Orthodox zijn in de Westerse wereld

  


Orthodox zijn (goed!!!)
cooltext81068878
cooltext81068930


 Door Vader Boris BOBRINSKOY         

Deze titel is mij gesuggereerd, maar ik zou het hierbij niet willen laten. Het essentieel probleem blijft kortweg :  Christen te zijn in de wereld. Ik zal op deze vraag van de christelijke of orthodoxe identiteit nog terugkomen. Het is té gemakkelijk om de Oosterse orthodoxie te plaatsen tegenover het Westerse, die men trouwens nog nader moet bepalen : latijns, gereformeerd, a-religieus, niet-confessioneel, geseculariseerd. En wij zouden ons hiertegenover  roemen om onze Orthodoxie, om onze oosterse identiteit ?. Zeker, de orthodoxie heeft een tweeduizend jaar lange geschiedenis van cultuur, heiligheid, van martelaren achter de rug, dit is waar en belangrijk, maar dikwijls is dit maar heel oppervlakkig, eens verworven voor allen. Het is op de eerste plaats de term ‘westers’ die voor mij een probleem vormt. Voor het Christelijke en dus orthodoxe geweten is het waarachtige Oosten niet geografisch, maar vooral spiritueel. De waarachtige zon die in het Oosten opstaat om onze aarde te verlichten en te verwarmen is Christus, Zoon en rechtvaardigheid. ‘Ik ben het ware Licht…Diegene die me volgt gaat niet in de duisternis…en het licht scheen in de duisternis en de duisternis heeft het niet aanvaard’. Het Westen daarentegen zal de plaats zijn waar de zon ondergaat, symbool dus van de duisternis die de aarde bedekt. Welke aarde ? Deze aarde die God geschapen heeft uit liefde, die hij zo heeft liefgehad, dat Hij zijn Zoon heeft gezonden om Hem  aan de krachten van de prins van deze wereld te ontrukken. Wanneer een christen zich richt op Christus, naar het waarachtige Oosten, dan oriëntaliseert hij zich, maar oosters zijn is geen voorrecht van orthodoxen, het is een worden, een roeping van de gehele christen. Wanneer deze zelfde christen zich richt op het Westen, dit wil zeggen op de wereld, gesteld dat hij het licht van Christus weerspiegelt, dan  zal    hij een waarachtige oosterling blijven en aan de wereld de boodschap van liefde en leven overdragen. Maar als hij de boodschap van Christus vergeet, ze relativeert of verloochent, dan zal hij opgaan in de omringende wereld en zich erin isoleren en zich opsluiten in een ghetto of een ivoren toren.Zo betekent christen zijn in de wereld, het Licht van Christus , de Zon uit het Oosten, uitdragen in een Westen dat onze wereldbol omvat. Deze wereld is in de verwachting van de boodschap van het Evangelie, ze is wanhopig zoekende naar haar identiteit, haar eenheid, in een proces van mondialisering en een snelle technische vooruitgang die ons de grenzen van landen en continenten doet overschrijden. Een wereld doordrongen van tegengestelde stromingen, aan een overdreven nationalisme aan welke ook onze orthodoxe kerken niet zijn kunnen ontsnappen, maar ook een wereld  die verdorven is door de secularisatie die zijn eigen rijkdom ontkent of vergeet of verwerpt , maar ook haar christelijke geschiedenis, haar oorsprong en haar uiteindelijk gericht zijn op God. ‘Frankrijk, riep Johannes Paulus II uit, wat heb je gedaan met uw doopsel ?’ Deze zelfde vraag stelt zich aan elk van onze christelijke landen, zowel aan die van het Oosten als van het Westen. De doelstellingen van oosterlingen en westerlingen hebben een lange geschiedenis achter de rug, in het bijzonder in de twee duizend jaar van het Christendom, maar het is niet geloofwaardig, noch mogelijk om ons vandaag de dag onvoorwaardelijk op te sluiten in die categorieën die een te lang en dramatisch proces van wederzijdse vervreemding van de twee polen of longen van de christenheid  heeft teweeg gebracht : Rome, door de universele jurisdictie te bevestigen, en door romeinse bisdommen op te richten op traditioneel orthodoxe grond, inbegrepen Jeruzalem en Constantinopel. Terwijl in de 20e eeuw er een massale migratie van duizenden arabische , griekse of slavische orthodoxen  heeft plaatsgevonden in vreemde landen. Ontworteld, vermoord in hun lichaam en ziel, wezen, maar zoekende hoe zij de spirituele vlam van het geloof kunnen in stand houden. Orthodoxe parochies en bisdommen werden in deze landen van ontvangst opgericht. Voor de 3e en 4e generatie is West Europa of Noord-Amerika geen vreemde aarde meer, maar ons echte vaderland, zelfs al zijn we verdeeld  door onze dubbele identiteit, grieks-orthodox, arabieren, slaven, roemenen, maar zich daadwerkelijk engagerend in het culturele, sociale en politieke leven van het nieuwe vaderland. Het is hier dat ik hulde wil brengen aan, en onze grote erkentelijkheid voor ons vaderland Frankrijk dat voor onze ouders, en voor onszelf een gastland is geworden, gastvrij, waar onze kinderen zijn kunnen opgroeien, studeren, zich geïnstaleerd hebben, zich volledig integreren in de franse cultuur, zonder nochtans afstand te moeten doen van onze taal, cultuur en tradities van onze herkomst.Wij op een gewelddadige manier in deze westerse landen geworpen, wij hebben er de wil van God in herkend om er te wonen, er op te groeien, er te getuigen van ons geloof en de rijkdom van onze religieuze tradities, zonder nochtans te vallen in een primair prosiletisme, maar in respect voor de christelijke geschiedenis van dit land van ontvangst en in de openheid naar de christelijke kerken toe die wij geleerd hebben te kennen en lief te hebben. Wij hebben bij hen niet vermoede schatten van heiligheid en wijsheid gevonden. Zo is de oecumenische dimensie van ons christelijk leven een klaarblijkelijkheid geworden, een gebod om te gehoorzamen aan de Heer zelf. Plaatsen van eredienst zijn als paddestoelen na de regen  uit de grond geschoten, eerst nederige kapellen, daarna kerken. Monastieke gemeenschappen zijn gesticht doorheen gans Europa, jeugdorganisaties zijn opgericht, er is een theologische school opgericht , nu reeds meer dan 80 j
aar geleden, in het hart van Parijs zelf. Zij heeft reeds honderden priesters, bisschoppen, theologen en catechisten gevormd. Ik zal er nog op terugkomen. Na een geschiedenis van 80 jaar, organiseert deze orthodoxe diaspora zich , sluit zich bij elkaar aan, en dit niet zonder pijn , dat is waar, ze structureert zich, vooral rond onze bisschoppen in de Vergadering van Orthodoxe Bisschoppen in Frankrijk.. Deze Vergadering is erkend door de franse staat en verleent haar toegang tot de instanties van de regering. De meeste van de oosterse patriarchaten zijn in deze Vergadering vertegenwoordigd : Constantinopel, Antiochië, Moscou, Belgrado, Bukarest, Tbilissi, maar ook de franse filosofische gemeenschappen, schrijvers, de kunsten, en dit alles in nauwe verbondenheid met de orthodoxe spiritualiteit en traditie. De 20e eeuw is een tijd geweest van ontmoeting en ontdekking  door het Westen van de Orthodoxe rijkdommen. Wij kunnen dit zelf bijna of niet vermoeden. De ontmoeting met de westerse religieuze of filosofische gedachte, om slechts enkele te vernoemen : Bergson, Mounier, Péguy, Congar, Daniélou, de Lubac, Boegner, Pierre Maury en zoveel anderen, was een gelegenheid voor een onschatbare wederzijdse verrijking.  Het instituut Saint Serge te Parijs en zijn erfgenaam, het Seminarie St.Vladimir te New York waren voorposten van een scheppende theologische reflexie, tegelijk wetenschappelijk, maar ook niet minder geworteld in het concrete leven van onze kerken, maar ook niet los te denken van een authentieke geestelijke ervaring, kerkelijk en persoonlijk . Ik wil hierbij vooral aan Vader Serge Boulgakov  denken, de stichter en deken van het instituut St.Serge, aan Vader Georges Florofsky, die samen met Vladimir Lossky de vertegenwoordiger is van de neo-patristieke orthodoxe stroming., Vader Nicolas Afanassieff, de baanbreker van de eucharistische ecclesiologie, die trouwens invloed heeft gehad op de vaders van Vaticanum II, Mgr Cassien die de nieuw-testamentische orthodoxe exegese heeft vernieuwd, Léon Zander, één van de meest geëngageerde personen in de oecumenische dialoog. Na deze eerste generatie stichters van het instituut moet men vooral denken aan figuren als Vader Alexandre Schmemann en Vader Jean Meyendorff die beiden naar de Verenigde-Staten zijn geëmigreerd. Zij waren de boegbeelden van het Seminarie St.Vladimir, de eerste als drager van een nieuwe visie op de liturgie en de eredienst, de tweede als geschiedkundige van de Byzantijnse  Theologie. Onder de levenden denken wij in Franktijk aan Olivier Clément, aan Mgr.Jean Zizioulas, aan Christos Yannaras, Mgr Kallistos, (Vader Lev Gillet, De monnik van de Oosterse Kerk, Elisabeth Behr-Sigel) en verder gans onze huidige generatie waarvan ik de namen niet vermeld. Ik moet hier ook enkele namen vermelden van enkele uitzonderlijke figuren van de orthodoxe gemeenschap van Antiochië, van Libanon, van Syrië, en zeker van de antiocheense diaspora in de wereld… Vooreerst, de huidige patriarch van Antiochië Ignace IV en zijn jeugdvriend, de metropoliet van de Berg Libanon Georges Khodre, beiden gediplomeerden van ons Instituut. Ik ben gelukkig voor de lange vriendschap die ons vanaf onze jeugdjaren heeft verenigd. Hun getuigenis , zowel binnen de orthodoxie als binnen de oecumene en wederzijdss ook met de Islam waarvan zij één van de beste kenners zijn, is onschatbaar. Wij herinneren eraan, dat zij in de eerste jaren die volgden op de tweede wereldoorlog, met nog anderen zoals Albert en Edouard Laham, Spiridon Khoury, Raymond Rizk, de gangmakers waren van een spirituele vernieuwing binnen de orthodoxe christenheid van Antiochië, door de stichting van het fameuze MJO (le mouvement de Jeunesse Orthodoxe au Proche-Orient) Onderlijnen we ook dat zij in een islamitische omgeving, niet alleen hun geloof en de rijkdommen van onze orthodoxe traditie wisten te behouden, maar ook een theologische vernieuwing wisten te tot stand te brengen door middel van hun bezieling voor een Beweging van Orthodoxe Jongeren, waaruit de beste theologen en mannen voor de Kerk van het Patriarchaat van Antiochië van vandaag zijn voortgekomen. Om te besluiten houd ik eraan vanaf nu  te antwoorden op de vraag : iIs er een  bijdrage, en zo ja, welk is de specifieke boodschap van deze bijdrage van de orthodoxie aan de westerse wereld waarin wij leven, en zeker aan kortweg ,de wereld ?
          Ik zal hier vooreerst drie essentiële dimensies van ons geloof en onze ervaring vermelden : 


1. De paas-overwinning van de Verrezene. Het is de fundamentele boodschap,die essentieel is voor de Kerk aan de wereld. Onderlijnen wij de actualiteit van deze boodschap in welke de ganse volheid van  het wezen van het christendom en deze van de  diaspora is samengevat.  Op lange termijn is het doel van de Bisschoppelijke raad om een eenvormige bisschoppelijke structuur te scheppen voor een lokale Kerk. Overigens, en ik gooi hier een knuppel in het hoenderhok, men kan de eenwording van de orthodoxe gemeenschappen in het Westen niet totaal scheiden van de toekomst van de oecumenische dialoog en de verwachting van onze kerkelijke eenheid met Rome en de niet-chalcedonische kerken. Maar daar raak ik een onderwerp aan die mij toebedeeld is. Ik zei het zojuist, de orthodoxe kerken zijn betrokken partij in het ontstaan van de oecumenische beweging, zich bewust zijnde dat de muren van onze scheidingen niet tot in de hemel reiken.. Zij moeten de actie en het oecumenische bewustzijn in het onderzoek naar een betere wederzijdse kennis aanmoedigen, door een waarachtige theologische dialoog aan te moedigen en niet meer in een geest van confrontatie en twist. Pas dan kunnen de theologische problemen worden aangeraakt, waaronder de meest wanhopige zoals het romeinse primaatschap, de voortkomst van de Heilige Geest en het probleem van de uniaten. Er is veel moed , intellectuele eerlijkheid en vertrouwen in het werk van de Heilige Geest nodig om zich  te engageren voor de hindernissen van de oecumenische dialoog, maar ik ben er van overtuigd dat er gelijdelijkaan zich een geest van vrede zal vestigen en dat theologische oplossingen vorm zullen krijgen. Er  zijn na de tweede wereldoorlog  bilaterale commissies  voor de dialoog opgericht, zowel op nationaal niveau als op internationaal niveau om de loop van de geschiedenis te proberen te overstijgen en om samen opnieuw onze gemeenschappelijke basis van voor de scheiding en conflicten te herstellen. Zo zullen wij door onze herinneringen aan de gebeurtenissen een daadwerkelijke therapie vinden voor onze scheidingen. Er is zeker enorm veel te zeggen over de aanwezigheid van de Orthodoxie in het Westen.  De Kerk levert ons de tijdgenoten en de zaden van heropleving  ontkiemen en ontluiken in onze harten en in onze levens. De Heilige Geest maakt ons tot tijdgenoten van de verrezen Christus. Gans het liturgisch en sacramentele leven van de Kerk zal een gelijkvormigheid zijn aan het mysterie van Christus’dood en verrijzenis.Zijn dood en verrijzenis bepalen de wet zelf van ons leven en ons worden, hier en nu. Wij kennen allen het impact van de dienst van Paasnacht
op hen die er kunnen aan deelnemen, orthodoxen, christenen of zelfs ongelovigen. Ik was bijzonder in de war  bij het lezen van een brief afkomstig van gevangenen in een kamp voor gedeporteerden in  het hoge Noorden van de Noordpool, aan het monasterie van de Solovki, dat een van de gruwelijkste plaatsen is geworden voor de gevangenschap van gelovigen gedurende de grote vervolging van de jaren 30. Men beschreef er de nacht-celebratie van de vigilie van Pasen, door hen waarvoor het wellicht de laatste gelegenheid was en de laatste genade om te kunnen roepen dat ‘Christus is verrezen’.
 


2. Het concept van Tradititie is essentieel  in het orthodoxe leven. Een noodzakelijk onderscheid dient gemaakt te worden tussen Traditie en tradities. Deze laatste zijn eerwaardig, maar relatief, locaal. In haar essentie bestaat de Traditie in de omvorming van de evangelische Boodschap  in tijd en ruimte, doorheen de categoriën van gedachten, de gevoeligheden van de naties, de culturen, in dat wat we de inculturatie noemen, iets dat tegelijk belangrijk maar delicaat is in de cultuur van een bepaalde tijd of land. Aldus zullen de grote christelijke families met hun kenmerkende liturgieën , hun theologische accenten, hun muziek en iconografie zich doorheen de geschiedenis ontwikkelen. Denken we hier aan de christenen van Irak en de semitische  talen, de antiocheense  en syrische traditie, de byzantijnse Orthodoxie en verder de  slaven en roemenen, de westerse families, romeins, milanees, celtisch, spaans. Vandaag de dag is het een franse orthodoxie die op zoek is naar zichzelf zonder de historische wortels van de locale christenheid en haar oosterse wortels te negeren. Men moet hier verduidelijken dat onze moderne maatschappijen diep getekend zijn door wat men zou kunnen noemen : een  ‘ontwaarding’ van de traditie. Wat hierin overheerst is de continuïteit doorheen de wisseling van generaties alsook de autoriteit waarmee de traditie is bekleed om de huidige en toekomstige handelingen in goede banen te leiden. De moderniteit  toont  een definitieve breuk. Door haar ontwikkeling zelf veroorzaakt zij een breuk met de traditie, haar uitsluiting zowel op religieus, sociaal of familiaal vlak. Maar de overdracht zelf van het geloof gebeurt altijd in de Kerk, in het leven en het geweten, in het gezond verstand van de kerkelijke gemeenschap en een levendige liturgie, maar ook , en niet minder in een persoonlijke relatie door een  levendige overdracht van wat ik in de brede zin van het woord zou noemen :  een geestelijk ‘vaderschap’ (of ‘moederschap’). Wij kunnen hierbij nog verduidelijken dat er een onderscheid moet gemaakt worden tussen het geestelijk vaderschap in de strikte zin van het woord, als een waarachtige geboren worden in God, en anderzijds in de meest brede zin van het woord, door de uitwerking welke personen, heiligen van alle tijden , en  kerkvaders kunnen hebben in ons leven. In het verleden sinds de H.Ignatius van Antiochië of de H.Ireneüs, Basilios, de twee Grogoriussen, Johannes van Damascus, Gregorius Palamas, de spirituelen, Serafim van Sarov, Silouan de Athoniet, de heiligen dus van het verleden en het heden, deze heiligen die onder ons zijn wekken ons op en hun spirituele ‘gen’ vinden wij terug in onze eigen bestendigheid en identiteit. Ten slotte, deze kerkelijke traditie brengt ons terug naar de apostolische tijd, naar de Kerk van de apostelen en de martelaren, want de Kerk is altijd apostolisch en  de Kerk van de martelaren, en het is in de Heilige Geest dat de overdracht zich voltrekt in de trouw, zonder er iets aan toe te voegen of af te nemen.Ik zeg wel : zonder er iets aan toe te voegen. Het is op dit punt, dat de orthodoxen waakzaam moeten zijn en zich niet moeten laten overweldigen en laten inslapen door de rijkdommen van onze geschiedenis en onze tweeduizendjarige bestaan. Zij moeten in staat zijn om telkens opnieuw terug te keren naar het essentiële , dit wil zeggen, naar onze gemeenschappelijke christelijke boodschap. 


3. De schoonheid. Deze derde titel zal ons misschien wat verbazen, maar het lijkt mij belangrijk om onze visie en de ervaring van de orthodoxie in verband met de schoonheid die voortvloeit uit de liturgische dienst, maar ook de innerlijke schoonheid en harmonie, die het vredige hart uitstraalt en verlicht, niet te negeren. Eén van de meest bekende verzamelingen  die de geschriften bevatten van de oosterse spirituelen, gaan terug vanaf de eerste eeuwen tot de 15e eeuw, en zijn verzameld door Nicodemus de Hagioriet in de 18e eeuw. Het is getiteld : Philocalia, dit wil zeggen : liefde voor het schone. Geheel de grote oosterse traditie van het gebed van het hart, van de aanroeping van de Naam Jezus, doorheen de strijd tegen de passies, is vervat in deze verzameling die zeer vroeg reeds in het slavisch, russisch, roemeens, en, vandaag in de meeste moderne talen waarvan ook in het frans is vertaald. Het thema van de schoonheid is zeer dikwijls verborgen gehouden in onze theologische handboeken, het volgt nochtans met kracht uit de lofprijzing van de psalmen over de schepping, uit de woorden van Jezus die zijn bewondering uitdrukt voor de lelies op het veld, en boven alles van de Schepper Zelf, die de zevende dag uitrustte van de mooie werken die Hij had geschapen. Deze schoonheid en harmonie vindt men terug in de liturgische dienst, in de gezichten van de iconen, maar niet minder ook in de vredevolle  en licht uitstralende gezichten van Christus. Maar spreken over iconen dwingt ons eraan te herinneren, dat de waarachtige icoon verborgen is in het diepste van ons hart, en deze moet men herontdekken, vernieuwen, herstellen. Zo impliceert het spreken over de liturgische dienst en de iconen hun intieme band met de innerlijke cultus, met de offerande van het hart en de onophoudelijke aanroeping van de Naam van Jezus, die wij toevertrouwen aan allen en aan de schepping in haar geheel. Het is een waarachtige voorsmaak van de helderheid en de vrede van het Koninkrijk.. Maar dit herstel van de harten en deze uitstraling achter en buiten onze kerkelijke gemeenschappen is het fundamentele werk en de gave van de Heilige Geest, van Hem waarvan de Heilige Serafim zei : ‘Verwerf een geest van vrede en duizenden zullen bij u het heil vinden’  


Tot besluit: Gegrepen door het vuur van de Geest die ons aanzet om een i
nspanning te leveren om het eigen van de orthodoxe boodschap af te bakenen tegenover de westerse wereld en kortweg tegenover de wereld, aanroep ik tot besluit en als conclusie de Heilige Geest aan die ons  vernieuwt, ons opbouwt en ons gelijk maakt aan het beeld van Christus’ dood en verrijzenis, deze Geest die de  richting bepaalt van onze weg vanaf  de geboorte tot de dood, die ons opbouwt tot levendige en biddende gemeenschappen, en tenslotte, die ons zendt in de wereld om er de boodschap van liefde, vrede en hoop uit te dragen. Alleen het vuur van de Heilige Geest kan de wereld omarmen. Beleven wij vandaag de dag niet de pijnlijke en moeilijke coëxistentie van twee werelden , de Kerk en de omringende wereld ? Twee werelden die zodanig verwijderd zijn dat het soms lijkt alsof de goddelijke boodschap slechts met moeit kan verkondigd kan worden. Ligt de fout van deze pijnlijke coëxistentie van Kerk en wereld bij de wereld alleen ? Indien de wereld in de hel van de onwetendheid, van de zonde en het lijden verkeert, moeten wij ons toch maar herinneren, vooreerst aan ons zelf, en vervolgens aan de wereld, dat de poorten van de hel waarmee wij in aanraking komen en die een echo vindt in onszelf, dat deze poorten van de hel verbroken zijn door de onoverwinnelijke kracht van de Verrezene. Geloven wij dit werkelijk ? Geloven wij sterk in de paas-overwinneng van Christus en de roemrijke en actuele kracht van de levende Geest ? Zo is het werk van de Geest die ons gelijkvormig maakt aan Christus, die ons de liefde en het medelijden van de Vader openbaart. Door Christus en de H.Geest gaan wij naar de vader. Of zoals een russische filosoof het eens zei, ‘Ons sociaal programma, is de Heilige Geest’. Hij is volledig aan het werk in de wereld en doorheen ieder van ons. En terugkerend naar de titel van deze uiteenzetting, moeten wij misschien niet wat minder denken aan de Orthodoxie en wat meer aan het Evangelie en de Verrijzenis, moeten wij ons niet wat minder verheerlijken en ons gaan beroepen op de ‘oosterse’ rijkdommen , die maar al te dikwijls ‘slapend’ en ‘ondoeltreffend’ zijn. Vooral moeten wij getuigen zijn van Hem die gekomen is, niet om gediend te worden maar om te dienen en zijn leven te geven voor het heil van de wereld.
 

cross2

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

         

OVER HET GEBED : Metropoliet Anthony

 


 OVER HET GEBED

De visie van Metropoliet Anthony  

ma1n

 Het is opvallend hoeveel boeken er tegenwoordig verschijnen over het gebed. Iedereen, die zich enigszins in deze materie verdiept, kan de nodige auteurs en titels noemen. De meesten van hen zijn westerlingen, hoewel ook de schrijvers uit Zuid-Oost-Azië en uit het Verre Oosten in het middelpunt van de belangstelling staan. Het is echter verheugend, dat ook de Orthodoxie een stevig woord meespreekt. Een van de meest prominente schrijvers in de westerse wereld is de Russische exarch in West-Europa, Anthony Bloom, Metropoliet van Soerozj.Van zijn hand verschenen de volgende werken over het gebed:– Living Prayer, 1966 (Nederlandse titel: Tijd voor gebed, 1973),– School for Prayer, 1970 (Nederlandse titel: De weg naar binnen, 1972),– God and Man, 1971,– Meditations on a Theme, 1972. 7RGCAF3V1DCCABD7CSKCAPLBSMVCAS6TTMMCAG1X77PCAH5QZF9CA3ZYB9MCAHV7J6XCAEWH9TICACNAP4RCAR6ZZ5FCAKG4K0DCA7WPR9XCAXIX07XCAUAIWESCAOW7X8ZCAGYG1DXCAZ79U1V
Deze werken zijn voor een groot gedeelte de neerslag van televisietoespraken, die metropoliet Anthony voor de BBC gehouden heeft. Het is gebleken, dat deze toespraken een zeer grote belangstelling genoten hebben. De daaruit voortgekomen boeken zijn bestsellers geworden. Dit alles doet de volgende vragen rijzen: wie is eigenlijk Metropoliet Anthony Bloom en wat is de reden, dat zijn gedachten zo aanslaan? 


De levensweg van Metropoliet Anthony.

 Anthony Bloom werd op 19 juni 1914 te Lausanne geboren. Zijn vader was lid van het corps diplomatique van het Russische keizerrijk. Zijn moeder was de zuster van de bekende Russische componist Aleksandr Skrjabin. Tijdens de verwarde dagen van de uitbrekende eerste wereldoorlog keerde het gezin Bloom naar Rusland terug. Daarop volgde een diplomatieke post in Perzië. Tijdens de Russische revolutie moest het gezin Perzië verlaten. Na een avontuurlijke zwerftocht door het Midden-Oosten belandden de Blooms in India. Een wrakke boot bracht hen vandaar naar Gibraltar en na een lange omzwerving door Europa vestigde het gezin zich in 1923 uiteindelijk in Frankrijk. Over de religieuze sfeer in het gezin Bloom is in de geschriften van Metropoliet Anthony niet veel te vinden. De vele jaren van omzwervingen hebben een regelmatig kerkelijk leven uiteraard onmogelijk gemaakt. Van zijn vader citeert hij de volgende uitspraak, die diepe indruk op hem gemaakt heeft: “Vergeet nooit, dat  het er niets toe doet of je leeft of sterft. Wat ter zake doet is alleen waarvoor je leeft en waarvoor je bereid bent te sterven”.  (De weg naar binnen, p. 9) Op zich genomen heeft deze uitspraak nog geen religieuze strekking. Van zijn moeder zegt hij, dat zij een wondere vrouw was: heel eenvoudig en open. Zij was het ook, die hem in het kritieke jaar van zijn leven het Evangelie in handen gaf. Dat kritieke jaar moet omstreeks 1930 gelegen hebben. “Tot aan die tijd”,  zegt hij, “was ik ongelovig en erg agressief antikerkelijk. Ik kende geen God, en alles wat met de idee van God te maken had, interesseerde me niet en haatte ik zelfs” (“De weg naar binnen”, p. 11).  Een religieuze invloed van zijn ouders was nauwelijks mogelijk, aangezien het gezin in Parijs geen gemeenschappelijke woning bezat en Anthony naar een kostschool gestuurd werd. Rond 1930 echter kreeg het gezin een eigen woning. De jonge Anthony voelde zich daardoor geconfronteerd met ‘volmaakt geluk’, maar ervoer tevens, dat geluk ondraaglijk is, als het niet ergens op gericht staat. Daarom nam hij het besluit zichzelf een jaar te geven om te zien of het geluk en het leven überhaupt enige zin hadden. Als hij in de loop van dat jaar geen enkele zin kon vinden, zou hij zelfmoord plegen. Volkomen onverwacht kwam er licht in de duisternis. Op een bijeenkomst van de Russische jeugdbeweging in Parijs, waar hij alleen maar uit fatsoen naar toe gegaan was, sprak een priester over Christus en over het christendom. Hij deed dat op een manier, die Anthony ten zeerste afstootte. Thuis gekomen vroeg hij aan zijn moeder het Evangelie en begon hij Markus te lezen. “Toen ik het begin van het Markusevangelie zat te lezen”, zo luiden zijn eigen woorden, “bemerkte ik, nog voordat ik bij het derde hoofdstuk aankwam, plotseling, dat er aan de andere kant van de tafel iemand aanwezig was. En de zekerheid, dat het Christus was die daar stond, was zo sterk, dat zij mij altijd is bijgebleven… Ik werd er in mijzelf volkomen zeker van dat Christus leeft en dat aan bepaalde dingen geen twijfel mogelijk is”  (Id. blz. 13-14). Na de middelbare school ging Anthony naar de Sorbonne, waar hij natuurkunde, scheikunde en biologie studeerde. Na te zijn afgestudeerd ging hij medicijnen doen, welke studie hij in 1939 voltooide. Omdat hij in 1937 de Franse nationaliteit had aangenomen, moest hij in de oorlog dienst doen als legerarts. Tevens nam hij actief deel aan het ondergronds verzet. Tijdens en na de oorlog zette hij zijn artsenpraktijk voort, maar er kam een nieuwe dimensie in zijn bestaan, doordat hij in 1943 in stilte zijn monniksgeloften aflegde. In 1948 werd hij priester gewijd en in januari 1949 vertrok hij naar Engeland om kapelaan te worden van het anglicaans-orthodox genootschap van Sint Alban en Sint Sergije.  In 1950 werd hij tot zielzorger van de Russische patriarchale parochie in Londen benoemd. In 1958 volgde zijn bisschopswijding en in 1962 werd hij aartsbisschop van de Russische Kerk in Groot-Brittannië en Ierland. In 1963 werd hij patriarchaal exarch voor West-Europa om tenslotte in 1966 bekleed te worden met de waardigheid van metropoliet. De weg van Metropoliet Anthony is duidelijk niet de weg van de doorsnee orthodoxe geestelijke. Het is een weg vol verrassingen: van diplomatenzoon tot berooide vluchteling, van ongelovige tot gelovige, van arts tot priester. Bij dit alles heeft hij, naar zijn zeggen, zijn eigen aard niet verloochend. Ondanks alle veranderingen is hij Rus gebleven. Daarom is zijn stem in het tegenwoordige gesprek over het gebed juist zo belangrijk. 


 Bronnen van de spiritualiteit van Metropoliet Anthony

ACVCADG8PWNCA4QDZ1CCAK344XWCAR5KSW1CAWYOSGECAMPNMW1CASM1KDUCABZGEQ9CA1EKGVDCASDZJGICACD6LE3CABNKX1DCAHW25AOCAJ8EUQNCAL5FZ56CA2OYR5OCA9PXB9TCAPFDLZ5

  Uiteraard heeft het lange verblijf in West-Europa Metropoliet Anthony niet onberoerd gelaten. In zijn bronnen komen westeuropese auteurs voor, zoals bv. Juliana van Norwich, de Engelse mystica van rond het jaar 1400. Hij illustreert zijn voordrachten met voorbeelden uit de hagiografie van de latijnse Kerk en citeert de Franse en Engelse literatuur. Maar verder blijkt uit alles, dat hij in de orthodoxe traditie staat. Graag verwijst hij naar de ononderbroken leer van de Orthodoxe Kerk. Sprekend over de methodiek van het bidden zegt hij: “De oude kerkvaders en de hele orthodoxe traditie leren, dat we met de inspanning van onze wil onze aandacht moeten richten op de woorden van het gebed, dat we uitspreken” (Tijd voor gebed, blz. 46 en 87). Wie zijn dan voor Metropoliet Anthony deze orthodoxe vaders? Het zijn de kerkvaders, zoals Athanasios, Johannes Chrysostomos, Gregorios van Nazianze en Johannes van Damaskinos. Het zijn de leraren van het monastieke leven: Efraïm de Syriër, Maximos, Johannes Klimakos, Izaäk de Syriër en Symeon de Nieuwe Theoloog. Naast deze stemmen uit het oosters monachisme klinkt het geluid van Russische monniken en startsi, zoals bv. van Ambrosios van Optina, van de onbekende Russische pelgrim, van Serafim van Sarov, van vader Jan van Kronstadt en vooral van Theofan de Kluizenaar.  XBHCABUJJC1CAKFP5G0CAM6QDIYCAV94IORCALNRY0KCALZP2JWCA0UYVAXCAZ97LTHCAV18VEUCALLLSC0CAVMEOZ5CA0RERBSCAHGGOIPCA4AMNGSCALO0HKOCAC4G0U2CAKK21O5CALE4BZR
Deze bronnen zijn voor een groot gedeelte van monastieke aard. Uiteraard hangt dit samen met zijn zeer bewuste toetreding tot de monastieke levenswijze in 1943. Als Russische monnik plaatst hij zich in de traditie van de Apophthegmata Patrum, die ook door hem aangehaald worden. Moderne auteurs, zoals bv. Dietrich Bonhoeffer, J. Robinson en anderen, die over het gebed geschreven hebben, noemt hij niet met name, hoewel het toch niet uitgesloten is, dat hij door hen beïnvloed is.    
      


  Het godsbeeld van Metropoliet Anthony . Om iets c
oncreets te kunnen zeggen over het gebed in de opvatting van Metropoliet Anthony is het vanzelfsprekend op dehemelvaart 1 modern !! eerste plaats nodig iets over zijn opvattingen over God te weten. Men krijgt de indruk, dat hij ook hier weer zeer sterk in de orthodoxe traditie geworteld staat. Die traditie benadrukt zeer sterk de onkenbaarheid van God of, beter gezegd, zijn totaal anders-zijn. Het is de apofatische theologie, waarvan Vladimir Lossky zo’n kernachtige karakteristiek heeft gegeven in het hoofdstuk “Les Ténèbres divines” in zijn werk “Theologie Mystique de l’Eglise d’Orient” – Aubier – Ed. Montaigne – 1944.
 Ook bij Metropoliet Anthony komt dit anders-zijn van God sterk naar voren. Sprekend over het godsprobleem zegt hij: “We dragen in ons hoofd een aantal voorstellingen van God rond die we uit boeken hebben gehaald, in de kerk hebben opgedaan, van volwassenen hebben overgenomen toen we nog kinderen waren of van de clerus toen we groter werden. Dikwijls beletten ons die voorstellingen de ware God te ontmoeten. Ze zijn niet helemaal verkeerd, er zit wel een zekere waarheid in maar toch zijn ze totaal ontoereikend… Zet alle valse voorstellingen, alle afgodsbeelden opzij.  Als een hulp daartoe suggereer ik (voor deze week) het volgend gebed: Help mij, o God, elke valse voorstelling van U op te geven, hoezeer het mij ook moge verontrusten”. Dezelfde gedachte verwoordt Metropoliet Anthony ook in zijn boek Meditations on a Theme, waar hij schrijft (blz. 70-71): “De H. Gregorios van Nazianze zei in de vierde eeuw, dat we, wanneer we uit de Schriften, uit de traditie en de ervaring van de Kerk alles verzameld hebben, wat mensen over God te weten hebben kunnen komen, en daaruit een samenhangend beeld gevormd hebben, dat we dan nog maar een afgodsbeeld gecreëerd zouden hebben, hoe mooi het ook mag zijn. Zo gauw we een beeld van God maken en zeggen: «Kijk, dit is God», vervormen we de dynamische, levende, onuitsprekelijke, oneindig diepe God, die onze God is, tot iets beperkts van menselijke afmetingen, omdat alle geopenbaarde kennis nu eenmaal menselijke dimensies aanneemt”. Steeds opnieuw waarschuwt hij ervoor de ware God te vervangen door een valse God, door een afgod, door een vrucht van onze verbeelding. “Wanneer we spreken van ‘voor God komen staan’ denken wij bijna onvermijdelijk, dat wij hier staan en God daar, buiten ons. Indien we God boven ons, voor ons, rondom ons zoeken, zullen we Hem nooit vinden… Daarom moeten we beginnen met delven naar de binnenkamer, naar de plaats diep in de kern van ons wezen waar God ons verwacht en waar zijn Rijk in volheid aanwezig is.” Het lijkt er toch sterk op, dat men in deze formuleringen een echo vindt van het ‘Honest-to-God-debate’. De andersheid van God wordt sterk geaccentueerd en wij kunnen Hem niet bepalen vanuit onze persoon, Hem niet boven ons plaatsen, maar moeten Hem zoeken diep in de kern van ons wezen.Hoe staat deze God, die tegelijkertijd geheel transcendent en geheel immanent is, ten opzichte van de schepping? Laat Hij aan de schepping, aan het saeculum, haar eigen ontwikkeling, door Hem gedragen als diepste draagkracht? Men krijgt niet de indruk, dat Metropoliet Anthony sterk op deze vraagstelling ingaat. Toch lijkt het wel in die richting te gaan, waar de metropoliet zegt: “Ofschoon wij weten, dat God almachtig is, kan Hij geen wonderen verrichten, zolang wij denken dat Hij niets om ons geeft; daartoe zou Hij zijn wil moeten opdringen en dat doet Hij nooit, omdat zijn verhouding tot de wereld berust op zijn absolute eerbied voor de vrijheid en de rechten van de mens.” Deze woorden suggereren, dat mensheid en schepping een zelfstandige ontwikkeling hebben, in diepste wezen uiteraard gedragen door God. Of we een dergelijke uitspraak moeten kenmerken als een secularistieverschijnsel, valt moeilijk te zeggen. Wel schijnt de mens, volgens zijn visie, van het begin af aan meer geschikt, meer toegerust om zelfstandig op deze aarde te werken. Volgens hem die daarbij steunt op de H. Athanasios, begint onze vergoddelijking op het moment dat we geschapen worden. God schenkt de mens onmiddellijk zijn ongeschapen genade om hem met zich te verenigen. “De orthodoxe leer kent geen ‘natuurlijke mens’ aan wie naderhand de genade wordt toegevoegd. Hetzelfde scheppende woord roept ons tot het bestaan en tot onze uiteindelijke bestemming: dat wij in God zouden leven en Hij in ons, dat Hij alles in allen zou zijn”. Deze meerdere bekwaamheid, deze grotere ‘afheid’ van de mens zou men ook kunnen terugvinden in de volgende woorden van Metropoliet Anthony: “Te dikwijls worden we opgeslorpt door wat om ons heen gebeurt, door al de bijkomstigheden welke radio, televisie en nieuwsbladen ons opdringen: gedurende die enkele minuten (van bezinning) echter moeten we ons ontdoen van alles wat niet de kern van ons leven raakt… Zo komen we tot de ontdekking dat we sukkelaars zijn die God nodig hebben, niet om een leemte te vullen, maar om Hem te ontmoeten”.  Interpreteert men teveel, wanneer men zegt, dat Metropoliet Anthony hier de gedachte verwoordt, dat God geen ‘Lückenbüßer’ is? Is hier ongemerkt geen invloed te bespeuren van Dietrich Bonhoeffer? Men wendt zich niet tot God om leemten (Lücken) op te vullen, maar om Hem te ontmoeten, misschien beter nog: door Hem ontmoet te worden. Een plaats van bijzondere godsontmoeting is het kerkgebouw. Over de kerkwijding zegt Metropoliet Anthony, dat daardoor voor God een bepaald territorium veroverd wordt op een ontheiligde wereld, die door de duivel bewerkt is. Hoewel de woorden niet genoemd worden, wordt hier duidelijk gewerkt met de begrippen ‘sacraal’ en ‘profaan’. Toch betekent dit ‘profaan’ bij hem niet, dat de wereld godverlaten is. Hij zegt: “In de wereld is God aanwezig als een vreemde, een pelgrim, iemand die van deur tot deur gaat en nergens zijn hoofd te ruste kan leggen; Hij gaat door de wereld als de koning die verworpen werd en uit zijn rijk verbannen en nu is teruggekeerd om zijn volk te redden. In de kerk daarentegen is Hij thuis, het is zijn woonstede… Buiten de kerk doet Hij wat Hij kan, wanneer Hij kan…”.  Ook deze woorden lijken meer in de richting te wijzen van de ‘machteloze’ God, die niet van buitenaf tussenbeide wil komen in menselijke processen, waarvan Hij trouwens zelf de drager is. Misschien zit in deze beschrijving van het godsbeeld teveel interpretatie. Dit komt dan ook wel gedeeltelijk hierdoor, dat hij niet expliciet over seculariteit en secularisatie spreekt. Van de andere kant moeten we toch een verklaring zoeken voor het feit dat zoveel mensen zich door Metropoliet Anthony aangesproken voelen. Het zijn toch mensen van deze tijd, hoofdzakelijk westerlingen, die het bloed van de secularisatie door hun aderen voelen stromen. 


Jezus Getsemanie

              Het gebed volgens Metropoliet Anthony.

 Uiteraard kleurt dit beeld van God zeer sterk de visie, die Metropoliet Anthony op het gebed heeft. Het kan onmogelijk de bedoeling zijn om hier alle aspecten van het gebed te behandelen. We doen hier en daar een greep, hopend daarmee de meest saillante punten aan te raken. Zoals reeds bij de behandeling van de bronnen werd opgemerkt, hecht hij grote waarde aan de traditie. Uiteraard strekt zich deze tendens ook uit over het gebed. In Meditations on a Theme  zegt hij: “Zo dikwijls zeggen we, waarom bidden met woorden, die door anderen gewaarmerkt (coined) zijn? Drukken mijn eigen woorden niet precies uit, wat er in mijn hart en in mijn geest leeft? Nee, dat is niet genoeg. Wat we nl. beogen is niet eenvoudigweg lyrisch uitdrukken wat wij zijn, wat wij hebben geleerd en wat wij willen. Op dezelfde manier waarop we van de grootmeesters van de muziek en van de kunst leren, wat muzikale en artistieke schoonheid is, zo leren wij ook van de meesters van het geestelijk leven, die bereikt hebben waarnaar wij streven, en die waarachtige, levende en waardige leden van het lichaam van Christus geworden zijn; van hen moeten wij leren, hoe we moeten bidden, hoe wij de voorwaarden en de gesteldheid van geest, wil en hart kunnen vinden, die ons tot christenen maken. Dit is ook een daad van zelfonderwerping, waardoor we iets groters en waarachtigers dan onszelf toestaan in ons te leven en ons vorm, stimulans en richting te geven”. Metropoliet Anthony wil hiermee echter geenszins zeggen, dat men de gebeden van anderen per se moet nabidden, hoewel hij er op zijn tijd grote waarde aan hecht. “Het eerste waar het eigenlijk op aan komt”,  zegt hij, “is vorm, stimulans en richting te geven”. Naast de woorden, die men voor het gebed kiest, is ook de lichaamshouding zeer belangrijk. Hij citeert het advies van Theofan de Kluizenaar over de houding bij het gebed: “Wees noch te slap, noch te gespannen, gelijk een vioolsnaar die op een bepaalde toonhoogte moet klinken; houd het lichaam rechtop, de schouders naar achter, het hoofd in een gemakkelijke houding, de spanning van elke spier naar het hart gericht”. “Velen in onze moderne wereld”, aldus Metropoliet Anthony, “hebben de zin voor het gebed verloren en beschouwen de lichamelijke houding als bijkomstig, ofschoon ze dit allerminst is. Laten wij het niet vergeten: de mens is niet een ziel die in een lichaam vertoeft, maar hij bestaat uit lichaam en ziel en wij worden geroepen, volgens de H. Paulus, om God te verheerlijken in onze geest en in ons lichaam”. Een andere voorwaarde voor het gebed is, dat het gedragen moet worden door Jezus Christus. Het gebed van de christen is het gebed van Christus, zijn Vader van geslacht tot geslacht in telkens andere omstandigheden aangeboden door diegenen, die door genade en deelname Christus in deze wereld tegenwoordig stellen. Als aan de voorwaarden, die hier echter niet uitputtend opgenoemd worden, voldaan is, kan men er dan zeker van zijn God existentieel, voelbaar te zullen ontmoeten in het gebed? Met Metropoliet Anthony kunnen we hier uiteraard geen antwoord op geven. God is immers een persoon en de mens kan God niet door middel van een bepaalde ‘techniek’ dwingen tot een ontmoeting. Dan zou er geen sprake meer zijn van een persoonlijke verhouding en ontmoeting. Zoiets kunnen we wel doen met een idee, met een produkt van onze verbeelding of met de verschillende idolen die wij tegenover ons kunnen plaatsen ter vervanging van God. We kunnen iets dergelijks echter niet doen met de levende God. Wat hier duidelijk doorspeelt is zijn visie op God. God is de onkenbare, de geheel andere, de soeverein. Het is niet de mens zelf, die door zijn gebed, hoe voortreffelijk ook, een bepaalde voelbare reactie in zich oproept. Het is God, die datgene als antwoord in de mens laat opwellen, waarvoor hij vatbaar is. Op een andere plaats zegt hij: “In onze inspanning om te leren bidden zijn emoties praktisch van geen belang; wat we God moeten aanbieden is een vast besluit Hem trouw te zijn en Hem in ons te laten betijen. Van ons gebed wordt niet een of andere gemoedstoestand verwacht, maar een diepe omvorming van heel onze persoonlijkheid. Wat we beogen is voor God te verschijnen, in Zijn tegenwoordigheid op te gaan, Hem al onze noden voor te leggen, van Hem kracht en sterkte te ontvangen en alles wat nodig is, opdat zijn wil in ons volbracht mag worden. Dit laatste is het enige doel van ons gebed. Het is ook de enige maatstaf van een goed gebed, niet een of andere mystieke ervaring of vroom gebed… Bij overweging of gebed kan concentratie alleen worden bereikt door het te willen. Ons geestelijk leven steunt op geloof en vastberadenheid – en alle eventuele vreugde komt van God”. Daarom moet men bij het gebed niet bang zijn, wanneer men God slechts kan benaderen in de naaktheid van het geloof of zijn tegenwoordigheid helemaal niet ervaart. Het is onbelangrijk of men deze ervaart of niet en een gevoel van verrukking is geen garantie voor de godsontmoeti
ng, noch draagt het ertoe bij.
Er moeten andere voorwaarden vervuld worden en de belangrijkste is, dat degene die zich aan het gebed wijdt, zichzelf moet zijn. Degene die bidt moet de woorden zoeken die bij hem of haar passen en zich niet als het ware aan het gebed vertillen. En wanneer hij toch bepaalde, voorafbestaande teksten wil gebruiken, zal hij ernaar moeten streven zich tot de hoogte van die teksten op te werken. Dit afstand-doen van het gevoelsmatige, dit geduldig wachten op God, tot Hij zich wil openbaren, kan men misschien wel zien als de voornaamste boodschap, die Metropoliet Anthony aan de mens van deze tijd wil brengen. De christen van deze tijd is iemand, die graag iets wil ervaren, wil voelen. Men probeert diensten en gebeden zo samen te stellen, dat ze de individuele bidder of de gemeenschap iets doen. Uiteraard is zo’n activiteit niet af te keuren en zit er iets goeds in. Wil God immers zelf niet, dat de mens zich door het lichamelijke en door het woord zo optimaal mogelijk tot Hem richt? “We moeten God echter niet benaderen”, zegt hij desalniettemin, “om allerhande gevoelens te ondervinden noch om deelachtig te worden aan enige mystieke ervaring. Wij gaan naar God om in zijn tegenwoordigheid te staan; verkiest Hij ons daar bewust van te maken, Hij zij geprezen – maar wil Hij ons zijn werkelijke afwezigheid laten voelen, Hij zij nog geprezen, want Hij is vrij te komen en te gaan. Hij is even vrij als wij zijn, ofschoon wij gewoonlijk niet naar Hem toegaan als iets anders ons meer boeit. Laat Hij ons echter zijn tegenwoordigheid niet voelen, dan is het omdat we iets te leren hebben omtrent Hem en omtrent onszelf. Maar de afwezigheid die ons in het gebed pijnigt, het besef dat Hij er niet is, maakt ook deel uit van onze verhouding tot God en is zeer kostbaar”. In deze visie op het gebed past ook de regelmaat, die Metropoliet Anthony inzake het gebed voorstaat. Gebed is immers geen gevoelskwestie. Het is niet aan de mens God voor te schrijven hem binnen de zoveel tijd een gevoel van zaligheid te geven. Het gaat om het expliciet ter beschikking willen staan van God op persoonlijk niveau. Daarom zal men ook niet verbaasd moeten zijn over dorheid in het gebed en zelfs af en toe de moed moeten hebben om te zwijgen in plaats van gebeden te formuleren. Men moet er eenvoudig de tijd voor nemen en dan maar wachten op God. Aan het slot van deze beschouwing moet men constateren, dat er nog heel wat vragen open blijven. Daar is bv. de kwestie van de verhouding van het persoonlijke tot het liturgische gebed. Een andere zeer belangrijke vraag is: waarom hebben zijn televisie­toespraken en zijn boeken zo’n overweldigende belangstelling getrokken? Ongetwijfeld speelt zijn doorleefde en overtuigde betoogtrant hierin een grote rol. Hij is overtuigd van wat hij zegt, omdat hij het zelf zeer intensief doorleefd heeft. Hij is tot geloof gekomen na een zeer zware crisis, tijdens welke hij de zinloosheid van zijn eigen leven zag en zelfs met de gedachte aan zelfmoord speelde. Hij heeft toen de aanwezigheid van Christus zeer levendig gevoeld. Ook de stap van arts naar monnik en priester zal niet zonder nadenken gebeurd zijn. Dit alles duidt op een zeer bewuste keuze, die in zijn optreden naar buiten duidelijk naar voren komt. Daarbij heeft hij de gave om zijn gedachten op een zeer eenvoudige en begrijpelijke manier te brengen. Men hoeft zich niet te kwellen met de vraag: wat bedoelt hij eigenlijk? Het is voorts duidelijk, dat zijn godsvoorstelling de moderne mens aanspreekt. Het is het beeld van een liefhebbende God, wiens anders-zijn-dan-de-mensen, wiens vrijheid echter sterk benadrukt wordt. Het is blijkbaar een godsbeeld, dat past bij de seculariserende tendens, die de Kerken binnendringt en leeft in de harten van vele christenen. Als wij het oeuvre van Metropoliet Anthony zouden moeten karakteriseren, zouden we misschien het best kunnen zeggen: het is een stuk mystieke theologie in de beste oosterse zin van het woord. P.AL(overgenomen uit “Het Christelijk Oosten”26ste jaargang – 1974 – afl. 1)met dankbaarheid.  

banner blauw