen lezen om de juiste betekenis te vinden voortgaande op Peter Lombard en de scholastiekers van de twaalfde eeuw, en die vervolgens zijn overgenomen door vele orthodoxe schrijvers. Bovendien maken de Griekse Vaders een scherp onderscheid tussen de sacramenten enerzijds en de andere riten van de Kerk die de Rooms Katholieke Kerk omschrijft als ‘Sacramentalia.

Vele auteurs – bijvoorbeeld St.Cyrillos van Jerusalem, St. Ambrosius, Theodoor van Mopsueste en Sint Cyrillos van Alexandrië – denken in termen van drie primaire “mysteries”, Doopsel, myronzalving en Eucharistie; maar deze lijst van drie moet niet noodzakelijk gezien worden als  volledig. Sint Nicolas cabasilas, in zijn
“leven in Christus “ benadrukt de zelfde drie mysteries, maar dan gaat hij ook de consecratie van het altaar beschouwen als een “mysterie”; misschien echter moet dit gezien worden als een uitbreiding van het sacrament van het chrisma. Sint Johannes van Damascus denkt anderzijds in termen van twee hoofd-sacramenten, Doopsel en Eucharistie. Sint Dyonisios de Aeropagiet spreekt van zes : Doopsel, Eucharistie, chrisma, wijding, monastieke  professie, en de begrafenis riten. Dezelfde lijst wordt gevonden bij Sint Theodoros de Studiet. In de tweede helft van de 13e eeuw noemt de monnik Job zeven sacramenten, maar ze komen niet echt overeen met de Westerse lijst; hij combineert penitentie met de ziekenzalving en hij sluit monastieke professie in. Hij gaat spreken over drie andere riten : hij ziet de consecratie en de broodverheffing ter ere van de Moeder Gods als een uitbreiding van de Eucharistie. Dit alles duidt erop dat de Griekse patristieke auteurs, wanneer zij de term mysterie gebruiken, niet te werk gaan met dezelfde precisie die gevonden wordt in de latijnse scholastiek.

Het is waar, dat in de latere Byzantijnse periode er een tendens is om de zelfde sacramenten te aanvaarden zoals in het Westen. Dit is het geval bv. Met Manuel Calecas in de 14e eeuw, en met Joseph Bryennice en Sint Symeon van Thessaloniki in de 15e eeuw. Op het concilie van Ferrara-Florence (1438-9) vonden de Grieken geen problemen met het aanvaarden van de latijnse lijst van zeven sacramenten. Maar Joasaph, Metropoliet van Ephesië (ook in de 15e eeuw) spreekt van tien sacramenten.In de 17e eeuw wordt de latijnse lijst van zeven standaard in de Orthodoxe Kerk : het wordt bv. gevolgd door Patriarch Jeremias II, door Gabriël Severus, door Metropoliet kritopoulos en door de synode van Jassy (1642) en van Jeruzalem (1672). Toch bekwam deze lijst nooit een strikt dogmatisch karakter in de Orthodoxe leer, maar het werd vooral gezien als bruikbaar in de leer. Het meer flexibel gebruik in de vroege Patristische periode is nooit op de achtergrond geraakt. In elk geval, wanneer de sacramenten zijn gecatalogeerd als zeven, mag eruit niet afgeleid worden dat deze zeven allen op gelijke voet van waardigheid staan, er bestaat een welomlijnde hiërarchie tussen hen, met het Doopsel en de Eucharistie als de voornaamste.

Als besluit doen we er goed aan met opnieuw te verwijzen naar de betekenis die eerder werd gegeven aan de term “mysterie” : het is, zeiden wij, iets dat onthuld wordt voor ons verstaan, maar nooit volledig onthuld. Dit betekent dat er een apofatische dimensie bestaat in de orthodoxe theologie van de sacramenten, zoals trouwen in alle andere aspecten van de theologie. Wij moeten altijd op onze hoede zijn om té veel te zeggen. Wanneer de Kerk spreekt van de sacramenten, dan is zij er zich van bewust hoeveel delen van de waarheid noodzakelijk onzegbaar blijven. Met de woorden van Sint Johannes Chrysostomos : ” Zij worden gezegd om mysteries te zijn, en zij zijn dat in waarheid, er is geen nood om de diepe kloof van de stilte te willen verklaren”. ” De verklaring van de Mysteries” merkt Sint Cyrillos van Alexandrië op, “is buitengewoon moeilijk, het is misschien beter de stilte te bewaren”. Laat ons deze waarschuwing in gedachten houden gedurende de huidige conferentie.

Bron : Website van Nouvelles Clés

Vertaling : kris Biesbroeck.

 

 

15e zondag na Pinksteren “van het grote gebod”

 

15e zondag na Pinksteren – zondag na de Kruisverheffing.

 ‘Van het Grote gebod’

Feest van de heilige Eustachius, grootmartelaar te Rome en zijn vrouw de H. Theopostie, H. Madelgaireen, echtgenote va,n de H. Waldetruda, stichter van de monasteries van Haumont en Soignies

 

 

eustachius van Rome

 

 Heilige Eustachius

 

LEZINGEN

EPISTEL : 2 Kor. 4,6-15

Dezelfde God die gezegd heeft: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen’, heeft zijn licht laten schijnen in ons hart om de kennis te laten stralen van zijn heerlijkheid, die ligt over het gelaat van Jezus Christus.

Vol goede moed bij tegenslag
     Maar wij dragen deze schat in aarden potten, en zo blijkt dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons. Van* alle kanten worden wij belaagd maar we zitten niet in het nauw; we zijn radeloos maar niet ten einde raad; we worden opgejaagd maar niet in de steek gelaten; neergeveld maar niet gedood. Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus zich in ons lichaam openbaart. Voortdurend worden wij tijdens ons leven aan de dood uitgeleverd omwille van Jezus, opdat ook het leven van Jezus zich in ons sterfelijk bestaan openbaart. Zo is de dood aan het werk in ons, en het leven in u.
     Maar wij bezitten die geest van geloof waarover geschreven staat: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Ook wij geloven en daarom spreken wij. Want wij weten dat Hij die de Heer Jezus heeft opgewekt
*, ook ons met Jezus ten leven zal wekken en ons naar zich toe zal voeren, samen met u. Want alles gebeurt voor u, opdat de genade onder steeds meer mensen verbreid raakt en zij de dankbaarheid doet toenemen, tot eer van God.

EVANGELIELEZING :  Mattheüs 22,35–46

en een van hen, een wetgeleerde, vroeg om Hem op de proef te stellen: ‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’ Jezus zei hem: ‘U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten.’

Jezus’ tegenvraag over de Messias
     Terwijl de farizeeën bij elkaar waren, vroeg Jezus hun: ‘Wat denkt u van de Messias ? Van wie is Hij de zoon?’ Ze zeiden Hem: ‘Van David .’ Hij zei: ‘Hoe kan David, geïnspireerd door de Geest, Hem dan Heer noemen, als hij zegt: De Heer heeft gezegd tot mijn Heer: Ga zitten aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden aan uw voeten heb gelegd? Als David Hem Heer noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?’ Niemand kon Hem daarop een antwoord geven, en niemand durfde Hem van die dag af nog iets te vragen.

Gregorius van Nazianze : Zie, de bruidegom komt

H. Gregorius van Nazianze (330-390), bisschop en Kerkleraar
Overweging over de doop, 40, 46 ; PG 36, 425


GregoriusNazianze

“Zie, de Bruidegom komt”

      Weldra zul je na je doop voor het Heilige der heiligen staan, dat de heerlijkheid van de komende wereld  aanduidt. Het psalmlied dat je ontvangt is de prelude van de hemelse lofzangen. De lampen die je aan zult steken, zijn een voorafbeelding van de stoet lichtjes die onze stralende en zuivere zielen, uitgerust met stralende lampen van geloof, tot voor de Bruidegom zullen leiden.

      Laten opletten om niet uit onzorgvuldigheid in slaap te vallen, uit angst dat degene waarop we wachten zich spontaan zal tonen zonder dat we Hem zien aankomen. Laten we niet zonder voorraad olie en goede werken blijven, uit vrees buiten de bruiloftszaal gesloten te worden… De Bruidegom zal er in grote haast binnengaan. De voorzichtige zielen zullen er met Hem binnengaan. De anderen die druk bezig zijn met hun lampen, zullen geen tijd hebben om er binnen te gaan en zullen in klaagzangen buiten blijven. Ze realiseren zich te laat wat ze door hun achteloosheid hebben verloren…

      Ze lijken ook op de andere genodigden voor een bruiloft, die een vader vierde ter ere van een bruidegom, en die weigerden om eraan deel te nemen: de een omdat hij net een vrouw had gevonden, een ander omdat hij net een stuk land had gekocht; een derde omdat hij zich zojuist een paar runderen had aangeschaft (Lc 14, 18-20)… Want er is in de hemel geen plaats voor de trotsen en de achtelozen, voor een man zonder passende kleding, die niet het bruiloftskleed draagt (Mt 22,11), zelfs waneer hij, toen hij op aarde was, dacht dat hij de hemelse pracht waardig was, en zich heimelijk onder de groep gelovigen bevond en valse hoop koesterde.

      Wat zal er daarna gebeuren? De Bruidegom weet wat Hij ons onderricht wanneer we in de hemel zijn, en Hij weet welke relatie Hij met de zielen zal onderhouden die er met Hem binnengegaan zijn. Ik geloof dat Hij in hun gezelschap zal leven, en dat Hij hen de meest volmaakte en zuiverste mysteriën zal leren kennen..

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Eucherius : Hij ging heen en begaf zich naar een eenzame plaats

H. Eucherius (? – ca. 450), bisschop van Lyon
Lofrede aan de woestijn

eucherius van Lyon (goede foto)

“Hij ging heen, en begaf Hij Zich naar een eenzame plaats”

      Kan men niet redelijkerwijze aannemen dat de woestijn de onbegrensde tempel van God is? Want Degene die in de stilte leeft moet het zeker bevallen op teruggetrokken plaatsen. Daar heeft Hij zich vaker getoond aan heiligen; dankzij de eenzaamheid heeft Hij mensen willen ontmoeten.

      Mozes heeft met een lichtend gelaat God in de woestijn gezien… Daar begon hij vertrouwelijk met God te spreken; hij wisselde woorden uit; hij onderhield zich met de hemelse Meester zoals de mens de gewoonte heeft om zich met zijn gelijke te onderhouden. Daar ontvangt hij de krachtige staf om wonderen mee te doen; en na in de woestijn gekomen te zijn als schaapsherder, verlaat hij de woestijn als herder van mensen (Ex 3; 33,11; 34).

      Zoekt het volk van God niet op dezelfde wijze, als het uit Egypte en van de wereldse werken bevrijd moet worden, afgelegen oorden en vlucht het niet in eenzaamheid? Ja, in de woestijn nadert het volk God die het uit de slavernij heeft bevrijd… En de Heer maakte zich tot Gids van zijn volk om het door de woestijn te leiden. Onderweg plaatste Hij dag en nacht een kolom, vurige vlammen of een lichtende wolk, als teken uit de hemel… De kinderen van Israël verkregen dus om de troon van God te zien en om zijn stem te horen, terwijl ze in de woestijn leefden…

      Moet er nog aan toegevoegd worden dat ze in het land van hun verlangen aankwamen na in de woestijn te hebben geleefd? Opdat het volk op een dag een gebied binnengaat waar melk en honing stroomt, moet het eerst door dorre en verwilderde oorden heen gaan. Altijd door te kamperen in de woestijn, komt men in het ware vaderland aan. Dat degene, die “de goedheid van de Heer wil zien in het land der levenden” (Ps 27,13),  een onbewoonbaar land mag bewonen. Dat hij die bewoner van de hemelen wil worden, de gast van de woestijn mag zijn.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Welke spiritualiteit voor jongeren van vandaag ?

Welke spiritualiteit voor de jonge leken van vandaag ?

 Door vader Cyrille Argenti

Argenti Cyrille

 

“Spiritualiteit” betekent ethymologisch de activiteit van de geest. Voor een leerling van Jezus Christus heeft dit woord nochtans niet dezelfde betekenis als voor de adepten van verschillende “religies” en filosofische of morele systemen.

Voor een christen verwijst”Spiritualiteit” niet als zodanig naar de activiteit van de geest van de mens dan wel naar deze van de Heilige Geest. Zij vormt dus geen particulier aspect van het leven, zoals bijvoorbeeld “het intellect”, of de “affectiviteit” of de “seksualiteit”.  Er bestaat voor een christen geen eigen domein van de Geest – zoals er een domein zou kunnen zijn dat eigen is aan het intellect, het gevoel of de sekse; een hogere afdeling van  het menselijk leven en die zich zou opstapelen in de inferieure delen. Wij zijn de leerlingen  van God die vlees geworden is, van de “gezalfde” (Christus) van God, ’t is te zeggen van Hem die de zalving van de Heilige Geest heeft ontvangen van alle eeuwigheid, die gans het menselijk leven doordringt, gans zijn menselijke natuur – wil, verstand, hart, ziel en lichaam – van de Geest van God, die dezelfde Geest uitstort over de ganse persoon, over gans het leven van hen die geloven in Hem en zich bij Hem aansluiten.

Spiritualiteit is dus voor een orthodox christen, de werking van de Heilige Geest die verlicht, doordringt, transformeert, die de beslissingen, gedachten, gevoelens, daden, woorden , gedragingen, de ziel en het lichaam, het dagelijks leven, zelfs de dromen van een mens om hem te wortelen in God, levendig maakt. En indien God de bron is van een mens, de kracht van God, ’t is te zeggen de Heilige Geest, wordt het ook doorgegeven in elke plant, in de ganse mens. Omgekeerd, indien de goddelijke Geest doorheen de mens gaat, dan wordt God ook de wortel – de oorsprong. Het beeld is de Sint Paulus, die ons zegt dat wij door het doopsel “eenzelfde plant” (Symphytoi = samen groeien) worden met Christus (Rom.6,5), en ons uitnodigt om “geworteld te blijven in zijn liefde” (Ef.3,17).

Hoe kan zich dat vandaag de dag voor ons concreet en afzonderlijk realiseren voor de jongeren en de leken ?  Hoe kan een man of een vrouw die opgroeit in een geseculariseerde samenleving – waar God min of meer ontkend wordt, waar de incarnatie van het Woord en het bezoek van de Heilige Geest worden waargenomen niet als beleefde gebeurtenissen maar als een theologische vaktaal, waar de armoede synoniem is met mislukking en de maagdelijkheid  met simpelheid – kan hij de Heilige Geest ontvangen als zijn ganse leven  overhoop is gehaald en verlicht worden ?

De dorst naar God

Men moet eerst en vooral, dat is evident, het verlangen hebben om God te ontmoeten. Wenu, gans de opvoeding van onze tijdgenoten oriënteert hen naar het materiële, naar de kennis en het bezit van materiële dingen. Het hart en de geest zijn gevormd en geconditioneerd  om zich te interesseren voor de uiterlijke wereld, voor de schepselen, veeleer dan voor de Schepper. De christelijke spiritualiteit is gebaseerd op de tegenovergestelde beweging : zich keren naar het innerlijke om God te zoeken. Luisteren wij naar de psalmist : “Gelijk een hinde die naar waterbekken smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen ?” (Psalm 42,2-3).

“O God Gij zijt mijn God, U zoek ik, mijn ziel dorst naar U, mijn vlees smacht naar U, in een dor en dorstig land, zonder water, Zo heb ik U in het heiligdom aanschouwd, ziende uw sterkte en uw heerlijkheid” (Psalm 63,2-3).

Mijn ziel heeft dorst naar God. Het is diezelfde dorst naar God die uitgedrukt wordt in het Hooglied, de liefdeskreet en het verlangen van de Sulamitische voor haar beminde en door haar, de Kerk voor haar God (Hooglied 3,1-6; 6,3).

Dit liefdevol verlangen, deze dorst naar God is de drijvende kracht van elke christelijke spiritualiteit. Wenu, deze dorst kan opdrogen, zij kan eindigen op een ontdekking.

De vreugde van het Goede Nieuws

Deze ontdekking hebben de apostelen van Jezus Christus gedaan. Daarom zal de aandachtige lezer van het Nieuwe Testament een rilling van blijdschap ervaren. Er is in het hart van de apostelen een onuitspreekbare vreugde die hun stem doet beven. Het Evangelie is daadwerkelijk voor hen het Goede Nieuws. Zij hebben er een openbaring in ontdekt; het koninkrijk van God – de onnoemelijk kostbare parel, de schat onder de grond verstopt is voor hen geen droom meer, geen utopische hoop, maar een nieuw ontdekte realiteit. Zij hebben de verrezen Christus gezien, zij hebben het ware licht gevonden, zij weten dat het koninkrijk van God komende is. (…) De klaarblijkelijkheid van het Goede Nieuws die zij ontvingen, deze zekere hoop, deze diepe vrolijkheid die te wijten is aan het ontdekken van de kracht en de liefde van God in Jezus Christus, hoe kunnen wij die terugvinden ?

De westerse maatschappij in de tijd van de heilige Louis, – de byzantijnse maatschappij in de XIVe eeuw – door al hun instellingen en gebruiken, hun wijze van denken en leven – introduceerden hun leden in de Kerk. De moderne maatschappij, sedert tientallen zoniet eeuwen, heeft opgehouden het christelijk geloof over te leveren. Vandaag , zoals in het begin van het christendom, wordt men christen uit persoonlijke overtuiging, door een persoonlijk antwoord op het appel van Jezus Christus. In feite heeft het wellicht altijd zo geweest. Het vertrekpunt van elke christelijke spiritualiteit is een relatie van persoon tot persoon.

Herlezen wij het eerste hoofdstuk van het evangelie volgens de heilige Johannes, verzen 35-51. Johannes de Doper bevindt zich op de oever van de Jordaan. De dag ervoor had hij Jezus gedoopt. Andreas en Johannes – de toekomstige evangelist die ons het incident vertelt – zijn aan de zijde van de Doper, waarvan zij de leerlingen zijn. Jezus komt voorbij, de Doper roept uit : “Zie het lam Gods !” Aarzelend lopen de twee leerlingen achter Jezus. Deze keert zich om : “Wat zoekt gij ?”

Het is de vraag die Hij ons ook vandaag stelt, aan ons die twijfelen en zoeken. Andreas en Johannes antwoordden Hem : “Waar verblijft gij ?”. Het is ook ons antwoord, want Hij is het die wij zoeken en zouden willen vinden.

Jezus antwoordt : “kom en zie”. Anders gezegd : het volstaat niet te zoeken, men moet zich in het water werpen. Want diegene die niets riskeert heeft niets. Men kan geen antwoord vinden door te filosoferen. Er is een daad van vertrouwen nodig. Laat ons geloven in het getuigenis van de apostelen en vooruit..

Het is dit wat Andreas en Johannes doen : ze zetten zich op weg en reeds dezelfde avond, gaat Andreas zijn broer Simon zoeken en zegt hem ” Wij hebben de Messias gevonden” (…)

Zonder lichamelijk aanwezig te zijn,
ziet Jezus ons en houdt ons in de gaten… Dat is de ontdekking, het geloof is een daad van zich aansluiten, het maakt ons één met Christus, het gaat door ons en begint ons te omvormen. Wij worden een levende steen van het hemelse Jeruzalem. Het spirituele leven, het leven van de Heilige Geest is in ons begonnen. Wij zijn binnengetreden in de nieuwe schepping. Desondanks dringt een keuze zich op.

De keuze

De keuze die wij moeten doen is de volgende : ofwel zijn  wij medeplichtig aan de consumptiemaatschappij, ofwel leven wij leven in Christus. Want men kan God niet dienen en de Mammon.

Zo kunnen wij ons gezin organiseren, ons werk, ons onderkomen, in het perspectief om te kopen en datgene te verwerven waar wij zin in hebben : de stereoinstallatie, de kleuren televisie , een Honda, een Porsche, de vakanties op de Bermuda eilanden…. Zovele zaken die op zichzelf niet slecht zijn, maar waarvan het angstig verlangen ons de gevangene maakt van alle raderwerk van de consumptiemaatschappij, waarvan de drijfveer de liefde voor het geld is. Luisteren wij naar wat Sint Paulus ons dienaangaande te zeggen heeft :” Wie rijk willen zijn, vallen in verzoeking, in een strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht. Door daarnaar te verzuchten zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord” (1 Tim. 6,9-10).

Omgekeerd kunnen wij “verzaken aan de begeerten van de tijd van onwetendheid” (1 Petr.1,14), om slechts dat te verlangen datwaarlijk wenselijk is, en van de ontmoeting met Christus het reële en concrete doel  te maken van ons leven in de wereld : ” Het gaat erom Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden. Niet dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik verlang ernaar, ik zoek of ik het  ook grijpen kan, omdat ik ook door Jezus Christus gegrepen ben. Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, maar één ding (doe ik) : vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus” (Fil.3,10-14)

Dat is de ascese. Niet een ziekelijk zoeken naar een gemis of een lijden, maar een gepassioneerd zoeken naar de goddelijke volheid in Jezus Christus. Niets van het geschapene is slecht op zichzelf, maar alleen de Schepper is waarlijk verlangbaar. En om dit te bereiken, moet er een prijs betaald worden. En de prijs is “te verzaken aan de begeerten van de tijd van onwetendheid” om vervuld te geraken door de gave van God. Deze gave is niets anders dan de Heilige Geest, schatkamer van alle goed, gever van het leven. God zelf die zich aan ons geeft. Wij zijn wellicht begonnen met de verrijzenis van Christus ernstig te nemen, maar het is tijd, nu, om “de verwerving van de Heilige Geest” ernstig te nemen.

De revolutie van Christus

Hoe meer een christen verinnerlijkt om in het diepste van zijn hart en in de wortels van zijn zijn de Heilige Geest te vinden, des te meer hij zich zal openstellen voor de liefde tot zijn broeders en zusters. Des te meer hij de armoede en de soberheid zal opzoeken om alzo het “enig noodzakelijke” te vinden, des te meer hij de armen zal liefhebben. Des te meer hij het Rijk Gods in zichzelf zal zoeken, des te meer hij zal ontdekken dat dit koninkrijk voor allen is –hé koinê Basileia – zoals de heilige Johannes Chrysostomos het uitdrukt in zijn homilie van Paasnacht. Het koninkrijk van God in ons ontdekken doet in ons het verlangen en de wil ontstaan het Rijk van God en zijn gerechtigheid in de wereld te verkondigen. Een spiritualiteit die de onrechtvaardigheid in de wereld zou negeren zou een spiritualiteit van huichelaars zijn : ” wanneer gij zegt dat gij God liefhebt die gij niet ziet, maar uw broeder die gij wel ziet niet liefhebt, dan ben jij een leugenaar” (1 Joh.4,20).

Wij stellen ons dus niet tevreden met een soort spiritueel narcisme, maar laten wij met helderheid onze ogen openen voor wat in de wereld gebeurt. Wij weten dat in de consumptiemaatschappijen   die momenteel in vele landen aanwezig is, het goede christenvolk en vele anderen bezig zijn, met een verschrikkelijke onschuld om de ganse wereld te verslinden. Ja, de Prins van deze wereld oefent zijn heerschappij van onrecht uit over de wereld.

De profeet Daniël zag een grote steen die zich van de berg, zonder de hulp van menselijke handen, losmaakte  en stootte tegen het standbeeld dat alle koninkrijken van deze wereld symboliseerde. Het standbeeld vloog in stukken, de steen kwam geleidelijk aan op zijn plaats en bedekte de oppervlakte van de aarde. Deze steen, is Christus. Het betekent dat het rijk van Christus en zijn gerechtigheid dit moet vervangen van de Prins – en de prinsen – van deze wereld. Hoe kunnen wij, hoe moeten wij deelnemen aan deze revolutie, hoe  “verhaasten” (2 Petrus 3,12) “de komst van de dag van God” en de heerschappij van Zijn rechtvaardigheid ? Een spiritualiteit die christelijk wil zijn zal deze vraag niet ontwijken. (…)

Gaan wij ons tot dan tevreden stellen met een individualistisch piëtisme die alleen de bekering op het oog heeft – o hoe noodzakelijk-  van ons eigen hart, en ons niet meer interesseren voor het rijk van God in de wereld, terwijl de Heer ons heeft geleerd te bidden “Uw rijk kome op aarde als in de hemel”.

Kijken we dus wat Christus zelf heeft gedaan. Hij heeft weloverwogen verzaakt aan de drievoudige en satanische bekoring om te bezitten, te domineren en zich te laten bewonderen. Hij heeft verzaakt aan de rijkdom, aan de macht en aan de ijdele glorie. Hij heeft zichzelf overgeleverd aan de soberheid, aan de dood, aan de afdaling in de hel : “Hij die, in de gestalte Gods zijnde, heeft zichzelf ontledigd, en de gestalte van een dienstknecht op zich genomen (…)Hij  heeft zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood aan het Kruis (Filipenzen 2,6-8).

Zo heeft Christus de macht van God bevrijd die tijdelijk verduisterd was door de zonde van de mensen en de heerschappij van het kwaad. Deze macht is glorierijk gemanifesteerd  door te verrijzen uit de dood;  zij heeft “hem uitermate verhoogd” (Fil.2,9), zo heeft ze de nieuwe schepping ingewijd, een effectieve aanwezigheid in deze wereld van de Verrezene en vervolgens van  Zijn Heilige Geest, levendig zaad van de vrijheid, rechtvaardigheid en de liefde.

Deze vruchten van de Heilige Geest zijn geen abstracte ideeën, maar goddelijke energieën die voortaan aan het werk zijn in de wereld. Telkens wanneer zij in de dagelijkse realiteit vorm aannemen, vormen zij zoveel tekenen van de heilige almacht van God en verkondigen de uiteindelijke triomf van het koninkrijk dat inmiddels op weg is. De verrijzenis van Christus bevestigt de meest radicale verandering van  de macht in de ganse geschiedenis.

Christus wil echter niet” komen zonder de uiteindelijke vervulling” (Hebr.11,40). Hij nodigt ons uit om voort te gaan in de nieuwe schepping, om met Hem vanaf nu binnen te treden in het komende Koninkrijk, om ons te
verbinden met zijn werk, want wij zijn medewerkers van God” (1 Kor.3,9)

Hoe moeten wij het doen ?

De deelname van de mens

Hoe moet de weg geopend worden voor de goddelijke interventie, voor de uitstorting van de Heilige Geest in onrechtvaardige situaties ? Meerdere houdingen zijn vereist en mogelijk : verzaken aan de dorst naar winst, de vergiftigde drijfveer van gans onze consumptiemaatschappij ; neen zeggen aan de wil tot macht, bron van alle tirannie , ophouden te leven voor uzelf, ophouden met te rekenen op de krachten van deze wereld, en dit door een daad van totaal vertrouwen in de goede macht van God : voor zover wij functioneren op verhoudingen die steunen op macht, laten wij ons meenemen in het raderwerk van de Prins van deze wereld, de Satan die al diegenen manipuleert, door het verlangen naar rijkdom, de dorst voor het plezier of de ambitie om carrière te maken, en zich zo aan zijn macht van de dood overleveren.

Men moet er daarentegen aan verzaken ons “geloof te plaatsen op de machten van deze wereld” (Psalm 146,3), ons te stellen onder de macht van het geld, de militaire macht, de politieke intriges. Indien wij aldus aanvaarden binnen te treden in het graf van Christus – dat is de echte betekenis van het doopsel -, wanneer wij werkelijk gans onze hoop stellen en gans ons vertrouwen op de enige macht van Hem die Christus uit de doden heeft doen opstaan – dat is het geloof -, dan zal de bevrijdende macht van de verrezen Christus zich manifesteren in de gebeurtenissen die de structuur vormen van ons dagelijks bestaan, het verandert de richting van deze gebeurtenissen en maakt de nieuwe schepping in ons leven en in de wereld in haar geheel kenbaar, door er tekenen van het komende Rijk  te planten.

Zo een spiritualiteit – dat vertrouwen is in het bewonderenswaardig werk van de Heilige Geest – overtreft het kader van de persoonlijke godsvrucht, want zij ontdekt in de ogen van onze broeders en zusters de werking en de tegenwoordigheid van God in de wereld : ” Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken”(Matth.5,16).

De gemeenschappelijke epiclese

Wanneer deze daad van vertrouwen en geloof, deze offerande die de mens doet aan God volgens het woord van de apostel : “ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden van God, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en God welgevallig offer” (Rom.12,1), dan is dat niet enkel een persoonlijke daad, wanneer een ganse gemeenschap – door zich te ontdoen van elke ambitie –  zich aan God offer in de vertrouwvolle verwachting van de nederdaling van de Heilige Geest en van de manifestatie van de heilige macht van God in zijn leven, dan noemt dit : Goddelijke Liturgie.

De eucharistische liturgie is niet, zoals sommigen ons willen doen geloven, zij, “die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben” (2 Tim 3,5), een “heilige” spektakel  of een “spiritueel” concert voor esthestisch geïnitieerden. Zij is een gedurfde daad van mannen en vrouwen, die geloven in de unieke waarde van de offerande die Christus heeft gedaan aan Zijn Vader (Ef.5,2),die geloof hebben in de bewonderenswaardige macht van de Heilige Geest die Hem heeft doen verrijzen (1 Petrus 3,18) en vertrouwen in de oneindige rechtvaardigheid van het Rijk van God  dat zo onthuld wordt, God dankend voor deze offerande,  die er eucharistie van maken en er zich mee verbinden door “mekaar en gans hun leven toe te vertrouwen” aan Christus God.

Zij zijn gespannen in de afwachting van de nederdaling van de Heilige Geest, die gans hun gemeenschap zal omvormen – met het brood en de wijn die zij ontvangen – in een ruimte van vrijheid, rechtvaardigheid en liefde, als levend teken van het komende Koninkrijk Gods.

Laten wij vanaf nu deze geloofsdaad stellen. Laat ons verzaken aan al onze  begeerten, leggen wij op het altaar van God – met onze offerande van brood en wijn – gans onze hoop neer, gans onze verlangens, al onze ambities, alles wat wij zijn en willen zijn. En laat ons, door een gemeenschappelijke epiclese, de macht van hierboven, de Heilige Geest ontvangen, die hen bezoekt die aan Christus toebehoren. Dan zullen wij God aan het werk zien onder ons. Zou dat niet de orthodoxe spiritualiteit zijn ?

(De teksten van Vader Cyrille Argenti zijn verschenen in verschillende tijdschriften, waarvan Contacts en Orthodoxes à Marseille, en zijn opgenomen in het werk van Cyrille Argenti , N’aie pas peur, Les el de la terre/Cerf, 2002)

 

Vertaling : Kris Biesbroeck