Kallistos Ware : Jezus Christus

GOD  EN  MENS

Kallistos Ware

DEEL  3

JEZUS CHRISTUS

christus22222

De menswording is een daad van welwillendheid(filantropie) van God uit, van zijn liefdevolle zorg voor de mens. Enkele oosterse schrijvers hebben geopperd, dat zelfs, indien de mens niet gevallen was, God in zijn oneindige goedheid voor de mens toch mens zou zijn geworden.. De incarnatie moet begrepen worden  als een onderdeel van de eeuwige  bedoelingen van God, en niet enkel als een antwoord op de val. Dit is onder andere het standpunt van Maxim de Belijder en van Isaac de Syriër. Ook sommige westerse  schrijvers hebben dit standpunt verdedigd : o.a Dun Scotus (1265-1308).

Door de val van de mens is de incarnatie niet alleen een act van liefde, maar van redding.

Christus heeft, door in zichzelf de goddelijkheid en de menselijkheid te verenigen, opnieuw de weg geopend voor de eenheid met God. In zijn eigen persoon heeft Christus  ons getoond wat de werkelijke gelijkheid met God inhoudt, en dit door zijn reddend en bevrijdend offer. Hij heeft ons getoond hoe wij deze gelijkheid met God kunnen bereiken. Christus, de tweede Adam is op aarde gekomen en heeft de gevolgen van de ongehoorzaamheid van de eerste Adam teniet gedaan.

De voornaamste argumenten in verband met de orthodoxe leer over de menswording zijn uiteengezet in hoofdstuk II : waarlijk God en waarlijk mens, één persoon met twee naturen, zonder scheiding noch verwarring; een enkele persoon met twee willen en twee energieën.

Waarlijk God en waarlijk mens : zoal bisschop Theofaan de kluizenaar het heeft gezegd : ‘ Achter de sluier van het vlees van Christus  ontdekken de Christenen de Drie-ene God.’. Deze woorden bevatten misschien wel het meest wezenlijke van de orthodoxe leer over Christus : de onweerstaanbare betekenis van Zijn  goddelijke glorie.

Deze goddelijke glorie  heeft zich vooral op twee momenten in  het leven van Christus gemanifesteerd.: bij de Transfiguratie op de berg Tabor, wanneer het ongeschapen goddelijk licht zichtbaar is geworden doorheen het omhulsel van het vlees; en zijn verrijzenis, wanneer het graf zich onder de kracht van het goddelijke heeft geopend, en de triomferende Christus uit het graf is opgestaan. Deze twee gebeurtenissen hebben een centrale plaats in de orthodoxe liturgie. De Transfiguratie is één van de negen grote feesten van de byzantijnse kalender, en wordt met meer luister gevierd dan in de westerse kerk. Wij hebben reeds over het belang van het ongeschapen licht van de Tabor gesproken waar het ging over de orthodoxe leer van het mystiek gebed. Wat de Verrijzenis betreft : het ganse leven van de Kerk is ervan doordrongen.

‘Doorheen de wisselvalligheden van zijn bestaan, heeft de griekse Kerk altijd iets bewaard van de oorspronkelijke geest uit het begin van het Christendom. Wij  treffen er nog altijd in de (‘dit het gevolg van westerse invloed. De confesion Orthodoxe van Pierre de Moghila, is zoals men kan verwachten, sterk Augustiniaans ; van de andere kant, de confesion van Dosithée is er totaal van vrijgemaakt..’) liturgie, die zuivere vreugde van de Verrijzenis van de Heer. Wij vinden hiervan nog vele getuigenissen in de eerste Christelijke geschriften.'(32).

‘Deze band met de Verrijzenis van Christus bundelt  alle grondbeginselen en  theologische werkelijkheden harmonieus samen'(33)

Toch mag men niet beweren, dat door de grote verering voor de Transfiguratie van Christus en Zijn Verrijzenis , de orthodoxie te weinig aandacht zou schenken aan Zijn menselijkheid..

Een orthodox is diep verbonden met de plaatsen in het Heilige Land, waar Christus heeft geleefd en gestorven. Wij kunnen niet voorbijgaan aan de diepe godsvrucht waarmee eenvoudige russen de plaatsen vereren waar Christus heeft geleefd en onderwezen heeft en is gestorven . De vreugde van de Verrijzenis  vermindert geenszins de betekenis van het kruis.

De kruisiging is niet minder aanwezig in de orthodoxe kerken dan in de andere., en de verering van het kruis is zelfs meer uitgesproken in de byzantijnse eredienst van in de latijnse.

Wij moeten de algemene opvatting weerleggen, dat men in de orthodoxe Kerk  hoofdzakelijk aandacht zou  schenken aan de Verrijzenis  en dat er parallel hiermee, in de westers Kerk meer aandacht wordt geschonken aan de verering van het kruis.Indien men over een tegenstelling wil spreken dan zou men kunnen zeggen dat hun uitgangspunt hetzelfde is, maar dat hun denken over het kruis  een weinig verschillend is van elkaar.

De orthodoxe leer over de kruisiging vinden wij mooi beschreven in de hymnen van Goede Vrijdag.

Hij die omgord is met licht

verschijnt naakt op het oordeel.

Op zijn wang heeft Hij de slagen ontvangen

van handen die Hij gevormd heeft

De uitgelaten menigte sloeg

de koning van de glorie aan het kruis

Op Goede Vrijdag denkt de orthodoxe Kerk niet alleen aan het lijden van Christus maar wel aan de tegenstelling tussen de zichtbare vernedering en de werkelijke glorie. De orthodoxe Kerk ziet niet alleen  het menselijk lijden van Christus, maar de lijdende God..

Vandaag is aan het kruis gehangen

Hij die de aarde bedekt heeft midden de wateren.

Een doornenkroon op het hoofd

van Hem die de koning der engelen is.

Hij is bedekt met een mantel van spotternij

Hij die de hemelen heeft omhuld met wolken.

Achter de sluier van de bloedende en lijdende Christus, heeft de orthodoxie altijd de Drieene God ontdekt. Zelfs Golgotha is een théofanie. Zelf op goede Vrijdag laat de Kerk ons een  sprankel vreugde horen van de Verrijzenis :

Wij aanbidden  Uw lijden, o Christus :

Toon ons uw glorievolle Verrijzenis

Ik loof Uw lijden.

Ik loof uw dood en Uw Verrijzenis,

uitroepende : Heer, ere zij U.

Men kan de kruisiging niet scheiden van de Verrijzenis ; zij zijn in één enkele actie gegrond. De calvarie moet altijd gezien worden in het licht van het lege graf. ; het kruis is het  zegeteken. Wanneer de orthodoxie denkt aan de gekruisigde Christus, dan denkt zij niet enkel aan haar lijden en haar troosteloosheid, maar ze ziet de Christus die overwint, Christus de Koning die reeds overwint op het hout en regeert :

‘De Heer is in de wereld gekomen en heeft onder ons gewoond,om de tirannie van de duivel te vernietigen en de mens te bevrijden. Op het kruis, heeft hij alle tegenstrijdige krachten overwonnen, wanneer de zon verduisterde en de aarde beefde, wanneer de graven zich openden en de lichamen van de heiligen opstonden. Door de dood heeft hij de dood overwonnen en hen die de macht hadden te doden heeft hij teniet gedaan’(34)

Christus is onze glorierijke Koning, niet ondanks de kruisiging, maar dank zij haar : ‘Ik noem Hem Koning, omdat ik Hem gekruisigd zie'(35).

Dit is de geest waarin de orthodoxe christenen de dood van Christus op het kruis beschouwen. Tussen hen en de middeleeuwse en post-middeleeuwse Westerse christenen is er natuurlijk een grote gelijkenis ; nochtans zijn er verschillende zaken in de Westerse zienswijze die de orthodoxen vreemd lijken : Het lijkt hen alsof het Westen de neiging heeft  te geïsoleerd te denken over de kruisiging, door ze abrupt te scheiden van de Verrijzenis. Daardoor stelt de

lijdende mensheid van Christus zich in de plaats van de visie van de lijdende God : de westerse gelovige die het kruis bemediteert  voelt te dikwijls  een nogal afwijkende sympathie voor de Man  van smarten, veeleer dan de zegevierende en triomferende Koning te aanbidden.

De grote latijnse hymne van Venantius Fortunatus (530-609), Pange Lingua, die het kruis groet als zegeteken, is helemaal in de lijn van de orthodoxe gedachte :

Bezing, mijn ziel, het triomferende einde

van de glorieuze strijd ;

Nu boven het kruis, onze trofee,

weerklinkt de glorievolle zang

Zeg hoe  Christus, de Redder van de Wereld

als slachtoffer, de glorie heeft gewonnen.

Het Vexilla Regis, eveneens van Fortunatus, staat eveneens dicht bij de orthodoxe visie :

Alles is vervuld zoals David heeft gezegd

In de vervulde profetieën.

Onder de volkeren, heeft  hij gezegd,

heeft God op het kruishout geregeerd en getriomfeerd.

Maar wat de orthodoxen niet delen, zijn de gevoelens uitgedrukt naar het einde van de Middeleeuwen toe, zoals bijvoorbeeld in het Stabat Mater :

Zij ziet Jezus in smart

voor de zonden van Zijn volk.

En onderworpen aan geseling

ziet zij haar teder kind

stervende in diepe droefheid, overgeleverd aan de dood,

hoort zij Hem zijn laatste adem uitblazen.

Het is betekeningsvol dat in de loop van de zestig lijnen van deze hymne, er geen enkele verwijzing is te vinden naar de Verrijzenis.

Daar waar de orthodoxie voornamelijk de Christus overwinnaar ziet, zien de Middeleeuwen en de post-Middeleeuwen  op de eerste plaats Christus als  het slachtoffer. De orthodoxen interpreteren de kruisiging essentieel als de triomferende overwinning over de machten van het kwaad ; maar het westen, en dit voornamelijk sedert Anselmus van Canterbury (rond 1033-1109). hebben de neiging om te denken aan het kruis in juridische en strafrechtelijke termen en als een verzoenende of plaatsvervangende daad, die de woede van de Vader verzacht..

Nochtans moeten wij de vergelijkingen niet overdrijven : sommige oosterse schrijvers hebben evenals  de westerse schrijvers de nadruk gelegd op het strafrechtelijk en juridisch aspect van de kruisiging, en de westerse schrijvers, evanals de oosterse hebben nooit opgehouden om in de Grote Vrijdag de overwinning van Christus te zien.. De laatste jaren ziet men in het westen  een vernieuwde belangstelling voor de Chritus Victor, in de theologie, in de spiritualiteit en in de kunst ; het is een vernieuwing welke de orthodoxen met vreugde vaststellen.

  Uit het boek : «l’Orthodoxie – L Eglise des sept conciles» pp.285-319.Kallistos ware

Vertaling : Kris Biesbroeck

Cyrillos van Alexandrië : Als de graankorrel sterft, brengt ze rijke vruchten voort

H. Cyrillus van Alexandrië ((380-444), bisschop, Kerkleraar

CyrillusAlexandrie258

Cyrillus van Alexandrië

Commentaar op het boek Numeri 2 ; PG 69, 619

 

 “Als de graankorrel sterft, brengt ze rijke vruchten voort”

   Christus, eerstgeborene van de nieuwe schepping… is na begraven te zijn geweest, verrezen en is opgestegen naar de Vader als een geweldig en schitterend offer, op een bepaalde manier als de eerstgeborene van het vernieuwde en onvergankelijke menselijk ras… Men zou Hem kunnen beschouwen als het symbool van de schoof van eerstelingsgarve, welke de Heer aan Israël heeft gevraagd om te offeren in de Tempel (Lv 23,9). Wat betekent dat?

   Men kan het menselijk soort vergelijken met een korenaren. Ze worden uit de aarde geboren, ze wachten om geheel uit te groeien en op een gegeven moment worden ze door de dood afgemaaid. Zo zei Christus het tegen zijn leerlingen: “Jullie zeggen toch: “Nog vier maanden en dan komt de oogst”? Ik zeg jullie: kijk om je heen, dan zie je dat de velden rijp zijn voor de oogst! De maaier krijgt zijn loon al en verzamelt vruchten voor het eeuwige leven, zodat de zaaier en de maaier tegelijk feest kunnen vieren.” (Joh 4,35-36). Welnu Christus is onder ons geboren, Hij werd uit de heilige Maagd geboren zoals de korenaren uit de aarde komen. Soms noemt Hij zichzelf overigens de graankorrel: “Waarachtig, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht”. Zo heeft Hij zich op de wijze van een korenschoof voor ons geofferd aan zijn Vader en als de eerstelingen van de aarde.

    Want de korenaar, evenals wij zelf overigens, kan niet geïsoleerd beschouwd worden. Wij zien het in een schoof, gevormd door meerdere aren in één bundel. Jezus Christus is uniek, maar Hij verschijnt aan ons en Hij vormt werkelijk een soort van bundel, in die zin dat Hij alle gelovigen in zich bevat, natuurlijk in een geestelijke eenheid. Hoe zou de apostel Paulus zonder dat gegeven kunnen schrijven: “ze maken deel uit van hetzelfde lichaam met Hem (Ef 3,6)… Hijzelf richt zich overigens tot zijn Vader met deze woorden: “Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals U in Mij bent en Ik in U, laat hen zo ook in Ons zijn, opdat de wereld gelooft dat U Mij hebt gezonden” (Joh 17,21). De Heer is dus de eerstgeborene van de mensheid die bestemd is om binnengehaald te worden in de graanschuren van de hemel.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Chrysostomos Johannes : “Want als u Mozes had geloofd, dan zou u ook in Mij geloven; want over Mij heeft hij geschreven”

 H. Johannes Chrysostomos (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar

Chrysostomos modern onbekend

2e Sermon over Genesis

“Want als u Mozes had geloofd, dan zou u ook in Mij geloven; want over Mij heeft hij geschreven”

    In de begintijd sprak de Heer, die de mens had geschapen, zelf tegen de mens op zo’n wijze dat hij Hem kon horen. Zo sprak Hij ook met Adam… , en later met Noach en Abraham. En zelfs toen de mensheid zich in de afgrond van de zonde stortte, heeft God niet zijn gehele relatie met hem verbroken, zelfs als het noodzakelijkerwijze met minder familiariteit was, omdat ze zich onwaardig hadden gemaakt. Hij heeft erin toegestemd om met hen nieuwe banden van welwillendheid te sluiten, maar door brieven, zoals we dat ook doen met een afwezige vriend; op die wijze kon Hij zich ook, in zijn goedheid, weer verbinden met de gehele mensheid. Mozes is de drager van die brieven die God ons stuurt.

   Laten we die brieven openen; wat zijn de eerste woorden? “In den beginnen schiep God de hemel en de aarde.” Hoe wonderbaarlijk!… Mozes is eeuwen daarna op de wereld gekomen en werd werkelijk geïnspireerd vanuit boven, om ons de wonderen die God heeft gedaan bij de schepping van de wereld te vertellen… Lijkt hij ons niet duidelijk te zeggen: “Wat ik u ga openbaren,  heb ik van de mensen geleerd? Helemaal niet, maar alleen van de Schepper, die de wonderen gedaan heeft. Hij stuurt mij de taal om het  u te leren. Van dat ogenblik af, smeek ik u om alle gemopper van het menselijk geredeneer de stilte op te leggen. Luister niet naar dit relaas alsof het slechts de woorden van Mozes waren; het is God zelf die tot ons spreekt; Mozes was slechts zijn vertolker.

   Broeders en zusters, laten we dus het Woord van God ontvangen met een dankbaar en nederig hart… Want het is God die alles geschapen heeft, Hij bereidt alles voor en beschikt erover met wijsheid… Hij leidt de mens door hetgeen zichtbaar is in de kennis van de Schepper van het universum. Hij leert de mens om de hoogste Arbeider in zijn werken te herkennen zodat de mens zijn Schepper weet te aanbidden

 Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

 

Boodschap van de heilige Moeder Gods 25 maart

 

 

FEEST VAN DE BOODSCHAP VAN DE HEILIGE MOEDER GODS

 25 maart

bppdschap van de engel 1

 Dit feest is één van de twaalf grote feesten binnen de orthodoxie

 

Hebr.2,11-18

[11] Want* Hij die heiligt en zij die geheiligd worden hebben allen één Oorsprong; daarom schrikt Hij er ook niet voor terug om hen zijn broeders te noemen, wanneer Hij zegt: [12] Ik zal uw naam verkondigen aan mijn broeders
en uw lof zingen midden in de gemeente;
[
13] en opnieuw:
Ik zal mij geheel op Hem verlaten;
en nog eens:
Hier ben Ik met de kinderen die God Mij gegeven heeft.
[
14] Omdat* ‘de kinderen’ mensen zijn van vlees en bloed, heeft Hij ons bestaan willen delen, om door zijn dood de vorst* van de dood, de duivel*, te onttronen, [15] en hen te bevrijden die door de vrees voor de dood* heel hun leven aan slavernij onderworpen waren. [16] Want het zijn niet de engelen van wie Hij zich het lot aantrekt, maar de nakomelingen van Abraham. [17] Vandaar dat Hij in alles aan zijn broeders gelijk moest worden, om een barmhartig en getrouw hogepriester te worden bij God en de zonden van het volk uit te boeten. [18] Omdat Hij zelf de proef van het lijden doorstaan heeft, kan Hij allen helpen die beproefd worden.

Evangelie :

Lucas 1,24-38

[24] Niet lang daarna werd zijn vrouw Elisabet zwanger. Zij hield zich vijf maanden lang verborgen. Ze zei: [25] ‘Dit heeft de Heer voor mij gedaan, toen Hij zich mijn lot aantrok en mijn smaad* onder de mensen wegnam.’

Aankondiging van de geboorte van Jezus
     [26] In* de zesde maand werd de engel Gabriël door God gezonden naar een stad in Galilea, met de naam Nazaret, [27] naar een maagd die verloofd* was met een man genaamd Jozef, die uit het huis van David stamde; haar naam was Maria. [28] De engel trad bij haar binnen en zei: ‘Verheug* u, begenadigde, de Heer is met u.’ [29] Zij raakte geheel in verwarring door wat hij zei en vroeg zich af wat deze begroeting te betekenen had. [30] Maar de engel zei: ‘Schrik niet, Maria, u hebt genade gevonden bij God. [31] U zult zwanger worden en een zoon baren, die u de naam Jezus moet geven. [32] Hij zal een groot man zijn, en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. God, de Heer, zal Hem de troon van zijn vader David geven. [33] Hij zal eeuwig koning zijn over het huis van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’ [34] ‘Maar hoe moet dat dan?’ zei Maria tegen de engel. ‘Ik heb geen omgang met een man.’ [35] De engel antwoordde haar: ‘Heilige Geest zal op u komen en kracht van de Allerhoogste zal u overdekken*. Daarom zal het kind heilig genoemd worden, Zoon van God. [36] Bovendien, ook Elisabet, uw verwante, is op haar oude dag zwanger van een zoon; zij werd onvruchtbaar genoemd, maar zij is al in haar zesde maand. [37] Want voor God is niets onmogelijk.’ [38] Toen zei Maria: ‘Ik ben de dienares van de Heer; laat met mij gebeuren wat u gezegd hebt.’ Toen ging de engel van haar weg.

God en de mens – deel 2

GOD EN DE MENS

Kallistos Ware

DEEL 2

DE MENS : ZIJN SCHEPPING, ZIJN ROEPING, ZIJN VAL

 

‘Gij hebt ons gemaakt voor u en onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in u’.( 14)

De mens is geschapen om gemeenschap te hebben met God. Dit is de eerste en essentiële factor van de Christelijke leer met betrekking tot de mens. De mens echter , alhoewel geschapen om Gods vriend te zijn, heeft deze fundamentele roeping voortdurend genegeerd. Dit is de tweede  factor binnen de Christelijke antropologie.

De mens is geschapen om in communio te treden met God. In de taal van  de Kerk: God heeft  Adam geschapen naar zijn eigen beeld en gelijkenis , en heeft hem geplaatst in het Paradijs (15) . De mens echter heeft deze gemeenschap met God verworpen. In de taal van de Kerk : Adam is gevallen, en zijn val heeft gans de mensheid meegesleurd.

De schepping van de mens. God zegt : ‘Laat ons de mens maken naar ons beeld en gelijkenis’

(Genesis, I, 26). God spreekt in het meervoud ‘laat ons’. De griekse Vaders hebben het voortdurend herhaald : de schepping is een daad van de drie personen van de Drie-eenheid.

Daarom mogen wij nooit in het beeld en de gelijkenis met God, het Trinitaire beeld en gelijkenis uit het oog verliezen.Wij zullen het vitale belang hiervan zien.

Beeld en gelijkenis. Volgens de meeste Griekse Vaders  duiden beeld en gelijkenis niet exact hetzelfde aan.. ‘De uitdrukking naar ons beeld, schrijft Johannes van Damascus, ‘duidt op de rationaliteit en vrijheid, terwijl de uitdrukking naar onze gelijkenis onze gelijkwording met God aanduidt door de deugd’ (16).

Het beeld , of de icoon van God  zoals de grieken zeggen  duidt op de vrije wil van de mens, zijn rede, zijn moreel gevoel en zijn verantwoordelijkheid. In feite komt het neer op alles wat de mens onderscheidt van het dier. Maar ‘beeld’ wil nog veel meer zeggen, het zegt ook dat wij van het ‘geslacht’ zijn van God (Hand.XVII,28), van Zijn  verwantschap.Tussen Hem en ons is er een punt van contact,een wezenlijke gelijkheid. De afgrond tussen de schepper en zijn schepsel is niet onoverkomelijk. Juist omdat wij gemaakt zijn naar Zijn beeld kunnen we God kennen en in gemeenschap met Hem treden.. En wanneer de mens gebruik maakt van zijn mogelijkheid om in gemeenschap met God te treden, dan zal hij worden zoals Hij, hij zal een goddelijke gelijkvormigheid verwerven. Of zoals Johannes van Damascus het uitdrukt  : hij zal opgenomen worden in God door zijn deugden.. Deze gelijkheid bewerken staat gelijk

met  de ‘deïficatie’, een tweede god worden, een God door de genade. ‘Ik heb u gezegd : gij zijt goden, zonen van de Allerhoogste'(psalm LXXXI,6)(17).

In het beeld zijn de mogelijkheden vervat die God aan elke mens heeft gegeven vanaf zijn geboorte. De gelijkenis daarentegen is geen gratis gave die de mens heeft gekregen vanaf het begin van zijn bestaan. Het is een doel dat de mens moet nastreven. Het is iets wat slechts geleidelijkaan kan bereikt worden. Hoe zondig de mens ook is, hij kan het beeld-zijn niet verliezen, maar de gelijkenis hangt af van onze morele keuzes, van onze manier van leven, en kan dus door onze zonde worden tenietgedaan.

Zo is de mens als een volmaakt wezen geschapen, niet als dusdanig, maar hij heeft de mogelijkheid om er naartoe te groeien. Doordat het beeld-zijn een gratis gave is, is de mens geroepen om de gelijkenis te verwezenlijken door zijn eigen inzet. Hierbij natuurlijk geholpen door Gods genade. Zo hebben het verschillende griekse Vaders uitgedrukt : de eerste staat van Adam was er een van onschuld en eenvoud.’Hij was als een kind waarvan het inzicht nog niet volmaakt was’ aldus de Heilige Ireneüs'( 18). Hij moest nog groeien om de volmaaktheid te bereiken’. God heeft Adam op het juiste pad gezet, maar de weg was lang om het uiteindelijke doel te bereiken.

Deze bedenking over Adam voor de val verschilt in zekere mate met de opvatting van de Heilige Augustinus, en die aanvaard is door het Westen.

Volgens de Heilige Augustinus was de mens in het paradijs zich vanaf het begin sterk bewust en verstandig. Zijn volmaaktheid was geenszins potentieel, maar volkomen gerealiseerd. De dynamische opvatting van Ireneüs staat dichter bij de moderne theorieën over de evolutietheorie dan de statische opvatting van Augustinus. Maar, aangezien beiden spreken als theoloog, en niet als wetenschappers, kunnen de wetenschappelijke hypothesen hun visies niet ondersteunen noch tegenspreken.

Het westen heeft dikwijls het beeld van God geassocieerd met de menselijke intelligentie. Veel orthodoxen ondersteunen hetzelfde idee, anderen daarentegen zeggen dat, omdat de mens een geheel is, het beeld van God de ganse persoon omvat, ziel én lichaam samen. ‘Wanneer men zegt dat God de mens heeft geschapen naar zijn beeld’,aldus Gregorius Palamas, ‘betekent het woord mens niet de ziel alleen, of het lichaam alleen, maar de twee samen'(19). Het feit dat de mens een lichaam heeft , maakt hem daarom niet ondergeschikt, maar verhevener dan de engelen.

Het is waar, dat de engelen pure geesten zijn, terwijl de mens een mengeling is van het materiële en het intellectuele, maar dit toont alleen aan dat de mens vollediger is dan de engelen en rijker aan mogelijkheden.De mens is een microcosmos, een brug en het punt van ontmoeting met de ganse schepping van God. Het beeld van God in de mens heeft een zeer belangrijke plaats in het orthodoxe religieuze denken.

De mens is een levende theologie. En omdat de mens een ikoon is van God, kan hij God vinden door in zijn eigen hart te kijken, door ‘in zichzelf te keren’. ‘Het Koninkrijk Gods is midden onder U (Lucas XVII,21). ‘Ken jezelf’ zegt de heilige Antonius van Egypte. ‘Diegene die zichzelf kent, kent God'(20). ‘Als je zuiver bent’, zegt de heilige Isaac de Syriër (einde VIIe eeuw),’dan is de hemel van U; gij zult in uzelf de engelen en de Heer der engelen zien'(21). En zoals men heeft gezegd van Sint Pacomius : ‘In de zuiverheid van zijn hart heeft hij God gezien, de onzichtbare, als in een spiegel'(22).

Omdat hij een ikoon is van God, is elke mens, zelfs de meest zondige, oneindig kostbaar in de ogen van God. ‘Diegene die zijn broeder heeft gezien, heeft God gezien’ (23), heeft Clémens van Alexandrië (+ 215) ooit gezegd. En Evagrius leert ons : ‘Na God moeten we elke mens beschouwen als God zelf'(24). Dit respect voor de menselijke persoon is uitgedrukt in de orthodoxe liturgie, wanneer de priester niet alleen de ikonen, maar alle leden van de gemeenschap bewierookt. Hij groet hiermee het beeld van God in elke mens.’De beste ikoon van God, is de mens’ (25).

Genade en vrije wil.

Door het feit, zoals wij hebben gezien, dat de mens geschapen is naar de gelijkenis met God, heeft de mens een eigen wil. God wilde zonen en geen slaven. De orthodoxe  kerk verwerpt elke leer die een aanslag pleegt op de vrije wil van de mens. Om de relatie uit te drukken tussen de genade van God en de menselijke vrijheid, gebruikt de orthodoxie de term ‘medewerking’ (coöperatie) of synergie (synergeia).Volgens de woorden van Paulus : ‘Wij zijn medewerkers (Synergoi) van God (I Cor.,III,9). De mens kan de volle gemeenschap met God niet bereiken, tenzij met Zijn hulp. Maar het vraagt ook de actieve medewerking van de mens zelf. Alhoewel datgene wat God doet oneindig belangrijker is dan dat wat de mens kan doen, toch moet de mens evenzeer zijn bijdrage leveren aan het gemeenschappelijke werk.

‘De verheffing van de mens in Christus en zijn vereniging met God vereist een noodzakelijke samenwerking van deze twee ongelijke krachten : de goddelijke genade en de menselijke wil'(26). De moeder van God is het voorbeeld bij uitstek van deze synergie .

Sedert Sint Augustinus en het pélagianisme heeft het Westen deze kwestie van de genade en de vrije wil op een enigszins andere manier  uitgelegd. Velen  die opgeleid zijn in de Augustijnse traditie, vooral de Calvinisten, hebben heel wat bedenkingen bij de orthodoxe visie op de synergie. Hecht de orthodoxe visie niet te veel belang aan de mens  en té weinig aan God ? – Nochtans is de orthodoxe leer heel duidelijk : ‘ Zie, ik sta aan de deur en Ik klop. indien iemand mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen'(Apoc.,III,20).

God klopt, maar wacht tot de mens opendoet. Hij ‘breekt’ niet. Gods genade nodigt uit, maar dwingt niemand. In de termen van Johannes Chrystonomos luidt het : ‘God dwingt niemand met  kracht, geweld. Hij wil het heil van allen, maar dwingt niemand'(27). ‘Het is aan God om Zijn genade te verlenen’ zegt  de heilige Cyrillus van Jeruzalem (+386).’onze taak is het deze te aanvaarden en te bewaren'(28).  Omdat de mens Gods genade heeft  ontvangen en bewaard  mag men daarom nog niet stellen dat men verdiensten heeft verdiend. Gods gaven zijn altijd ‘gratis’, de mens heeft geen enkel recht  tegenover zijn schepper.Maar omdat de mens het heil niet kan ‘verdienen’, moet hij eraan werken, want zoals geschreven staat ‘Indien het geloof niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood’ (Jacobus,II,17).

De val : de erfzonde.

God heeft Adam een vrije wil gegeven, dit wil zeggen, de mogelijkheid om te kiezen tussen goed en kwaad. Het hangt van Adam af  om zijn roeping aan te nemen of te weigeren. Hij heeft geweigerd. In plaats van voort te gaan op de weg die God hem had aangetoond, is hij een andere weg ingeslagen, hij is ongehoorzaam geworden. De val van Adam bestaat hoofdzakelijk in zijn ongehoorzaamheid aan Gods wil. Hij heeft zijn zijn eigen wil gesteld tegenover Gods wil, hij is gescheiden geworden van God. Het resultaat hiervan was, dat er een nieuwe bestaansvorm in de wereld is gekomen : deze van ziekte en dood. Door zich van God af te keren, die de onsterfelijkheid en het leven is, is de mens binnengetreden in een situatie die tegenstrijdig is met zijn natuur, en waarvan de monsterachtige omstandigheden onherroepelijk hebben geleid tot desintegratie en fysische dood..De gevolgen van Adam’s ongehoorzaamheid hebben zich uitgespreid over al zijn nakomelingen.Wij zijn mekaars ledematen, herhaalt Paulus voortdurend; als een lid lijdt, lijdt gans het lichaam. Omwille van deze mysterieuze  eenheid van het menselijk geslacht is niet alleen Adam onderworpen aan de dood, maar de ganse mensheid. De gevolgen van de val zijn niet alleen fysisch, maar ook moreel. Door het gescheiden zijn van God, zijn Adam en zijn nakomelingen gekomen onder de macht van kwaad en zonde. Iedere mens wordt geboren in een wereld waarin het kwade overheerst, een wereld waarin  het kwade gemakkelijker te doen is dan het goede. De menselijke wil is verzwakt door wat de grieken noemen ‘begeerte’, en de Latijnen ‘concupicentia’. Wij zijn allen onderworpen aan deze geestelijke aspecten van de erfzonde.

Tot hier komen zowel de rooms katholieken als de klassieke protestanten  overeen.

Maar vanaf dit moment zijn de meningen verdeeld. De orthodoxie heeft vanaf het begin geen al te groot idee gehad van de menselijke volmaaktheid voor de val, in tegenstelling tot het westen.. De orthodoxie is ook minder streng dan het westen wat betreft de gevolgen van de val. Adam is niet gevallen van een verheven hoogte van kennis en volmaaktheid, maar van een toestand van  oorspronkelijke eenvoud. Wij moeten dus zijn fout niet al te streng beoordelen. Zeker, als gevolg van de val is de geest van de mens  zodanig vertroebeld, en zijn wil is zodanig verminderd, dat hij niet meer kan hopen op een gelijkheid met God. De orthodoxie denkt echter dat  de val de mens niet  geheel heeft  afgesloten van Gods genade, maar gelooft dat de genade, in plaats van te handelen van binnenuit, zoals voor de val, nu handelt van buitenuit..De orthodoxie deelt het standpunt van Calvin niet, voor wie de mens, na de val, totaal verdorven is en onbekwaam tot één goede bedoeling. De orthodoxie is zeker niet akkoord met Augustinus, wanneer hij schrijft dat de mens onder de’verschrikkelijke noodzaak’ is van te zondigen, en dat de natuur van de mens ‘wordt gedomineerd door de zonde waarin hij is gevallen en waardoor hij zijn vrijheid heeft verloren'(29).. Het beeld van God is vertroebeld door de zonde, maar zij is nooit vernietigd ; volgens de woorden van een hymne die wordt gezongen tijdens een orthodoxe begrafenis : ‘ Ik ben het beeld van Uw onuitsprekelijke glorie, zelfs al draag ik in mij de wonden van de zonde’. En omdat hij altijd het beeld van God in zich draagt, bewaart de mens ook zijn vrije wil, zelfs al  wordt die wil beperkt door de zonde. Zelfs na de val heeft God ‘aan de mens de mogelijkheid om te willen – Hem te willen gehoorzamen of niet’ niet ontnomen’ (30). Trouw aan de idee van de synergie, verwerpt de orthodoxie elke interpretatie van de val die geen plaats zou laten aan de menselijke vrijheid. De meeste van de orthodoxe theologen verwerpen ook de idee van erfzonde (reatus), onder andere door Augustinus naar voor gebracht , en nog altijd aanvaard door de rooms katholieke Kerk. Algemeen gesproken komt het orthodoxe standpunt hierop neer dat de mens automatisch erfgenaam is geworden van de verdorvenheid en sterfelijkheid van Adam., maar niet van zijn zonde : hij is slechts schuldig in de mate dat hij met zijn vrije wil Adam nabootst. Veel westerse christenen denken dat de mens onbekwaam is om ook maar iets te doen dat aangenaam is voor God, want hij kan niets doen dat niet besmet is door de zonde. Er is geschreven in het 13e van de 39 artikelen van de anglikaanse Kerk : ‘ De werken voor de rechtvaardiging zijn niet aangenaam voor God, want ze hebben een zondige natuur…’

Dit is een hypothese welke een orthodox huivert om te formuleren. En nooit zal een orthodox denken (zoals Augustinus en veel andere westerlingen) dat de pasgeborenen die sterven zonder gedoopt te zijn, en dit door de wil van een rechtvaardige God, zullen overgeleverd worden aan de eeuwige vlammen van de hel(31).

De verscheurde mensheid is minder somber voorgesteld vanuit orthodox standpunt, dan uit het standpunt van Augustinus of Calvijn. Maar de orthodoxie, vasthoudend aan het argument, dat de mens na de zondeval volledig zijn vr
ije wil behoudt, en bekwaam is het goede te doen, is nochtans akkoord met het westen in het gemeenschappelijk geloof dat de zonde een koof heeft teweeggebracht tussen de mens  en God, en dat de mens deze kloof niet op eigen krachten kan dempen. De zonde blokkeert de weg naar de eenheid met God. En daar de mens niet meer naar God kon gaan, is God tot de mens gekomen.

Uit het boek : «l’Orthodoxie – L Eglise des sept conciles» pp.285-319.

Vertaling : Kris Biesbroeck

Hiëronimos : Zwijg en ga uit hem weg

H. Hiëronymus (347-420), priester en vertaler van de Bijbel, Kerkleraar

Commentaar op het Evangelie van Marcus 2 ; PLS 2, 125v

hieronimos1

Hiëronimos (Geb. in Stridon in Dalmatië : ca.347 – Bethlehem 30 sept.419/420?)

Feestdag in de orthodoxe Kerk : 15 juni

“Zwijg en ga uit hem weg!”

  “Jezus sprak hem streng toe en zei: ‘Zwijg en ga uit hem weg!”  De Waarheid heeft geen behoefte aan de getuigenis van een Leugenaar… “Ik heb de erkenning niet nodig van degene die hoort bij de verscheuring. Zwijg! Dat mijn heerlijkheid in jouw stilte mag stralen. Ik wil niet dat jouw stem mij eert, maar jouw kwellingen; want jouw verscheuring is mijn overwinning… Zwijg, en verlaat deze mens!” Hij lijkt te zeggen: “Ga weg uit mijn huis, wat doe je onder mijn dak? Ik wil naar binnen: zwijg en ga uit deze mens weg”…

    Hier ziet u waarin de ziel van de mens kostbaar is. Dat is in tegenspraak met hen die denken dat wij, de mensen, en de dieren zijn begiftigd met dezelfde ziel en dat we door eenzelfde geest worden bewogen. Op een ander moment wordt een demon uitgedreven uit een mens en die wordt in tweeduizend varkens gestuurd (Mt 8,32); de kostbare Geest staat tegenover de lage geest, de een wordt gered, de ander gaat verloren. “Ga weg uit deze mens, ga in de varkens, ga waar je naar toe wilt, ga naar de afgrond. Verlaat deze mens, dat wil zeggen uit mijn eigendom; Ik zal je niet de mens laten bezetten, want dat zou een belediging voor Mij zijn als jij je, in plaats van Mij, in hem zou installeren. Ik heb het menselijk lichaam aanvaard, Ik woon in de mens: dit vlees dat Ik bezit maakt deel uit van mijn vlees. Ga uit de mens weg”

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Kallistos Ware : God en Mens Deel 1 : De Drie-Ene God

                   GOD  EN  DE    MENS

Kallistos Ware

 

 +

‘In zijn liefde zonder grenzen, is God geworden wat wij zijn, opdat wij zouden worden als Hij’ Heilige Ireneus(+202)

 

DEEL 1

 DE DRIE-ENE GOD

Ons sociaal programma, zegt de Russische filosoof Fedorov, is bescheven in het dogma van de Drie-eenheid. De Orthodoxie gelooft met stelligheid dat de leer over de Drie-eenheid geen ‘geleerde theologie’ is, gereserveerd voor geleerden, maar dat zij een daadwerkelijke belang heeft voor elke Christen. De Bijbel leert ons dat de mens  geschapen is naar het beeld  van God. Voor de Christen is God  Drie-eenheid : het is dus alleen in het licht van  het dogma van de Drie-eenheid dat de mens zichzelf kan begrijpen, en kan inzien wat God wil dat hij is als mens. Ons privaat leven, onze persoonlijke relaties en al onze inspanningen die wij leveren voor het instandhouden van een Christelijke maatschappij, hangen af van de juistheid van deze theologie over de Drie-eenheid. ‘Er is  geen andere keuze mogelijk dan tussen de Drie-eenheid en de hel'(1).  Zoals een Anglikaans schrijver heeft gezegd :’ Deze leer vat een nieuwe manier van denken samen over wie God is, en het is door de kracht  van die leer dat mensen zijn opgestaan om de grieks-romeinse wereld te gaan bekeren. Zij heeft een bevrijdende revolutie ontketend in het menselijk denken'(2).

Wij hebben reeds, bij het begin van dit boek de basiselementen aangegeven van de Orthodoxe leer in verband met God. Wij willen hiervan  opnieuw een korte samenvatting  geven.

 1. God is volstrekt transcendent.

‘Geen enkel geschapen ding heeft, en zal nooit de minste gemeenschap hebben met de hoogste natuur, het zal zelfs nooit in de nabijheid ervan kunnen komen'(3). Het is via de ‘negatieve weg’ of ‘apophatische theologie’ dat de Orthodoxie deze absolute transcendentie van God bewaart. De positieve of  cataphatische theologie moet altijd vanuit een negatieve taal getoetst  en beoordeeld worden. Onze uitspraken in verband met God : Hij is goed, wijs, rechtvaardig enz.. zijn juist voor datgene wat van Hem voortkomt, maar ze zijn niet in staat om de werkelijke natuur van de godheid aan te duiden.’Deze uitspraken’, zegt Johannes van Damascus ‘openbaren ons niet de natuur, maar alleen datgene wat daarbuiten is. Het is duidelijk, dat er een God is, maar wat hij is in essentie en in zijn  natuur, gaat ons bevattingsvermogen en verstand te boven’.(4).

2.God, alhoewel transcendent, is toch niet gescheiden van de wereld die Hij gemaakt heeft.

God is boven en buiten zijn schepping, nochtans is Hij er ook innerlijk aanwezig.In een veelgebruikt Orthodox gebed wordt gezegd :’Gij zijt overal aanwezig en vervult de gehele aarde’. De Orthodoxie maakt dus een onderscheid tussen de essentie van God en zijn energieën. Aldus wordt tegelijkertijd de goddelijke transcendentie en immanentie bewaard.

De essentie van God is onkenbaar, maar in zijn energieën komt Hij tot ons. De energieën van God , die God zelf zijn, verzadigen de ganse schepping en we kennen ze onder de vorm van  de goddelijke genade of het goddelijk licht. Onze God is een God die verborgen is, maar  ook een God die handelend aanwezig is, een historische God die rechtstreeks in bepaalde situaties tussenkomt.

3. God is persoonlijk, dit wil zeggen trinitair.

 Deze handelende God is niet eenvoudigweg een God van energieën, maar een persoonlijke God. Wanneer een mens participeert aan de goddelijke energieën, dan wordt hij niet gegrepen door een  ongewisse en anonieme kracht, maar wordt hij daarentegen geconfronteerd met een persoon, en dit van aangezicht tot aangezicht. Meer nog, God is geen alleenzijnde persoon, beperkt tot een ‘enig’ zijn, maar een Drieeenheid van drie personen, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Elk van die drie bevinden zich in de twee andere omwille van een eeuwigdurende liefdesband. God is niet alleen eenheid, maar gemeenschap

4. Onze God is een geïncarneerde God

God heeft zich niet slechts door zijn energieën geopenbaard aan de mens, maar ook in zijn eigen persoon. De tweede persoon van de Drieeenheid ‘ware God uit de ware God’ is mens geworden : En het woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond'(Joh.1,14). Er bestaat geen inniger band tussen God en Zijn schepping. God zelf is één van zijn schepsels geworden.

Diegenen die opgegroeid zijn in een andere traditie, hebben het dikwijls moeilijk om de vastberadenheid van de orthodoxen in verband met de apophatische theologie en het verschil tussen essensie en energieën te begrijpen. Maar buiten  deze twee punten hebben de orthodoxen dezelfde leerstellingen over God  als de overgrote meerderheid van hen die zich Christenen noemen..Monofysieten en lutheranen, nestorianen en rooms katholieken, calvinisten, anglikanen en orthodoxen, allen aanbidden zij één God in Drie Personen, en belijden zij dat Christus de mensgeworden Zoon van God is Er is nochtans één punt van onenigheid tussen Oost en West in verband met de leer van de Drie-ene God : het is de  kwestie van het filioque.  Wij hebben reeds vroeger gezien hoe dit woord in het verleden van beslissende invloed is geweest op de ongelukkige scheiding  tussen Oost en West. Maar, behalve het historisch belang van het filioque, wat is  haar belang voor de theologie ? Heel wat mensen, ook orthodoxen, hebben de neiging om het geschil als een duister, technisch dispuut te beschouwen, en zijn geneigd om het als  geheel onbetekenend

te verwerpen. Vanuit traditioneel orthodox standpunt is er echter maar één antwoord  mogelijk : de zaak is zeker duister en technisch, zoals trouwens alles wat betrekking heeft op de triniteitsleer,maar het is echter niet zonder belang. Het geloof in de Drie-eenheid is het hart van het  christelijk geloof,. Een klein verschil in opvatting hierover  heeft zonder twijfel gevolgen op alle aspecten van het leven en het christelijk denken.

Proberen we nu  even enkele punten te verduidelijken rond het probleem van het filioque.

Wat volgt heeft slechts de bedoeling een inleiding te zijn hierop. De punten in het geschil zijn dermate complex ,dat wij, bij gebrek aan ruimte, ons verplicht voelen de argumenten te vereenvoudigen. Wij moeten er volledigheidhalve aan toevoegen dat er in de Middeleeuwen

westerse schrijvers zijn geweest die niet helemaal akkoord waren met de scholastieke interpretatie over de Drie-eenheid, en die dichter stonden bij de orthodoxe benadering.

Eén essentie in drie personen. God is één, en God is drie : de Heilige Drie-eenheid is het mysterie van de eenheid in verscheidenheid en van de verscheidenheid in de eenheid.Vader, Zoon en Heilige Geest zijn ‘één in essentie'(homoousios), elk van de drie onderscheidt zich echter van de twee andere door persoonlijke kenmerken.’Het goddelijke is ondeelbaar in zijn verdelingen'(6), want de personen zijn verenigd zonder verwarring, onderscheiden en toch niet verdeeld'(7); ‘onderscheid en vereniging zijn beiden ook  tegenstrijdig'(8).

Maar, indien elke persoon is onderscheiden, wie houdt de Drieeenheid dan samen ?. Op dit punt antwoordt de orthodoxe Kerk, en in dit verband de Capadocische Vaders volgend, dat er een God is, omdat er een Vader is. In theologische termen  betekent dit, dat de Vader de

‘oorzaak’ en de bron is van de godheid. Hij is het principe (archè) van  eenheid van de drie; en het is in deze zin dat de orthodoxie spreekt van de ‘monarchie’ van de Vader. De oorsprong van de twee andere personen gaat terug op de Vader en het zijn hun relaties met Hem die de ene en de andere kenmerken. De Vader is de bron van de eenheid, geboren uit niets, voortgekomen uit niets; de Zoon is eeuwig geboren uit de Vader (voor alle eeuwigheid, in de termen van het credo); de Heilige Geest komt eeuwig voort uit de Vader.

Het is op dit punt dat er onenigheid is ontstaan  met de rooms katholieke theologie. Volgens de romeinse theologie komt de Heilige Geest eeuwig voort uit de Vader en de Zoon ; bijgevolg, houdt de Vader op de enige bron van de godheid te zijn, aangezien de Zoon ook de bron is. Door deze zienswijze houdt de Vader op de enige bron van eenheid te zijn binnen de Drieeenheid. Rome vindt de bron van eenheid binnen de substantie of de essentie die gemeenschappelijk is aan de drie personen. Voor de Orthodoxie is het principe van eenheid van God persoonlijk; dat is het niet voor de rooms katholieken.

Maar wat is nu de betekenis van de term ‘voortkomen’? Indien dit niet goed duidelijk is gemaakt kan niets verder worden uitgelegd. De Kerk gelooft dat Christus twee geboorten heeft ondergaan : de ene is van eeuwigheid, de andere op een bepaald gegeven moment in de geschiedenis. Hij is geboren uit de Vader ‘van alle eeuwigheid’, en hij is geboren uit de Maagd Maria ten tijde van Herodus, koning van Judea, en van Augustus, keizer van Rome.

In diezelfde zin moeten wij een onderscheid maken tussen het eeuwig voortkomen van de Heilige Geest en zijn tijdelijke opdracht, de gave van de Heilige Geest aan de wereld : de eerste betreft de relaties die eeuwig bestaan in de godheid, de tweede is een relatie van God met Zijn schepping. Wanneer het westen  zegt dat de Heilige Geest voortkomt uit de Vader en de Zoon en wanneer de orthodoxie zegt dat Hij voortkomt uit de Vader alleen, dan refereert men niet naar de uiterlijke activiteit van de Drie-eenheid tegenover de schepping, maar spreekt men van zekere eeuwige relaties, die bestaan binnen de godheid, relaties die bestonden voor de wereld werd geschapen.. Maar alhoewel de orthodoxen niet akkoord zijn met het westen over de eeuwige voortkoming van de Heilige Geest, aanvaarden zij volledig de zending van de Geest . Hij is in de wereld gezonden door de Zoon. Hij is in waarheid ‘de Geest van de Zoon’Het standpunt van de orthodoxie is gebaseerd op de woorden  van Christus:’Wanneer de Trooster komt, die ik u zenden zal van de Vader, de Geest der waarheid, die van de Vader uitgaat, zal deze van Mij getuigen'(Joh. XV,26).

 Christus zendt de Geest, maar de Geest komt voort uit de Vader : dit is het wat de Bijbel ons zegt, en dit is de leer van de orthodoxie. Wat de orthodoxie niet leert is, en wat de Bijbel nooit heeft gezegd is, dat de Geest voortkomt uit de Zoon.

Het standpunt van het Westen is, dat de Geest eeuwig voortkomt uit de Vader en de Zoon. En tegen het westen heeft de heilige Photius bevestigd : de Geest komt van eeuwigheid voort uit de Vader alleen en Hij heeft van de Zoon een tijdelijke zending ontvangen. Maar de byzantijnse schrijvers van de XIIIe en de XIVe eeuw – voornamelijk Gregorius van Cyprus, patriarch van Constantinopel van 1283 tot 1289, en Gregorius Palamas – zijn nog verder gegaan dan Photius om te trachten de kloof te overbruggen tussen Oost en West. Daar waar Photius alleen sprak over tijdelijke relaties tussen de Zoon en de Geest, spraken zij van een eeuwige relatie. Nochtans, op het meest essentiële punt kwamen zij overeen met Photius : de Geest is geopenbaard door de Zoon, maar Hij komt niet voort uit de Zoon. De Vader is de enige oorsprong, de enige bron en oorzaak van de godheid. Dit zijn, kort samengevat, de twee standpunten van beide Kerken.

Bekijken we nu even de bedenkingen die de orthodoxie stelt in verband met de westerse opvattingen. Het filioque leidt tot di-théisme of nog : semi-sabellianisme (9). Indien de Zoon, juist zoals  de Vader  de archè en de bron van de godheid is, bestaan er dan geen twee onafhankelijke bronnen, twee verschillende principes binnen de Triniteit ?  Dit is de vraag die de orthodoxen stellen. Blijkbaar niet , want dit zou betekenen   dat er twee goden zouden zijn. Als  reactie hierop hebben de concilies  van Lyon (1274) en Florence (1438-1439) gedefinieerd dat de Heilige Geest voortkomt uit de Vader en de Zoon ‘als uit een zelfde principe’, tanquam ex (ou ab) uno principio’. Vanuit orthodox standpunt  echter blijft dit onaanvaardbaar : het di-theisme is wel vermeden,maar de personen van de Vader en de Zoon zijn versmolten en zonder onderscheid. De Capadociërs beschouwden de ‘monarchie’ als datgene  wat  specifiek kenmerkend is voor de Vader : Hij alleen, binnen de Drie-eenheid, is het principe of arche. Maar de westerse theologie verleent deze kenmerken zowel aan de Zoon als aan de Vader.Op deze manier grijpt er een versmelting plaats van de twee ‘personen’ tot één enkele. En wat is dit anders dan ‘ Sabelius die opnieuw geboren is of een zeker  semi-pelagiaans monster ?’, zoals de Heilige Photius het zegt (10).

Laten we nu even van naderbij  de beschuldiging van semi-pelagianisme onder ogen nemen.

De orthodoxe leer over de Drie-eenheid heeft een eenheidsprincipe die persoonlijk is, maar het westen daarentegen vindt het eenheidsprincipe in de essentie van God.  Voor de orthodoxen

overschaduwd door de gemeenschappelijke natuur. Men denkt niet meer over God in concrete en persoonlijke termen, maar als een essentie binnen dewelke zich  verschillende relaties onderscheiden. Deze manier van denken vindt haar hoogtepunt bij Thomas van Aquino. Hij gaat zelfs de personen identificeren met hun relaties : personae sunt ipsae relationes (11)

Voor de orthodoxe denkers geeft dit maar een pover idee van de persoonlijkheid. De relaties, zeggen zij, zijn de personen niet; zij zijn de persoonlijke kenmerken van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Gregorius van Palamas zegt het zo : ‘De hypostatische karakteristieken zijn niet de hypostase zelf, maar zij kenmerken de hypostase'(12). De relaties tussen de personen doen in geen enkele mate afbreuk aan het mysterie van elk der personen. Door zodanig de nadruk te leggen op de essentie en niet op de personen maakt de scholastieke theologie van God een abstract idee, Hij wordt een
ver verwijderd, onpersoonlijk zijn, waarvan het bestaan bewezen kan worden met metafysische argumenten. Hij wordt de God der filosofen en is niet langer de God van Abraham, Isaak en Jacob. De orthodoxen daarentegen zijn minder dan de latijnen geinteresseerd  in filosofische bewijzen  voor het bestaan van God. Een directe , levendige ontmoeting met een persoonlijke, concrete God is veel belangrijker dan filosofische argumentatie over het bestaan van God.

Om al deze redenen beschouwen de orthodoxen het filioque als gevaarlijk en ketters : het vermengt de personen en het vernietigt  het delicate evenwicht tussen de eenheid en de verscheidenheid binnen de godheid.Het legt het accent op de ondeelbaarheid en niet op het trinitaire aspect. God wordt gezien als een abstracte idee en té weinig als een concrete persoonlijkheid. Meer nog : het  filioque geeft aan vele orthodoxen de indruk dat in het westers denken de Heilige Geest ondergeschikt is aan de Zoon, zoniet in theorie, dan toch in de praktijk. Het Westen schenkt té weinig aandacht aan de rol van de Heilige Geest in de wereld, de Kerk en in  het dagelijks leven van elke mens.

De orthodoxe schrijvers beweren bovendien dat de twee gevolgen van het filioque , de ondergeschiktheid van  de Geest en de extreme benadrukking van  de eenheid van God  hebben geleid tot een afwijking in de rooms- katholieke leer over de Kerk. Het westen heeft het belang van de rol van de Heilige Geest geminimaliseerd. Het ziet de Kerk té veel als een werelds instituut met tijdelijke wereldse macht. En zoals de westerse leer de eenheid van God te veel heeft geaccentueerd ten nadele van de verscheidenheid, zo heeft ook de eenheid van de Kerk getriomfeerd boven de verscheidenheid. Het gevolg daarvan is  een buitensporige centralisatie van het gezag en een té sterke benadrukking van het pauselijk gezag.

Deze twee wijzen van denken met betrekking tot God, gaan samen met twee verschillende wijzen van denken over de Kerk. Het filioque en de pauselijke aanspraken, deze twee diepe oorzaken van het schisma tussen Oost en West, hebben wel degelijk een verband met elkaar (13).

 Uit het boek : «l’Orthodoxie – L Eglise des sept conciles» pp.285-319.

Vertaling : Kris Biesbroeck