8e zondag na Pinksteren : Petrus zinkt

8e zondag na Pinksteren

“Petrus zinkt”

Petrus - zinkt

Lezingen :

1 Kor,1,10-18:

Verdeeldheid in de gemeente
     Maar in de naam van onze Heer Jezus Christus, broeders en zusters, doe ik een beroep op u: wees allen eensgezind laat er geen verdeeldheid onder u zijn; wees volkomen één van zin en één van gevoelen.  Ik heb namelijk van Chloë’s huisgenoten gehoord, broeders en zusters, dat er onenigheid onder u heerst.  Ik* bedoel dit: Ieder van u schijnt zijn eigen leus te hebben: ‘Ik ben van Paulus.’ ‘Ik van Apollos*.’ ‘Ik van Kefas*.’ ‘Ik van Christus*.’ Is Christus dan in stukken verdeeld? Is Paulus soms voor u gekruisigd? Of bent u gedoopt in de naam van Paulus?  God zij dank dat ik niemand van u gedoopt heb, behalve dan Crispus en Gajus. Dus niemand kan zeggen dat u in mijn naam gedoopt bent.  O ja, ik heb ook nog het gezin van Stefanas gedoopt; verder zou ik niet weten dat ik iemand gedoopt heb. Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen; en dat niet met geleerde* woorden, want dan had het kruis van Christus zijn kracht verloren.

De wijsheid van de wereld
     Want de boodschap van het kruis is dwaasheid voor hen die verloren gaan, maar voor hen die gered worden, voor ons, is het een kracht Gods.

Evangelie :

Matth.14,14-22 :

 Toen Hij van boord ging, zag Hij een grote menigte. Hij had zeer met hen te doen en genas hun zieken. Toen het avond werd, kwamen zijn leerlingen Hem zeggen: ‘Dit is een eenzame plaats en het is al laat geworden. Stuur de mensen weg, dan kunnen ze zelf in de dorpen eten gaan kopen.’ Maar Jezus zei: ‘Ze hoeven niet weg te gaan. Jullie moeten hun te eten geven.’  Zij zeiden Hem: ‘Wij hebben hier niets anders dan vijf broden en twee vissen.’ Hij zei: ‘Breng die hier.’ Hij verzocht de mensen op het gras te gaan zitten, nam die vijf broden en twee vissen, keek op naar de hemel, sprak de zegenbede uit, Hij brak de broden en gaf ze aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze aan de mensen.  Allemaal hadden ze volop te eten. Ze haalden de brokken op die over waren, twaalf korven vol. [Afgezien van vrouwen en kinderen waren het zo’n vijfduizend man die gegeten hadden.

Tegenwind op het meer
      Meteen hierna dwong Hij de leerlingen om aan boord te gaan en alvast voor Hem uit over te steken; dan zou Hij intussen de mensen wegsturen.

Ambrosius : David zelf noemt Hem Heer

H. Ambrosius (ca 340-397), bisschop van Milaan en Kerkleraar
Sermon over psalm 36,4-5

Ambrosius van Milaan 1

“David zelf noemt Hem Heer”

       Laten we eens aandachtig kijken naar het mysterie van Christus! Hij is uit de schoot van de Maagd geboren, tegelijk als Dienaar en als Heer; Dienaar om te werken, Heer om te bevelen, om in het hart van de mensen een Koninkrijk van God te vestigen. Hij heeft een dubbele oorsprong, maar Hij is één wezen. Hij is niet een ander als Hij van de Vader komt en een ander  als Hij uit de Maagd komt. Hij is dezelfde uit de Vader geboren voor de schepping die in de loop van de tijd het lichaam heeft aangenomen van de Maagd. Daarom wordt Hij zowel Dienaar als Heer genoemd; om ons Dienaar; maar om de eenheid met de goddelijke substantie, God uit God, Oorsprong uit Oorsprong, Zoon gelijk aan de Vader, zijn gelijke. De Vader heeft immers niet een Zoon die vreemd aan Zichzelf is, geboren laten worden, deze Zoon waarvan Hij verklaard heeft: “In Hem heb Ik al mijn liefde gelegd” (Mt 3,17)…

      De Dienaar bewaart overal zijn waardigheid. God is groot en groot is de Dienaar: in het vlees verliest Hij niet deze “grenzeloze grootheid” (Ps 145,3)… “Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens” (Fil 2,6-7)… Hij is dus gelijk aan God, als Zoon van God; Hij heeft de gestalte van een slaaf aangenomen door mens te worden; “Hij heeft de dood geproefd” (Hb 2,9), Hij van wie “de grootheid grenzeloos is”…

      De gestalte van de Dienaar, die ons allen heeft bevrijd,  is goed! Ja, zij is goed! Zij was Hem, “de naam die boven alle namen is”, waard! Deze nederigheid is goed! Ze heeft verkregen dat “in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader” (Fil 2, 10,11).

Kaarsen en hun symboliek

Kaarsen in de Kerk

Hun symboliek

 Prof.Aleksei I. Georgievsky

 kaars

Kaarsen en waaklichten hebben een byzondere symbolische betekenis in de Kerk.

In het oude Testament toen de eerste tempel Gods gebouwd werd op aarde – als tabernakel van het getuigenis -, werden er lampen gebruikt tijdens de erediensten, zoals de Heer zelf verordend had (cf. Ex.40,5-25). In navolging van het voorbeeld van het Oude Testament, werd het aansteken van kaarsen en waaklichten geïntroduceerd in de diensten van de Nieuwtestamentische Kerk.

De Handelingen der Apostelen vermelden het aansteken van lichtbronnen gedurende de diensten in de tijd van de Apostelen. In Troas, waar de tijd van de leerlingen van Christus samenkwamen op de eerste dag van de week, de zondag, voor het breken van het brood (tttz, om sz Heilige Liturgie ten vieren) “bevonden zich vele lampen in de zaal waar ze vergaderd waren”(Hand.20,8). De verwijzing naar vele lampen betekent dat deze niet enkel gebruikt werden voor de verlichting, maar omwille van hun spirituele betekenis.

De primitieve Christelijke ritus, waar men een lamp gebruikte, knoopte aan bij onze vespers, met hun geëigende intredezang en het zingen van de hymne “Vriendelijk Licht”, die de christelijke leer uitdrukken van het licht, dat overeenkomstig is met genade. De Metten zijn eveneens verbonden met het idee van het Ongeschapen Licht van Christus, tot uitdrukking gebracht in Zijn Menswording en Zijn Verrijzenis.

“Wij hebben nooit een dienst gevierd zonder kaarsen”,zegt Tertullianus (2e eeuw), “en we gebruiken ze niet enkel om de duisternis van de nacht te verjagen; we vieren ook diensten bij daglicht. Maar we hebben de bedoeling met deze brandende kaarsen Christus voor te stellen, het Ongeschapen licht, in het welke wij wandelen, zowel bij volle dag als bij duisternis”

“In alle Oosterse Kerken” schrijft de Zalige Hiëronimos in de 4e eeuw, “worden kaarsen aangestoken, zelfs bij volle dag, op het ogenblik waarop men aanvangt met het lezen van het Evangelie. Niet om de duisternis te verjagen, maar als teken van vreugde….” Om in dit licht het licht terug te vinden waarvan sprake is in de psalm (119,105):“Uw woord is een lamp aan mijn voeten en een licht op mijn weg”.

“De waaklichtjes en de kaarsen stellen het Eeuwige Licht voor en eveneens het licht dat de rechtvaardigen omstraalt”, zegt de Heilige Sophronios, Patriarch van Jeruzalem (7e eeuw)

De heilige Vaders van het 7e Oecumenisch Concilie hebben besloten dat in de Orthodoxe Kerk de Heilige Iconen en Relieken, het Kruis van Christus en het Heilige Evangelie geërd moeten worden met wierook en brandende kaarsen : (Handelingen van het 7e Oecumenisch Concilie; zie V. Bolotov, (“Istoriya Drevnei Tserkvi : Geschiedenis van de Primitieve Kerk” – Vol.IV p.560)

De gelukzalige Simeon van Thessaloniki (15e eeuw) schrijft dat men “ook kaarsen aansteekt voor de iconen van de heiligen om zo hun goede daden weer te geven die schitteren in deze wereld”.

De Orthodoxe gelovigen die het huis van God bezoeken en zich in gebedsverband begeven  met God, Zijn Alzuivere Moeder  en de heiligen, steken kaarsen aan voor hun iconen. De brandende kaars voor de icoon is een teken van ons geloof en onze hoop op genezende hulp, die steeds vrijgevig besteed wordt aan al wie zich tot de Heer en Zijn Heiligen wendt.

De brandende kaars is tevens symbool van onze brandende erkentelijke liefde voor God. De Kerkelijke richtlijnen voorzien waar en op welke momenten tijdens de dienst het aansteken van kaarsen gebruikelijk is (Typikon hst.24 en 25).

Gedurende bepaalde diensten zetten de gelovigen niet enkel kaarsen voor de iconen, maar ze dragen zelf ook kaarsen rond. Zo zegt het Typikon op 26 september, het feest van de Heilige Johannes de Evangelist : “Kaarsen worden aan de broeders uitgedeeld”. (gedurende het Polyeleos).

Tijdens de Metten van Palmzondag dragen we, na de lezing van het Evangelie en de wijding van de palmen, samen met de palmtakjes, die het symbool zijn van de Verrijzenis, brandende kaarsen als teken van het grote belang van dit feest en van het onvergankelijke licht van ons geloof in de Opstanding en in het Eeuwige Leven.

Bij de lezingen van Grote Vrijdag (die in het algemeen aanvangen op donderdagavond) met de twaalf Evangeliën van het lijden, steken de gelovigen kaarsen aan en houden die vast, waarbij ze van het begin tot het einde de pijnigingen van Onze Heer meeleven, brandend van liefde voor Hem. Een oud Russisch gebruik wil dat de gelovigen een brandende kaars met zich naar huis meenemen vanuit de Kerk en daarmee een kruisteken maken over hun deuren, om het lijden van de Heer te herdenken en om zich tegen het kwade te beschermen.

Tijdens de vespers van Grote Vrijdag, wanneer zich de processie met het Epitaphos afspeelt en tijdens de Metten van Paaszaterdag voor de graflegging van Onze Heer, houden alle aanwezige gelovigen voor het Epitaphos brandende kaarsen vast, als teken van liefde voor de Gekruisigde Christus en van geloof in Zijn stralende Opstanding. Op Palmzondag, vanaf het moment waarop zich de processie in beweging zet rondom de kerk, tot nagedachtenis van de Myrondraagsters, die zich naar het graf van Onze Verlosser begeven hadden met brandende lampen en kaarsen tot aan het einde van de middernacht liturgie, om zo hun grote vreugde en geestelijke overwinning tot uitdrukking te brengenn : “Christus is Verrezen, de vreugde is eeuwig”.

Gedurende de pontificale diensten wordt al sinds lange tijd speciale kandelaars gebruikt. De gelovigen buigen het hoofd terwijl de Bisschop hen zegent met het Dikirion, dat de twee eigenschappen van Onze Heer Jezus Christus voorstelt – Zijn Goddelijkheid en Zijn Menselijkheid – en met het Trikirion, dat de Heilige Drie-eenheid voorstelt. Voorts steekt men een primikerion aan , dat door de Hypodiaken vastgehouden wordt nabij de heilige poorten, voor de kruispoorten.

Ook tijdens de Heilige Eucharistie worden kaarsen aangestoken.

Het doopsel wordt gevierd door de priester in vol ornaat en “met alle kaarsen aan”. Bij de doopvont worden driekaarsen gezet, om aan te duiden dat het Doopsel voltrokken wordt in de naam van de Drie-eenheid. De dopeling en zijn geestelijke ouders dragen brandende kaarsen bij de processie rond de doopvont, na de zalving, als getuigenis van vreugde voor de intrede van een nieuw lid in de Kerk en in eeuwige eenheid met Christus.

Er bestaat een oud gebruik in de Russische Kerk waarbij de boeteling, wanneer hij de priester benadert voor de biecht, dat doet met een brandende kaars die hi
j draagt als offerande aan God en als teken van hoop op vergeving van zijn zonden.

Bij de verloving van de toekomstige gehuwden maakt de priester “drie keer het kruisteken over hun hoofden en geeft hen brandende kaarsen” vooraleer ze de Kerk binnentreden voor het sacrament van het huwelijk. Deze kaarsen symboliseren hun wederzijdse liefde en hun verlangen om te leven met de zegen van de Kerk.

Bij het sacrament van de ziekenzalving is het gebruikelijk in de Kerk van zeven kaarsen aan te steken rondom de ampul die de Heilige Olie bevat, wals teken van de kracht van de Gaven van de Heilige geest. De zieke – indien mogelijk – en iedere aanwezige, houdt een brandende kaars vast, om daarmee hun geloof tot uitdrukking te brengen en hun hoop dat de genade Gods de zieke moge omringen en dat hij zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid moge terugvinden.

Bij het binnenbrengen in de Kerk van het lichaam van de overledene, plaatst men vier kaarsen aan de hoeken van de kist, om door het kruis dat aldus gevormd wordt aan te duiden dat de gestorvene een Christen mens was. Gedurende de “Panichida” en de begrafenisdienst dragen de gelovigen brandende kaarsen mee om aan te tonen dat de ziel van de overledene deze wereld verlaten heeft en opgegaan is in het Rijk der Hemelen – het Luisterlijk licht van God. (Tegenwoordig is het gebruikelijk om de kaarsen na de canon te doven).

Als teken van verbintenis met de overledene door het gebed, plaatsen we gedurende de herdenkingsdienst kaarsen op de “kanoun”, (kleine tafel met kruisbeeld, waarop kaarsen en koutia geplaatst worden, een gebak van rijst of van gekookte gerst of tarwe, met daarin rozijnen of gekonfijt fruit). Men steekt ook kaarsen aan voor het Kruisbeeld en het Epitaphios van de Verlosser en de Moeder Gods. Eveneens voor de heilige Voorafgewijde Gaven.

Bij de Kerstwake en die van de Theofanie steekt men een kaars aan voor de icoon van dat feest, die midden van de Kerk geplaatst is, om ons te herinneren aan de geboorte en de verschijning op aarde van Christus onze Verlosser die Licht is. Dit gebeurt terwijl de priester en het koor het troparion van het feest zingen (deze ritus wordt voltrokken bij de wake van elk groot feest).

Eveneens  bevinden er zich kaarsen op het altaar en op de prothesis (bij de slaven plaatst men een kandelaar met zeven waaklichten achter het altaar). Men zet een kaars of een lamp op de prothesis na de Proscomidie en wanneer men de Heilige gaven van het altaar naar de prothesis brengt na de communie.

Tijdens de Goddelijke Liturgie, wanneer de celebrant “de Heilige Gaven voor de Heiligen” plaatst men een brandende kaars voor de Koninklijke Poorten “in aanbidding van het Lam en van Zijn Lijden” en om er de communicanten aan te herinneren dat ze de Heer moeten benaderen zoals de Wijze Maagden in het Evangelie met de toortsen van het geloof ( I. Dmitrevsky “Izasneiye na Lotourgiyou” – De gecommentarieerde Liturgie, St. Petersburg 1856 – p.335).

Vaak bewaren de Orthodoxen als gewijd voorwerp de kaars van de Epiphanie, die geconsacreerd werd tijdens de waterwijding. Velen onder hen doen dat ook met de kaarsen van de Metten van de Passie en de Paaswake. Anderen weer houden hun Doop en Huwelijkskaarsen bij, die later in hun kist zullen geplaatst worden.

Zo worden er dus kaarsen aangestoken bij elke religieuze dienst. Dit heeft een grote variëteit aan spirituele en symbolische waarden. Het is immers zo dat God die gezegd heeft : “dat uit de duisternis het licht verschijne”, diezelfde God die in onze harten brandt, om de kennis van Zijn glorie te doen weerstralen, die weerstraalt van Christus gelaat, (2 Kor.4,6). Dat de wereld verlicht met Geestelijk Licht (Joh.1,9 ; 8-12). De brandende kaarsen in de Kerk zijn tegelijkertijd de uitdrukking van de aanbidding der gelovigen en van hun liefde voor God, van het offer dat zij Hem brengen en van de Kerk. Terwijl ze opbranden roepen de kaarsen het schitterende Licht op dat de zielen der rechtvaardigen verblijdt in het Hemelrijk.

In de orthodoxe Kerk worden de kaarsen meestal uit zuivere bijenwas vervaardigd.

De kaasen en alle andere gewijde voorwerpen, zoals het vaatwerk, worden door de Kerk gewijd voordat ze in gebruik genomen worden. Er bestaat een speciale dienst voor de wijding der kaarsen. Ze worden op een tafel uitgesteld in het midden van de Kerk. De priester, bekleed met een epitrachilion en felonion zingt : “Gezegend zij onze God…” en de lector of het koor antwoordt “Amen”. Vervolgens komen de “Ere zij God”, “Hemelse Koning enz..Na het “Onze Vader” zingen de priesters “Vriendelijk Licht”, terwijl de celebrant in kruisvorm  de kaarsen en de aanwezige gelovigen bewierookt. Vervolgens zegt hij : “Laten wij God bidden” en hij reciteert het volgende gebed : “Heer God, Schepper van alle dingen, die door Uw Naam alle kwaad en alle smet geneest en die alles zegent, wij bidden U : kom en zegen deze kaarsen door Uw Heilige Geest, want Gij zijt ons Licht en wij noemen U, Vader, Zoon en Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen”. Vervolgens besprenkelt hij de kaarsen met Gewijd water, in de naam van de Vader (+) en van de Zoon (+) en van de Heilige Geest (+). Dan geeft hij de eindzegen aan de aanwezigen.

Theologische Academie van Moscou

“Journaal van het Patriarchaat van Moscou” Nr.10-1977 – pp.73-76.

Vertaling : Leen V.

 

 

Holarius van Poitiers : Deze is waarlijk de profeet die in de wereld moet komen

H. Hilarius (ca 315-367), bisschop van Poitiers, Kerkleraar
Commentaar op het evangelie van Matteüs 14, 11 ; PL 9, 999

 

Hilarius van Poitiers2 (480 x 360)

“Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld moet komen!”

      De leerlingen zeggen dat ze slechts vijf broden en twee vissen hebben. De vijf broden betekenden dat ze nog onderworpen waren aan de vijf boeken van de Wet, en de twee vissen dat ze gevoed waren door het onderricht van de profeten en van Johannes de Doper… Dat hadden de apostelen in eerste instantie te bieden, aangezien ze nog op dat punt waren; en van daaruit is de prediking van het Evangelie vertrokken…

      De Heer nam de broden en de vissen. Hij hief zijn ogen op naar de hemel, zei de zegen en brak ze. Hij dankte de Vader omdat Hij het Goede Nieuws in voedsel had veranderd, na de eeuwen van de Wet en de profeten… De broden werden ook aan de apostelen gegeven: door hen moesten de gaven van de goddelijke genade teruggegeven worden. Vervolgens zijn de mensen gevoed met de vijf broden en de twee vissen en toen ze eenmaal verzadigd waren, bleef er zo’n grote hoeveelheid aan stukjes brood en vis over dat er nog twaalf manden mee gevuld werden. Dat wil zeggen dat de menigte vervuld is met het woord van God dat van de Wet en de profeten kwam. Het overschot aan goddelijke kracht, resterend voor de heidense volken, bleef over als gevolg van het opdienen van het eeuwig voedsel. Ze vormt een volheid, dat van het getal twaalf, evenals het aantal apostelen. Welnu het blijkt dat het getal van hen die gegeten hebben dezelfde is als dat van de komende gelovigen, namelijk vijfduizend (Mt 14,21; Hand 4,4).

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Eigen priester voor orthodoxe gemeenschap in Kollumerpomp

Eigen priester voor oosters-orthodoxe gemeenschap in Kollumerpomp ‘Orthodoxie biedt ruimte en vrijheid’

Kollumerpomp – De orthodoxe gemeenschap van de Heilige Panteleimon in Kollumerpomp leeft al maanden toe naar een bijzondere dag. Na tweeëntwintig jaar krijgt de kerk maandag een eigen priester. De aartsbisschop uit Parijs komt diaken Nikolaas (75) uit Kollumerpomp wijden.

Door Hanneke Goudappel. Aartsbisschop Gabriël komt er voor uit Parijs. De priesterwijding betekent een grote verandering voor de gemeenschap van Kollumerpomp. ,,In principe kunnen we nu iedere zondag en op alle grote feesten de Goddelijke Liturgie vieren”, vertelt diaken Nikolaas, in het dagelijks leven Frans Lucassen. Lucassen heeft de kleine orthodoxe gemeenschap in Fryslân samen met zijn vrouw Joke gesticht. De schuur achter hun afgelegen boerderij bouwden ze in 1988 om tot kapel van de Kerk van de heilige Panteleimon. Deze heilige was geneesheer aan het keizerlijk hof en is in het begin van de vierde eeuw als martelaar gestorven. ,,In mijn jonge jaren stond ik eens in een kerk toen mijn oog viel op een fresco die mij zo vriendelijk aankeek. Bij navraag bleek dit de H. Panteleimon te zijn. Ik ben over hem gaan lezen en kreeg steeds meer bewondering voor hem. Wij kozen hem als patroon.” Naast de wekelijkse lekendiensten, hield de kleine oosters-orthodoxe gemeenschap – met een vaste kern van zes mensen – er tot nu toe maandelijks de Heilige Liturgie (de eucharistie). Vaker kon niet, want er moest een priester voor uit St. Hubert, vlakbij Nijmegen, komen. Jarenlang kwam er zelfs een priester helemaal uit Maastricht, de Vlaamse priester Guy de Vijlder. Toen hij in 2003 aartsbisschop in Parijs werd, nam vader Boris uit St. Hubert zijn taak over. ,,Omdat het voor vader Boris wat veel werd, heb ik twee jaar later – ik was inmiddels al lector en hypodiaken gewijd – aangeboden om diaken te worden. Daarmee werd het voor hem wat gemakkelijker, want een diaken neemt een deel van de liturgie voor zijn rekening.” ,,Onlangs vroeg vader Boris de aartsbisschop om van zijn taak in Kollumerpomp te worden ontheven”, vervolgt Lucassen. Toen kwam de vraag aan Lucassen of hij bereid was om priester te worden. Hij hoefde daarvoor geen uitgebreid scholingstraject te volgen, want hij heeft de afgelopen jaren al aardig wat praktijkervaring opgedaan. Bovendien is hij in zijn jeugd op een seminarie geweest. ,,De taak van een priester is in de eerste plaats een liturgische”, legt Lucassen uit. ,,Je hoeft als priester geen theoloog te zijn, maar enige basiskennis is natuurlijk wel nodig.” In de Orthodoxe Kerk zijn de uitgebreide riten belangrijker dan de preek, en over die riten heeft hij veel kennis. Bovendien weet hij zich gesteund door zijn vrouw, die als ervaren koorleidster een belangrijk aandeel in de diensten heeft.

Hart van de orthodoxie

Lucassen werd al door de orthodoxie gegrepen toen hij nog maar een jaar of twaalf, dertien was. ,,Het was kort na de Tweede Wereldoorlog toen ik uit nieuwsgierigheid een keer binnenliep in een Russisch kerkje in Amsterdam. De ceremoniën kende ik wel vanuit mijn rooms-katholieke opvoeding, alleen waren ze hier veel rijker. De sfeer trok me aan. Het was een heel eenvoudig immigrantenkerkje, zonder de rijkdom van prachtig geschilderde ikonen. Er waren alleen maar een heleboel met zorg opgeplakte plaatjes, de eerbied echter waarmee daarmee werd omgegaan, sprak mij als kind al aan.” Lucassen ging er vaker heen, en toen hij later naar Frankrijk trok, leerde hij ook daar de orthodoxie kennen. ,,Daar heb ik me er verder in verdiept. Ik ben ook een tijdje in Griekenland geweest. Zeker op de berg Athos kom je in het hart van de orthodoxie. Dat is geweldig.” Het was in de jaren vijftig dat Lucassen in Griekenland was. ,,De Athos telde voor de revolutie veel Russische monniken, maar onder het communisme kwamen er geen jonge monniken bij. De Russische kloosters op de Athos waren dan ook bijna ontvolkt. De spiritualiteit was echter goed. Ik maakte het gebedsleven mee, en woonde de soms heel lange diensten bij.”

Thuiskomen

Begin jaren zestig kwam Lucassen terug in Nederland. ,,Ik moest weer aan het werk en kwam in de automatisering terecht.” Later werd hij organisatieadviseur en dat bleef hij tot zijn pensioen. Lucassen was in die tijd nog steeds rooms-katholiek, maar mede door de liturgische veranderingen sinds het Tweede Vaticaanse Concilie raakte het geloof een beetje op de achtergrond. Inmiddels had hij een tweede huis in Kollumerpomp (1970), en in 1976 besloten Lucassen en zijn vrouw om permanent in Fryslân te gaan wonen. Vlak voor de verhuizing liep hij met zijn zoon zomaar even een Russisch-orthodoxe kerk in Amsterdam binnen. ,,Toen ik daar binnenstapte, was het alsof ik thuiskwam. Ik was in achttien jaar niet in een orthodoxe kerk geweest.” Na de verhuizing bezocht hij met zijn gezin de Russisch-orthodoxe Kerk in Groningen. ,,Op een gegeven moment liep ik ertegenaan dat deze gemeenschap totaal niet georiënteerd was op Fryslân. Er waren geen aspiraties om hier iets te beginnen, of ergens anders in het Noorden.” Terwijl Lucassen de orthodoxie graag ook in Fryslân zag. Priester Guy de Vijlder uit Maastricht had hem beloofd dat wanneer Lucassen iets in Fryslân zou beginnen, hij wilde helpen. Lucassen begon met het Ynformaasje Sintrum foar Ortodoksy, en in 1988 kwam er ,,met behulp van een erfenisje” een eigen kapel. In de omgebouwde schuur is plaats voor ongeveer veertig mensen. Lucassen sloot zich met zijn kleine gemeenschap aan bij het Oecumenisch Patriarchaat van Constantinopel (zie kader), via het aartsbisdom van de Russisch-Orthodoxe Kerken in West-Europa. Nog steeds wil hij graag de orthodoxie bekendheid geven in Fryslân. Hij is er echter niet op uit om zieltjes te winnen. ,,Als mensen zich thuisvoelen in hun protestantse of katholieke kerk, moeten ze daar gewoon blijven. Maar er is zo langzamerhand een gat in de markt. Er zijn zoveel mensen op zoek. Ik heb liever dat ze naar ons komen dan dat ze niets doen, of uitkomen bij allerlei andere rare dingen, zoals heksenkringen, of nog erger, satanskerken.” Kenmerkend voor de orthodoxie waar Lucassen bij hoort, is een manier van omgaan met de traditie, die toegankelijk is voor de praktijk. ,,We passen de regels toe op de West-Europese context.” Dat betekent bijvoorbeeld dat in Kollumerpomp de vieringen altijd in de volkstaal (Nederlands of Fries) worden gehouden, en niet in de oorspronkelijke Griekse, of kerkslavische taal.

Evangelie

Wat Lucassen erg waardeert bij protestanten is hun ,,opvatting en omgaan met de Heilige Schrift”. ,,Al is het alleen al de eerbied voor de Schrift. Tegen mensen uit een protestantse kerk die orthodox worden zeg ik: houd dat vast.” Wat hij mist is de opvatting over de kerkelijke traditie. ,,Protestanten stellen de Heilige Schrift eigenlijk boven de kerk. Dat kan natuurlijk niet. Ook wordt bij ons het Oude Testament meer als een voorafbeelding gezien van het Nieuwe Testament. Het gáát om het Evangelie. Daar staat alles in. Daarom ligt niet de gehele Bijbel, maar altijd een Evangelieboek op de altaartafel.” Het meest typerende van de orthodoxie is de grote vrijheid, zegt Lucassen. ,,We hebben heel veel regels, maar ze worden in vrijheid toegepast. Dat geldt niet voor de geloofsregels, de dogmata; daar wordt niet aan getornd. Maar bij de praktische toepassing speelt die vrijheid een grote rol. Neem bijvoorbeeld de regels voor het vasten. Dat zijn geen wetten, het zijn regels. Als je op zó’n voor jezelf zware manier vast, dat je Pasen niet haalt; dat is niet de bedoeling.” Lucas
sen vergelijkt het met regels die een trainer opgeeft aan een sporter. ,,Ze zijn bedoeld om zijn prestaties te verbeteren. Ik denk ook aan een tv-uitzending laatst, waarin ik zag hoe mensen tegen obesitas streden. Ze moesten zich aan allerlei dingen houden. Toen ze uiteindelijk van die vethoeveelheid af waren, gaven ze aan dat ze zich veel vrijer voelden. Je geestelijk leven wordt ruimer als je je los kunt maken van het lichamelijke. Dat wordt in de eerste instantie overgelaten aan je eigen geweten, maar het wordt wel aanbevolen er met je geestelijk vader over te spreken.” i De bisschoppelijke liturgie, waarin Lucassen gewijd zal worden, begint maandag om 10.30 uur aan de Brongersmawei 15 te Kollumerpomp

7e zondag na Pinksteren : feest van de heilige Panteleimon

7e zondag na Pinksteren

 

Panteleimon de grootmartelaar en genezer (305)

Feest van de H. grootmartelaar Panteleimon, arts en wonderdoener

 

LEZINGEN :

Eerste lezing : Romeinen 15,1-7 :

Hoofdstuk 15
 Wij, die bij de sterken horen, hebben de plicht de gevoeligheid van de zwakken te verdragen, zonder onszelf te zoeken. Laat ieder van ons bedacht zijn op het welzijn en de stichting van zijn naaste.  Ook Christus heeft zichzelf niet gezocht. Er staat immers geschreven: De smaad van hen die U smaden, is op Mij neergekomen. Want alles wat eertijds is opgeschreven, werd opgeschreven tot onze lering, opdat wij door de volharding en de vertroosting die wij putten uit de Schrift, in hoop zouden leven. God, die de volharding en de vertroosting schenkt, verlene u ook de eensgezindheid, die u in Christus past,  opdat u één van hart en uit één mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus verheerlijkt.

Samenvatting van de brief
      Aanvaard daarom elkaar, zoals ook Christus u aanvaard heeft, tot eer van God.

EVANGELIE : Mathheüs 9,27-35

 

Twee blinden zien
      Toen Jezus vandaar verderging, volgden Hem twee blinden, die schreeuwden: ‘Zoon van David, heb medelijden met ons.’  Toen Hij thuisgekomen was, kwamen de blinden naar Hem toe. Jezus zei tegen hen: ‘Hebt u er vertrouwen in dat Ik dit kan doen?’ Ze zeiden: ‘Ja, Heer.’  Toen raakte Hij hun ogen aan en zei: ‘Het moge u gaan overeenkomstig uw vertrouwen.’ [En hun ogen gingen open. En bars zei Jezus tegen hen: ‘Zorg dat niemand het te weten komt.’  Maar eenmaal buiten, maakten ze zijn faam bekend in heel die streek.

Een stomme begint te praten
     Terwijl zij weggingen, kijk, daar bracht men iemand bij Hem die niet kon spreken, omdat hij in de macht van een demon was.  Toen de demon uitgedreven was, begon de stomme te praten. De menigte zei vol verbazing: ‘Zoiets is in Israël nog nooit vertoond.’  Maar de farizeeën zeiden: ‘Het is de opperdemon waardoor Hij de demonen uitdrijft.’

Aanstelling van de twaalf
     ] Jezus trok alle steden en dorpen rond, terwijl Hij in hun synagogen onderricht gaf, de goede boodschap van het koninkrijk verkondigde, en elke ziekte en elke kwaal genas.