Cassianus : Kom en leer van Mij (Matth.11,29)

Johannes Cassianus (rond 360-435), stichter van een klooster in Marseille
Conferenties, nr 15, 6-7

 

Cassianus 7

” Kom en leer van Mij” (Mt 11,29)

      De groten in het geloof oefenden op geen enkele wijze de macht uit, die ze hadden om wonderen te doen. Ze bekenden dat hen geen enkele verdienste toekwam, maar dat de barmhartigheid van de Heer alles had gedaan. Als men hun wonderen bewonderde, dan wimpelden ze de menselijke eer weg met de woorden die ze aan de apostelen ontleenden: “Waarom bent u zo verbaasd en waarom staart u ons aan alsof het aan onze eigen kracht of vroomheid te danken is dat deze man weer kan lopen?” (Hand 3,12). Niemand moest naar hun gevoel geëerd worden om de gaven en de wonderen van God..

      Maar het gebeurt soms dat mensen die naar het kwaad neigen en laakbaar zijn op het gebied van het geloof, demonen uitdrijven en wonderen in de naam van de Heer doen. Daarover klaagden de apostelen een keer: “Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten, omdat hij u niet samen met ons volgt.” Jezus zei toen tegen hen: “Verhinder het niet! Want wie niet tegen jullie is, is voor jullie.” Maar aan het einde der tijden zullen die mensen zeggen: “Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, hebben wij niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet vele wonderen verricht in uw naam?” En dan zal ik hun rechtuit zeggen: “Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, jullie hebben het kwaad gedaan!” (Mt 7,22v).

      Hen die Hij Zelf beloond heeft met de glorie van tekenen en de wonderen, geeft de Heer de waarschuwing om zichzelf daardoor niet te verheffen: “Verheug je er echter niet over dat de geesten zich aan jullie onderwerpen, maar verheug je omdat jullie naam in de hemel opgetekend is” (Lc 10,20). De auteur van deze tekenen en wonderen roept zijn leerlingen op om zijn leer te ontvangen: ” Kom en leer van Mij” – niet om de demonen door de hemelse krachten te verdrijven, noch om melaatsen te genezen, noch om licht te geven aan de blinden, noch om doden op te wekken, maar zegt Hij: “Leer dit van Mij: dat ik zacht en nederig van hart ben”  (Mt 11, 28-29).

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

16e zondag na Pinksteren : Gelijkenis der talenten

16e zondag na Pinksteren

“Gelijkenis der talenten

 

talenten parabel

 

LEZINGEN :

1e Lezing : 2 Kor.6,1-10

Als zijn medewerkers sporen wij u aan: zorg dat u de genade van God niet tevergeefs hebt ontvangen. Hij zegt immers: Op de gunstige tijd* heb Ik u verhoord, op de dag van het heil* ben Ik u te hulp gekomen. Nú is het die gunstige tijd, nú is het de dag van het heil.
     Wij geven absoluut niemand aanstoot, om het dienstwerk niet in diskrediet te brengen. Integendeel,  in alle omstandigheden proberen wij ons te gedragen als dienaren van God door het standvastig verduren van moeilijkheden, nood, ellende, slagen, gevangenschap, oproer, zwaar werk, slaapgebrek, te weinig eten; maar ook door zuiverheid, inzicht, geduld, goedheid, door een geest van heiligheid en oprechte liefde, door het woord van de waarheid en de kracht van God. Wij vallen aan en verdedigen ons met de wapens van de gerechtigheid. Eer en smaad, laster en lof zijn ons deel; wij zijn als bedriegers die de waarheid spreken, als onbekenden die iedereen kent, als stervenden die blijven leven, als streng gestraften die niet worden gedood, als treurenden die altijd verheugd zijn, als armen die velen rijk maken, als havelozen die toch alles hebben.

Evangelielezing : Mattheüs 25,14-30 :

     Het is als met iemand die naar het buitenland ging. Hij riep zijn slaven bij zich en vertrouwde hun zijn bezit toe. Aan de een gaf hij vijf talenten, aan een ander twee en aan een derde één, overeenkomstig ieders bekwaamheid. En hij vertrok naar het buitenland. Degene die de vijf talenten gekregen had, ging er meteen mee handelen en verdiende er nog vijf bij. Zo verdiende ook die er twee gekregen had er nog twee bij. Maar die er één gekregen had, ging een gat in de grond graven en stopte daar het geld van zijn heer in. Na lange tijd kwam de heer van die slaven terug en hield afrekening met hen. Degene die de vijf talenten gekregen had, kwam naar voren met nog vijf talenten en zei: Vijf talenten, heer, had u me toevertrouwd. Kijk, ik heb er nog vijf talenten bij verdiend. Zijn heer zei tegen hem: “Uitstekend, goede en trouwe slaaf, in het kleine ben je betrouwbaar geweest, over veel zal ik je aanstellen. Kom delen in de vreugde van je heer.” Ook degene die de twee talenten gekregen had, kwam naar voren en zei: “Twee talenten, heer, had u me toevertrouwd. Kijk, ik heb er nog twee bijverdiend.” Zijn heer zei tegen hem: “Uitstekend, goede en trouwe slaaf, in het kleine ben je betrouwbaar geweest, over veel zal ik je aanstellen. Kom delen in de vreugde van je heer. Ook degene die het ene talent had gekregen, kwam naar voren en zei: “Heer, ik heb u leren kennen als een streng man; u oogst waar u niet hebt gezaaid en u haalt binnen waar u niet hebt uitgestrooid. Uit angst heb ik uw talent in de grond gestopt. Kijk, hier hebt u uw eigendom terug.Maar zijn heer antwoordde hem: “Slechte, lamlendige slaaf, je wist dat ik oogst waar ik niet heb gezaaid en binnenhaal waar ik niet heb uitgestrooid. Je had dus mijn geld op de bank moeten zetten. Dan had ik het bij mijn komst met rente teruggekregen. Neem hem daarom het talent af en geef het aan hem die de tien talenten heeft. Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden en wel overvloedig. Maar aan degene die niet heeft, zal zelfs nog ontnomen worden wat hij heeft. Werp die nutteloze slaaf in de uiterste duisternis.” Het zal daar een gejammer zijn

Cyrillus van Alexandrië : Opdat de één mogen zijn , zoals Wij

H. Cyrillus van Alexandrië ((380-444), bisschop, Kerkleraar
Commentaar op het evangelie van Johannes, 11, 11 ; PG 74, 558

 

Cyrillos van Alexandrië 159

“Opdat ze één mogen zijn, zoals Wij”

      Toen Christus aan ons gelijk werd, dat wil zeggen mens werd, heeft de Heilige Geest Hem gezalfd en gewijd, hoewel Hij van nature God was… Hij heiligt zelf zijn eigen lichaam, en alles wat geschapen is, is waardig om geheiligd te worden. Het mysterie dat in Christus gebeurde, is de oorsprong en de weg van onze deelname aan de Heilige Geest.

      Om ook ons te verenigen, om ons te versmelten in de eenheid met God en onder elkaar, hoewel gescheiden door onze individuele verschillen van onze zielen en van onze lichamen, heeft de Eniggeboren Zoon een middel gevonden en voorbereid om ons te verzamelen, dankzij de wijsheid die de zijne is en volgens de raad van zijn Vader. Door één enig lichaam, zijn eigen lichaam, zegent Hij hen die in Hem geloven, in een mystieke vereniging maakt Hij er één lichaam van met Hem en onder hen.

      Wie zou ons dus kunnen scheiden, wie zou de fysieke eenheid kunnen ontnemen van degenen, die door dat heilige lichaam en door Hemzelf alleen verenigd zijn in de eenheid van Christus? Als wij eenzelfde brood delen, vormen wij allen één enig lichaam (1 Kor 10,17). Want Christus kan niet verdeeld worden. Daarom wordt, volgens de leer van Paulus (Ef 5,30), de Kerk ook het lichaam van Christus genoemd, en wij zijn leden. Allen verenigd in één Christus door zijn heilig lichaam ontvangen we Hem, één en ondeelbaar in ons eigen lichaam. Wij moeten ons eigen lichaam beschouwen als niet meer aan ons toebehorend.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Johannes Chrysostomos : Wie oren heeft om te horen, hij hore

H. Johannes Chrysostomos (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar
Sermons over Mattheus, nr 44 ; PG 57, 467

Chrysostomos modern onbekend

“Wie oren heeft om te horen, hij hore”

      Als het zaad verdroogd, dan komt dat niet door de hitte. Jezus heeft niet gezegd dat het verdroogd is door de hitte, maar “als gevolg van een fout in de wortel”… Als het woord verstikt is, komt dat niet door de doornstruiken, maar door hen die ze in vrijheid hebben laten groeien. Met de wil kun je ze belemmeren om te groeien, je kunt gepast gebruik maken van de rijkdommen. Daarom heeft de Heer niet gesproken over de ‘wereld’, maar over de ‘zorg van de wereld’, niet over ‘de rijkdom’  maar over de ‘verleiding van de rijkdom’. Laten we de dingen op zich niet de schuld geven, maar het bederf van ons bewustzijn…

      Niet de landbouwer, niet het zaad, maar de aarde, die het ontvangen heeft, verklaart alles, dat wil zeggen de neigingen van ons hart. Ook daar is de goedheid van God voor de mens enorm, Hij eis niet een zelfde mate van deugdzaamheid, Hij oogst de eerstelingen, Hij laat de tweede niet opnieuw groeien en Hij geeft plaats aan de derde…

      Men moet dus eerst met aandacht naar het Woord luisteren, vervolgens het trouw in het geheugen bewaren, en daarna vol met goede moed zijn, vervolgens de rijkdom minachten en zich bevrijden van liefde voor alle wereldse bezit. Als Jezus aandacht voor het Woord op de eerste plaats zet en vóór alle andere voorwaarden, dan is dat omdat dit dè nodige voorwaarde is. “Hoe kun je geloven zonder eerst te luisteren?” (Rm, 10,14) Als wij ook niet aandacht geven aan hetgeen ons verteld wordt, weten we niet welk werk we moeten vervullen. Daarna komen pas de moed en de minachting voor de wereldse bezittingen. Laten we ons, om profijt uit de lessen te trekken, op allerlei wijzen versterken: laten we aandachtig zijn voor het Woord, en onze wortels diep laten groeien en laten we ons losmaken van de wereldse zorgen.