Het ongeloof van Sartre

HET ONGELOOF VAN JEAN- PAUL SARTRE

Frans filosoof

De ongelovige existentialist Jean-Paul-Sartre (1905-1980) rekent in zijn psychologisch toneelstuk ‘huis clos’ (met gesloten deuren,1944) op een theatrale manier met het geloof in de anderen af.

Hij projecteert drie mensen in een hiernamaals, dat eigenlijk het aardse leven voorstelt. Dit hiernamaals speelt zich af in een Second-Empiresalon, waarin men met twee anderen moet leven : er zijn –geen deuren : dus je kan niet naar buiten; geen vensters : je bent geïsoleerd van de buitenwereld; geen spiegels : je kan jezelf maar spiegelen in en door de ogen van de anderen. Net als de andere mensen hebben deze drie hun eigen fouten, die ze willen verbergen. In een situatie met deuren, vensters en spiegels lukt dit doorgaans wel vrij goed; er zijn heel wat ontsnappingsroetes in de werkelijkeheid in gebouwd. In het hiernamaals is ontsnappen onmogelijk : ze vernemen spoedig elkaars geheim : Estelle vermoordde haar kind. Inès is een lesbische vrouw en Garcin is een lafaard.

Voeg daarbij nog de affiniteit tussen twee vrouwen en één man. Liefde in zijn hechtste vorm is immers een tweepersoonsrelatie. Wie zal de afgewezen en jaloerse derde zijn ? Alle ingrediënten voor de driehoeksverhouding zijn aanwezig… Psychologisch wordt het een boeiend spel… Naar het einde van het stuk vloeien climax en anti-climax sterk in elkaar

   

Ze zijn dood. Dit betekent : ze hebben niets anders meer dan hun verleden. Er is geen toekomst meer. Ze bestaan zonder persoonlijk levensontwerp, versteend met het beeld dat de anderen zich van hen hebben gevormd. De dialectiek van die situatie, het versteend zijn voor en door de blik van de andere is de’hel’. L’enfer c’est les autres. (Bauters, Jean Paul-Sartre, ontmoetingen, DDB,1964,pp.48-49)

Estelle:

Luister niet naar haar. Neem mijn mond; ik    ben van jou helemaal van jou.

 Inès 

Nou, waar wacht je op ? Doe wat je gezegd is.

 De lafaard Garcin houdt de kindermoordenares Estelle

in zijn armen. Er kan worden gewed. Zal de lafaard

Garcin haar kussen ?

Ik zie jullie; ik alleen ben de menigte, de menigte,Garcin,de menigte, hoor je het ?

Lafaard ! Lafaard ! Lafaard ! Tevergeefs vlucht je voor me, ik laat je niet los ! Wat zoek je op haar lippen ?

Vergetelheid ? Maar ik vergeet je niet.

Mij moet je overtuigen. Kom ! Kom !

Ik wacht op je.

Je ziet, Estelle, hij maakt zich los uit de omarming,

Hij is zo gedwee als een hondje….Je krijgt hem niet !

Garcin :          

Wordt het dan nooit nacht ?

Inès :              

Nooit.

Garcin :          

Zal je me altijd zien ?

Inès :

Altijd

(Garcin:     laat Estelle aan haar lot over en doet een paar  stappen

door het vertrek, naar het bronzen beeld op de  schoorsteenmantel)

Garcin :

Het beeld….(Hij streelt het).

Nu is het ogenblik gekomen. Hier is het bronzen

Beeld, ik kijk ernaar en begrijp dat ik in de hel ben.

Ik zeg jullie dat alles was voorzien.

Zij hadden voorzien, dat ik voor deze schoorsteen

Zou staan, dat ik met mijn hand op dit beeld zou

Drukken, met al die blikken die mij verslinden…

(zich met een ruk omdraaiend)

Ha zijn jullie maar met z’n tweeën.

Het leek me dat er veel meer waren.(Lacht)

Dus dit is nu de hel. Ik zou nooit geloofd hebben

Herinneren jullie je nog : zwavel, brandstapel,

Braadrooster… Ha ! Wat een grap !

Een braadrooster is niet nodig :De hel dat zijn de

Anderen.

 

(J.P.Sartre.De Vliegen e.a., De Bezige Bij, 1966, pp.119-120)

 

            Volgens Sartre kan een mens op twee manieren bestaan : als een subject en als object.

Als subject (‘corps-pour-soi’) is de mens pas echt mens door zich voortdurend te realiseren in en met de wereld : hij denkt aan, hij werkt met… Het menselijk bewustzijn is als het ware een verbindingselement tussen het ik en de wereld. Doordat de mens bewust is, is hij altijd al in de wereld. Zelfs in de droom is de mens aanwezig in de wereld. Een droom is samengesteld uit ‘ervaringsresten’ van de wereld. Het is dank zij het bewustzijn dat de mens vrij is. Hij is in de wereld, maar valt er niet mee samen. Een mens neemt voortdurend afstand : ik ben geen plant, geen dier, geen vrouw (man), geen volwassene….

Door het bewustzijn is de mens vrij, hij is een wezen dat niet vastligt (vandaag is hij anders dan gisteren) en niet vastgelegd kan worden. Zelfs in een gevangenis kan de mens , volgens hem, zijn vrijheid bewaren. Ook ziek zijn zou volgens Sartre een keuze zijn.

Als object (‘corps-en-soi’) :  op zijn eentje kan de mens zonder problemen als subject bestaan. Eenmaal tussen andere personen echter zijn er twee mogelijkheden : hij blijft bestaan als subject ofwel wordt hij herleid tot een ding, een object.

Een voorbeeld : een vrouw is in de badkamer, ze voelt zich vrij, niemand ziet haar, ze is naakt en zingt. Plotseling ontdekt ze dat ze begluurd wordt door iemand doorheen het sleutelgat. Op dat moment verliest de vrouw haar
subject-zijn en voelt ze zich als een object, bekenen. Ze voelt zich herleid tot een object. Maar tezelfdertijd gaat ook zij diegene die gluurt objectiveren, tot een object herleiden. Zo verliezen beiden op dat moment hun subject-zijn, en zijn ze voor elkaar tot objecten geworden.

Sartre gelooft niet in de liefde. De sterkste persoonlijkheid zal altijd de ander domineren, in zijn macht gevangen houden, waardoor de ander tot ding of instrument herleid wordt.

Dit –tot-ding herleiden gebeurt bij uitstek op twee manieren : door de blik en het oordeel.

De blik : de ‘pornogragfische blik’ , de ‘betrappende blik’. Enz…

Het oordeel : Iemand vastspijkeren op zijn anders-zijn, hij is jood, neger,homo enz..

Sartre kan ook niets anders dan God verwerpen. God kan niet bestaan, God mag niet bestaan, als God bestaat is de mens niet vrij, zegt hij.

Een God aanvaarden betekent voor hem, door iemand (een god) tot object worden herleid. Iemand die gelooft moet geboden onderhouden. Als ik dat doe, verlies ik mijn vrijheid en leef ikzelf niet meer, maar laat ik me leven. Opdat een mens vrij zou zijn;, moet hij elke band met een opperwezen verloochenen, om zelf zijn leven in handen te geven.

Deze visie van Sartre spruit voort uit zijn opvoeding. Sartre is opgegroeid in een milieu, waar hij de slechtheid heeft leren kennen. Drugs, alcohol, verraad, overspel enz.. Dit heeft hem getekend. Als je in je leven niets anders dan slechtheid hebt gekend, hoe kun je dan nog een geloof hebben in de goedheid van de mens. En het geloof in de mens is een voorwaarde tot Godsgeloof. Wat hij zegt is waar, het bestaat. Mensen kunnen voor elkaar de hel zijn. We leven in een wereld waar de hel voorturend dichtbij is. Irak, Afrika, maar ook bij ons. Armoede, drugs, depressies, zich aan zijn lot overgelaten voelen. Niemand meer hebben om eens mee te praten, ouderen die vereenzamen in bejaardentehuizen, door iedereen in de steek gelaten, kinderen die mishandeld en misbruikt worden, kinderarbeid,prostitutie enz… Dit is een reële wereld, maar Sartre heeft  het mis, wanneer hij stelt dat dit altijd , in elke situatie en voveral zo is. Ook de hemel is een realiteit, we kunnen zeker ook voor de ander een stukje hemel zijn. Liefde bestaat echt. En godsdienst maakt de mens niet noodzakelijk tot een object. Christus is voor een christen juist ‘de meest vrije mens’, en zo zou ook een christen moeten zijn. Geboden en voorschriften zijn niet noodzakelijk een beperking van onze vrijheid, maar zijn juist een garantie om ons vrij te kunnen voelen. Natuurlijk, teveel geboden, teveel inmenging van de kerkelijke overheid (denken we aan de uitspraken van de pausen in morele kwesties) kan als een beperking van onze vrijheid aangevoeld worden. Vandaar dat de orthodoxie niet aan systematisch moraal doet. De mens is een vrij wezen, en hijzelf moet in eer en geweten over zijn handelen oordelen. Alleen tegenover God hebben we verantwoording af te leggen. En we weten dat de mens zwak en zondig is ( maar wat is zonde ? – voor mij is elke daad tegen de liefde voor onze medemens zonde). Met welk recht gaan we over anderen oordelen ? Christus maakt ons vrij, Hij leert ons te beminnen. Dit kan ook voor een ongelovige een realiteit zijn, en voorbeelden hiervan zijn ons bekend. Ook Sartre zou naar het einde van zijn leven toe een kleine copernicaanse zwenking hebben gemaakt. Hij was lid van de communistische partij, maar toen hij zag wat de russen hadden aangericht in Budapest in 1956, was de maat vol. Zoiets kan men mensen niet aandoen. Sartre wordt de spreekbuis van de vervolgden. Dit is een kleine maar belangrijke koerswijzi ging. Of hij daarmee zijn vroegere ideeën heeft gecorrigeerd blijft te betwijfelen.

Tot slot wil ik , met een dialoog uit Ingmar Bergman’s film ‘Als in een wazige spiegel’ proberen aan te tonen, dat een andere visie en houding mogelijk is, zelfs in een gebroken wereld.

In die film heeft Bergman het over een gesprek dat Minus heeft met zijn vader David, nadat hij de crisis van godsdienstwaanzin van zijn zus heeft meegemaakt :

 Minus :          

Toen ik daar in het wrak zat en Karin in mijn

Armen hield, toen brak de werkelijkheid, begrijp

je wat ik bedoel ?

David :          

Dat begrijp ik wel.

Minus :          

De werkelijkheid brak en ik rolde eruit.

Dat is net als in een droom, maar het is echt.

Alles kan gebeuren – alles, vader !

David :          

Ja, dat weet ik wel.

Minus :          

Dat maakt mij zo bang dat ik ’t wel kan schreeuen.

David :          

Kom eens hier ! (hij raakt Minus’hand aan en ze

lopen zo samen op het strand…zwijgend…..

Dan slaat David zijn arm om de schouder van

Minus)

Minus :          

Ik kan met dit nieuwe niet leven, vader.

David :          

Jawel, dat kun je wel.

Maar je moet iets hebben om je aan vast te houden.

Minus :

Wat zou dat moeten zijn. Een God ?

Een God in de gedaante van een spin, zoals de god

van Karin ?

Of een onzichtbare heerser, ergens in het donker ?

Nee, dat kan niet.

Stilte

Minus :          

Nee, vader. Dat kan niet. God bestaat niet in mijn

wereld.

Stilte (ze lopen langs het water)

Minus :          

Geef mij een bewijs dat God bestaat.

Stilte

Minus :          

Dat kun je niet.

David :          

Dat kan wel

Maar nu moet je goed luisteren naar wat ik zeg,

Minus.

Minus :          

Dat moet ik wel vader.

David :          

Er staat geschreven : God is Liefde.

Minus :          

Voor mij zijn dat alleen maar holle woorden.

David :

Wacht nu eens even, je moet mij niet in de rede

vallen.

(Ze zijn bij een laag, zanderig uitsteeksel gekomen

dat bijna onmerkbaar afhelt naar het water. Het

lijkt alsof ze midden in al het wit van de zee staan,

met al het wit van de zomerhemel boven hun

hoofden, alsof ze opgesloten zijn in een stolp van

melkkleurig glas. Oneindig kleine wezens in al dit

wazige stille wit).

David :          

Ik wil je alleen maar een vaag idee geven van wat

ik zelf verwacht.

Minus :          

En dat is Gods Liefde ?

David :          

Het is de wetenschap dat liefde in de wereld van de

mensen bestaat als iets reëels.

Minus :          

En het is natuurlijk een bijzondere soort liefde die

bedoeld wordt.

David :          

Alle soorten liefde, Minus.

De hoogste en de laagste, de armste en de rijkste,

de belachlijkste en de schoonste.De waanzinnige

of de cynische. Alle soorten liefde.

Minus :          

(zacht) Verlangen naar liefde.

David :          

Verlangen en verloochening. Achterdocht en

vertrouwen.

Minus :

Dus de liefde zou het bewijs zijn ?

David :          

We kunnen niet weten of de liefde Gods bestaan

Bewijst, of dat de liefde God zelf is.

Maar het doet er ook niet zoveel toe.

Minus :          

Voor jou zijn liefde en God hetzelfde ?

David :          

Die gedachte helpt mij in mijn leegheid en in

mijn smerige wanhoop.

(zwijgt)

Minus :          

Zeg nog wat vader !

David :          

Plotseling verandert leegheid in rijkdom

en wanhoop in leven.

Het is net alsof je gratie krijgt, Minus.

alsof je gratie krijgt nadat je tot de doodstraf

veroordeeld bent.

Minus :          

Dat klinkt allemaal vreselijk onwerkelijk, vader.

Maar ik geloof wel dat je meent wat je zegt.

Ik beef over mijn lichaam.Vader.

David :          

Ja.

Minus :          

Als het zo is als jij zegt,

dan zou Karin omgeven zijn door God, omdat

wij van haar houden ?

David :Ja.

Minus :

Kan dat haar helpen ?

David :          

Dat geloof ik zeker….. 

 

(Ingmar Bergman, Filmtrilogie, Bruna, Utrecht, 1965, pp.74-75)

(Kris Biesbroeck)

 

 


Auteur: orthodoxeinformatiebron

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie