De icoon en de liturgie

De icoon en de liturgie

aartsengelen synaxis15
 

De architecturale vormen van een tempel, de fresco’s, de iconen, de objecten van de cultus, zijn niet er enkel als een soort objecten van een museum , maar zoals de ledematen van een lichaam leven zij hun eigen mysterievol leven. Zij zijn geïntegreerd in het liturgische mysterie. Het is zelf essentieel en men kan een icoon nooit begrijpen buiten deze integratie. In de huizen van de gelovigen wordt de icoon geplaatst op een hoogte en belangrijk punt van de plaats: zij leidt het gezicht naar omhoog en naar het enig noodzakelijke. De biddende contemplatie doordringt om zo te zeggen de icoon en houdt op bij de levendige werkelijkheid die zij uitbeeldt. In haar liturgische traditie, symbiose van de betekenis en de aanwezigheid, heiligt zij de tijd en de plaatsen, van een neutrale plaats  maakt ze een ‘huiskerk’, het leven van een gelovige, een biddend leven, een innerlijke altijddurende liturgie. Een bezoeker die binnenkomt buigt voor de icoon, be-mediteert de blik van God en groet daarna de heer des huizes. Men begint met God te loven, de eer aan de mensen komt nadien.  De icoon is nooit een decoratie, de icoon centreert gans het huis op de uitstraling van het hiernamaals.

Op dezelfde wijze zullen allen die een orthodoxe kerk binnengaan getroffen worden door een heftige sensatie van onophoudelijk leven. Zelfs buiten de erediensten is alles in de afwachting van de heilige mysteriën, alles is bezield en gericht op Hem die komt om zich als voedsel te geven.

Tijdens een dienst,  zullen de liturgische teksten gaan rond het gecelebreerde gebeuren en het becommentariëren. Het liturgisch mysterie stelt de icoon van het feest aanwezig en maakt het levendig. En vooreerst, de icoon doet in de liturgie zelf  een iconografische functie, een toneelmatig uitbeelding  zien van gans de economie van het heil.

Tijdens de cherubijnenzang : “Wij die op mystieke wijze verbeelden de cherubijnen en die zingen aan de levendmakende drie-eenheid”,  dan overstijgen wij het aardse en nemen we op een mysterievolle wijze deel aan de eeuwige liturgie gecelebreerd door Christus zelf in de hemel. De icoon van de synaxe toont ons de vergadering der engelen, met vele ogen en met vele vleugels. Op de icoon van de eeuwige liturgie, omringen zij de celebrant hogepriester Christus, opdat, “zoals ook het Evangelie van de glorie van Christus, de icoon van God, schittert in de ogen van de gelovige”(Dom J.Dirks, Les saintes icones, p44).

 De gelovigen stellen op mysterievolle wijze de engelen voor, zij zijn levende iconen, “anglophanieën”, menselijke plaats van de engelen, van aanbidding en gebed. Hic et nunc, is alles deelname, offerande, aanwezigheid en eucharistie : “Wij offeren u het uwe” en “wij prijzen u” In deze grandioze symfonie, zal elke gelovige zijn oudere metgezellen zien,patriarchen, apostelen, martelaren,heiligen, als werkelijk aanwezig zijnden, en het is met hen dat hij deelneemt aan het Mysterie;  als mede liturg van de engelen zingt hij : ” In uw heilige iconen, beschouwen wij de hemelse tabernakelen en wij juichen van een zeer zuivere vreugde….”

 Paul evdokimov : L’art de l’icone : theologie de la beauté, p 151-152

Vertaling : Kris biesbroeck

 

De heilige Monica : moeder van de heilige Augustinus

DE HEILIGE MONICA

Moeder van de heilige Augustinus

 

Monica heilige moeder van Augustinus

De heilige Monica was geboren in een christen gezin in Noord-Afrika in 332 te Tagaste. Zij werd streng opgevoed door een tante, die haar zelfs verbood water te drinken buiten de maaltijden, omdat zij zich anders misschien later aan wijn zou verslaven, wanneer zij zichzelf niet beheersen kon.

Deze stregnheid had het tegenovergestelde effect : toen ze weer thuis kwam, moest ze dagelijks in de kelder de wijnkan vullen voor de maaltijd, en het werd een toenemende gewoonte eerst zelf die wijn te drinken. Dit werd haar voor de voeten geworpen toen zij eens een slavin een standje gaf. Hierdoor was zij zo beschaamd, dat ze tegelijk brak met die slechte gewoonte, vooral omdat zij binnenkort gedoopt zou worden. Dit werd voor haar het begin van een geheel toegewijd en heilig leven. Sindsdien was zij dagelijks aanwezig bij de Eucharistieviering.

Zij was gehuwd met Patricius, een heiden met een goed karakter maar een grote driftkop, die het zijn vrouw vaak flink lastig maakte. Hun eerste zoon werd de beroemde Augustinus, in zijn jeugd nog lang geen heilige, en die meer het karakter van zijn vader had dan dat van zijn moeder . Wel bracht zij door haar liefdevol geduld haar man ertoe dat hij een christen werd en zich liet dopen in zijn laatste levensjaar.,371.

Augustinus was toen 17 jaar. Hij studeerde in Carthago, stond onder invloed van het Manicheïsme, en leidde een tamelijk bandeloos leven. Om de klachten van zijn moeder te ontgaan, leefde hij in een aparte woning. Monica bad en weende en vroeg de oude bisschop met haar zoon te disputeren. Deze oordeelde  dit in de gegeven omstandigheden zinloos maar sprak tot haar de beroemde woorden : “Blijf bidden : een kind van zoveel tranen zal niet verloren gaan”.

Twaalf jaar later, in 383, zocht Augustinus een carrière te beginnen in Rome, en zo tegelijk bevrijd te zijn van de klaagzangen van Monica. In Rome werd Augustinus zwaar ziek en hij vertro na zijn genezing naar Milaan, waar hij een bewonderaar werd van de heilige Bisschop Ambrosius, voorlopig nog zonder consequenties.

Monika was uit Afrika overgekomen om bij haar zoon te leven. Ook hier was zij dagelijks bij de heilige Liturgie in de kathedraal : daarna bezocht zij de armen die haar hulp nodig hadden. Zij leerde ook van de heilige Ambrosius zich, evenals hij deed, te schikken naar de gebruiken van de plaatselijke Kerk, waar men zich bevond. Tenslotte werden haar gebedn verhoord. Drie jaar later, op Pasen in 387, werden zowel Augustinus als zijn zoon  Adeodatus en zijn vriend Alypius gedoopt. De nieuwe bekeerlingen leefden samen met Monica een tijd lang in een kloostergemeenschap in Cassiacum, waar Augustinus verschillende van zijn werken schreef.

Monica’s levenswerk was voltooid; nu kreeg zij heimwee naar haar geboorteland. Zij wist de anderen over te halen mee terug te gaan naar Afrika. Zij verlieten Milaan en verbleven in Ostia, de haven aan de tibermond, voor de overtocht nar Afrika. Daar hield Augustinus het beroemde tweegesprek met zijn moeder, terwijl zij samen bij het venster uitkeken over de zee en de stralende hemel, over de diepste waarheid en de hemelse schoonheid. Zo kwam Monica los van haar koortsachtig verlangen om in de voorouderlijke aarde begraven te worden en gaf zij zich over aan Gods Liefde. Verder reizen bleek trouwens onmogelijk daardat haar ziekte in hevigheid toenam, zodat Monica spoedig daarna stervende was in 387, in de ouderdom van 56 jaar. Haar enige wens was nu nog dat haar zoon haar zou gedenken aan het Altaar; een wens die een voorspelling inhield van zijn wijding.

 Augustinus sloot haar ogen, maar hij durfde geen uiting geven aan de smart die hem verscheurde, omdat hij het niet passend vond om te wenen over iemand die zulk een heilig leven had geleid, en gestorvan was zo vol vertrouwen en overgave aan de Heer. Het Lichaam werd naar de kerk gebracht, het Heilig Offer werd opgedragen, en daarna werd zij begraven. Pas toen hij weer alleen was kon Augustinus zijn tranen niet meer weerhouden,die hem nu oevrstroomden als een vloedgolf, bij de herinnering hoe vaak hij haar verdriet had aangedaan, en welk een liefde zij hem steeds had toegedragen. En in zijn beroemste boek, de Belijdenissen, heeft hij een blijvend gedenkteken voor haar opgericht.

Ignatios van Antiochië : niemand heeft groter liefde dan hij die zijn leven geeft voor zijn vrienden

H. Ignatius van Antiochië (?-rond110), bisschop en martelaar
Brief aan de Romeinen 4-8 (vert. brevier)

Ignatius van Antiochië 125

“Niemand heeft groter liefde dan hij, die zijn leven geeft voor zijn vrienden

      Ik schrijf aan alle kerken en druk allen op het hart dat ik graag sterf voor God, als u het mij maar niet verhindert. Ik smeek u: laat uw welwillendheid mij niet ongelegen komen. Laat mij toch voedsel zijn voor de wilde dieren. Daardoor kan ik tot God komen. Ik ben de tarwe van God en door de tanden van de wilde dieren word ik gemalen om zuiver brood van Christus te worden…

      De vreugde van de wereld en alle koninkrijken van deze aarde kunnen mij niet helpen. Voor mij is het beter om te sterven voor Jezus Christus dan te heersen over de uiteinden der aarde. Hem zoek ik die voor ons gestorven is, naar Hem verlang ik die voor ons is opgestaan. Mijn geboorte is nabij. Vergeeft mij, broeders en zusters. Belet mij niet te leven… Laat mij het heldere licht ontvangen; eenmaal daar gekomen zal ik pas ten volle mens zijn. Laat mij het lijden van mijn God navolgen…

      Mijn liefde is gekruisigd en in mij brandt geen vuur dat naar het aardse verlangt. Levend en sprekend water (Joh 4,10;7,38) is in mij, dat in mijn binnenste zegt: “Kom tot de Vader”. Ik vind geen genoegen meer in het voedsel dat vergankelijk is, noch in de vreugden van dit bestaan. Het brood van God verlang ik, dat is het vlees van Jezus Christus, uit het geslacht van David; en als drank wens ik het bloed van Hem, die de onvergankelijke liefde is…Bid voor mij, opdat ik het doel bereik.

Augustinus : U bent niet van de wereld, want Ik heb u uit de wereld uitverkoren

H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en Kerkleraar
Sermon 334 voor de heilige martelaren, §1

augustinus 247

“U bent niet van de wereld, want Ik heb u uit de wereld uitverkoren”

      Alle goede en trouwe gelovigen, maar vooral de verheerlijkte martelaars kunnen zeggen : “Als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn?” (Rm 8,31). De wereld moppert over  hen, de volkeren bereiden ijdele plannen tegen hen, de koningen stellen zich in slagorde op (Ps 2,1). Men vond nieuwe martelingen uit en bedacht ongelooflijke folteringen tegen hen. Men overlaadde hen met vernederingen en met leugenachtige beschuldigingen, men sloot hen op in onmenselijke cellen, men bewerkte hun vlees met ijzeren nagels, men slachtte hen af met zwaarden, men stelde hen bloot aan wilde dieren, men leverde hen over aan vlammen, en deze martelaren van Christus riepen uit: “Als God voor ons is, wie is dan tegen ons?”

      De gehele wereld is tegen u en u zegt: “Wie is tegen ons?” Maar de martelaren antwoorden ons: “Wat is de gehele wereld voor ons, als wij sterven voor Hem die de wereld heeft gemaakt?” Dat de martelaren dat blijven zeggen en dat wij dat horen en met hen zeggen: “Als God voor ons is, wie is dan tegen ons?” Zij kunnen in woede ontsteken, ons beledigen, ons onterecht beschuldigen, ons belasteren; ze kunnen niet alleen doden, maar ook martelen. Wat zullen de martelaren doen? Zij zullen antwoorden: “God komt mij te hulp, de Heer ondersteunt mijn ziel” (Ps 54,6)… Welnu als God de ziel ondersteunt, wat in de wereld kan me dan schaden?… Hij zal mijn lichaam herstellen…”Al uw haren zijn geteld” (Lc 12,7)… Laten we dus met geloof en met hoop en met een hart dat brandt van liefde, zeggen: “Als God voor ons is, wie is dan tegen ons?”