14e zondag na Pinksteren – sluiting van het feest van de Kruisverheffing

14e zondag na Pinksteren

Sluiting van het feest van de Kruisverheffing

 

 

Kruisverheffing 36 (300 x 434)

 

Lezingen

2 Kor.1,21-2,4 :

   Ik had mezelf dus voorgenomen u niet opnieuw zo’n verdrietig bezoek te brengen. Want als ik u verdriet doe, wie moet mij dan blij maken? Toch alleen u – en u zou nu juist verdriet door mij hebben.  Dat is ook precies wat ik u geschreven heb: ik wilde niet dat ik bij mijn bezoek verdriet van u zou hebben, terwijl u mij juist blij had moeten maken. En ik had er alle vertrouwen in dat u allen in mijn vreugde zou delen.  Toen ik u schreef was ik terneergeslagen en bedrukt en stonden de tranen in mijn ogen. Ik wilde u geen pijn doen, maar u laten weten hoezeer ik u liefheb.

Evangelie :

Matth.22,1-14

  Daarop vertelde Jezus hun opnieuw een gelijkenis: ‘Het is met het koninkrijk van de hemel als met een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. Hij stuurde zijn dienaren eropuit om de bruiloftsgasten uit te nodigen, maar die wilden niet komen.  Daarna stuurde hij andere dienaren op pad met de opdracht: “Zeg tegen de genodigden: ‘Ik heb een feestmaal bereid, ik heb mijn stieren en het mestvee laten slachten. Alles staat klaar, kom dus naar de bruiloft!'”  Maar ze negeerden hen en vertrokken, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel.  De overigen namen zijn dienaren gevangen, mishandelden en doodden hen.  De koning ontstak in woede en stuurde zijn troepen eropaf, hij liet de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken.  Vervolgens zei hij tegen zijn dienaren: “Alles staat klaar voor het bruiloftsfeest, maar de gasten waren het niet waard genodigd te worden.  Ga daarom naar de toegangswegen van de stad en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt.” De dienaren gingen de straat op en brachten zo veel mogelijk mensen samen, zowel goede als slechte. En de bruiloftszaal vulde zich met gasten voor de maaltijd.  Toen de koning binnenkwam om te zien wie er allemaal aanlagen, zag hij iemand die zich niet in bruiloftskleren gestoken had,  en hij vroeg hem: “Vriend, hoe ben je hier binnengekomen terwijl je niet eens een bruiloftskleed aanhebt?” De man wist niets te zeggen.  Daarop zei de koning tegen zijn hofdienaars: “Bind zijn handen en voeten vast en gooi hem eruit, in de uiterste duisternis, waar men jammert en knarsetandt.  Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren.”‘

 

 

Kruisverheffing

(om de tekeningen te verkrijgen van alle twaalf grote Feesten van het Kerkelijk jaar)

KLIK op de tekening hierboven !!)

De Kerkelijke moderniteit als vernieuwing van de Traditie

DE  KERKELIJKE  MODERNITEIT

ALS VERNIEUWING VAN DE TRADITIE

Vader Marc-Antoine COSTA DE BEAUREGARD

 

 kerken 3

Naar aanleiding van de traditionele ontmoeting georganiseerd door de orthodoxe Fraterniteit van de parijse regio in het instituut Saint Serge, en in het kader van de Zondag van de orthodoxie, de 25e februari laatstleden, heeft Vader Marc-Antoine Costa De Beauregard een uitgebreide  reflexie gehouden over orthodoxie en moderniteit. In een eerste deel heeft hij het theologisch concept van de ‘moderniteit’ behandeld, een ‘synchronie’ van het eeuwige en het tijdelijke, waarvan Jezus Christus de icoon is, het Woord dat vlees geworden is. Hij heeft ons de moderniteit getoond als een vervulling van de Traditie, zich manifesterend zowel op het domein van de theologie, van de liturgie en van de icoon, als in de dagelijkse confrontatie met de problemen van onze tijd en als permanente vernieuwing van het leven.

Hij is frans priester behorend tot het metropolitaat van het patriarchaat van Roemenië in Zuid- en West-Europa . Vader Marc-Antoine Costa De Beauregard is vandaag rector van de franstalige parochie Saint-germain-et-Saint-Cloud te Louveciennes (Yvelines) en verantwoordelijke voor het dekenaat van de metropoliet voor Frankrijk. Hij is geaggregeerde in de letteren en auteur van een werk over Vader Dumitru Staniloaë (1903-1993), verschenen onder de titel Dumitru Staniloaë.”Durf te begrijpen dat ik je liefheb” (Editions du Cerf, 1983). Hij bereidt momenteel een doctoraatsthesis in de theologie voor aan het instituut Saint-Serge te Parijs.

{…} De moderniteit van de kerkelijke orthodoxie als vernieuwing van de Traditie manifesteert zich in onze tijd op verschillende manieren {…} De vernieuwing van het doop-charisma is de eerste schittering van de hedendaagse orthodoxie. De grote theologen van het juiste inzicht, speciaal Vladimir Lossky, hebben op een duidelijk nieuwe wijze de nadruk gelegd op het mysterie van de persoon of geschapen hypostase (dit was niet zo duidelijk uitgedrukt door de ouderen). Zo gaven zij, onder impuls van de Geest, het ‘logisch’ fundament – conform aan de Logos , of het Woord van God – voor een mooie theologie van de menselijke persoon en van een oorspronkelijk christelijk personalisme.Het tot zijn recht laten komen van de bijbelse en kerkelijke antropologie  is één van de grote gebeurtenissen van onze tijd en een opmerkelijk voorbeeld van de verdieping van de Traditie in het kader van de neo-patristieke theologie. Deze rijkdom is op eucharistische wijze uitgewerkt door de getuigen van de moderniteit van de orthodoxie zoals Paul Evdokimov, Olivier Clément, Vader Dumitru Staniloaë…..

 Een theologie van de communio van personen

 Echter, het is niet alleen in het geschreven of mondelinge getuigenis dat men in onze tijd een nieuwe waardering in de Kerk constateert voor de menselijke persoon .In het leven van onze kerk, in onze parochies, in onze monasteria, straalt de persoon ! Onze theologie is in de gemeenschap, daar is de orthodoxie, daar is haar moderniteit. Wij prijzen de toewijding voor de creativiteit, voor het engagement en voor het moedige spirituele getuigenis van zoveel leden van de orthodoxe  laos (=de gewone gelovigen): denken wij aan de stichters van de bewegingen voor jongeren, voornamelijk in de Kerk van Antiochië, aan de gangmakers van de orthodoxe Fraterniteit in West Europa, aan de  leke theologen die wij reeds vermeld hebben, en waaraan wij de namen van Elisabeth Behr-Sigel, zaliger gedachtenis, Christos Yannaras, Léonid Ouspensky en zoveel anderen moeten toevoegen….. Wij denken heel concreet ook aan de deelname, dikwijls zeer nederig en anoniem en nochtans zo persoonlijk, van leken binnen het parochiale leven, in de parochie-en bischoppelijke raden, voor hun inzet voor de dienst van de icoon, voor hun zending naar de zieken toe, in de gevangenissen, in de grote verenigingen die bloeien onder orthodoxe impuls of met hun actieve deelname – en dit in alle landen van een mondiaal geworden orthodoxie {…}

Het naar voor treden van de geschapen persoon en zijn onpeilbaar mysterie, in zijn goddelijk beeld, is de sleutel van de synchronie die wij moderniteit noemen. Het is de persoon die synchronieert, in de Heilige Geest .  Hij is het die het patrimonium, door Christus als Traditie aan  zijn Kerk heeft gegeven, actualiseert. Hij is, volgens Christos Yannaras , “de hypostatische vector van de waarheid en het leven”. Het is door de persoon, door de vragen die hij stelt in synchronie met de tijd (vragen over het gezin, het werk, de wetenschap en haar opzoekingswerk, over de techniek de sexualiteit, over de opvoeding, de bio-ethiek enz…) dat de orthodoxie beleeft wordt als moderniteit, voor de persoon zelf en voor allen van deze tijd waarmee zij in dialoog is. De persoon en zijn getuigenis is een moderne kracht van de orthodoxie, omdat de persoon een gemeenschaps-identiteit is,  hij is een kerkelijke identiteit, een  ‘kerkelijk zijn’, (être ecclésial), volgens de uitdrukking van metropoliet Jean (Zizioulas) – mens en vrouw van de kerk – een trinitaire identiteit door schepping en door het doopsel.

De bekering van de persoon

Wij spreken over de persoon, over de menselijke hypostase, die, op holistische wijze, ‘katholiek’ is, en die in volheid, getuigt van de orthodoxie als rechtmatige verheerlijking van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, alsook over Jezus Christus, waarlijk God en waarlijk mens.  Hij getuigt ook terzelfdertijd van de orthopraxie, de manifestatie van de Vader door het geïncarneerde Woord in  zijn  door de Geest geheiligde leden. Onze tijd is deze van een christendom van bekering : het is door de bekering van de persoon, in zijn unieke ontmoeting met de goddelijke Persoon, dat het orthodoxe leven aangeduid kan worden als ‘een wijze van het trinitaire leven'(mode de vie trinitaire), volgens de uitdrukking van Yannaras.

De persoon is de apophatische dimensie van het menselijk zijn ten overstaan van het beeld van de drieene God, tri-hypostatisch . Hij is een absolute identiteit in communio met andere personen. De ‘persoon’ is het gelaat dat gekeerd is naar een ander van deze identiteit. De  ‘hypostase’ is de onpeilbare diepte van het zelf. Zij valt niet samen, noch met de ziel, noch met gelijk welk deel van de natuur. De persoon transcendeert de natuur en diegene die het kan ontroeren. Hij overstijgt ook het leven en de dood. De orthodoxe theologie van onze tijd (met hen die we hebben vermeld, vergeten wij nooit de griekse theoloog Panaïotis Nellas in
Le vivant divinisé’ {Cerf,1989}. Hij heeft het in al haar nieuwheid  op de voorgrond geplaatst. Vader Dumitru Staniloaë – en hij is niet de enige – heeft benadrukt, dat de oorsprong van de persoon of geschapen hypostase het werk is van de Heilige Geest : de functie van de menselijke persoon is dus duidelijk de moderniteit van de menswording van het Woord in verband  te brengen met de actuele omstandigheden van de  tijd. Het getuigenis van de gedoopte persoon  behoort dus in hoge mate toe aan het pneumatologisch register van de moderniteit. De ervaring van de moderniteit door de ware verheerlijking van de Heer is slechts mogelijk in de Heilige Geest; wanneer de Geest zich van ons verwijdert, zien we slechts oppervlakkigheid in de wereld en in de Kerk,. Dan overvalt ons opnieuw de angst. De apostolische durf verdwijnt uit ons.

De liturgische vernieuwing en de liefde voor de schoonheid

Brengen wij heel in het bijzonder dank aan God voor het opnieuw herwaarderen van het priesterschap van het volk, het doop-priesterschap, waarin we man of vrouw niet meer onderscheiden, enkel personen die anticiperen aan het koninkrijk, en dat zich manifesteert in een echte traditionele liturgie. Hier hebben we een voorbeeld van moderniteit in de betekenis van het opnieuw actueel stellen van de Traditie door de Heilige Geest in een gegeven periode.De con-celebratie van de leken opwekken, onderrichten en leiden in de kerkelijke celebratie is juist geen modernisme {…} De moderniteit openbaart zich als verjonging : men her-ontdekt op die manier de genade om deel te nemen aan de regelmatige eucharistie, met een passende voorbereiding die in overeenstemming is met een  eucharistische houding die de heilige apostelen en de heilige Vaders waardig is. Herontdekken dat de goddelijke liturgie essentieel het mysterie van communio is, en van de Kerk als communio van de gedoopten met de Heer en  van de gedoopten onder elkaar, is één van de grote verwezenlijkingen van de orthodoxie in onze tijd.{…} Men is het verschuldigd aan de theologen en priesters van onze tijd, de vaders Nicolas Afanassieff en Alexander Schmemann, om slechts deze te vernoemen. {…}

Wat betreft de liefde voor de schoonheid : het voorbeeld  van de moderniteit is ons gegeven door de iconografische vernieuwing van onze tijd.  Wij hebben de moed gevonden om langzaamaan de heterodoxe beelden te vervangen door beelden van de goddelijke en heilige aanwezigheid die charismatisch verbonden zijn met de inspiratie van de heilige iconografische martelaren van de Kerk. De iconografische scholen bloeien op onze planeet in een patristieke geest – misschien niet altijd, maar toch  zeer dikwijls ! – in alle landen waar de orthodoxie leeft, niet alleen in Thessaloniki, maar ook in Rusland, in Japan. De icoon, het embleem van de moderniteit van de orthodoxie en van het mensgeworden Woord zelf, wij hebben het reeds gezegd, is in de moderne wereld aanwezig in haar  stilzwijgend getuigenis en ze redt ons ! Zij is niet altijd een voorzichtige copie van een antiek model dat ons overgeleverd werd door de Traditie : wanneer Leonide Ouspensky de aanwezigheid van de Heilige Genevieva heeft geschilderd, heeft hij  niet alleen een nieuwe icoon geschilderd, maar hij schilderde over de grenzen van elke stijl heen, in de enige iconografische ernstige cultuur, die deze is van de ontmoeting.{…} In het monasterie van Sint Jan de Doper in Engeland kan men eveneens het schilderij van de Kerk zien in al haar nieuwheid, die zowel de byzantijnse, de romeinse als de slavische stijl overstijgt : de icoon, in haar aan  de ouderen geïnspireerde canon , in al haar nieuwheid.

Theologische vernieuwing en neo-patristieke synthese

De orthodoxe theologische vernieuwing in onze tijd manifesteert zich door de herontdekking van het apophatisme en van de theologie zelf als ‘mystieke theologie’, de titel van een werk van Vladimir Lossky : noch God, noch de mens, noch zelfs de kosmos zijn objecten van onze kennis. Zij worden gekend in een poging tot vereniging, communio. De Geest  Parakleet, de voorspreker, herinnert er ons aan dat ons tijdperk voor de orthodoxie een tijd van vernieuwing is, niet alleen van de patristieke studies, maar van de patristieke theologie zelf. Het is wonderbaar om te kunnen vaststellen dat de traditie van de Vaders niet eindigt met de heilige Johannes van Damascus, hoe groot hij ook is. Zij zet zich nog steeds voort, met alle soorten  bochten, tot in onze gezegende tijd. Brengen wij hier hulde aan het instituut Saint Serge te Parijs {…}, aan de grote neo-patristieke  ‘moderne’ syntheses, ’t is te zeggen,van alle tijden en van deze tijd.

Wij bewonderen allen de immense synthese gerrealiseerd onder de inspiratie van de Heilige Geest, enzerzijds van Vader Justin Popovitch, servisch monnik, en van de andere kant van vader Dumitru Staniloaë, roemeens theoloog. Kennen wij voldoende deze realiteit, deze moderniteit van de orthodoxie. Kennen wij het enorme werk dat geleverd werd door vader Dumitu Staniloaë, en dit gedurende de communistische onderdrukking, door het publiceren van de Philocalie in het Roemeens, en om aan onze tijdgenoten een her-schrijving  aan te bieden van de dogmatiek van de heilige Vaders ? {…} Vermelden wij ook de prachtige geschriften over mystieke theologie, aan onze tijd gegeven door archimandriet Sophrony : in zijn modernheid, her-formuleert hij, doorheen zijn persoonlijke ervaringen als monnik van de Athosberg en spirituele zoon van een grote heilige voor onze tijd, Silouan de Athoniet, de geloofsbelijdenis van het fundamentele orthodox geloof, de verheerlijking van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Er is niets academisch bij hem :  Beleefde strengheid in de ontmoeting met de levende Christus. Theologie is iconologie.

Het nieuwe van de orthodoxie in onze tijd is een verantwoordelijkheid tegenover de goddelijke schoonheid van de geopenbaarde waarheid, de god-menselijke schoonheid van Jezus Christus het mensgeworden Woord, de goddelijke schoonheid van de geschapen persoon, de menselijke hypostase door de genade van het doopsel. Het is een ‘philocalische’ verantwoordelijkheid, geleid door de liefde voor de goddelijke schoonheid en voor de schoonheid van de goddelijke liefde voor elke hypostase, voor elke geschapen persoon, alsook voor alle schepselen zichtbaar en onzichtbaar {…}

“Het is in de confrontatie met het dagelijks leven dat Christus zich manifesteert door  de Heilige Geest”

In dezelfde zin manifesteert de kerkelijke moderniteit zich als welwillendheid, in het grieks aangeduide met hetzelfde woord als schoonheid. Het is in de confrontatie met de dagelijkse realiteit, dat de onzichtbare aanwezige Christus zich manifesteert door de Heilige Geest in het getuigenis van zijn  gedoopte leden. Zijn aanwezigheid is niet alleen zichtbaar door zijn ‘zeer zuivere icoon’, door het beeld van zijn heilige en levendmakend kruis en door de icoon van zijn heilige Evangelie, ter verering voorgesteld aan de gelovigen door het 7e oecumenisch concilie. Zijn icoon is ook evenzeer zichtbaar door de kerkelijke bijeenkomst, één in het gebed en in het geloofsgetuigenis. {…
}

De dagelijkse confrontatie met de onmetelijke moeilijkheden van onze tijd ( denken wij aan onze kinderen, die blootgesteld worden aan het beeld en aan een objectivering zonder voorgaande van de seksualiteit, denken wij aan de ontwrichting van de gezinnen, aan de banalisatie van de homoseksualiteit…), en weldra misschien aan het ongekende lijden welke de mensheid wellicht zal overkomen, vindt door de Heilige Geest, in het mensgeworden Woord, gans de moderniteit van zijn goddelijk medelijden ‘Wenen met hen die wenen’ is niet enkel een goddelijk voorschrift : het is een goddelijke daad, het is dat wat de God-mens doet, bijvoorbeeld voor de ziekte en de dood van zijn vriend Lazarus, voor de rouw van zijn vrienden Martha en Maria. Het medelijden ,zo mooi voor de christenen – het is een nieuwigheid die de Oudheid niet kende – voor de dood en voor het lijden van onze tijd (denken wij aan hen die zich inzetten voor de palliatieve zorgen van de stervenden) kan slechts zijn kracht putten uit de liefde van God voor alle mensen, vooral wanneer hij ziet in welk lijden zij zichzelf en anderen meesleuren.

Orthodoxe christenen hebben  door hun gedragingen  dit medelijden van het Woord, empatisch, synchroon met deze tijd, ‘ge-iconografieerd’. Wij denken natuurlijk aan heiligen die onlangs gecanoniseerd zijn, moeder Marie (Skobtsov) en haar gezellen martelaren :  zij hebben ;het lot van hun verdrukte en gemartelde broeders gedeeld. Door de Menswording  is elk menselijk wezen in Christus, zelfs al zijn ze nog niet door de genade van de Heilige Geest tot deze realiteit  opgewekt door een  persoonlijk geloof in Jezus : de medelijdenden geven in de schoot van de mensengemeenschap blijk van de mensheid zelf van de God-mens.  Zij doen dit door zich te plaatsen tussen de verdrukten en de verdrukker, door hun plaats in te nemen in de kampen waar verdrukt wordt, zij doen het eveneens door hun aanklacht tegen elke vorm van des-humanisering van de mens, door alles wat achterhaald is met betrekking tot de moderniteit van de Menswording, van de Verrijzenis, van Pinksteren en van het mysterie van de Kerk, verblijfplaats van het geincarneerde Woord in zijn wereld als Traditie, zoals vader Boris Bobrinskoy er ons nog onlangs aan herinnerde.

Het sacrament van de broeder als manifestatie van de actualiteit van Gods liefde voor allen.

Het geïncarneerde Woord verkondigt de moderniteit van een Koninkrijk die niet van deze wereld is,  en hij klaagt , soms met een profetisch en goddelijk geweld, alles aan wat deze voltooiing van het koninkrijk in de weg staat. ‘Uw Rijk kome !’, heeft hij ons geleerd te bidden tot de Vader. Maar het volstaat niet alleen om het te zeggen, te roepen en te zingen : Christus God doet het. Hij is het die dit gebed realiseert doorheen  gans zijn leven en gans zijn onverwoestbare tegenwoordigheid doorheen de geschiedenis. Door de transcendente eschatologie van het Koninkrijk van God te verheerlijken, weten wij goed , door de  Heilige Geest, dat de wereld waarin we leven er reeds het sacrament van is – ‘sacrament van de toekomst’- in  al zijn helderheid en doorzichtigheid, van de gekruisigde wereld door de zonde : de heiligen kondigen het licht aan van de komende eeuw, en zij bemerken het nu.reeds. Zij kondigen het reeds aan in het actieve medelijden, en in het ‘sacrament van de broeder’, waarvan de heilige Vaders spreken, en waaraan metropoliet Daniel van Moldavië onlangs nog  herinnerde naar aanleiding van een recent West-Europees orthodox congres. De sociale aanwezigheid, een aanwezigheid in de wereld van de man of de  vrouw van de Kerk, is een twijg in de heilige Wijngaard dat het Woord wordt genoemd ,het is een heilige moderniteit, een afstraling van de heiligheid van de gedeifieerde mensheid van het Woord.

Deze uitstraling van het goddelijk licht in het sociale, humanitaire, in één woord : broederlijk getuigenis van de christenen is vast geworteld in het sacrament en het ministerie van de Kerk. De gedoopte is een geconsacreerde, gewijd in het priesterschap van Christus door het doopsel, de zalving met chrisma en de eucharistie.  Zijn getuigenis in de wereld, de meest nederige dienst die hij gedaan heeft aan een ‘menselijke broeder’ zoals de dichter François Villon het zegt, in het hospitaal (het meest nederig bassin dat hij vervangt in een hospitaalbed…),in  de gevangenis, in de kampen, behoren tot de lijst van het priesterschap van de gedoopten. Het toont ons de actualiteit van de liefde van God voor allen, gelovigen of niet, gedoopten of niet, of ze God liefhebben of haten. ‘Het is aan mij dat je dit hebt gedaan’, zegt Christus. Hij kan evengoed zeggen : ik ben het die het gedaan heb voor U, door het ministerie van mijn Kerk waarvan gij de actieve leden zijt. Dit getuigenis dat in het verleden gebeurde en in onze tijd  nog gebeurt door de actieve deelname van orthodoxen aan gelijk welk soort van verenigingen voor de verdediging van de menselijke persoon (CIMADE,ACAT,enz…) is geworteld in de liturgische concelebraties van de gedoopten.. De moderniteit van de orthodoxie is dus het zich in beslag laten nemen door  Christus, in  Geest van de Vader ten dienste van de ziekte van ziel en lichaam. Wij kennen de rijkdom van het sacramentele gebed van de Kerk : niet alleen de zalving en het gebed om genezing, maar ook deze mooie smeekbede die aansluit bij de bekommernis van onze tijdgenoten voor wat betreft de euthanasie : deze waar de gelovigen, zich buigend voor de wil van God, hem vragen om de banden die ziel en lichaam van de stervende verbinden te verbreken, en zijn dienaar te laten gaan in vrede {…}

De moderne geest van de orthodoxie voelen wij goed aan. Het bestaat erin om in communio te treden met wat Christus , waarvan wij de ledematen zijn, heeft gedaan : Hij draagt de wereld, hij redt allen, hij draagt, zoals de Voorloper zegt, de zonden der wereld. Wanneer wij, met de zegen van onze bisschoppen, in het gebed van de Kerk een gebed invoegen voor deze of gene gebeurtenis die wij tegenkomen in onze wereld ‘gezien op de televisie’, dan doen we zoals Christus heeft gedaan.  Wanneer wij voor het kerkelijk gebed de namen van de levenden en doden aanbrengen, dan nemen wij deel aan zijn priesterlijke voorspraak. Dat is Christen zijn : in de Heilige Geest doen wat Christus heeft gedaan en nog doet om de wereld  te redden. De orthodoxe geest moet bezorgd zijn, niet om de leer, ideeën en waarden te doen triomferen, maar om het heil aan te kondigen voor zijn menselijke broeders, te beginnen met zichzelf, de eerste kleine broeder ! {…}.

Verrukt zijn en dank zeggen voor alles wat goed is en mooi

De moderniteit van de kerkelijke orthodoxie manifesteert zich nog door de lofprijzing ! De Kerk, het Volk van God, is een volk van celebranten, herhaalde Vader Aklexander Schmemann dikwijls. ‘Kom, vieren wij de Heer!’ zegt de heilige profeet David in zijn psalm. Wij prijzen Hem, wij loven Hem, wij zeggen Hem  dank, wij zegenen Hem voor alle zichtbare en onzichtbare weldaden , gekende en ongekende, dat elke dag en overal en op elk uur Hij het waardig moge vinden, in zijn onmetelijke barmhartigheid, Zijn onuitsprekelijke medelijden, Zijn&
nbsp; ondoorgrondelijke wijsheid en de rechtvaardigheid van Zijn oordelen, weldadig en gratis over ons, over onze naasten, over onze gemeenschappen, over gans Zijn Kerk, over de ganse wereld, over hen die geloven en over hen die niet geloven, over hen die u liefhebben en over hen die  Hem haten ! Zijn zegen uit te storten{…}

Getuige zijn  in gans de moderniteit van de kerkelijke orthodoxie,  is dus eveneens zich verwonderen over alles wat anderen als mooi en goed doen, want elke goede daad, elke perfecte gave, elke mooie en goede daad heeft zijn bron in de hemelse Vader. Hij is de bron van alle goed, zoals de heilige Jacobus zegt. Zelfs tegenover het Golgotha van deze wereld en van de Geschiedenis, waar Christus ‘in doodstrijd is tot aan het einde der tijden’, looft de gelovige de onvatbare wil van de Vader. Hij looft  de wil van de Vader  dikwijls tot tranen toe bewogen : in de doorschijnendheid van zijn tranen looft hij de onvatbare wijsheid en de onuitsprekelijke barmhartigheid van God ! Hij looft Hem in het mirakel, maar hij looft Hem ook in het lijden van onschuldige kinderen en in de doodstrijd, want hij weet door het geloof, dat zelfs in de hel Christus zich in zijn menselijkheid  aanwezig , actueel, synchroon met de verscheurde menselijke conditie stelt.

De bekommernis van de Kerk is om de moderniteit van de orthodoxie in de wereld, door middel van synchronisatie (=ons leven hier op aarde moet getoetst worden aan Christus’leven) te doen binnentreden, in zekere zin om hem te moderniseren in de geest van  Christus . Het is een kwestie van  een transfiguratie te ondergaan in de vrijheid die Christus  ons geeft. Onze bekommernis is , om in de moderniteit ook dezen te accepteren die uit de wereld komen : dat de Heer ons de moed geeft om ook hen waardig te achten door een waarachtig charisma van apostoliciteit ! {…}

De vertragingen in de moderniteit

{…}Mij moeten in alle eerlijkheid erkennen dat er vertragen zijn in de moderniteit van de kerelijke orthodoxie {…} Wij weten maar al te goed, dat de orthodoxie niet synoniem is met moderniteit, en dit niet omdat ze zich niet moderniseert, maar omdat ze nog altijd aan  haar eigen moderniteit niet volledig toe is{…} Het is de zonde die de moderniteit afremt. Wij weten dat de verrezen Christus in zijn zijde een gapende wonde draagt. Dit verheerlijkte lichaam, dat ons de toekomstige toestand van de verrezenen openbaart, bloedt nog altijd. Onze zonde onderhoudt deze blessure, waarvan de bloeding nochtans, en daar zijn we zeker van, de mensheid en de schepsels voedt. Deze wonde tekent het anachronisme van een leven dat nog altijd gevangen is door de zonde.

De tijd van bekering is nabij : laat ons orthodoxen worden, in de ganse kracht van dit woord ! {…} Laat ons vrijwillig verzaken, door een echte bekering,  aan het sektarisme waardoor wij opgesloten geraken in onszelf, om menselijke meesters te volgen. Laat ons verzaken  aan de geest van rivaliteit, van jaloersheid of van dominatie, dat de Heilige Efrem aanwijst in zijn mooi gebed dat gelezen wordt gedurende de vasten, laat ons verzaken aan  het integrisme (behoudsgezindheid) dat de ganse orthodoxie in zijn eenheid verduistert  en die agressiviteit veroorzaakt, laat ons verzaken aan  het traditionalisme dat de Traditie en de gewoonten die ook tradities worden genoemd, maar nog niet door  het kerkelijk geweten zijn goedgekeurd, met mekaar  verwart , laat ons verzaken  aan het modernisme, dikwijls gevoed door een slecht geweten of een minderwaardigheidsgevoel met betrekking tot andere christelijke gemeenschappen die meer op prestatie uit zijn, en uiteindelijk uitmonden in een secularisatie van de Kerk en de openbaring van haar leven en waarheid, laat ons verzaken aan het secularisme dat eigen is aan orthodoxen : nationalisme, ritualisme of formalisme. Laat ons verzaken aan de neiging om zijn talenten onder de grond te stoppen, en om datgene te doen voorkomen als oud en onbruikbaar wat nog zo jong is !{…}

Kerkelijke interesse voor projecten

De Kerk als plaats van zegen, blijft een plaats van de paasstrijd. Het Koninkrijk behoort toe aan de ontstuimigen, aan diegenen die zichzelf geweld aandoen en die met hartstocht verlangen naar het heil. Het berouw is een heftige terugkeer naar het leven en de zaligheid, ons aangeboden door de Schepper aan zijn schepsel . En het berouw is profetisch, want het zet aan om projecten te ontwikkelen. {…}

De moderniteit van de orthodoxie openbaart zich in de bekwaamheid om initiatieven en  creativiteit toe te juichen  in de maatschappij en in de eigen gemeenschap van gelovigen.  Haar project is alles wat goed is, waar en mooi, omdat de hemelse Vader er de bron van is. Laat ons het liturgisch en theologisch onderzoek en de creativiteit aanmoedigen. Dit is de rol van de theologische instituten in gans de wereld, alsmede van de parochiale en monastieke centra voor catechese en studie. Wij denken bijvoorbeeld aan de rol die gespeeld wordt door het monasterie van de ‘Protection-de-la-Mère-de-Dieu, te Solan , in de Gard (Frankrijk), voor wat betreft de reflectie en de christelijke ecologische praktijk. De jongerenbewegingen : het is zo goed deze te helpen ontwikkelen en te ondersteunen. Het zijn haarden van ideeën en creativiteit. Het hangt van de ouderen onder ons af om nooit de Geest te laten uitdoven.

Ook in de maatschappij handelt de Geest voor het goede, het mooie en het ware. De Kerk kan wellicht ook haar verantwoordelijken voor de wetenschappelijke cultuur vormen, opdat men zou weten waarover de mensen praten. Zij kunnen zich interesseren voor de ontdekkingen  en onderzoekingen, niet alleen  op het vlak van de bio-ethiek, zoals dit reeds gebeurt in het kader van het Institut Saint Serge, maar ook op andere domeinen van de cultuur – technologie, wetenschap, kunst… De Heilige Geest doet de ontdekkingen en de uitvindingen ontstaan. Paul Evdokimov schrijft dat ‘als de cultuur echt is, voortgekomen uit de cultus, dan herontdekt men haar liturgische wortels…De cultuur is in haar essentie het onderzoek in de Geschiedenis van datgene wat niet in de Geschiedenis kan gevonden worden, van datgene wat haar overstijgt en haar buiten haar limieten leidt’ (L’Orthodoxie, 2e ed.,Desclée de Brouwer, p. 314)

‘De eschatologische houding, is de fundamentele houding van de kerkelijke moderniteit’.

De Kerk ‘eschatologische gemeenschap’ en ‘ eschatologische bevestiging’, zal zijn rol als getuige spelen : zij getuigt voor alles wat nobel en geniaal is in de gemeenschap van de mensen, in afwachting van het Oordeel{…}In  de wereld waarin wij leven moet wij ons voorbereiden op aangrijpende ervaringen door een passionele gebruik van de vrijheid.  Toch is het  een enthousiasmerende wereld, de eerste civilisatie die wij kennen in de Geschiedenis die op de proef wordt gesteld omwille van de vrijheid.  Deze wereld laat elke dag nieuwe zaden voor interessante ideeën ontkiemen. Elke dag opnieuw beleven wij er ingrijpende veranderingen op het domein van de m
oraal en de kennis, wij leven in het tijdperk van de grote ethische en spirituele keuzes ( een jongere riep onlangs op om te ‘kiezen in het geloof’), men wil de hoogste vrijheid in de confrontatie met de dood.  De Kerkelijke tussenkomst, in haar moderniteit, bestaat erin om in deze wereld over God te getuigen, om de verdediging van God op zich te nemen, om voor hem te bemiddelen op het Laatste oordeel. {…}

Het gaat erom, de glorievolle terugkomst van de onzichtbare en toch aanwezige Christus voor te bereiden ‘met ons tot aan het einde van de wereld’. ‘Hij komt in glorie terug om  levenden en doden te oordelen’. ‘De eschatologische instelling is het fundament van de kerkelijke moderniteit’, volgens bisschop Athanase  van Herzegovina. {…}

De zending van de Kerk, in haar relatie met de wereld, bestaat er niet in om technieken bij te brengen, originele structuren. Haar zending is ‘het levende en profetische geweten van het drama van deze tijd te zijn'(Patriarch Ignace IV van Antiochië).{…} Laat ons kerkelijk leven, ‘eenvoudigweg : samen’ : in de parochie, in het gezin, in het monasterie. Laat ons  de aanmaning van Christus ernstig au serieux nemen :’ Indien uw broeder iets tegen u heeft…’ opdat wij elk schisma zouden vermijden en de kwetsuren  die bestaan  zouden genezen.  Wij moeten ons een eschatologische mentaliteit eigen maken, die ook  deze was van de eerste Christenen.

Het is voor ons persoonlijk duidelijk dat het leven volgens het orthodoxe geloof, naast en tegenover onze tijdgenoten, even paradoxaal is als dat van de eerste Christenen in de Antieke wereld : ook voor hen weerklonk het appèl om in de wereld te zijn, zonder te zijn van de wereld. Ook voor hen bestond de roeping erin om alles te her-interpreteren. Ook zij wisten dat zij op één of andere dag zouden geconfronteerd worden met het martelaarschap. Wij, die leven in de 21e eeuw, wij weten niet met welke enorme en nieuwe beproevingen de mensheid morgen of overmorgen zal geconfronteerd worden. Maar wij weten wel dat onze zending erin bestaat om te getuigen volgens het ware geloof in Jezus Christus ‘totdat Hij komt’. Wij weten dat wij datgene moeten doorgeven wat Hij ons heeft gegeven en Hem navolgen, niet als een vreesachtig verborgen talent  maar als een mooi talent dat het honderdvoudige teruggeeft. Er zal ons gevraagd worden wat we hebben gedaan met de Traditie die ons werd toevertrouwd, en wij hopen door Hem als zijn ‘welbeminden’ genoemd te worden. !

                                  banner 6

Uit SOP  318

Vrij vertaald door Kris B.

15e zondag na Pinksteren/Eerste zondag na de kruisverheffing

15e zondag na Pinksteren

1e zondag na de Kruisverheffing

 

 

Eerste lezing :

2 Kor.4,6-15

 De God die heeft gezegd: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen,’ heeft in ons hart het licht doen schijnen om ons te verlichten met de kennis van zijn luister, die afstraalt van het gezicht van Jezus Christus.

Het huidige leven en de toekomstige luister

 Maar wij zijn slechts een aarden pot voor deze schat; het moet duidelijk zijn dat onze overweldigende kracht niet van onszelf komt, maar van God.  We worden van alle kanten belaagd, maar raken niet in het nauw. We worden aan het twijfelen gebracht, maar raken niet vertwijfeld.  We worden vervolgd, maar worden niet in de steek gelaten. We worden geveld, maar gaan niet te gronde We dragen in ons bestaan altijd het sterven van Jezus met ons mee, opdat ook het leven van Jezus in ons bestaan zichtbaar wordt.  Wij levenden worden altijd omwille van Jezus aan de dood prijsgegeven, opdat in ons sterfelijke bestaan ook het leven van Jezus zichtbaar wordt Zo is in ons de dood werkzaam, en in u het leven.  Er staat geschreven: ‘Ik bleef vertrouwen, daardoor kon ik spreken.’ In datzelfde vertrouwen spreken ook wij, omdat we geloven  en weten dat hij die de Heer Jezus heeft opgewekt ook ons, net als Jezus, zal opwekken en ons samen met u naar zich toe zal voeren.  Dit alles gebeurt omwille van u, zodat Gods goedheid, die zich door steeds meer mensen verbreidt, ook tot steeds meer dankzegging leidt, tot eer van God.

Evangelie :

Matth.22,35-46

 

 Om hem op de proef te stellen vroeg een van hen, een wetgeleerde:  ‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’  Hij antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand Dat is het grootste en eerste gebod.  Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.’

 Nu de farizeeën om hem heen stonden, stelde Jezus hun deze vraag ‘Wat denkt u over de messias? Van wie is hij een zoon? ‘Van David,’ antwoordden ze Jezus vroeg: ‘Hoe kan David hem dan, geïnspireerd door de Geest, Heer noemen? Want hij zegt:  “De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik je vijanden onder je voeten heb gelegd.’” Als David hem dus Heer noemt, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?’ En niemand was in staat hem een antwoord te geven, noch durfde iemand hem vanaf die dag nog een vraag te stellen.

Heilige Antonius de Grote

HEILIGE ANTONIOS  DE  GROTE

 

 Inhoudsopgave :Antonios de Grote (dre)

 – Historisch kader rond Antonios de Grote : – het kerkelijk kader                 

– het wereldlijk kader

– het persoonlijk kader- – –  

Levensbeschrijving van Antonios de Grote

– De heiligverklaring van Antonios de Grote

– Belang van zijn persoon en de gevolgen van zijn heiligverklaring

– De spirituele benadering van Antonios de Grote

– Liturgie rond Antonios de Grote

– Bronnen :     – algemene    bronnen – persoonlijke bronnen

 – Bijlagen 


Heilige  ANTONIOS  DE  GROTE

Historisch kader rond Antonios de Grote  ( periode van 250 tot 350 na Chr.)

Het kerkelijk kader

 De vroege christelijke kerk stak op moreel vlak met kop en schouders uit boven de toenmalige maatschappij.  Rond 200 na Chr. waren er 2% christenen, dit aantal steeg in de daaropvolgende eeuw tot 8 % . In Egypte was de kerstening al sterk doorgedrongen. De heersende, heidense cultuur had de eerste Christenen ertoe aangezet om hun geloof te verdiepen. Dus tegen het einde van de derde eeuw konden zij al theologische literatuur voorleggen, die eerst in het Grieks en nadien in  het Latijn werd vertaald.

 Het wereldlijk kader

Tussen 235 en 284 na Chr. waren er een aantal soldatenkeizers die een economische, maatschappelijke en militaire puinhoop van het Romeinse rijk maakten. In het decennium na 250 waren er twee korte periodes van vervolgingen. Na 260 was er een rustige periode van 40 jaar die de “Lange Vrede ” (Pax Longa) werd genoemd. In 284 kwam Diocletianus aan de macht en alles bleef rustig tot in 303 n.Chr. In dat jaar herbegonnen de vervolgingen die eindigden in 311, enkele dagen voor de dood van zijn opvolger Galerius.

Galerius vaardigde een edict uit waarin het Christendom voor de eerste keer het statuut van geoorloofde godsdienst kreeg. In het edict van Milaan in 313 bekrachtigen zijn opvolgers Constantijn en Licinius dit statuut ( bekend als de Kerkvrede).

Tussen 320 en 324 was er toch nog een laatste poging tot vervolgingen door Licinius. Maar vanaf 324 werd Constantijn alleenheerser. Deze keizer had sympathie voor het Christendom, maar vond het ook een ideaal middel om zijn rijk uit te bouwen. Hij zag zich als de eerste vertegenwoordiger van God op aarde. Rond 330 stichtte hij Constantinopel en bleef aan de macht tot 337. Onder zijn bewind vond ook het Concilie van Nicea plaats en waren er problemen met de Arianen. Zijn opvolger en zoon Constantinus koos zelfs de zijde van de Arianen. Uiteindelijk was het keizer Theodosius (die in 379 keizer werd) die een einde maakte aan het Arianisme.

Persoonlijk kader

Antonios de Grote had tussen 250 en 350 in Egypte contact met veel van zijn tijdsgenoten, waaronder :

Paulus van Thebe : ( 250 tot 340) de oerkluizenaar die de woestijn was ingevlucht om te ontsnappen aan de vervolgingen van keizer Decius

Amoen : kluizenaar in Nutrië , Antonios voorspelde zijn dood

Athanasius: (295 tot 373)  bisschop van Alexandrië, had sterke banden met de woestijnmonniken en schreef voor 370 de Vita Antonii

Pachomius : (292 tot 346) grondlegger van het cenobitisme 

de Arianen: (250 tot 380) groep van geestelijken die de goddelijke natuur van Christus de Zoon niet aanvaarden. Dit leidde in de toenmalige kerk tot veel spanningen. Antonios en Athanasius behoorden tot de niceanen (anti-arianen)

Serapioon : leerling van Antonios en vriend van Athanasius, was bisschop van Thmoesis. Er is een brief gevonden van Serapioon geschreven aan Antonios zijn leerlingen. In deze brief troost hij de leerlingen bij het sterven van hun geliefde vader, Antonios (brief is geschreven in 356 in het Syrisch  en Armeens).

Levensbeschrijving van Antonios de Grote


De heilige Antonios werd in 251 in Midden- Egypte geboren in een rijk christelijk gezin. Hij weigerde de klassieke scholing te volgen omwille van het inhoudelijke polytheïsme. Hij verbleef bij de bisschop van Alexandrië, Alexander. Op twintigjarige leeftijd overleden zijn ouders en bleef hij achter met een zusje. Op zekere dag hoorde hij in de viering het evangelie van Matteus (Mt 19 : 16 -21) het verhaal van de rijke jongeling. Dit zette hem ertoe aan om zijn bezit uit te delen aan de noodlijdenden (behalve een gedeelte dat diende voor de opvoeding van zijn zusje) en te gaan leven buiten de stad. Hij bezocht tal van kluizenaars en ging in de leer bij een oudere onder hen, zo leerde hij een ascetisch leven opbouwen. In 286 brak een eerste fase aan. Daarin zonderde hij zich af en ging hij in een verlaten burcht wonen. Twintig jaar lang sloot hij zich op e
n weigerde contact met anderen. Hij leerde te
volharden en te weerstaan aan de vele verleidingen van de duivel. Hij voerde een zware innerlijke strijd, maar kwam gelouterd naar buiten. Rond 306 woonde hij in een kluis in het binnenste gebergte van Egypte ( Pispir) en begonnen er zich meer en meer andere kluizenaars rond hem te vestigen. Toen brak er een tweede levensfase aan. In deze sociale fase kreeg hij bezoek van monniken en kerkelijke personen (Athanasios),maar ook gewone mensen kwamen hem om raad vragen. In dat stadium had hij door zijn toegankelijkheid, aantrekkingskracht en bijzondere gaven ( genezingen en juiste voorspellingen) veel invloed.  Rond 310 reisde hij naar Alexandrië om de door Maximus vervolgde christenen bij te staan. Maar het verlangen naar de eenzaamheid bleef. Hij trok in 312 verder de woestijn in (aangeduid als het binnengebergte – het zou om de berg al-Qalzam gaan, de kluis van Antonios ligt op 2km van het klooster Deir Mar Antonios). Hier bleef hij tot aan zijn  dood in 356.

Antonios de grote249

In 338 trok hij nog eenmaal naar Alexandrië om de leugen te ontkrachten dat hij zou meeheulen met de Arianen tegen zijn vriend en bisschop van Alexandrië, Athanasios. Hij veroordeelde in het openbaar de Arianen en waarschuwde tegen hun dwaalleer. Twee jaar later bezocht hij Paulus van Thebe (de oerkluizenaar) die stervende was. Deze schonk hem zijn unieke tuniek (uit palmbladeren geweven ) die Antonios steeds droeg op Pasen en Pinksteren. Antonios zette zijn ascetisch leven voort en overleed in 356 op 105-jarige leeftijd. Hij voorspelde zijn eigen dood. Hij vroeg om begraven te worden op een geheime plaats en niet gebalsemd te worden zoals toen nog gebruikelijk was bij de Egyptenaren. 

Rond 561 werd zijn stoffelijke resten toch gevonden en naar Alexandrië overgebracht. In 635 verhuisden de relikwieën naar Constantinopel en bleven daar tot in het jaar 1000. Waarschijnlijk door de kruisvaarten kwamen ze in Zuid-Frankrijk terecht. Op enkele partikels na zouden ze verloren zijn  gegaan. Er zou nog een deeltje liggen in het Sint-Anthonius klooster in de Dauphiné en een armreliek in Keulen.

De heiligverklaring van Antonios

Antonios de Grote wordt beschouwd als de vader van het anachoretisme (monnikenwezen in het algemeen)..

Stilzwijgende heiligverklaring

Antonios had tijdens zijn leven al een schare van bewonderaars : christenen die genezingen kwamen afsmeken en verkregen, buitenlanders die over zijn faam gehoord hadden, andere monniken die zijn voorbeeld volgden en in zijn  buurt kwamen wonen. Zijn verering breidde zich snel uit door de verspreiding van de  Vita Antonii en de Vaderspreuken (vooral na de vertaling van deze werken in het Grieks en Latijn). Ook door de Koptische monniken die over geheel West-Europa gingen prediken raakte zijn naam alom gekend. Nochtans heeft Antonios geen monastieke regels nagelaten (zoals Pachomius). Maar het anachoretisme oefende een aantrekkingskracht uit die navolging vond over het toenmalig Romeinse rijk.

Plechtige heiligverklaring

Reeds in de vijfde eeuw werd zijn vermoedelijke sterfdatum, zeventien januari, door Euthymus (abt van Palestina 377 tot 473) vastgelegd als herdenkingsdag. Ook in de heiligenkalender van Auxerre (fr) tussen 592  en 600 was 17 januari al de herdenkingsdag van Antonios.

antonius2

Belang van zijn persoon en de gevolgen van zijn  heiligverklaring

Reeds tijdens zijn leven oefende het kluizenaarsschap op velen een aantrekkingskracht uit. Het oostelijk Romeinse rijk stond meer open voor de diepere spiritualiteit dan het westelijke gedeelte. Rond het Middellands zeegebied ontstonden veel kluizenaarsgemeenschappen die tot in de late middeleeuwen succes kenden. Het anachoretisme werd veeleer beoefend door mannen dan door vrouwen ( praktisch reden : gevaren van de afgelegen streken). Zowel de heilige Augustinus als Benedictus zouden hun bekering aan Antonios te danken hebben

De spirituele benadering

Wat onmiddellijk opvalt is het grote verschil in benadering tussen het oosten en het westen. In het oosten, de Orthodoxe Kerk, vinden we Antonios terug als de grote bezieler van het monnikwezen met een diep inzicht in de groei van het geestelijk leven. Zijn iconografische afbeelding toont steeds een figuur met kapmantel en lange, grijze baard. Als attributen ziet men soms zijn staf (taustaf), een boek (het Heilige Schrift) of een perkamentrol en eventueel nog een bel aan de taustaf. Die manier van afbeelden grijpt terug naar de oorspronkelijke symboliek rond de figuur van Antonios. In het westen hebben alle grote kunstenaars,van de middeleeuwen tot nu, hem uitgebeeld met grootse visoenen van verschrikkelijke duivels (waarschijnlijk door de beschrijving van deze duivels in de Vita Antonii). Maar in de volksaanbidding is hij gekend als de heilige met het varken. De mythe rond het varken is ontstaan in de vroege middeleeuwen toen de arme plattelandsbevolking werd geteisterd door het Antoniusvuur of ergotisme. Deze ziekte komt door het eten van roggebrood dat besmet was door een schimmel. Kenmerkend voor deze ziekte waren het afsterven van de ledematen en de helse,brandende pijn. De zieke werd ook geteisterd door hallucinaties met een spirituele of religieuze inslag (vandaar ook het verband met de duivelse visoenen van Antonios).  In 1095 richtten ridders een hospitaalorde op : de Sint-Antoniusorde. Deze orde verzorgde de zieken en kreeg toelating om varkens te houden. Een beperkt aantal mocht vrij rond lopen in de toenmalige middeleeuwse steden. Het vlees werd op
17 januari uitgedeeld aan de armen en een gedeelte diende voor de bekostiging van de hospitalen. Zo is deze verering ontstaan . Antonios werd dan ook aanbeden als beschermheilige voor ziekten en als patroonheilige voor allerlei beroepen.

Antonius

Liturgie rond Antonios de Grote

 Antonios wordt gevierd op 17 januari. In de gewone liturgie wordt alleen de naam van de Heilige vermeld. Toch bestaan er tal van liturgische teksten en gebeden aan hem gewijd. Als voorbeelden zijn in de bijlage opgenomen: de gebeden en teksten die Dhr. Biesbroeck gevonden heeft in een Romeins Brevier. Verder een Griekse hymne (apolytkion en kontaktion), een troparion en nog een kondakion. Deze bevatten allen zeer lovende bewoordingen voor Antonios. Ook

de monastieke Cahiers beschrijven een aantal lofredes. De oudste is van Hesychius van Jeruzalem, die gehouden werd op 17 januari van een onbekend jaar, ergens tussen 420 en 450 na Chr.

Dit zijn slechts enkele voorbeeld want in iedere taal en kerk zijn er nog een heleboel gebeden, teksten en hymnen terug te vinden. Dit toont aan dat Antonios de Grote al een eeuwenlange verering kent.

Bronnen :

Algemene bronnen :

– De Vita Antonii – geschreven in het Grieks rond 370 na Chr door Athanasius, bisschop van Alexandrië en vriend van Antonios. De Vita is het eerste boek in een hele reeks van boeken over heiligenlevens, geschreven door veel auteurs tot in de late middeleeuwen. Dit boek was het ideale middel om het vroege christendom te promoten. Korte tijd later waren er reeds de eerste vertalingen in het Latijn (o.a. een vertaling van Evagrius, diaken te Antiochië). De Vita behoort tot de paranetische literatuur (literatuur die vanuit de Christelijke beginselen opwekt tot heiligheid naar aanleiding van een bepaald persoon). De nadruk ligt op het stichtelijke van het werk.

– De brieven van Antonios : twee reeksen : een van zeven en een van twintig brieven, gestuurd naar verschillende kloosters (o.a. van Arsinoë). De meeste brieven, die oorspronkelijk in het Koptisch geschreven zijn, bestaan nu nog in Griekse en Latijnse vertalingen. Er zijn echter nog fragmenten gevonden van de oorspronkelijke brieven. De echtheid van deze brieven wordt versterkt door het feit dat twee spreuken van Antonios aangehaald worden( nr. 8 en 22). Het enige historisch feit komt voor in een brief waar over Arius gesproken wordt. Arius is overleden rond het jaar 336. Inhoudelijk zijn deze brieven aanbevelingen voor een verdieping in het ascetische leven. De brieven getuigen ook van een grondige kennis van de H.Schrift.

– De Vadersspreuken : in totaal 170 uitspraken over het gedrag van de mensen en een stichtelijke levenswijze. In het Gerontikon staan er 38 spreuken, verder is er nog een reeks Koptische spreuken. Daarnaast bestaan er nog talrijke spreuken waarin Antonios aangehaald wordt.

Antonius Abt254

Persoonlijke bronnen :

-‘Leven, getuigenissen en brieven van de H.Antonius Abt’ -Monastieke cahiers – C.Wagenaar.

-‘Bevrijd en gebonden – de Kerk van Constantijn’ – Pierre Trouillez – Davidsfonds.

-‘Abba’s en andere asceten over Antonius’ – Adolphus.

-‘Antonius “der Grosse” – okumenische Heiligenlexikon en Bijgevoegde vertaling’

-Monniken – Abbaye Notre – Dame de Leffe

-Promotie van dr Bertrand – die evagriusubersetzung der Vita Antonii

-Anthony the Great – Orthodox Wiki

-St Anthony – Catholic encyclopedia

–‘Heiligenjaar – Heiligenlevens voor elke dag’ – deel 1 januari – orthodox klooster van de H. Joannes de Doper – p 72 tot 74

Antonius de Grote1

Vertalingen:

Vertaling van een gedeelte van de tekst uit Antonius der grosse -Okumenische Heiligenlexikon

Antonius zou 105 jaar zijn geworden. Toen zijn volgelingen hem begroeven zouden er engelen rondom hen hebben gestaan. Van zijn brieven zouden er zeven overgeleverde Latijnse vertalingen als echt gelden en verder ook nog een brief over het oprechte berouw.

Antonius zijn verering begon reeds in 500 na Chr. Zijn relikwieën werden in 561 overgebracht naar Alexandrië. En verhuisde
n in 635 naar Constantinopel (huidige Istanboel) en dan in het jaar 1000 naar Zuid-Frankrijk. In 1491 werden ze naar Arles overgebracht. Nu liggen ze in het klooster van de Sint-Antoniusorde in St.Antoine in de Dauphiné (Fr).

Antonius de Grote 458

Vertaling uit St Anthony founder of Christian monasticism – Catholic encyclopedia.

Antonios de Grote  

Stichter van  het monachisme

De belangrijkste bron van informatie over Antonios de Grote is de griekse vertaling die aan St. Athanasius wordt toegeschreven en die  in meerdere uitgaven en wordt teruggevonden.Aan het eind van dit artikel wordt gesproken over de controverse betreffende de Vita Antonii  hier zal het voldoende zijn om te zeggen dat nu het met praktische eenstemmigheid door geleerden als wezenlijk historisch verslag, en als waarschijnlijk authentiek werk van St. Athanasius wordt aanzien.

De waardevolle hulpinlichtingen worden verstrekt door secundaire bronnen: „Apophthegmata”, voornamelijk  verzameld onder de naam van Antonios (bij het hoofd van de alfabetische inzameling van Cotelier, P.G. LXV, 7]); Cassian, vooral Coll. II; Palladius, „Historica Lausiaca”, 3.4.21.22 (E-D. Butler). Dit werk  kan waarschijnlijk worden goedgekeurd als wezenlijk authentiek, terwijl dat van St. Jerome het „Leven van St. Paul de heremiet” voor historische doeleinden niet kan worden gebruikt.

Antonios was geboren in Coma, dichtbij Heracleopolis Magna in Fayum, in het midden van de derde eeuw. Hij was de zoon van welstellende ouders, en bij hun dood (hij was toen 20 jaar) erfde hij hun bezit. Hij had de wens om het leven van de Apostelen  en de vroege Christenen te imiteren  Op een dag in de kerk bij het horen van het evangelie het verhaal van de rijke jongeling  deed hij al zijn bezit en goederen weg, en wijdde zich uitsluitend aan het godsdienstige leven..

Reeds lang was het bij de Christenen gebruikelijk om ascetisch te zijn, niet te huwen ,nederig te vasten, te bidden en werken van barmhartigheid te stellen maar zij deden dit zonder hun huis of familie te verlaten. Later, in Egypte, leefde dergelijke asceten in hutten aan de rand van de steden en de dorpen, en dit was de gemeenschappelijke praktijk tot 270, toen Anthony zich uit de wereld terugtrok. Hij begon zijn ascetische leven  zonder zijn geboorteplaats te verlaten. Hij had de gewoonte  om diverse asceten te bezoeken, hun leven te bestuderen, en te proberen om van elk van hun  deugden te leren waarin zij schenen uit te blinken. Dan trok hij zich terug  in één van de graven, dichtbij zijn geboortedorp , en daar was het dat hij  die vreemde conflicten had met demonen en wilde beesten die hem soms voor dood achterlieten;.,Op de leeftijd van vijfendertig ging  Antonios  in absolute eenzaamheid  gaan leven. Hij stak de Nijl over en op een berg dichtbij de het oostbank, toen  Pispir, nu Der el Memum, vond hij een oud fort waarin hij zich op sloot om daar twintig jaar in volstrekte afzondering door te brengen. Het voedsel werd hem over de muur toegeworpen. Hij werd af en toe bezocht door pelgrims, die hij weigerde om te zien Maar een aantal zogenaamde discipelen vestigden zich geleidelijk aan in holen en in hutten rond de berg. Er werd  dus werd een kolonie van asceten gevormd, die  aan Antonios vroegen om  hun gids in het geestelijke leven te zijn. Rond 305 beeindigde hij zijn  opsluiting en kwam  te voorschijn. Tot  verrassing van allen, scheen hij te zijn zoals toen hij in was gegaan, niet uitgemergeld, maar krachtig in lichaam en mening.

Vijf of zes jaar wijdde hij zich aan de organisatie van monniken die  rond hem was gegroeid; maar toen trok hij zich nog verder in de binnenwoestijn terug ( tussen de Nijl  en de Rode zee). Dichtbij de kust vestigde hij zich op een berg waar zich  het klooster bevindt dat zijn naam draagt, Der Mr Antonios . Hier bracht hij de laatste vijfenveertig jaar van zijn leven in afzondering door, niet zo strikt als Pispir, want hij kreeg regelmatig bezoek . In de Vita Antonii staat  dat hij  twee maal  naar Alexandrië ging omwille van  de Christelijke martelaren in de vervolging van 311, en eens  rond (c. 350) om tegen Arianen te prediken. De Vita Antonii beschrijft dat hij op de leeftijd van honderd vijf stierf, en St. Jerome  plaatste zijn dood in 356-357 . Al deze chronologie is gebaseerd op de hypothese dat deze datum en cijfers in de Vita correct zijn. Op zijn eigen verzoek werd zijn graf geheim gehouden  door de twee discipelen die hem begroeven..

 Een  ander  oordeel  gaat over geschriften die gevonden zijn. . De preken en twintig Epistels in  het Arabisch zijn door historici als  onecht bestempeld.

St. . Jerome (Illinois van DE Viris, lxxxviii) kende zeven epistels die uit Koptisch in het Grieks werden vertaald; de griekse vertaling is verloren gegaan , maar een Latijnse versie bestaat (ibid.), en ook  Koptische fragmenten  van drie van deze brieven, die aansluiten bij de latijnse vertaling ; zij kunnen authentiek zijn, maar het zou voorbarig zijn om te beslissen. Beter is de positie van een Griekse brief aan Theodorus, die in de „ Theophilum wordt bewaard van Epistola Ammonis”, sekte. 20 het blijkt om een vertaling van het Koptische origineel te gaan ; er schijnt voldoende reden te zijn  om geen twijfels te hebben of het werkelijk door Antonios werd geschreven (zie Butler, Geschiedenis Lausiac van Palladius, Deel I, 223). De autoriteiten zijn het ermee eens geweest dat Antonios geen Grieks kende en slechts Koptisch sprak. Er bestaat een kloosterregel die van Antonios naam draagt, die in Latijnse en Arabische vorm wordt bewaard (P.G., XL, 1065). Deze zou waarschijnlijk uit  Antonios zijn woorden zijn samengesteld.  het gaat om uitingen die aan hem in de Vita  en Apophthegmata worden toegeschreven het bevat echter ook een element dat uit spuria en ook uit de „Regels Pachomian” wordt afgeleid. Deze regel kende succes in Egypte en het Oosten. Het is ook  de regel die door de Monniken Uniat van Syrië en Armenië wordt gevolgd, van wie Maronites, met zestig kloosters en 1.100 monniken, het belangrijkst is en  het wordt ook gevolgd ook door de schaarse resten van Koptische kluizenaars.

Het is niet eenvoudig  om Antonios de Grote zijn  plaats en zijn invloed in de geschiedenis van het anachoretisme te verklaren. Hij was waarschijnlijk niet de eerste Christelijke hermiet maar  Antonios was er de erkende leider van . Noch was Antonios een groot wetgever en een organisator van monniken, zoals
zijn jongere eigentijdse Pachomius; (, hoewel de eerste stichtingen van Pachomius waarschijnlijk zowat tien of vijftien jaar later  zijn gesticht na zijn terugkeer uit Pispir). En men  kan ook niet aantonen dat Pachomius direct door Antonios werd beïnvloed,  zijn instituut was anders opgebouwd.. En toch is het overvloedig duidelijk dat van het midden van de vierde eeuw in heel Egypte en ook door  de Pachomiaanse monniken naar Antonios werd opgekeken als stichter en vader van anachoretisme .

Deze grote positie was zonder twijfel toe te schrijven aan zijn persoonlijkheid en bijzonder karakter, kwaliteiten die duidelijk in alle verslagen naar voren gekomen. De beste studie van zijn karakter is Newman in de „Kerk van de Vaders” (herdrukt in „Historische Schetsen”). Hij zegt het volgende : „Zijn doctrine  was zuiver en voorbeeldig; en zijn karakter is hoog en hemels, zonder lafheid, zonder mistroostigheid, zonder formaliteit, zonder zelfgenoegzaamheid. Wantrouwen is verachtelijk en buigend,  het wantrouwt God, en vreest de bevoegdheden van kwaad. Antonios had niets van dit alles, hij is vol van vertrouwen, van  goddelijke vrede en vol van enthousiasme. Zelfs op het hoogtepunt van zijn  enthousiasme was hij niet fanatiek of hard,  zijn matiging  komen in veel van de verhalen verwant aan hem duidelijk uit. Abt Mozes in Cassian (Coll. II)zegt de minzaamheid van  Antonios de essentie  is voor het bereiken van de perfectie   Het kleine bekende verhaal van Eulogius en Cripple, dat in de Geschiedenis Lausiac (xxi) wordt bewaard, illustreert het soort raad en richting die hij aan zijn monniken heeft gegeven die naar zijn begeleiding streefden.

Het monachisme gesticht door Antonios werd de algemene norm in Noordelijk Egypte, in Lycopolis (Asyut) en  het Middellandse-Zeegebied. In tegenstelling tot het cenobetisme  gesticht  door Pachomius in het Zuiden, bleef het noorden het kluizenaarskarakter behouden, de monniken leefden  in afzonderlijke cellen of hutten om slechts nu en dan voor de kerkdiensten samen te komen , zij hadden hun eigen persoonlijk regels en leefden niet volgens gemeenschappelijke regels  (zie Butler, op. CIT, Deel I, 233-238). Dit was de vorm van het kloosterleven in de woestijnen van Nitria en Scete, zoals afgebeeld door Palladius en Cassian. Dergelijke groepen semi-onafhakelijke hermitages heten ” Lauras” en hebben altijd in het Oosten opzij van de kloosters Basilian bestaan. In het westen wordt het monachisme van Antonios teruggevonden bij de orde van de Kartuizers. Dit  was Antonios  zijn levenswijze  karakter en  zijn rol in de Christelijke geschiedenis. Hij wordt juist erkend als de vader niet alleen van monachisme , strikt zogenaamd, maar van het technische godsdienstige leven in elke vorm . Weinig namen hebben op het menselijke ras een zo diepe en innige invloed uitgeoefend ..

Er moet toch nog iets gezegd worden over de controverse die heerst bij  de generatie rond 1870 betreffende Antonios  en de Vita Antonii . In 1877 ontkende Weingarten het  auteurschap  van Athanasius en het historische karakter van het Vita Antonii (   hij was van mening dat het om een roman ging en geen realiteit). Volgens hem waren er rond 340  geen Christelijke monniken . Antonios leefde volgens hem een eeuw later.. Sommige imitators in Engeland gingen steeds verder en ontkenden dat Antonios ooit had bestaan. Aan iedereen vertrouwd met de literatuur van kloosterwezen in Egypte leek het alsof Antonios een gefingeerde held was die niet bij machte was een plaats te veroveren in de kloostergeschiedenis . Uiteindelijk worden  deze theorieën verlaten,  de Vita Antonii wordt als zijnde historisch aanvaard  alsook Athanasius De geschiedenis van de  traditionele  kloosteroorsprong wordt in grote mate hersteld. Deze episode is nu voornamelijk van belang als   voorbeeld van een theorie die werd aangesneden en toen algemeen aanvaard , en toen volledig tijdens  één enkele generatie weer werd verlaten. (op de controverse zie ler, op. CIT Deel I, 215-238, Deel II, ixxi).

 Werkstuk voor de cursus Hagiologie

Onderdeel van studiepakket van het programma van het eerste jaar aan het Orthodox Vormingscentrum “heilige Johannes de Theoloog” door Mariëlle De Bom. Docente : Mevrouw N. ZHirovova

auteur : Mariëlle De Bom Van Driessche

Met dank voor dit prachtig werk !

Antonios de Grote

Leven van heiligen : Johannes chrysostomos (Arabisch)

Heilige Johannes Chrysostomos

 De Heilige Johannes Chrysostomos

zijn leven 

Johannes werd omstreeks het jaar 349 geboren te Antiochie. Hij werd in het jaar 372 gedoopt en begon met zijn studies. Hij trok zich terug als kluizenaar. Toen hij echter zwaar ziek werd, moest hij zijn kluizenaarsleven opgeven. Hevig verzwakt nam hij zijn studies weer op en na enige tijd, toen hij weer op krachten was, werd hij in 381 tot diaken gewijd. Vijf jaar later werd hij tot priester gewijd. Zijn naam “Chrysostomus” ( Gulden Mond) kreeg hij om zijn welsprekendheid en zijn vele geschriften ten dienste van de geloofsleer en het christelijk leven.Hij was een fijn besnaard prediker en iedereen luisterde met volle teugen naar zijn woorden.Hij was een groot vereerder van de apostel Paulus, zodat men geloofde de H. Paulus hem bij het samenstellen van de geschriften had geholpen.

In 397 werd hij tot patriarch van Constantinopel gekozen. Hij liet ziekenhuizen bouwen en zorgde voor de armen. Talrijke werken heeft hij geschreven over het kloosterleven, de maagdelijkheid, het priesterschap, doorlopende verklaringen van de heilige Schrift. Hij was een groot zielenherder en een beschermer van weduwen en wezen, een vrijmoedig bisschop die “berispt, of het gelegen komt of niet”, die ook het misnoegen van de vorsten, zelfs van keizerin Eudoxia niet vreesde. Hij viel in ongenade bij het keizerlijk hof en moest tot twee maal toe in ballingschap gaan vanwege de afgunst die er in deze kringen heerste. Toen keizerin Eudoxia twee maanden later een miskraam kreeg zag zij dit als een straf omdat zij Johannes verdreven had. Zij liet daarop de bisschop terughalen. Toen zij echter weer beter was stuurde zij de bejaarde man weer in ballingschap naar Kukusus in Armenie. Drie jaren later stuurde men Chrysostomus weer in ballingschap naar een verder oord. De oude en zwakke man was niet in staat deze reis te voltooien. Zwaar aangeslagen en zwak door ontberingen stierf hij op 14 september 407 in Comana Pontus. Zijn laatste woorden waren:
“God zij voor alles geprezen”.

 

Johannes Chrysostomos heeft krachtdadig ingegrepen in de liturgie van de Oosterse Kerk. (De tot op heden de meest gebruikelijke viering van de H.Mis volgens de Griekse ritus heet “de liturgie van de H.Johannes Chrysostomus”).

 

Akathist tot de Moeder Gods in het ITALIAANS

Inno Acatisto alla Madre di Dio

L‘Acatisto (dal greco Akáthistos) è un antico inno in onore della Vergine Maria. L’ autore è anonimo, anche se molti attribuiscono la creazione dell’inno a Romano il Melode (V sec.), in ringraziamento per la protezione della città di Costantinopoli dall’invasione di orde barbariche. La parola Acatisto suggerisce che l’inno debba essere recitato in piedi; l’inno costituisce una forma del genere liturgico del “Kondakion“. A questo proposito scrive P. Olivier Raquez: “Il kondakion è un genere letterario di inni propriamente bizantini sviluppatosi a partire dalla fine del V secolo. Era composto di un proemio e di un numero variabile di strofe (ìkoi) più o meno numerose. Nei secoli successivi è scomparso a favore del genere del canone. Oggi, come complesso organico di più strofe, se ne conserva uno solo, il celebre inno Akathistos.” (O. Raquez, Guida alla Celebrazione dell’Ufficio Divino nelle Chiese di tradizione bizantina, LIPA, Roma, 2002).

L’Acatisto è recitato privatamente dai fedeli, come devozione personale, e pubblicamente nelle chiese: è frequentemente cantato durante la Grande Quaresima, soprattutto al venerdì: il quinto venerdì di Quaresima è appunto detto “dell’inno Acatisto”.

1
Accolto l’ordine dell’arcana missione, senza indugio l’Angelo si presenta alla dimora di Giuseppe e dice alla Vergine: Colui che discendendo fa piegare i cieli si racchiude senza mutamento tutto in te. E, vedendolo prendere nel tuo grembo la figura di servo, stupito e a te esclamo: Gioisci, o Sposa Semprevergine!

2
Il primo fra gli angeli fu inviato dal cielo a recare il saluto alla Madre di Dio e vedendoti assumere con la voce incorporea un corpo, o Signore, al solo saluto, restò attonito e rivolto a lei esclamava così:
Gioisci, per te splenderà la gioia;
Gioisci, per te cesserà la maledizione;
Gioisci, redenzione del caduto Adamo;
Gioisci, riscatto delle lacrime di Eva;
Gioisci, altezza inaccessibile all’intelligenza dell’uomo;
Gioisci, profondità insondabile alla mente degli angeli;
Gioisci, sei divenuta il trono del Re;
Gioisci, perché reggi Colui che tutto regge;
Gioisci, stella che annunci il sole;
Gioisci, grembo della divina incarnazione;
Gioisci, per te si rinnova la creazione;
Gioisci, per te si fa bambino il Creatore.
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

3
Sapendosi in purezza, la Santa Vergine risponde a Gabriele senza timore: “La stranezza del tuo parlare risulta incomprensibile alla mia anima. Tu annunci una maternità in un seno verginale esclamando: Alleluia?”

4
Desiderando la Vergine conoscere il mistero, esclamò al santo servitore: “Dal mio grembo votato alla verginità, dimmi come può essere generato un figlio?” E l’Angelo le rispose con riverenza soltanto questo:
Gioisci, partecipante al mistero ineffabile;
Gioisci, credente di ciò che matura nel silenzio;
Gioisci, preludio ai miracoli di Cristo;
Gioisci, compendio dei suoi dogmi;
Gioisci, scala celeste per cui discese Iddio;
Gioisci, ponte che conduce dalla terra al cielo;
Gioisci, degli Angeli inaudito prodigio;
Gioisci, dei demoni terribile sconfitta;
Gioisci, perché generasti ineffabilmente la Luce;
Gioisci, perché a nessuno hai rivelato il mistero;
Gioisci, perché trascendi la conoscenza dei sapienti;
Gioisci, perché illumini la mente dei credenti;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

5
La potenza dell’Altissimo coprì allora con la sua ombra la Vergine affinché concepisse; e il suo seno senza frutto si trasformò in campo fertile per coloro che vogliono cogliervi salvezza, cantando: Alleluia!

6
Accolto Dio nel grembo, la Vergine corse verso Elisabetta e il figlio di costei riconobbe subito il suo saluto e gioì e con balzi, quasi cantici, esclamava alla Madre di Dio:
Gioisci, virgulto di pianta che non si dissecca;
Gioisci, possesso di un frutto che non marcisce;
Gioisci, perché allevi Colui che con amore nutre gli uomini;
Gioisci, perché generi Colui che crea la nostra vita;
Gioisci, terreno che produce abbondanza di misericordia;
Gioisci, mensa che porti ricchezza di propiziazione;
Gioisci, perché fai fiorire il giardino di delizie;
Gioisci, perché prepari un rifugio per le anime;
Gioisci, profumo che rende gradite le suppliche;
Gioisci, propiziatrice di perdono al mondo intero;
Gioisci, compiacenza di Dio verso gli uomini;
Gioisci, fiducia degli uomini verso Dio;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

7
Aveva dentro di sé una tempesta di pensieri contrastanti il prudente Giuseppe. Era sconvolto: ti sapeva vergine ma sospettava un’unione furtiva, o Immacolata. Ma appena apprese il tuo concepimento per opera dello Spirito Santo disse: Alleluia!

A Te, o Madre di Dio, che guidasti la nostra difesa, innalziamo l’inno della vittoria e della riconoscenza, per essere stata salvati da terribili sciagure. Tu, dunque, nella tua potenza invincibile, liberaci da ogni sorta di pericoli, cosicché a Te si esclami: Gioisci, o Sposa Semprevergine.

8
I pastori udirono gli angeli che inneggiavano alla venuta di Cristo incarnato e, accorrendo a lui come verso il Pastore, lo videro quale Agnello senza macchia nutrirsi nel seno di Maria e dissero inneggiando a lei:
Gioisci, Madre dell’Agnello e del Pastore;
Gioisci, ovile del gregge spirituale;
Gioisci, difesa contro i nemici invisibili;
Gioisci, chiave che apre le porte del Paradiso;
Gioisci, perché il cielo si rallegra con la terra;
Gioisci, perché la terra si allieta con i cieli;
Gioisci, voce degli Apostoli che mai tace;
Gioisci, coraggio invincibile dei martiri;
Gioisci, forte baluardo della fede;
Gioisci, fulgido vessillo della grazia;
Gioisci, perché spogliasti il regno dei morti;
Gioisci, perché ci rivestisti di gloria;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

9
I Magi scorsero la stella che guidava verso Dio e seguirono la sua luce usandola come fiaccola, con essa cercavano il potente Sovrano e, raggiunto l’Irraggiungibile, lo salutarono acclamando: Alleluia!

10
I figli dei Caldei videro in mano della Vergine Colui che plasmò con le sue mani l’uomo; lo riconobbero come il Signore, benché avesse preso figura di servo, e si affrettarono ad adorarlo con doni ed esclamare alla Benedetta:
Gioisci, Madre dell’astro che mai tramonta;
Gioisci, splendore del mistico giorno;
Gioisci, perché hai spento la fucina dell’inganno;
Gioisci, perché illumini gli iniziati al mistero della Trinità;
Gioisci, perché hai spodestato il crudele tiranno degli uomini dal suo impero;
Gioisci, perché hai manifestato Cristo Signore amico dell’uomo;
Gioisci, perché ci liberi dal culto pagano;
Gioisci, perché ci salvi dalle opere di corruzione;
Gioisci, perché hai posto fine all’adorazione del fuoco;
Gioisci, perché hai allontanato la fiamma delle passioni;
Gioisci, guida di saggezza per i credenti;
Gioisci, gioia di tutte le generazioni;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

11
Diventati divini messaggeri, i Magi si avviarono verso Babilonia, dove portarono a compimento il tuo responso e a tutti proclamarono Te o Cristo, senza curarsi dello stolto Erode, che non seppe cantare: Alleluia!

12
In Egitto hai fatto splendere la luce della verità dissipando le tenebre della menzogna; gli idoli infatti, o Salvatore, non sostennero la tua possanza e crollarono; e coloro che se ne andarono liberi acclamarono la Madre di Dio:
Gioisci, perché risollevi gli uomini;
Gioisci, perché abbatti i demoni;
Gioisci, perché hai calpestato dell’inganno dell’errore;
Gioisci, perché hai smascherato la falsità degli idoli;
Gioisci, onda del mare che sommergi il pur avveduto Faraone;
Gioisci, roccia che abbeveri chi ha sete della vita;
Gioisci, colonna di fuoco, che guida coloro che sono nelle tenebre;
Gioisci, protezione del mondo più grande della nube;
Gioisci, cibo sostitutivo della manna;
Gioisci, perché distribuisci il santo alimento dell’allegrezza;
Gioisci, perché sei la terra della promessa;
Gioisci, perché da te sgorgano miele e latte;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

13
Tu fosti presentato bambinello a Simeone mentre ormai stava per abbandonare questo presente mondo fallace, ma egli ti riconobbe come Dio perfetto e per questo ammirò l’ineffabile tua sapienza esclamando: Alleluia!

A Te, o Madre di Dio, che guidasti la nostra difesa, innalziamo l’inno della vittoria e della riconoscenza, per essere stata salvati da terribili sciagure. Tu, dunque, nella tua potenza invincibile, liberaci da ogni sorta di pericoli, cosicché a Te si esclami: Gioisci, o Sposa Semprevergine.

14
Una nuova creazione rivelò il Creatore apparso fra noi sue creature; poiché germinato da un grembo incontaminato lo conservò intatto quale era prima, così noi, contemplando il miracolo, inneggiamo alla Vergine, esclamando:
Gioisci, fiore della verginità;
Gioisci, corona della castità,
Gioisci, perché fai risplendere l’immagine della (nostra) resurrezione;
Gioisci, perché ci manifesti la vita angelica;
Gioisci, albero dai magnifici frutti che nutrono i fedeli;
Gioisci, pianta dalle ombrose fronde che offrono riparo a molti;
Gioisci, perché hai portato in seno Colui che è guida degli erranti;
Gioisci, perché hai dato alla luce Colui che è il liberatore dei prigionieri;
Gioisci, perché sei la nostra propiziatrice presso il giusto Giudice;
Gioisci, perché sei la riconciliazione per molti peccatori;
Gioisci, perché dai rifugio a chi è privo di fiducia;
Gioisci, perché possiedi un amore che supera ogni desiderio;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

15
Mirando questa prodigiosa natività, distacchiamoci da questo mondo, elevando la nostra mente al cielo; perché l’Altissimo apparve sulla terra come umile uomo, per attrarre in alto coloro che a lui acclamano: Alleluia!

16
L’incomprensibile Verbo discese in terra nella sua pienezza senza per nulla allontanarsi dai cieli; perché con condiscendenza divina e non mutazione di luogo si abbassò e nacque dalla Vergine che, assorta in Dio, udiva:
Gioisci, dimora del Dio infinito;
Gioisci, porta di un venerando mistero;
Gioisci, verità incomprensibile per chi non crede;
Gioisci, indubbio vanto per chi crede;
Gioisci, cocchio santissimo di Colui che siede sui Cherubini;
Gioisci, dimora bellissima di Colui che è sopra i Serafini;
Gioisci, perché concili cose contrarie;
Gioisci, perché congiungi verginità e maternità;
Gioisci, perché hai distrutto la prevaricazione;
Gioisci, perché hai fatto spalancare il Paradiso;
Gioisci, perché sei la chiave del regno di Cristo;
Gioisci, speranza di beni eterni;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

17
Tutta la schiera degli angeli ammirò stupita la grande opera della tua Incarnazione; perché vedeva Colui, che è inaccessibile come Dio, accessibile a tutti come uomo, vivere con noi e ascoltare da tutti: Alleluia!

18
Vediamo diventare davanti a te, o Madre di Dio, i più eloquenti retori muti come pesci, perché incapaci di spiegare come Tu, rimanendo vergine, abbia potuto partorire. Noi invece ammirando il mistero, con fede esclamiamo:
Gioisci, dimora della sapienza di Dio;
Gioisci, scrigno della sua provvidenza;
Gioisci, perché sveli ignoranti gli uomini di dottrina;
Gioisci, perché scopri insipienti gli uomini di scienza;
Gioisci, perché sono diventati stolti i sottili indagatori;
Gioisci, perché si sono inariditi i creatori di mitologie;
Gioisci, perché dissolvi le astuzie dei sofisti;
Gioisci, perché ricolmi le reti dei pescatori;
Gioisci, perché ci trai fuori dall’abisso dell’ignoranza;
Gioisci, perché arricchisci molti di sapienza;
Gioisci, scialuppa di chi vuol essere salvato;
Gioisci, porto dei naviganti in questa vita;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

19
Volendo salvare il mondo, il Creatore di tutte le cose in esso venne spontaneamente; e benché come Dio fosse Pastore, apparve per noi e fra noi come agnello, come uomo parlava agli uomini, ma come Dio sente dirsi: Alleluia!

A Te, o Madre di Dio, che guidasti la nostra difesa, innalziamo l’inno della vittoria e della riconoscenza, per essere stata salvati da terribili sciagure. Tu, dunque, nella tua potenza invincibile, liberaci da ogni sorta di pericoli, cosicché a Te si esclami: Gioisci, o Sposa Semprevergine.

20
O Vergine Madre di Dio, tu sei il riparo di vergini e di quanti a Te accorrono; perché tale ti ha costituita il Creatore del cielo e della terra, o Inviolata, ponendo dimora nel tuo grembo e insegnando a tutti a salutarti:
Gioisci, colonna della verginità;
Gioisci, porta della salvezza;
Gioisci, prima ispiratrice della spirituale creazione;
Gioisci, dispensatrice della bontà divina;
Gioisci, perché rigeneri chi è concepito nel male;
Gioisci, perché ridoni intelligenza a chi è privo di intelletto;
Gioisci, perché hai schiacciato chi corrompe le menti;
Gioisci, perché hai dato alla luce il seminatore della castità;
Gioisci, talamo di nozze illibate;
Gioisci, perché riconcili con il Signore i fedeli;
Gioisci, santa educatrice di vergini;
Gioisci, perché accompagni alle nozze le anime sante;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

21
È vinto ogni canto che voglia eguagliare l’abbondanza delle tue molte misericordie, o Signore; anche se a te, o santo Re, offrissimo tanti cantici quanti i granelli di sabbia mai faremmo cosa degna di quanto hai donato a chi ti acclama: Alleluia!

22
Noi vediamo la Vergine come fiaccola splendente, apparsa a coloro che sono nelle tenebre; perché avendo acceso il Lume immateriale, ella guida tutti alla cognizione divina, illuminando di splendore le menti e viene onorata da questa esclamazione:
Gioisci, raggio del Sole spirituale;
Gioisci, riverbero dello splendore senza tramonto;
Gioisci, fulgore che illumini le anime;
Gioisci, tuono che atterrisci i nemici;
Gioisci, perché fai sorgere la luce sfolgorante;
Gioisci, perché fai scaturire il fiume dalle inesauribili acque;
Gioisci, simbolo del fonte battesimale;
Gioisci, perché togli le macchie del peccato;
Gioisci, lavacro che purifichi la coscienza;
Gioisci, coppa che mesci esultanza;
Gioisci, fragranza del profumo di Cristo;
Gioisci, vita del mistico convito;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

23
Volendo perdonare le antiche offese, Colui che rimette i debiti a tutti spontaneamente si presentò a coloro che si erano allontanati dalla grazia e, lacerata la condanna del peccato, da tutti sente esclamare: Alleluia!

24
Lodando il tuo parto, noi tutti ti celebriamo come tempio vivente, o Madre di Dio. Nel tuo grembo, infatti, abitò il Signore, Colui che l’universo regge nelle sue mani. Egli ti fece santa e ricca di gloria e ha insegnato a tutti a cantarti:
Gioisci, tempio del Verbo di Dio;
Gioisci, la più santa di tutti i santi;
Gioisci, arca d’oro, cesellata dallo Spirito Santo;
Gioisci, tesoro inesauribile della vita;
Gioisci, diadema prezioso dei pii regnanti;
Gioisci, venerabile gloria dei vescovi devoti;
Gioisci, baluardo inespugnabile della Chiesa;
Gioisci, fortezza invincibile dell’impero;
Gioisci, per te si innalzano i trofei;
Gioisci, per te soccombono i nemici;
Gioisci, salute per il mio corpo;
Gioisci, salvezza per la mia anima;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

A Te, o Madre di Dio, che guidasti la nostra difesa, innalziamo l’inno della vittoria e della riconoscenza, per essere stata salvati da terribili sciagure. Tu, dunque, nella tua potenza invincibile, liberaci da ogni sorta di pericoli, cosicché a Te si esclami: Gioisci, o Sposa Semprevergine!