Johannes Chrysostomos : Zie het lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt

H. Johannes Chrysostomes (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar

Homilie 18 over het Evangelie van Johannes

 “Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt”

 

 

goede herderb 4 (597 x 768)

 

      “Zie het Lam van God”, zegt Johannes de Doper. Jezus zelf spreekt niet; Johannes is degene die alles zegt. De bruidegom heeft de gewoonte om zo te handelen; hij zegt nog niets tegen de bruid, maar hij laat zich zien en houdt zich stil. Anderen kondigen hem aan en stellen hem de bruid voor. Als zij verschijnt, ontvangt de bruidegom haar niet zelf, maar hij ontvangt haar uit de handen van een ander. Maar na haar zo uit de handen van een ander ontvangen te hebben, hecht hij zich zo sterk aan haar dat ze zich degenen, die ze verlaten heeft om hem te volgen, niet meer herinnert.

Zo gebeurde het ook met Jezus Christus. Hij is gekomen om de mensheid te huwen; Hij heeft zelf niets gezegd. Hij heeft zichzelf alleen maar laten zien. Johannes, de vriend van de Bruidegom heeft zijn hand in die van de Bruid gestoken, met andere woorden: in het hart van de mensen die hij door zijn verkondiging overtuigd heeft. Toen heeft Jezus hen ontvangen en heeft hen met zoveel goeds vervuld, dat ze niet teruggegaan zijn naar degene die ze bij Hem gebracht had… Hij heeft de Bruid uit haar nederige positie getrokken om haar te leiden naar het huis van zijn Vader.

Johannes, de vriend van de bruidegom was de enig die aanwezig was bij de bruiloft; hij heeft daar toen alles gedaan; hij zag Jezus aankomen, en hij zei: “Zie het Lam van God”. Op die wijze toonde hij dat hij niet alleen de stem was, maar ook de ogen, waarmee hij de Bruidegom hulde bracht. Hij bewonderde de Zoon van God en toen hij Hem zag, sprong zijn hart op van blijdschap en van vreugde. Voordat hij Hem aankondigde, bewonderde hij zijn aanwezigheid, en toont hij het geschenk dat Jezus is komen brengen: “Zie het Lam van God”. Hij neemt de zonde van de wereld weg, en Hij doet dat zonder ophouden, niet alleen gedurende zijn Lijdenstijd, toen Hij voor òns leed. Ook al geeft Hij slechts eenmaal zijn offer voor de zonden van de wereld, toch zuivert dat unieke offer voor altijd de zonden van alle mensen tot aan het einde van de wereld.

 

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Orthodox Kerstfeest in Rusland

Orthodox kerstfeest tijdens gasconflict

06-01-2009 15:14

MOSKOU (ANP) – De orthodoxe kerk viert woensdag het kerstfeest. Het zal dan moeilijk blijken een Russische gasleverancier aan de telefoon te krijgen.

Rusland, een federatie van 145 miljoen mensen, is met naar schatting 75 miljoen Russisch orthodoxe christenen het belangrijkste orthodoxe land.

Het kerstfeest is door gebruikmaking van de Juliaanse kalender in Rusland dertien dagen later dan in de westerse christelijke kerken die de Gregoriaanse kalender volgen.

De Russisch orthodoxe kerk werd in 1484 onafhankelijk van de wieg van de orthodoxie, de oosters-orthodoxe kerk van Constantinopel. De rooms-katholieke kerk keerde 430 jaar eerder al Constantinopel de rug toe.

Er zijn tal van orthodoxe kerken die kerst in januari vieren onder meer die in Bosnië, Bulgarije, Ethiopië en Servië.

Weet u niet dat u de tempel van God bent

Origines (ca.185-253), priester en theoloog  

Commentaar op het Evangelie van Johannes, 10, 39 ; PG 14, 369 e.v.

 

“Weet u niet dat u de tempel van God bent” (1Kor 3,16)

 opdracht in de tempel 3

 

      Jezus zei tegen de joden: “Breek deze tempel maar af, en Ik zal hem in drie dagen weer opbouwen…Hij sprak over de tempel van zijn lichaam” (Joh 2,21)… Sommige mensen denken dat het onmogelijk was om op het lichaam van Christus alles toe te passen wat over de tempel is gezegd. Zij denken dat zijn lichaam tempel werd genoemd omdat, evenals de eerste Tempel bewoond werd door de glorie van God, zo ook de Eerstgeborene van alle schepselen het beeld en glorie van God is (Kol 1,15) en dat het dus klopt als zijn Lichaam, de Kerk, de tempel van God wordt genoemd, omdat dit het beeld van God bevat… Wij hebben van Petrus begrepen dat de Kerk zijn lichaam is en het huis van God, gebouwd met levende stenen, een geestelijk huis voor een heilige priesterschap (1P 2,5).

  Zo kunnen we ook naar Salomo, de zoon van David die de Tempel had gebouwd, kijken als een voorafbeelding van Christus: na de oorlog, toen er grote vrede heerste, heeft Salomo een tempel voor de glorie van God gebouwd in het aardse Jeruzalem… Totdat alle vijanden van Christus “onder zijn voeten gelegd zijn. En de laatste vijand die uitgeschakeld wordt, is de dood” (1Kor 15,25-26). Dan zal de vrede volmaakt zijn. En Christus zal dan Salomo zijn – deze naam betekent “vredelievend”- en in Hem zal deze profetie vervuld worden: “Te lang reeds woon ik bij wie de vrede haten; ik ben een en al vrede” (Ps 120, 6-7). Dan zal elke levende steen, naar de verdiensten van zijn huidige leven, een steen van de tempel zijn. De één een apostel of een profeet die geplaatst is in de fundamenten, zal de stenen die op hem geplaatst zijn dragen. Een ander, die na degenen komt die het fundament vormen, wordt zelf gedragen door de apostelen, en draagt met hen de meest zwakken. De één zal een steen helemaal in het midden zijn, daar waar zich de ark met de cherubijnen en de offerplaats bevinden (1 Kon 6,27); een ander een steen in het voorportaal (v.3). Weer een ander buiten het voorportaal van de priesters en de levieten, zal een altaarsteen zijn waar de offerandes van de oogst gehouden worden… Hoe het met het gebouw verloopt, en de organisatie van de ambten, zal aan de engelen van God toevertrouwd worden, die heilige krachten die afgebeeld worden als de voormannen van de werken van Salomo… Dat alles zal zich vervullen wanneer de vrede volmaakt zal zijn, wanneer er een grote vrede zal heersen.

 Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

 

De vreemdeling

 DE VREEMDELING

 

ORTHODOX PERSPECTIEF

 

Deze uiteenzetting werd gegeven door Metropoliet Stephanos van Tallin naar aanleiding van een colloquium over migratie en integratie, georganiseerd door de raad van Christelijke Kerken van Estland.

Het bevat geen enkele originele tekst, maar is een compilatie van meerdere hedendaagse orthodoxe documenten in het Frans. Dit om aan te tonen dat er op dit vlak een algemene consensus bestaat bij orthodoxen van verschillende afkomst.

« In onze geseculariseerde beschaving waar iedereen de neiging heeft om geïsoleerd te leven met het doel om zich te beschermen tegen alle omringende onzekerheden, is het evident dat de vreemdeling slechts het object kan worden van een bijzonder wantrouwen. Zelfs al wordt hij niet met vijandschap bejegend, dan stoot hij toch op een kille onverschilligheid die hem dreigt te marginaliseren in een maatschappij die voor hem gesloten blijft.

Nochtans is de vreemdeling, de geëmigreerde de gestalte bij uitstek van de bijbelse mens, van het kind van Israël, maar ook, wat we maar al te vaak vergeten, van de christen op weg naar het Koninkrijk. De Apostel Petrus zegt het niet anders wanneer hij schrijft : Geliefden, ik vermaan u als pelgrims en vreemdelingen, u verre te houden van de vleselijke lusten die strijd voeren tegen de ziel (1 Petr.2,11). Ja, wij zijn allen vreemdelingen in deze wereld. Wij zijn allen als Abraham, die zijn land had verlaten zonder goed te weten waarheen hij zou gaan. Dit is de fundamentele act van het geloof : zich losmaken van zijn familie, om op weg te gaan naar het Koninkrijk.

Wij kennen allen de episode in de bijbel van de eik van Mamre en van de beroemde hospitaliteit van patriarch Abraham, die drie jonge vreemdelingen ontvangt. Het zijn engelen die hem in naam van God de geboorte komen melden van zijn zoon Isaac (Gen.18,1-8). Maar houden wij ook het vervolg goed voor ogen, namelijk, dat twee van dezelfde engelen  vervolgens naar Loth zouden gaan, waar ze het risico liepen om door de Sodomieten te worden gelyncht ?  en dit op het moment dat Loth hen zal voorstellen om hen zijn twee eigen dochters te geven om hen te doen afschrikken (Gen.19,9). Dit zal voor Paulus het voorwendsel zijn om te schrijven in zijn brief aan de Hebreeën : vergeet de gastvrijheid niet, want dank zij die gastvrijheid hebben sommigen zonder het te weten engelen ontvangen (Hebr.13,2).

Het respect, de eerbetuiging die wij aan de vreemdeling en de geëmigreerden verschuldigd zijn wordt in het Nieuwe Testament nog duidelijker onderlijnd. Christus zelf drukt zijn voorliefde voor de vreemdeling uit. Herinner u de genezing van de tien melaatsen die onder hen één samaritaan telde : Hij viel op zijn aangezicht neer voor Jezus’voeten, en dankte hem : en dat was de Samaritaan. Heeft men niemand anders terug zien keren dan deze vreemdeling alleen, riep Jezus uit (Lucas 17/18). Zo was het ook met het beroemde « ik was vreemdeling en gij hebt mij opgenomen » (Matt.25,35-45) » van de parabel over het laatste oordeel. Hier zien wij het criterium waarmee we zullen beoordeeld worden. Het criterium die onze intrede in het Koninkrijk zal bepalen zal onze gedraging zijn tegenover de misdeelden, in het bijzonder de vreemdeling.

Onze eeuwige bestemming hangt dus af van onze gedraging ten overstaan van de vreemdeling, die niets anders is dan een geëmigreerde want in elke vreemdeling is Christus verborgen. Ontvang de geëmigreerde ook aan tafel, dan ontvang je Christus zelf; de vreemdeling afwijzen is Christus afwijzen, want uw eeuwig leven hangt af van uw  gastvrijheid of uw vreemdelingenhaat.

Ons engagement mag niet alleen afhangen van een bepaalde moraal, een humanistische of politieke ideologie – hoe eerbaar ze ook mogen zijn – onze houding moet uitgaan van ons geloof. Dit geeft een andere betekenis aan onze daden. In de zojuist geciteerde parabel van het laatste oordeel waar Christus zegt : wat gij aan je naaste hebt gedaan, heb je aan Mij gedaan, stelt Jezus geen categorische imperarief, maar hij vereenzelvigt zichzelf met de arme, met de kleinsten onder Zijn broeders. Door hen te dienen, dienen wij God zelf.

Natuurlijk is er een limiet aan het aantal en de frequentie waarmee wij gasten aan tafel kunnen uitnodigen, of aan het aantal emigranten dat een land kan opnemen. Het is hier niet de kwestie om het onmogelijke te vragen, zelfs al leert de geschiedenis ons dat in vele gevallen het vooral gaat over de kwaliteit van de ontvangst en het respect voor het anders zijn van de andere. Daardoor wordt een land wat het is. Wanneer paulus zegt in de brief aan de Galaten (3,28) dat er geen Jood noch Griek meer is, geen man of vrouw, dan wil hij zeggen dat de Jood en de Griek, de man en de vrouw, blijven zoals ze zijn en zich niet bevinden in een staat van fusie, noch in een dominante staat. Allen zijn geroepen om te leven in een totale gelijkheid. Ik herinner hier aan de twaalf aanbevelingen die zijn voorgesteld door de vertegenwoordigers van de Kerken van gans Europa (Anglikanen, Protestanten en Katholieken) op 8 oktober 2004 te Brussel met als titel « naar een evenwichtige benadering in de europese politiek in verband met migratie en asiel ». Wij hebben hier te maken met een zeer goed document, vatbaar om onze evangelische en theologische benadering van de materie te doen vooruitgaan op een positieve manier.

Daarentegen, wat zeker mag en zelfs moet worden veranderd, is de mentaliteit, onze houding ten overstaan van de emigrant. En anderzijds is het hetzelfde voor hem die emigreert, want hij heeft niet alleen rechten. Hij heeft ook plichten en moet rekenschap geven daar waar hij ontvangen wordt.

Dit alles omdat elk schepsel geschapen is naar het beeld van God, anders gezegd : naar het beeld van de Drie-eenheid. Omdat de mens geschapen is naar het beeld van God kan de mens zich niet autonoom ontwikkelen maar slechts in relatie met anderen. « Wij zijn, schrijft Bisschop Kallistos Ware, geroepen om op aarde de beweging naar een gedeelde liefde voort te zetten, naar de wederzijdse gave van zichzelf, de solidariteit, de dialoog en de wederkerigheid. Op die wijze existeert hij eeuwig in de Drie-eenheid ». Mijn naaste is dus mijn broeder; het is hij die ik overal tegenkom ; die ik probeer uit te nodigen, maar hij laat zich niet doen. Hoever ik ook probeer te vluchten, hij haalt mij terug in, hij is daar, hij kijkt, hij stelt vragen, hij vraagt, hij smeekt, en meestal gebeurt dit zonder woorden.

Mijn naaste is ook hij die mij niet op mijn gemak doet voelen omwille van de hevigheid van zijn wanhoop. « Ik was vreemdeling en gij hebt mij opgenomen», « De Heer beschermt de vreemdeling»…

Het thema van de vreemdeling, herhalen we het nogmaals, is constant aanwezig in de Bijbel, in de psalmen en in het Evangelie. Hoe vele malen komen we in de Bijbel het « gij zult de vreemdeling liefhebben » niet tegen ? Zesendertig maal en wellicht zesenveertig of zesenvijftig maal ? wat heeft het uiteindelijk voor belang, want het essentiële is : op elk moment bij onze naaste een levendige relatie te proberen ontdekken, opdat hij in onze ogen niet meer diegene is « die ons wil bedriegen of wil profiteren van ons », maar een persoon die door God bemind wordt, een persoon rijk door zijn geschiedenis, zijn cultuur, zijn bewustzijn, zijn geloof, iemand die wij willen ontmoeten, leren kennen en dienen.

Dit alles leidt ons tot deze actuele vraag : hoe moeten wij de vreemdeling ontvangen ?

Het gaat er om in hem iemand te zien die vragende is, iemand die nood heeft aan iets, die in een kwetsbare situatie verkeert. Iemand die de beslissing om zijn land en familie te verlaten niet lichtzinnig genomen heeft, en die  zich hier bij ons bevindt als drager van een dubbele boodschap.

De eerste boodschap is dat de geëmigreerde vreemdeling zich bevindt in een situatie van materiële armoede. Wij hebben de roeping om dit appel au serieux te nemen, want het is het appèl dat Christus tot ons richt in het Evangelie : wat gij aan de armen gedaan hebt, dat hebt gij aan Mij gedaan. De tweede boodschap is, dat de vreemdeling ons uitnodigt om ons te verrijken met zijn aanwezigheid en zijn anders-zijn. Het Christendom is de religie van de relatie : relatie met God en relatie met de broeder. De andere is altijd verschillend. Dit verschil hindert ons en is soms onverdraaglijk,  maar het  kan ons ook rijker maken.  Saint-Exupéry schrijft in «Le Petit prince» : «Uw aanwezigheid maakt mij rijker». De vluchteling die in ons land aankomt kan ons rijker maken door zijn culturele verscheidenheid. Het is dus belangrijk dat wij deze gelegenheid niet laten voorbijgaan.

Vandaag, staat de mondialisering ons toe om niet alleen kapitaal, maar ook personen te verplaatsen. Het zou bijzonder onjuist zijn om de verplaatsing van kapitalen te aanvaarden zonder de vrije verplaatsing van personen, die juist omwille van hun verschillen het westen zouden kunnen helpen om een antwoord te geven op de echte vragen die zich stellen. Jacques delors zei dat Europa een ziel moet krijgen en dat Europa zich niet kan waarmaken op basis van een economische en juridische regeling. Europa moet een ziel krijgen, dat is evident. Maar dat is juist haar grote gebrek en daarvoor moet  zij zich inzetten.

Laten wij het doen, laten wij ons hart spreken, ons geweten, zoals de Barmhartige Samaritaan het gedaan heeft in het Evangelie. Laten we ons niet scheiden van hen onder onze broeders die de armsten zijn want wij weten niet op welke wegen van rechtvaardigheid, van waarheid, van vreugde en van liefde zij ons kunnen meevoeren.

Vrede, rechtvaardigheid, delen in de liefde : dit alles wordt ons duidelijk in de beproevingen die wij beleven als de meest constructieve waarden van deze mensheid die op zoek is naar meer menselijkheid. Er zijn zeker nog andere waarden in het innerlijke leven van de persoon. Maar de persoon is essentieel cummunio, zoals God communio is. Het is in deze communio dat de mens zich kan realiseren als beeld en gelijkenis van God, anders gezegd : als gedeïfieerde. En indien de mens als beeld van God, goddelijk is, dan zal hij het des te meer zijn indien hij zich te kennen geeft als beminde en beminnende.

Uit het Frans vertaald door Kris Biesbroeck

De teksten zijn genomen uit :

1. Cyrille Argenti: «N’aie pas peur»  Ed.du Cerf/Le sel de la Terre, Paris-Pully 2002,pp.288-296.

2. Revue SOP – Paris

a. n° 249/juin 2000 : Michel Evdokimov : «La trinité, force vivifiante au

         cœur de notre foi» pp.18-21

b. n° 240/juin 2000 : Tatiana Morozov : «Qui est mon prochain ?»pp.21-25.

c. n°256/mars 2001 : Thierry Verhelst : «Le sacrement du frère», pp.33-36.

d. n°265/Février 2002 : Michel Evdokimov :«Assayons de reconnaître le

Christ en tous ceux qui viennent vers nous», pp30-32.

e. n° 274/janvier 2003 : Georges Khodr : «Le dialogue suppose une osmose  créatrice à l’interieur des sociétés plurielles», pp.20-22.

 

Bezinning : Zij offerde van haar armoede alles wat ze heeft om van te leven

Heilige Paulinus van Nola (355-431), bisschop    
Brief 34, 2-4 : PL 61, 345-346

“Zij offerde van haar armoede alles wat ze heeft om van te leven

    

dyn001_original_345_494_pjpeg_2560599_36a356f88565f007f40a24cfb09f2a92

Herinneren we ons de weduwe, die uit zorg voor de armen, zichzelf vergat door alles te geven wat ze had om van te leven, door alleen te denken aan het enige komende leven, zoals de Heer zelf getuigt. De anderen gooiden er iets in van hun overvloed, maar zij, die misschien armer was dan de anderen – omdat haar hele fortuin bestond uit twee muntjes – zij was in haar hart misschien rijker dan de rijken. Ze keek slechts naar de rijkdom van de eeuwige beloning; verlangend naar de hemelse schatten, verloochende ze alles wat ze bezat, als bezit dat van de aarde kwam en wat tot de aarde zou terugkeren (Gn 3,19). Ze gaf wat ze had, om te bezitten wat ze niet zag. Ze gaf het vergankelijk bezit om onsterfelijk bezit te verwerven. Deze kleine arme vrouw was niet de voorziene en beschikbare middelen vergeten van de Heer om de toekomstige beloning te verkrijgen. Daarom heeft de Heer haar ook niet vergeten en de rechter van de wereld heeft van te voren zijn oordeel uitgesproken. Hij looft haar die Hij moet kronen op de dag des oordeels.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

29e zondag na Pinksteren, 15e na de Kruisverheffing

29e zondag na Pinsksteren, 15e zondag na de Kruisverheffing

 

Synaxis van de 70 apostelen

 

uit Lucas 10:

Daarna stelde de Heer tweeënzeventig anderen  – Andere handschriften lezen: ‘zeventig anderen’.

aan, die hij twee aan twee voor zich uit zond naar iedere stad en plaats waar hij van plan was heen te gaan. Hij zei tegen hen: ‘De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig; vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen. Ga op weg, en bedenk wel: ik zend jullie als lammeren onder de wolven. Neem geen geldbuidel, geen reistas en geen sandalen mee, en groet onderweg niemand. Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: “Vrede voor dit huis!” Als er een vredelievend mens woont, zal jullie vrede met hem zijn; zo niet, dan zal die vrede bij je terugkeren. Blijf in dat huis, en eet en drink wat men je aanbiedt, want de arbeider is zijn loon waard. Ga niet van het ene huis naar het andere. En als jullie een stad binnengaan en daar welkom zijn, eet dan wat je wordt voorgezet, genees de zieken die er zijn en zeg tegen hen: “Het koninkrijk van God heeft jullie bereikt.” 10 Maar als jullie een stad binnengaan waar je niet welkom bent, trek dan door de straten en zeg: 11 “Zelfs het stof van uw stad dat aan onze voeten kleeft, vegen we van ons af als aanklacht tegen u; maar bedenk wel: het koninkrijk van God is nabij!” 12 Ik zeg jullie: het lot van Sodom zal op die dag

 

synaxis van de 70 apostelen

 

 

 Lezingen :

 

2.Tim.4,5-8

5 Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle.

6 Want wat mij aangaat, reeds word ik als plengoffer geofferd en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur. 7 Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden; 8 voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad.

 

 

Evangelie :

Marcus 1,1-8

 

Johannes de Doper

1 Begin van het Evangelie van Jezus Christus.2 Gelijk geschreven staat bij de profeet Jesaja:

Zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg bereiden zal; 3 de stem van een, die roept in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn paden,4 geschiedde het, dat Johannes doopte in de woestijn en de doop der bekering tot vergeving van zonden predikte. 5 En het gehele Joodse land liep tot hem uit en alle inwoners van Jeruzalem, en zij lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan onder belijdenis van hun zonden. 6 En Johannes was gekleed met kameelhaar en met een lederen gordel om zijn lendenen, en hij at sprinkhanen en wilde honing. 7 En hij predikte en zeide: Na mij komt, die sterker is dan ik, wiens schoenriem ik niet waardig ben, nederbukkende, los te maken. 8 Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met de heilige Geest.

 

Het Woord van god in het leven en de zending van de Kerk

Het Woord van God in het leven en de zending van de Kerk

 

Door de Oecumenische Patriarch Bartholomeüs 1e

 

 Kopie (7) van Ba(rtholomeus

Op uitnodiging van de paus van Rome Benedictus XVI heeft de Oecumenische Patriarch Bartholomeüs 1e een toespraak gehouden voor de synode van de bisschoppen van de rooms-katholieke Kerk over het algemene  thema van deze vergadering ‘Het Woord van God in de zending en het leven van de Kerk’. Deze tussenkomst had plaats in de Sixtijnse kapel na de celebratie van de vespers

 

Wij geven hier de integrale tekst van de toespraak.

 

Uwe Heiligheid ! synodale Vaders !.

Ik ervaar een gevoel van nederigheid, maar ook van vreugde om uitgenodigd te worden door Uwe Heiligheid om het woord te voeren op de 12e algemene gewone vergadering van de bisschoppensynode. Een historische ontmoeting van bisschoppen van de rooms-katholieke Kerk uit de gehele wereld, en samengekomen op éénzelfde plaats om te mediteren over het « Woord van God» en om met elkaar te beraadslagen over de ervaring en de uitdrukking van dit Woord « in het leven en de zending van de Kerk» .

Deze vriendschappelijke uitnodiging van Zijne Heiligheid aan onze nederige persoon is een teken dat vol is van zin en betekenis – wij zouden zelfs zeggen : een historische gebeurtenis op zich. Het is immers voor de eerste keer in de geschiedenis dat de gelegenheid wordt gegeven aan een oecumenische patriarch om zich te richten tot een synode van de rooms-katholieke Kerk, en dus kan mede participeren aan het leven van de zuster-Kerk op een zo hoog niveau. Wij zien daarin de vruchten van het handelen van de Heilige Geest die onze Kerken leidt om onze wederzijdse relaties nauwer en dieper te maken.. Het gaat hier om een stap in het licht van onze volle communio.

Het is wel bekend dat de orthodoxe Kerk een ecclesiologisch belangrijk belang hecht aan het synodale systeem. Samen met de primauteit vormt de synodaliteit het bestuur van de Kerk en haar organisatie. Zoals de internationale gemengde Commissie voor de theologische dialoog die tussen onze kerken gevoerd wordt, in haar document van Ravenna het heeft gezegd : de onderlinge samenhang van de synodaliteit en het primaatschap doorkruist alle niveau’s van het leven der Kerk : lokaal, regionaal en universeel. Daar wij vandaag het voorrecht hebben om ons tot uw synode te richten, groeit onze hoop om eens de dag te mogen beleven waar onze twee Kerken het volledig eens zullen zijn over de rol van het primaatschap en van de synodaliteit in het leven van de Kerk. Daaraan is  onze theologische commissie hard aan het werken.

Evangelisering en oecumenische dialoog

Het thema dat deze bisschopssynode heeft gekozen  heeft een  fundamentele betekenis, niet alleen voor de rooms-katholieke Kerk, maar ook voor allen die geroepen zijn  om in onze tijd van Christus te getuigen. De zending en de evangelisatie blijven een permanente plicht vormen voor de Kerk van alle tijden en overal. Zij maken deel uit van de natuur zelf van de Kerk omdat zij « apostolische » is, tegelijk in de zin van haar trouw aan de oorspronkelijke lering van de Apostelen, maar ook omdat zij het woord van God verkondigt in alle culturele verbanden en op elk moment. De Kerk moet dus het Woord van God herontdekken voor alle generatie en met vernieuwde kracht en overtuiging moet zij deze richten aan onze hedendaagse wereld, die in het diepste van haar hart dorst heeft naar Gods boodschap, een boodschap van vrede, hoop en liefde.

Deze plicht tot evangelisatie zou op een belangrijke wijze kunnen worden gewaardeerd en versterkt, indien alle christenen zich in een positie zouden bevinden van waaruit zij dit kunnen doen geleid door één stem en als een volledige herenigde kerk. In zijn gebed tot de Vader vóór zijn lijden heeft onze Heer klaar en duidelijk uitgedrukt dat de eenheid van de Kerk door en door verbonden is met Zijn opdracht « opdat de wereld gelove » (Joh.17,21). Het is dus gepast dat deze synode haar poorten heeft open gezet voor haar broederlijke gedelegeerden in een oecumenische geest. Zodat wij allen bewust zouden worden van onze gemeenschappelijke zending tot evangelisatie, maar ook van de problemen en moeilijkheden die aan de realisatie ervan verbonden zijn in de wereld van vandaag.

De fundamentele thema’s in het leven en de zending van de Kerk

Deze synode heeft zonder twijfel het thema van het Woord van God in de diepte en al haar aspecten bestudeerd, theologisch, praktisch en pastoraal. In onze nederige tussenkomst zullen wij ons beperken om met u enkele bedenkingen te delen over het thema van onze bijeenkomst, vertrekkend vanuit de manier waarop de orthodoxe traditie ze heeft benaderd in de loop der eeuwen en in het bijzonder vanaf de leringen van de griekse Vaders. Concreter, willen wij ons concentreren op drie aspecten van dit thema, te weten : het luisteren en de afkondiging van het Woord van God doorheen de Heilige Schriften, de contemplatie van het Woord van God in de natuur en boven alles in de schoonheid van de iconen en ten slotte, de ervaring en het aandeel van het Woord van God in de gemeenschap der heiligen en het sacramentele leven van de Kerk. Wij denken dat deze drie aspecten van groot belang zijn in het leven en de zending van de Kerk.

Wij zullen hierbij verwijzen naar een rijke patristieke traditie vanaf het begin van de 3e eeuw en die een  leer ontwikkeld heeft van de vijf spirituele zintuigen. Het Woord van God beluisteren, het Woord van God bemediteren en geraakt worden door het Woord van God zijn zovele spirituele manieren om het unieke goddelijk mysterie te ervaren. Steunend op het boek Spreuken – « Gij zult de kennis van Gods vinden »(2,5) – roept Origines van Alexandrië uit : « Deze zintuigen openbaren het zien in de contemplatie van de immateriële vormen : het gehoor voor de onderscheiding van de stem, de smaak voor het brood des levens te smaken, de reuk om de zachte spirituele parfums te waarderen, en de tastzin om het Woord van God te dragen dat begrepen wordt  door elk vermogen van de ziel ».

De spirituele zintuigen zijn op verschillende manieren beschreven – als de « vijf zintuigen van de ziel », of als de « goddelijke eigenschappen », en zelfs als « eigenschappen van het hart » of « van de geest ». Deze leer heeft de theologie van de Capadociërs  (vooral Basilios de Grote en Gregorios van Nyssa) geïnspireerd, evenals de theologie van de woestijnvaders (in het bijzonder Evagrius Ponticus en Macarios de Grote).

Het Woord van God beluisteren en verkondigen doorheen de Schrift

Tijdens elke celebratie van de liturgie van de heilige Johannes Chrysostomos, bidt de celebrant « opdat wij waardig mogen zijn te luisteren naar het heilig Evangelie ». Waarom ? « wat wij hebben gehoord,en wat wij met onze  ogen hebben gezien, wat we mochten aanschouwen en onze handen mochten betasten met betrekking tot het Woord des Levens »(1 Joh.1,1) behoort op de eerste plaats en boven alles niet tot één van onze eigenschappen of een aangeboren recht dat wij zouden hebben als menselijke wezens. Het is een voorrecht en een gave die wij ontvangen als kinderen van de levende God. De christelijke Kerk is voor alles een Kerk gegrondvest op de heilige Schriften. Zelfs als de wijzen van interpreteren kunnen veranderen van de ene kerkvader tot de andere, van de ene  school tot de andere, in het Oosten of het Westen, de Schriften komen altijd tot ons als een levende realiteit en niet als dode letter.

Zo is in de context van een levendig geloof de Schrift het getuigenis van een levende geschiedenis, van de relatie tussen de levende God en een levend volk. Het Woord « dat door de profeten gesproken werd » (Geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel), is gesproken met het inzicht beluisterd en gevolgd te worden. Het gaat vooreerst over een mondelinge en directe communicatie gericht tot de mensen, bestemd voor de mensen. De geschreven tekst is dus ervan afgeleid en ondergeschikt; de geschreven tekst staat altijd ten dienste van het gesproken woord. Deze wordt niet op een mechanische wijze overgebracht maar gecommuniceerd van geslacht tot geslacht als het levende woord. Door de mond van de profeet Isaïas belooft de Heer : « Want zoals regen en sneeuw uit de hemel vallen, en daar niet terugkeren, zonder de aarde te drenken (…)Zo is het ook met het woord uit mijn mond : niet ledig keert het tot mij terug » (Isaïas 55,10-11).

Meer nog : zoals de heilige Johannes Chrysostomos het uitlegt, toont het goddelijk Woord ons een diepe beschouwing over de diversiteit van de personen die het beluisteren en het ontvangen, en ook hun culturele contexten. De aanpassing van het goddelijk Woord aan de specifieke mogelijkheden en aan de bijzondere culturele context van ieder persoon toont ons de missionaire dimensie van de Kerk, geroepen om de wereld om te vormen door het Woord. In de stilte, evenals in de verkondiging, in het gebed evenzeer als in de actie, richt het goddelijk Woord zich tot de ganse wereld – « Maak alle volkeren tot mijn leerlingen » (Matt.28,19) – zonder enig voorrecht op het gebied van ras, cultuur, sexe of sociale status. Wanneer wij deze goddelijke zending volbrengen, dan kunnen we met zekerheid zeggen : « Zie ik blijf altijd bij u, tot aan het einde der wereld » (Matt. 28,20). Wij worden geroepen om het goddelijk Woord te verkondigen in alle talen : « Voor allen ben ik van alles geworden, om met alle middelen enigen te redden » (1 Kor. 9,22).

De Kerk in dienst van de sociale rechtvaardigheid

Bovendien, als leerlingen van het Woord van God moeten wij vandaag meer dan ooit een uitzicht bieden, over de grenzen van de sociale, politieke of economische orde heen, aan de noodzaak om de armoede uit te roeien, om  het evenwicht te bevorderen in een globaliserende wereld, om het fundamentalisme en het racisme te bestrijden en een religieuze tolerantie te ontwikkelen in een wereld in conflict. Door te antwoorden op de noden van de armen, de meest kwetsbaren en de marginalen van deze wereld, bepaalt de kerk haar grenzen ten overstaan van een globaliserende wereld. Alhoewel de theologische en spirituele taal verschilt van het technisch en economisch vocabularium, bezwijken de hinderpalen, die op het eerste gezicht religieuze bezorgdheden zijn ( zoals de zonde, het heil en de spiritualiteit), en de pragmatische (zoals de handel, de zaken en de politiek) voor de veelvuldige uitdagingen van de sociale rechtvaardigheid en de mondialisatie, want ze zijn niet ontoegankelijk.

Of dit nu  het leefmilieu, de vrede, de armoede of de honger, de opvoeding of de gezondheidszorg betreft, wij zien vandaag dat er hierover een grote gemeenschappelijke bezorgdheid en verantwoordelijkheid bestaat die op een bijzondere manier wordt ervaren, zowel door gelovigen als door niet gelovigen.

 Ons engagement zal niet verminderen noch ongedaan gemaakt worden omwille van de bestaande verschillen tussen disciplines of door meningsverschillen met hen die de wereld op een andere wijze voor ogen houden. Niettemin zijn de groeiende tekenen van een gemeenschappelijk engagement voor het welzijn van de mensheid en het leven van de wereld zeer bemoedigend. Deze ontmoeting van personen en instituties beloofd veel goeds voor de wereld. Dit engagement onderstreept de hoge roeping en de zending van de leerlingen en medestanders van het Woord van God, die erin moet bestaan hun politieke en/of religieuze verschillen te transcenderen om zo de zichtbare wereld om te vormen tot eer van de onzichtbare God.

Het Woord van God beschouwen

De onzichtbare is nooit zichtbaar geweest, tenzij in de schoonheid van de iconografie en de wonderwerken van de schepping. Volgens de woorden van de voorvechter van de heilige beelden, de heilige Johannes van Damascus, « als maker van hemel en aarde, was God het Woord de eerste om iconen te schilderen en voor te stellen ». Elke trek met het penseel in de iconografie – zoals elk woord in een theologische definitie, elke noot van een psalmzang of elke steen gebeiteld in een kapel of een grote kathedraal – drukt het goddelijk Woord uit in de schepping. Het is als een lofprijzing aan God doorheen elk levend wezen en alles wat ademt (cf. Psalm 150,5).

Toen de verering van de iconen terug in ere werd hersteld, interesseerde het 7e oecumenische concilie van Nicea zich niet voor de religieuze kunst : het was eenvoudigweg de bevestiging van de eerste bepalingen van de volheid van de menslijkheid van het Woord van God. Iconen zijn een zichtbare herinnering aan onze goddelijke roeping; zij nodigen ons uit, om ons te verheffen boven onze onbeduidende bezorgdheden en de dwingende vragen van deze wereld. Zij moedigen ons aan om het buitengewone te zoeken in het zeer eenvoudige, om ons te vervullen met dezelfde verwondering die ook de goddelijke verwondering in Genesis karakteriseerde : « God zag alles wat Hij gemaakt had : het was goed » (Gen.1,30-31). Het griekse woord (in de Septuagint) voor « goedheid », kallos impliceert – ethymologisch en symbolisch – een « appèl » . De iconen onderlijnen de fundamentele zending van de kerk die erin bestaat dat alle personen en alle dingen geschapen en geroepen zijn om ‘goed’ en ‘mooi’ te zijn.

De schoonheid van de iconen en van de natuur

De iconen doen ons de dingen op een andere manier zien, een andere manier ook om de realiteit te beleven, een andere manier om de conflicten op te lossen. Wij worden uitgenodigd om te aanvaarden wat de hymnologie van de zondag van Pasen noemt « een andere wijze van leven ». Want wij hebben een arrogante en misprijzende houding gehad tegenover de natuurlijke schepping. Wij hebben geweigerd om het Woord van God in de oceanen van onze planeet te zien, in de bomen van onze continenten, en in  de dieren die onze aarde bevolken. Wij die « deelgenoten willen worden aan de goddelijke natuur »(2 Petrus 1,4), hebben verzaakt aan onze eigen natuur die ons oproept om ons voldoende te buigen over het Woord in de schepping. Hoe kunnen wij de grote gevolgen van het goddelijk Woord dat vlees geworden is negeren ? Waarom hebben wij niet gemerkt dat de geschapen natuur in het verlengde ligt van het lichaam van Christus ?

De  oosterse theologen stellen altijd de kosmische dimensies in het licht van de goddelijke incarnatie. Het geïncarneerde Woord is wezenlijk in de schepping, ontsproten door een goddelijke tussenkomst. De heilige Maximos de Belijder legt de nadruk op het feit dat het Woord van God in alle dingen aanwezig is (cf. Koll.3,11), de goddelijke logos verblijft in het centrum van de wereld, aldus  zijn eerste en ultieme doel mysterievol openbarend (1 Petrus 1,20). Dit mysterie wordt bechreven door Athanasius van Alexandrië. « De Logos wordt door geen enkel ding duidelijk naar voor gebracht  maar hij bevat alles. Hij is in alles en tegelijk is hij buiten elk ding (…)de eerst-geborene van de ganse wereld onder al zijn aspecten ». De ganse wereld is een proloog op het Evangelie van Johannes. En wanneer de Kerk de breedste dimensies van het Woord van God, de kosmische, niet herkent, en haar bezorgdheden beperkt tot de zuiver spirituele, dan verwaarloost zij haar voortdurende zending om aan God te vragen haar om te vormen – altijd en overal – , « in al de plaatsen waar zij zich bevindt » – in de verontreinigde Kosmos.

Het is niet  verbazingwekkend dat de zondag van Pasen, wanneer de paas- celebratie haar hoogtepunt bereikt, de orthodoxe christenen zingen : « Nu is alles vervuld van het goddelijk licht : de hemel, de aarde en alles op aarde. Dat de gehele schepping zich verheuge ». Elke authentische, « ernstige ecologie », is dus onverbreekbaar verbonden met de dieper liggende theologie : «zelfs een steen, schrijft Basilios de Grote, draagt het zegel van het Woord van God. Dat is waar voor een mier, een bij en een mug, de kleinste schepselen. Want hij ontvouwd de wijde oceanen en stelt de oneindige zeeën ten toon; en hij schept de holle angel van de bij». Basilios herinnert ons hier niet slechts aan de geringe rol van de mens in de wijdse en schitterende schepping van God, hij onderlijnt alleen onze centrale rol in het heilsplan van God voor de ganse wereld.

Het Woord van God aanvoelen en delen

Het woord van God «treedt buiten zichzelf in een eeuwigdurende extase’»(Denys de Areopagiet), zoekende met passie om « in ons te wonen » (Joh.1,14), opdat de wereld het leven in overvloed zou hebben (Joh.10,10). De barmhartigheid van God is wijdverbreid en verdeeld « om de voorwerpen van zijn weldaden te vermenidvuldigen » (Gregorios de Theoloog). God neemt al onze zwakheden op zich, « Hij die bekoord werd geheel op dezelfde wijze als wij, behoudens de zonde » (Hebr.4,15), om ons datgene te offeren wat van God is en om van ons goden te maken door de genade.«Voor U is Hij arm geworden, terwijl Hij rijk was, om U door Zijn armoede te verrijken » zegt de apostel Paulus (2 Kor.8,9), aan wie dit jaar juist werd toegewijd. Zo is het Woord van God : wij brengen het glorie en eer.

Het woord van God incarneert zich tenvolle in de schepping, vooral doorheen het sacrament van de eucharistie.  Het is dáár dat het woord vlees wordt en ons niet alleen toestaat het te horen en te zien, maar ook om het aan te raken met onze eigen handen, zoals de heilige Johannes het zegt (1 Joh.1,1), en van Hem een deel van ons lichaam en ons bloed te maken, volgens de woorden van de heilige Johannes Chrysostomos.

In de Heilige eucharistie is het beluisterde woord zowel gezien als gedeeld («koinonia»). Het is geen toeval indien in de eerste eucharistische documenten, zoals bijvoorbeeld in de Apocalyps en de Didachè, de eucharistie geassocieerd wordt aan de profetie, en de bisschoppen die haar celebreerden werden beschouwd als de opvolgers van de profeten (bijvoorbeeld, het martelaarschap van Polycarpus). De eucharistie werd reeds beschreven door Paulus (1 Kor.11) als de «verkondiger» van de dood van Christus en Zijn tweede komst. Het doel van de Schrift is fundamenteel de verkondiging van het Koninkrijk en de aankondiging van de eschatologische dingen. De eucharistie geeft ons een voorsmaak van het Koninkrijk en zij is, in deze betekenis, de verkondiging van het Woord bij uitstek. In de eucharistie worden het Woord en het sacrament slechts één realiteit. Het Woord houdt op «woorden» te zijn en wordt een persoon , die alle menselijke wezens en de gehele schepping incarneert.

De gemeenschap van de heiligen

en de sacramenten van het leven

Doorheen het leven van de Kerk, weerspiegelt zich de « kenose » (de leer dat Christus Zijn goddelijke gestalte heeft afgelegd om mens te worden) en de communio met het woord van God in de levens van de heiligen als de voelbare menselijke ervaring van het woord van God in onze samenleving. Op die wijze, transformeert zich het woord van God in het lichaam van de gekruisigde en verheerlijkten Christus.  Daaruit volgt dat de heiligen een organische relatie vormen met de hemel en de aarde, met God en met de ganse schepping. In de ascetische strijd, verzoend de heilige het Woord en de wereld. Door het berouw en de zuivering, is de heilige vervuld – zoals Abba Isaac de Syriêr- van medelijden voor elk schepsel, wat overeenkomt met de nederigheid en de uiterste volmaaktheid.

Het is daarom dat de heilige met vurigheid en een onvoorwaardelijke en onweerstaanbaar aanzien bemint. Doorheen de heiligen kennen wij het Woord zelf van God, omdat – zoals de heilige Gregorios Palamas het bevestigt – « God en zijn heiligen dezelfde glorie en dezelfde  glans delen ». In de discrete aanwezigheid van een heilige leren wij hoe de theologie en de actie samenvallen. In de medelijdende liefde van de heilige, ervaren wij God « onze Vader » en de barmhartigheid van God  als « onwankelbaar blijvend »(Psalm 135,70). De heilige wordt verteerd door het vuur van Gods liefde : daarom deelt de heilige de genade mee en kan hij niet de minste manipulatie of misbruik in de maatschappij of de natuur aanvaarden. De heilige doet eenvoudigweg dat wat « goed en juist » is (Liturgie van de heilige Johannes Chrysostomos), door de mensheid altijd haar  waardigheid te geven en door de schepping te eren. « Zijn woorden hebben de kracht van de daad en zijn stilte de macht van een redevoering » (heilige Ignatios van Antiochië).

En in de gemeenschap der heiligen is iedereen geroepen om « als vuur te worden » (Apophtegmen van de woestijnvaders), om zo de wereld te raken door de mystieke kracht van het Woord van God. Dit op zo een wijze dat – zoals Christus aan het Kruis – de wereld ook zou kunnen zeggen : « Iemand heeft mij geraakt ! » (cf. Matt.9,20).Het  kwade kan slechts uitgeroeid worden door de heiligheid, en niet door hardheid. En de heiligheid brengt in de maatschappij een zaadkorrel die geneest en ons omvormt. Verrijkt door het leven der sacramenten en de zuiverheid van het gebed, kunnen wij dieper doordringen in het mysterie van het Woord van God.  Het is zoals met de tektonische platen van de aardkorst : de diepste lagen moeten slechts enkele millimeter bewegen om de oppervlakte van onze planeet doorheen te schudden. Maar opdat dergelijke spirituele revolutie zou plaatsvinden, moeten wij eerst de ervaring hebben van een radicale ommekeer « een metanoia » – een bekering van onze  gedragingen, gewoontes en daden – want zo gebruiken wij het Woord van God slecht of misbruiken wij de gaven van God en de schepping van God.

De bekering van de harten en het sacrament van de broeder

Zo een bekering is zeker onmogelijk zonder de goddelijke genade ; men bereikt ze niet door de grootst mogelijke inspanning te leveren of met de menselijke wil. « Voor de mensen is het onmogelijk, maar voor God is alles mogelijk »(Matt.19,26). De spirituele verandering heeft plaats wanneer onze lichamen en onze zielen gegrift zijn op het levende Woord van God, wanneer onze cellen de levendige bloedstroom bevatten die voorkomt van de sacramenten, wanneer we openstaan om alles met allen te delen. Zoals ons de heilige Johannes Chrysostomos eraan herinnert, kan  het sacrament van « onze naaste » niet gescheiden worden  van het sacrament van het « altaar ». Ongelukkiglijk zijn wij de roeping om te delen vergeten, samen met de verplichting die er uit voortvloeit. De sociale ongerechtigheid en de onwettelijkheid, de armoede in de wereld en de oorlog, de vervuiling en de ontaarding van ons leefmilieu vloeien voort uit onze onbekwaamheid of ons tekort aan wil om te delen. Als wij zeggen dat wij het sacrament van het altaar bezitten, dan kunnen wij niet verzaken aan het sacrament van onze naaste, of het vergeten, want het vertegenwoordigt een fundamentele voorwaarde voor de realisatie van het Woord van God in de wereld, in het leven en in de zending van de Kerk.

Dierbare broeders in Christus, wij hebben de leer van de kerkvaders onderzocht naar hun spirituele betekenis door de kracht te analyseren van het beluisteren en het uitspreken van het Woord van God in de Schriften, om het Woord van God te zien in de iconen en in de natuur, alsook om het Woord van God aan te voelen in de heiligen en de sacramenten. Welnu, opdat wij trouw zouden blijven aan het leven en de zending van de Kerk, moeten wij persoonlijk getransformeerd worden door dit Woord. De Kerk moet als een moeder zijn, die gedragen wordt door wat zij eet, maar die, tezelfdertijd, voedt doorheen het voedsel. Zonder voedsel kunnen wij het niet volhouden. Wanneer de wereld de vreugde van de verrijzenis van Christus niet deelt, dan is dat een aanslag op onze rechtschapenheid en ons engagement om het Woord van God te beleven. Voor de celebratie van elke liturgische liturgie, bidden de orthodoxe christenen dat dit Woord zou « gebroken en geconsumeerd, uitgedeeld en gedeeld» worden in de communie. En  «wij weten allen,dat wij gegaan zijn door de dood naar het leven, omdat wij onze broeders » en zusters liefhebben (1 Joh.3,14).

«De wereld transfigureren in het licht van de verrijzenis »

De uitdaging waarmee wij worden geconfronteerd is de onderscheiding van het Woord van God ten overstaan van het kwaad, de transfiguratie van de minste detail en van alle dingen van deze wereld in het licht van de Verrijzenis. De overwinning is reeds aanwezig in het diepste van de Kerk, elke keer dat wij de ervaring mogen ondervinden van de genade van de verzoening en de communio. Dat ieder van ons strijde – in zijn het diepste van zijn hart en in de wereld – om de kracht van het Kruis te herkennen, dan beginnen wij het feit te erkennen dat elke daad van rechtvaardigheid, elke vonk van schoonheid, elk woord van waarheid gelijdelijkaan de schors van het kwaad kan wegnemen. Over de grenzen heen van onze zwakke inspanningen, hebben we nochtans de verzekering van de Geest die « onze zwakheden tegemoet komt » (Rom.8,26), en aan onze kant blijft om ons te verdedigen en te «versterken » (Joh.14,16). Dit, door ons « om te vormen , zoals de heilige Symeon de Nieuwe Theoloog het zo kernachtig uitdrukt over alles wat het Woord van God ons zegt over het Rijk Gods : parel, mosterdzaadje, gist, water, vuur, brood, leven en mystieke bruiloftskamer ».

Zo is de kracht en de genade van de Heilige Geest, die wij bij wijze van conclusie aanroepen tijdens deze tussenkomst, aan Uwe heiligheid onze dankbaarheid uitdrukkend, als ook aan iedereen van jullie hier aanwezig, met onze zegen : Koning van de hemel, Trooster, Geest der Waarheid, Gij die overal tegenwoordig zijt en allen vervult, schatkamer van alle goeds schenker van het leven, kom en verblijf in ons, zuiver ons van alle smet en redt onze zielen. Gij die  goedheid zijt en  de samenleving liefhebt. Amen.

Vertaling : Kris Biesbroeck