Cassianus : Kom en leer van Mij (Matth.11,29)

Johannes Cassianus (rond 360-435), stichter van een klooster in Marseille
Conferenties, nr 15, 6-7

 

Cassianus 7

” Kom en leer van Mij” (Mt 11,29)

      De groten in het geloof oefenden op geen enkele wijze de macht uit, die ze hadden om wonderen te doen. Ze bekenden dat hen geen enkele verdienste toekwam, maar dat de barmhartigheid van de Heer alles had gedaan. Als men hun wonderen bewonderde, dan wimpelden ze de menselijke eer weg met de woorden die ze aan de apostelen ontleenden: “Waarom bent u zo verbaasd en waarom staart u ons aan alsof het aan onze eigen kracht of vroomheid te danken is dat deze man weer kan lopen?” (Hand 3,12). Niemand moest naar hun gevoel geëerd worden om de gaven en de wonderen van God..

      Maar het gebeurt soms dat mensen die naar het kwaad neigen en laakbaar zijn op het gebied van het geloof, demonen uitdrijven en wonderen in de naam van de Heer doen. Daarover klaagden de apostelen een keer: “Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten, omdat hij u niet samen met ons volgt.” Jezus zei toen tegen hen: “Verhinder het niet! Want wie niet tegen jullie is, is voor jullie.” Maar aan het einde der tijden zullen die mensen zeggen: “Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, hebben wij niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet vele wonderen verricht in uw naam?” En dan zal ik hun rechtuit zeggen: “Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, jullie hebben het kwaad gedaan!” (Mt 7,22v).

      Hen die Hij Zelf beloond heeft met de glorie van tekenen en de wonderen, geeft de Heer de waarschuwing om zichzelf daardoor niet te verheffen: “Verheug je er echter niet over dat de geesten zich aan jullie onderwerpen, maar verheug je omdat jullie naam in de hemel opgetekend is” (Lc 10,20). De auteur van deze tekenen en wonderen roept zijn leerlingen op om zijn leer te ontvangen: ” Kom en leer van Mij” – niet om de demonen door de hemelse krachten te verdrijven, noch om melaatsen te genezen, noch om licht te geven aan de blinden, noch om doden op te wekken, maar zegt Hij: “Leer dit van Mij: dat ik zacht en nederig van hart ben”  (Mt 11, 28-29).

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

16e zondag na Pinksteren : Gelijkenis der talenten

16e zondag na Pinksteren

“Gelijkenis der talenten

 

talenten parabel

 

LEZINGEN :

1e Lezing : 2 Kor.6,1-10

Als zijn medewerkers sporen wij u aan: zorg dat u de genade van God niet tevergeefs hebt ontvangen. Hij zegt immers: Op de gunstige tijd* heb Ik u verhoord, op de dag van het heil* ben Ik u te hulp gekomen. Nú is het die gunstige tijd, nú is het de dag van het heil.
     Wij geven absoluut niemand aanstoot, om het dienstwerk niet in diskrediet te brengen. Integendeel,  in alle omstandigheden proberen wij ons te gedragen als dienaren van God door het standvastig verduren van moeilijkheden, nood, ellende, slagen, gevangenschap, oproer, zwaar werk, slaapgebrek, te weinig eten; maar ook door zuiverheid, inzicht, geduld, goedheid, door een geest van heiligheid en oprechte liefde, door het woord van de waarheid en de kracht van God. Wij vallen aan en verdedigen ons met de wapens van de gerechtigheid. Eer en smaad, laster en lof zijn ons deel; wij zijn als bedriegers die de waarheid spreken, als onbekenden die iedereen kent, als stervenden die blijven leven, als streng gestraften die niet worden gedood, als treurenden die altijd verheugd zijn, als armen die velen rijk maken, als havelozen die toch alles hebben.

Evangelielezing : Mattheüs 25,14-30 :

     Het is als met iemand die naar het buitenland ging. Hij riep zijn slaven bij zich en vertrouwde hun zijn bezit toe. Aan de een gaf hij vijf talenten, aan een ander twee en aan een derde één, overeenkomstig ieders bekwaamheid. En hij vertrok naar het buitenland. Degene die de vijf talenten gekregen had, ging er meteen mee handelen en verdiende er nog vijf bij. Zo verdiende ook die er twee gekregen had er nog twee bij. Maar die er één gekregen had, ging een gat in de grond graven en stopte daar het geld van zijn heer in. Na lange tijd kwam de heer van die slaven terug en hield afrekening met hen. Degene die de vijf talenten gekregen had, kwam naar voren met nog vijf talenten en zei: Vijf talenten, heer, had u me toevertrouwd. Kijk, ik heb er nog vijf talenten bij verdiend. Zijn heer zei tegen hem: “Uitstekend, goede en trouwe slaaf, in het kleine ben je betrouwbaar geweest, over veel zal ik je aanstellen. Kom delen in de vreugde van je heer.” Ook degene die de twee talenten gekregen had, kwam naar voren en zei: “Twee talenten, heer, had u me toevertrouwd. Kijk, ik heb er nog twee bijverdiend.” Zijn heer zei tegen hem: “Uitstekend, goede en trouwe slaaf, in het kleine ben je betrouwbaar geweest, over veel zal ik je aanstellen. Kom delen in de vreugde van je heer. Ook degene die het ene talent had gekregen, kwam naar voren en zei: “Heer, ik heb u leren kennen als een streng man; u oogst waar u niet hebt gezaaid en u haalt binnen waar u niet hebt uitgestrooid. Uit angst heb ik uw talent in de grond gestopt. Kijk, hier hebt u uw eigendom terug.Maar zijn heer antwoordde hem: “Slechte, lamlendige slaaf, je wist dat ik oogst waar ik niet heb gezaaid en binnenhaal waar ik niet heb uitgestrooid. Je had dus mijn geld op de bank moeten zetten. Dan had ik het bij mijn komst met rente teruggekregen. Neem hem daarom het talent af en geef het aan hem die de tien talenten heeft. Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden en wel overvloedig. Maar aan degene die niet heeft, zal zelfs nog ontnomen worden wat hij heeft. Werp die nutteloze slaaf in de uiterste duisternis.” Het zal daar een gejammer zijn

Cyrillus van Alexandrië : Opdat de één mogen zijn , zoals Wij

H. Cyrillus van Alexandrië ((380-444), bisschop, Kerkleraar
Commentaar op het evangelie van Johannes, 11, 11 ; PG 74, 558

 

Cyrillos van Alexandrië 159

“Opdat ze één mogen zijn, zoals Wij”

      Toen Christus aan ons gelijk werd, dat wil zeggen mens werd, heeft de Heilige Geest Hem gezalfd en gewijd, hoewel Hij van nature God was… Hij heiligt zelf zijn eigen lichaam, en alles wat geschapen is, is waardig om geheiligd te worden. Het mysterie dat in Christus gebeurde, is de oorsprong en de weg van onze deelname aan de Heilige Geest.

      Om ook ons te verenigen, om ons te versmelten in de eenheid met God en onder elkaar, hoewel gescheiden door onze individuele verschillen van onze zielen en van onze lichamen, heeft de Eniggeboren Zoon een middel gevonden en voorbereid om ons te verzamelen, dankzij de wijsheid die de zijne is en volgens de raad van zijn Vader. Door één enig lichaam, zijn eigen lichaam, zegent Hij hen die in Hem geloven, in een mystieke vereniging maakt Hij er één lichaam van met Hem en onder hen.

      Wie zou ons dus kunnen scheiden, wie zou de fysieke eenheid kunnen ontnemen van degenen, die door dat heilige lichaam en door Hemzelf alleen verenigd zijn in de eenheid van Christus? Als wij eenzelfde brood delen, vormen wij allen één enig lichaam (1 Kor 10,17). Want Christus kan niet verdeeld worden. Daarom wordt, volgens de leer van Paulus (Ef 5,30), de Kerk ook het lichaam van Christus genoemd, en wij zijn leden. Allen verenigd in één Christus door zijn heilig lichaam ontvangen we Hem, één en ondeelbaar in ons eigen lichaam. Wij moeten ons eigen lichaam beschouwen als niet meer aan ons toebehorend.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Johannes Chrysostomos : Wie oren heeft om te horen, hij hore

H. Johannes Chrysostomos (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar
Sermons over Mattheus, nr 44 ; PG 57, 467

Chrysostomos modern onbekend

“Wie oren heeft om te horen, hij hore”

      Als het zaad verdroogd, dan komt dat niet door de hitte. Jezus heeft niet gezegd dat het verdroogd is door de hitte, maar “als gevolg van een fout in de wortel”… Als het woord verstikt is, komt dat niet door de doornstruiken, maar door hen die ze in vrijheid hebben laten groeien. Met de wil kun je ze belemmeren om te groeien, je kunt gepast gebruik maken van de rijkdommen. Daarom heeft de Heer niet gesproken over de ‘wereld’, maar over de ‘zorg van de wereld’, niet over ‘de rijkdom’  maar over de ‘verleiding van de rijkdom’. Laten we de dingen op zich niet de schuld geven, maar het bederf van ons bewustzijn…

      Niet de landbouwer, niet het zaad, maar de aarde, die het ontvangen heeft, verklaart alles, dat wil zeggen de neigingen van ons hart. Ook daar is de goedheid van God voor de mens enorm, Hij eis niet een zelfde mate van deugdzaamheid, Hij oogst de eerstelingen, Hij laat de tweede niet opnieuw groeien en Hij geeft plaats aan de derde…

      Men moet dus eerst met aandacht naar het Woord luisteren, vervolgens het trouw in het geheugen bewaren, en daarna vol met goede moed zijn, vervolgens de rijkdom minachten en zich bevrijden van liefde voor alle wereldse bezit. Als Jezus aandacht voor het Woord op de eerste plaats zet en vóór alle andere voorwaarden, dan is dat omdat dit dè nodige voorwaarde is. “Hoe kun je geloven zonder eerst te luisteren?” (Rm, 10,14) Als wij ook niet aandacht geven aan hetgeen ons verteld wordt, weten we niet welk werk we moeten vervullen. Daarna komen pas de moed en de minachting voor de wereldse bezittingen. Laten we ons, om profijt uit de lessen te trekken, op allerlei wijzen versterken: laten we aandachtig zijn voor het Woord, en onze wortels diep laten groeien en laten we ons losmaken van de wereldse zorgen.

De patristieke fundering van de sacamenten van de Kerk

De patristieke fundering van de sacramenten van de Kerk

Metropoliet Kallistos Ware

 

Toespraak gehouden in Moscou 13-16 november 2007

 

“Het zijn de sacramenten die het Lichaam van Christus vormen” schreef de heilige Nicolas Cabasilas. Ze zijn, zegt hij “vensters in de duistere wereld”. Wat dan, zijn de voornaamste thema’s in de Patristieke lering omtrent deze goddelijke activiteiten, zonder welke er geen leven in Christus mogelijk is ? Hoe verstonden de Vaders dit “venster” dat ons bestaan hier op aarde verlicht ?.

1 Het woord “sacrament

Dat wat de latijnse theologie sacramentum noemt is in de griekse theologie mysterion (in het de Slavische theologie aangeduid met het woord tainstvo). De twee woorden hebben een grondig verschillende betekenis. De latijnse term sacramentum betekent oorspronkelijk de eed van trouw door de romeinse soldaten, terwijl het in wettelijke termen de betekenis heeft van een belofte die onder ede gedaan werd onder redetwistende partijen. De Griekse term Mysterion anderzijds heeft een rijkere en diepere betekenis. Het woord komt ongeveer dertig maal voort in het Nieuwe testament , en nergens heeft het de betekenis van een liturgische ritus. Tegelijk betekent in het Nieuwe Testament “mysterie” niet, zoals het in het moderne gebruik de gewoonte is, een onopgeloste puzzel, een  raadsel of  enigma. In de eigenlijke Schriftuurlijke en theologische betekenis, daarentegen, is mysterie iets wat onthuld wordt voor ons verstaan, uiteindelijk nooit totaal en uitsluitend, daar het peilt naar de oneindige diepten van God.

In het Nieuwse Testament is het hoogste en fundamenteelste mysterie de menswording van Christus. Sint Paulus in de Kollosenzen 1,25-26 spreekt  over “het geheimenis (mysterie) dat eeuwen en geslachten verborgen is geweest”, en dat u geopenbaard is in Christus die de “hoop en de glorie”is. Zo ook in de Efesiërsbrief 1,9-10 sprekend over het mysterie van Gods wil zegt Paulus dat dit niets anders is dan het “plan ter voorbereiding van de volheid der tijden”,om in Christus alles in de hemel en op aarde bijeen te brengen of te verzamelen onder één hoofd, Jezus Christus. Meer in het bijzonder dit “mysterie” dat eerst verborgen was en nu geopenbaard, bestaat in de vereniging van Joden en heidenen onder één lichaam, Christus (Efesiërs 3,3-6).

De grote omvang van de term mysterion, waarbij het refereert naar de totaliteit van Christus’incarnerend werk, komt dikwijls voor  bij de vroege Kerkvaders Het is pas in de 3e en 4e eeuw dat het woord wordt gebruikt om meer nauwkeurig een liturgisch rite aan te duiden. De term gebruikend  in de bredere Nieuw Testamentische betekenis, spreekt Ignatios van Antiochië van de maagdelijkheid van Maria, haar kind baren en de dood als van “drie mysteries die om luid gechreeuw vragen, wat ons brengt tot de stilte van God” In dezelfde termen spreekt Clemens van Alexandrië over “het merkbaar mysterie” van de incarnatie, “God in de mens en de mens in God”. In de latijnse traditie verwijst Tertullianus  naar “het sacrament van de economie” (sacramentum oeconomiae”, daarmee bedoelt hij de reddende  ingreep van de geïncarneerde Christus in haar totaliteit. Maar hij gebruikt ook de term sacramentum in een meer beperkte betekenis, om er het doopsel en de eucharistie mee aan te duiden. Lang nadat de term mysterion haar technische betekenis had gekregen als een sacramentele rite, gaan de Griekse Vaders nog altijd verder met haar te gebruiken op een meer  uitgebreide en flexibele wijze. Wanneer we hen lezen is het belangrijk daarvoor  de patristieke teksten niet automatisch te lezen in de meer specifieke betekenis van het woord “sacrament”, zoals ze gevonden wordt in de Rooms Katholieke en Orthodoxe theologie.

Er is een bijzondere reden waarom de bredere betekenis van het woord “mysterie” nooit vergeten mag worden, en dat is de weg waarin het de essentiële link tussen de sacramenten en de incarnatie wordt onderlijnd. Alle sacramenten hebben hun bron en gronding in de incarnatie van Christus. De “mysterievolle” daden van de Kerk zijn niets anders dan de levende en onophoudelijke voortzetting  van de incarnatie in ruimte en tijd. In de sacramenten wordt de constante en dynamische tegenwoordigheid van de incarnatie van Christus in de aanbidding van het volk van God verzekerd. In de woorden van Leo de Grote : ” Hij die zichtbaar was als onze redder gaat nu verder in de sacramenten “. Sacramentenleer is een tak van de Christologie.

Het woord mysterion heeft ook nog verdere weerklanken en associaties. Het roept in de geest het adjectief “mystiek” op. Dit wordt dikwijls gebruikt door de Vaders in combinatie met het substantief “contemplatie”, “gebed”, “theologie” en “verbond”. Het mystieke leven, zoals verstaan wordt door de Vaders, is gegrond op het oorspronkelijke mysterie van Christus’ menswording, en tegelijk is het nooit te scheiden van de sacramenten. In deze context is het vanzelfsprekend te denken aan Vladimir Lossky’s welbekende woorden “Verre van  wederzijds tegengesteld te zijn dragen en vervolledigen theologie en mystiek elkander. Het ene is ondenkbaar zonder het andere…Mystiek is…het hoogtepunt en de kroon van alle theologie : het is theologie bij uitstek”. Zeker mag Lossky’s  standpunt toegepast worden op de sacramenten. Sacramentele theologie en mystiek ondersteunen en vervolledigen elkaar. Het mystieke leven is onmogelijk zonder de sacramenten. Het mystieke leven is niets anders dan de perfectie en de kroon van onze sacramentele deelneming. Met de woorden van Myrrha Lot-Borodine : ” De ganse leer van de mystieke verlichting is…een bovennatuurlijke realiteit die inherent is in de onthulling van het doopsel, en, mogen we eraan toevoegen inherent in ons voortdurend ontvangen van de Eucharistie en de andere sacramenten.

2. De dubbele natuur van de sacramenten

In de catechismus van de Kerk van Engeland ,die ik van buiten moest leren als kind, wordt een sacrament gedefinieerd als ” het uitwendig en zichtbaar teken van een innerlijke en spirituele genade”. Een teken dat werkzaam is, dat  doeltreffend is en de oorzaak van wat het betekent. : uiterlijk en innerlijk, zichtbaar en onzichtbaar. Dit is ook de richting waarin de Vaders de natuur van het sacrament verstonden. Elk sacrament heeft twee aspecten : een uiterlijk en een innerlijk, een zichtbaar en een onzichtbaar. Om deze reden geven de Vaders gewoonlijk aan het sacrament de naam “symbool”, niet in een zwakke, maar in een sterke betekenis.

Reeds in het begin van de derde eeuw heeft Tertullianus duidelijk het dubbel karakter van de sacramenten aangeduid : ” Het vlees is gereinigd , moge de ziel brandschoon zijn; het vlees is getekend door het kruis, moge de ziel ook beschermd worden, het vlees is overschaduwd door de handoplegging, moge de ziel verlicht worden door de Heilige Geest, het vlees voedt zich met het lichaam en bloed van Christus, zo dat de ziel ook mag gevuld worden met God. “aan de sacramenten een anthropologische grondslag gevend, zegt de heilige Ambrosius van Milaan dat hun twe
evoudig karakter, zicht baar en onzichtbaar, overeenstemt met de twee-voudige natuur van de mens : lichaam en ziel. Zo wordt in het doopsel het lichaam gewassen met water, terwijl de ziel wordt gezuiverd door de Heilige Geest. St.Augustinus heeft hetzelfde in zijn gedachten in zijn geschriften over het eucharistisch brood en wijn : “Zij worden sacramenten genoemd, omdat één ding wordt gezien terwijl een ander wordt verstaan. Wat gezien wordt heeft een fysieke vorm, maar wat wij verstaan heeft spirituele vruchten”.

Griekse auteurs spreken ongeveer in parallelle termen. Volgens Theodor van Mopsueste is “elk sacrament de aanduiding van vele betekenissen en symbolen, van onzichtbare en  onuitsprekelijke realiteiten”. Ze worden sacramenten genoemd, schrijft St.Johannes Chrysostomos, omdat datgene wat wij geloven niet hetzelfde is als wat we zien, maar wij zien één ding en geloven een ander..  Wanneer ik het Lichaam van Christus hoor vernoemen, versta ik wat gezegd wordt, de ongelovige denkt dan aan iets anders.

Beide kenmerken van de sacramenten, zichtbaar en onzichtbaar, benadrukken , vanuit christelijk standpunt,met een uiterste helderheid de waarde van  materiële dingen en meer in het bijzonder van het menselijk lichaam. Zoals Tertullianus  in deze context benadrukt : : ” Het vlees is de spil van de verlossing” (caro salutis est cardo). Om deze reden wil men in de orthodoxe Kerk onverminderd de materialiteit van de sacramentle elementen bewaren : wij dringen er op aan, dat het doopsel zou gebeuren door onderdompeling, uitgezonderd in noodgevallen; voor de Eucharistie gebruiken wij levend brood en rode wijn; bij begrafenissen wordt het deksel van de kist genomen en wij kussen het dode lichaam.

De materialiteit van de sacramenten maakt duidelijk het verband, wij hebben het reeds benadrukt, tussen de “mysterievolle daad” van de Kerk en de menswording. Bij zijn menselijke geboorte nam de Redder het menselijk vlees aan (met een menselijke ziel), en maakte van dit materiële vlees een voertuig van de Geest. Zo ook wanneer we het water zegenen bij het doopsel, wanneer wij het brood zegenen in de Eucharistie, en wanneer wij de olie voor de ziekenzalving zegenen, dan omvormen wij deze materiële elementen  tot voertuigen van de Geest. Zoals we in verband met de incarnatie achterom kijken, zo kijken de sacramenten voorwaards, of beter, ze anticiperen  de apocatastasis , of de uiteindelijke verlossing op de laatste dag (zie : Romeinen 8,19-23). Zoals Minucius Felix bevestigt : ” Wij zijn in de verwachting  van de lente van het lichaam” (expectandum nobis etiam corporis ver est). De eschatologische lente van het lichaam, en meer in het algemeen, van de ganse natuur is reeds aanwezig in de spirituele materialiteit van de sacramenten.

3. De voorganger of de tussenpersoon van de sacramenten

In overeenstemming met de universele Patristieke traditie, Griekse en Latijnse, is de echte celebrant altijd Christus zelf, onzichtbaar  doch werkelijk aanwezig door de Heilige Geest. Dit is duidelijk uit de liturgische praxis van de orthodoxe Kerk. In geen enkele sacrament gebruikt de officiant het woord “ik”. Hij zegt niet “ik doop u”, maar “de dienaar Gods wordt gedoopt”, niet “ik wijd u”, maar “de goddelijke genade, die altijd heelt wat zwak is en opricht wat gebrekkig is, wijd de devote sub-diaken (naam)tot diaken, zoals de bisschop zegt tot God wanneer hij een diaken wijd (hetzelfde gebeurt voor de andere wijdingen).”het is niet door de handoplegging, maar door de zegen van Uw rijke barmhartigheid, dat de genade is gegeven aan hem die U waardig is”. Het is waar dat Peter Mohila in zijn Euchologion voor het sacrament van de boete de formule gebruikt “ik  vergeef u”; maar dit kan enkel gezien worden als een afwijking van de sacramentele traditie van de Orthodoxe Kerk.

Dit geloof in Christus als  de ware celebrant van alle sacramenten is bijzonder duidelijk in de Goddelijke Liturgie. Voor de zegen bij het begin zegt de diaken tot de priester. “Het is tijd voor de Heer om te handelen”, een citaat uit psalm 118(119).126). De liturgie, is niet enkel woorden uitspreken maar actie; bovendien is het niet op de eerste plaats onze actie, maar de actie van de Heer. De ware celebrant in elke Eucharistie is altijd Christus de enige hogepriester, wij, de clerus en het volk, zijn niet meer dan concelebranten met Hem. Ditzelfde punt wordt expliciet bevestigd  in het gebed die door de officiant wordt gezegd gedurende de Hymne van het Cherubicon , wanneer hij tot Christus zegt “Gij zijt het aan wie wij offeren en die geofferd zijt. Christus is beide : offer en offergave , beide, offeraar en offer, beide : priester en slachtoffer. De onmiddellijke deelname van Christus in de Eucharistische actie wordt ook uitgedrukt in het uitwisselen van groeten door de clerus gedurende de “vredeskus” : “Christus is in ons midden”.

Het zelfde verstaan van de sacramenten als een actie van Christus is bij de Vaders te vinden alsook in de liturgische teksten. Zoals St. Augustinus zei : “Het doopsel is werkzaam, niet door de deugd en de verdienste van hen die toedienen, maar door de verdienste van zijn intrinsieke heiligheid en waarheid, omwille van Hem die het ingesteld heeft”.Onder de griekse Vaders is het vooral St.Johannes Chrysostomos die speciaal zich over dit punt heeft uigesproken. “Het is de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, die alles vervuld” zegt hij. “De priester leent slechts zijn tong en levert zijn handen”.” Bij de heilige Communie is het de hand van Christus dat naar jou wordt uitgestoken”. “Gods gaven zijn niet het resultaat van enige verdienste van de priester, zij zijn volledig het werk van de genade. De functie van de priester bestaat er enkel in zijn mond te openen en het is God die vervult wat moet gedaan worden… De eucharistische offering  blijft dezelfde, of nu Peter of paul het zouden offeren. De offerande welke Christus geeft aan Zijn Apostelen is identiek met deze die nu geofferd wordt door de priester. Laatstgenoemde is helemaal niet ondergeschikt aan de vorm, want het is niet de mens die consacreert, maar Hij die de oorspronkelijke offerande heeft geconsacreerd”.

Hieruit volgt dat de geldigheid van de sacramenten niet in het gedrang komt door de onwaardigheid van de celebrant, noch hangt het af van het persoonlijk geloof van de ontvanger. Integendeel, als actie van Christus zelf hebben de sacramenten een objectief karakter.

4 Het getal van de sacramenten

Hier, als op andere gebieden, moeten eigen toegevingen gedaan worden voor het flexibel gebruik van de term mysterion bij de vaders. Wij moeten niet de vroegste bronnen lezen om de juiste betekenis te vinden voortgaande op Peter Lombard en de scholastiekers van de twaalfde eeuw, en die vervolgens zijn overgenomen door vele orthodoxe schrijvers. Bovendien maken de Griekse Vaders een scherp onderscheid tussen de sacramenten enerzijds en de andere riten van de Kerk die de Rooms Katholieke Kerk omschrijft als ‘Sacramentalia.

Vele auteurs – bijvoorbeeld St.Cyrillos van Jerusalem, St. Ambrosius, Theodoor van Mopsueste en Sint Cyrillos van Alexandrië – denken in termen van drie primaire “mysteries”, Doopsel, myronzalving en Eucharistie; maar deze lijst van drie moet niet noodzakelijk gezien worden als  volledig. Sint Nicolas cabasilas, in zijn
“leven in Christus “ benadrukt de zelfde drie mysteries, maar dan gaat hij ook de consecratie van het altaar beschouwen als een “mysterie”; misschien echter moet dit gezien worden als een uitbreiding van het sacrament van het chrisma. Sint Johannes van Damascus denkt anderzijds in termen van twee hoofd-sacramenten, Doopsel en Eucharistie. Sint Dyonisios de Aeropagiet spreekt van zes : Doopsel, Eucharistie, chrisma, wijding, monastieke  professie, en de begrafenis riten. Dezelfde lijst wordt gevonden bij Sint Theodoros de Studiet. In de tweede helft van de 13e eeuw noemt de monnik Job zeven sacramenten, maar ze komen niet echt overeen met de Westerse lijst; hij combineert penitentie met de ziekenzalving en hij sluit monastieke professie in. Hij gaat spreken over drie andere riten : hij ziet de consecratie en de broodverheffing ter ere van de Moeder Gods als een uitbreiding van de Eucharistie. Dit alles duidt erop dat de Griekse patristieke auteurs, wanneer zij de term mysterie gebruiken, niet te werk gaan met dezelfde precisie die gevonden wordt in de latijnse scholastiek.

Het is waar, dat in de latere Byzantijnse periode er een tendens is om de zelfde sacramenten te aanvaarden zoals in het Westen. Dit is het geval bv. Met Manuel Calecas in de 14e eeuw, en met Joseph Bryennice en Sint Symeon van Thessaloniki in de 15e eeuw. Op het concilie van Ferrara-Florence (1438-9) vonden de Grieken geen problemen met het aanvaarden van de latijnse lijst van zeven sacramenten. Maar Joasaph, Metropoliet van Ephesië (ook in de 15e eeuw) spreekt van tien sacramenten.In de 17e eeuw wordt de latijnse lijst van zeven standaard in de Orthodoxe Kerk : het wordt bv. gevolgd door Patriarch Jeremias II, door Gabriël Severus, door Metropoliet kritopoulos en door de synode van Jassy (1642) en van Jeruzalem (1672). Toch bekwam deze lijst nooit een strikt dogmatisch karakter in de Orthodoxe leer, maar het werd vooral gezien als bruikbaar in de leer. Het meer flexibel gebruik in de vroege Patristische periode is nooit op de achtergrond geraakt. In elk geval, wanneer de sacramenten zijn gecatalogeerd als zeven, mag eruit niet afgeleid worden dat deze zeven allen op gelijke voet van waardigheid staan, er bestaat een welomlijnde hiërarchie tussen hen, met het Doopsel en de Eucharistie als de voornaamste.

Als besluit doen we er goed aan met opnieuw te verwijzen naar de betekenis die eerder werd gegeven aan de term “mysterie” : het is, zeiden wij, iets dat onthuld wordt voor ons verstaan, maar nooit volledig onthuld. Dit betekent dat er een apofatische dimensie bestaat in de orthodoxe theologie van de sacramenten, zoals trouwen in alle andere aspecten van de theologie. Wij moeten altijd op onze hoede zijn om té veel te zeggen. Wanneer de Kerk spreekt van de sacramenten, dan is zij er zich van bewust hoeveel delen van de waarheid noodzakelijk onzegbaar blijven. Met de woorden van Sint Johannes Chrysostomos : ” Zij worden gezegd om mysteries te zijn, en zij zijn dat in waarheid, er is geen nood om de diepe kloof van de stilte te willen verklaren”. ” De verklaring van de Mysteries” merkt Sint Cyrillos van Alexandrië op, “is buitengewoon moeilijk, het is misschien beter de stilte te bewaren”. Laat ons deze waarschuwing in gedachten houden gedurende de huidige conferentie.

Bron : Website van Nouvelles Clés

Vertaling : kris Biesbroeck.

 

 

15e zondag na Pinksteren “van het grote gebod”

 

15e zondag na Pinksteren – zondag na de Kruisverheffing.

 ‘Van het Grote gebod’

Feest van de heilige Eustachius, grootmartelaar te Rome en zijn vrouw de H. Theopostie, H. Madelgaireen, echtgenote va,n de H. Waldetruda, stichter van de monasteries van Haumont en Soignies

 

 

eustachius van Rome

 

 Heilige Eustachius

 

LEZINGEN

EPISTEL : 2 Kor. 4,6-15

Dezelfde God die gezegd heeft: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen’, heeft zijn licht laten schijnen in ons hart om de kennis te laten stralen van zijn heerlijkheid, die ligt over het gelaat van Jezus Christus.

Vol goede moed bij tegenslag
     Maar wij dragen deze schat in aarden potten, en zo blijkt dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons. Van* alle kanten worden wij belaagd maar we zitten niet in het nauw; we zijn radeloos maar niet ten einde raad; we worden opgejaagd maar niet in de steek gelaten; neergeveld maar niet gedood. Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus zich in ons lichaam openbaart. Voortdurend worden wij tijdens ons leven aan de dood uitgeleverd omwille van Jezus, opdat ook het leven van Jezus zich in ons sterfelijk bestaan openbaart. Zo is de dood aan het werk in ons, en het leven in u.
     Maar wij bezitten die geest van geloof waarover geschreven staat: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Ook wij geloven en daarom spreken wij. Want wij weten dat Hij die de Heer Jezus heeft opgewekt
*, ook ons met Jezus ten leven zal wekken en ons naar zich toe zal voeren, samen met u. Want alles gebeurt voor u, opdat de genade onder steeds meer mensen verbreid raakt en zij de dankbaarheid doet toenemen, tot eer van God.

EVANGELIELEZING :  Mattheüs 22,35–46

en een van hen, een wetgeleerde, vroeg om Hem op de proef te stellen: ‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’ Jezus zei hem: ‘U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten.’

Jezus’ tegenvraag over de Messias
     Terwijl de farizeeën bij elkaar waren, vroeg Jezus hun: ‘Wat denkt u van de Messias ? Van wie is Hij de zoon?’ Ze zeiden Hem: ‘Van David .’ Hij zei: ‘Hoe kan David, geïnspireerd door de Geest, Hem dan Heer noemen, als hij zegt: De Heer heeft gezegd tot mijn Heer: Ga zitten aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden aan uw voeten heb gelegd? Als David Hem Heer noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?’ Niemand kon Hem daarop een antwoord geven, en niemand durfde Hem van die dag af nog iets te vragen.

Gregorius van Nazianze : Zie, de bruidegom komt

H. Gregorius van Nazianze (330-390), bisschop en Kerkleraar
Overweging over de doop, 40, 46 ; PG 36, 425


GregoriusNazianze

“Zie, de Bruidegom komt”

      Weldra zul je na je doop voor het Heilige der heiligen staan, dat de heerlijkheid van de komende wereld  aanduidt. Het psalmlied dat je ontvangt is de prelude van de hemelse lofzangen. De lampen die je aan zult steken, zijn een voorafbeelding van de stoet lichtjes die onze stralende en zuivere zielen, uitgerust met stralende lampen van geloof, tot voor de Bruidegom zullen leiden.

      Laten opletten om niet uit onzorgvuldigheid in slaap te vallen, uit angst dat degene waarop we wachten zich spontaan zal tonen zonder dat we Hem zien aankomen. Laten we niet zonder voorraad olie en goede werken blijven, uit vrees buiten de bruiloftszaal gesloten te worden… De Bruidegom zal er in grote haast binnengaan. De voorzichtige zielen zullen er met Hem binnengaan. De anderen die druk bezig zijn met hun lampen, zullen geen tijd hebben om er binnen te gaan en zullen in klaagzangen buiten blijven. Ze realiseren zich te laat wat ze door hun achteloosheid hebben verloren…

      Ze lijken ook op de andere genodigden voor een bruiloft, die een vader vierde ter ere van een bruidegom, en die weigerden om eraan deel te nemen: de een omdat hij net een vrouw had gevonden, een ander omdat hij net een stuk land had gekocht; een derde omdat hij zich zojuist een paar runderen had aangeschaft (Lc 14, 18-20)… Want er is in de hemel geen plaats voor de trotsen en de achtelozen, voor een man zonder passende kleding, die niet het bruiloftskleed draagt (Mt 22,11), zelfs waneer hij, toen hij op aarde was, dacht dat hij de hemelse pracht waardig was, en zich heimelijk onder de groep gelovigen bevond en valse hoop koesterde.

      Wat zal er daarna gebeuren? De Bruidegom weet wat Hij ons onderricht wanneer we in de hemel zijn, en Hij weet welke relatie Hij met de zielen zal onderhouden die er met Hem binnengegaan zijn. Ik geloof dat Hij in hun gezelschap zal leven, en dat Hij hen de meest volmaakte en zuiverste mysteriën zal leren kennen..

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org