Het Jezusgebed/Een monnik van de Oosterse Kerk

Het Jesusgebed

 

Een monnik van de oosterse kerk

 

INLEIDING

 

In een vrij onooglijke vorm verscheen in september 1950 bij Curits and Beamish Ltd. te Coventry een boekje getiteld: ‘On the invocation of the name of Jesus’, dat in 1951 een tweede en twee jaar later een derde druk beleefde. Ook de laatste uitgave heeft veel weg van een goedkoop brochuurtje. Toch bevat dit werkje een grote rijkdom aan geestelijke gedachten en verdient gekend te worden door allen, die zich ernstig op het geestelijke leven toeleggen.

De auteur die schuilgaat onder de titel ‘een monnik van de oosterse kerk’, beschrijft verschillende perspectieven van de heilige naam, gebruikt een gebedsmethode, welke in de geestelijke literatuur bekend is onder de naam ‘hesychasme’. Reeds de oudvaders beoefenden en leerden deze gebedstechniek in allerlei vormen.

In het oosten is deze manier van bidden ook onder de gelovigen nog veelvuldig in gebruik. In kloosters behoort ze daar tot de meest verbreide praktijk van het geestelijke leven. Bij ons in het westen kennen we deze vorm van gebed nog vrijwel uitsluitend in de litanie en meer uitgebreid in de rozenkrans.

In zijn voorwoord op de engelse uitgave wijst de schrijver erop, dat het boekje zuiver op de praktijk is gericht. Zijn enig doel was de christelijke leek, en wellicht ook menig religieus, bekend te maken met wat hij noemt ‘de weg van de heilige naam’. Zelf waarschuwt hij de lezer, dat de tekst niet gemakkelijk ‘loopt’. Hij trachtte zijn gedachten zo kort mogelijk uit te drukken, het aan de lezer overlatend ze in vrome overweging onder de persoonlijke inspiraties van de Heilige Geest opnieuw uit te bouwen. Om dit te vergemakkelijken is het traktaatje in korte hoofdstukjes verdeeld, die weer in paragrafen zijn onderverdeeld. Elke paragraaf vormt een Vrij afgerond geheel.

Gaarne hopen wij met de auteur, dat velen kennis mogen nemen van deze diepe gedachten om er hun geestelijk leven mee te voeden en te verrijken.

De vertaler,

A. PETERS, pr.

 

 

 

1. DE VORM VAN HET JESUSGEBED

 

Nu vroeg Jakob: Zeg mij uw naam. Hij sprak: Hoe vraagt ge nog naar mijn naam!

(Gen 32, 30).

 

1. Men kan op vele manieren bidden met de naam Jesus. Welke de beste is, moet iedereen voor zichzelf ondervinden. Maar welke formule men ook kiest, altijd zal de heilige naam zelf, het woord ‘Jesus’, er de kern en het middelpunt van moeten uitmaken, omdat daarin de gehele kracht van dit gebed is gelegen.

 

2. Het gebed: ‘Heer Jesus Christus, Zoon van God, ontferm U over mij, arme zondaar!’ is in het oosten het meest verspreid. Men kan echter ook eenvoudig: ‘Jesus Christus’ of: ,Heer Jesus’ zeggen; ja, het hele gebed zou men tot het ene woord ‘Jesus’ kunnen terugbrengen.

 

3. Dit, alleen de naam Jesus, is de oudste wijze van het bidden van de heilige naam; het is de kortste, eenvoudigste en naar wij menen, de gemakkelijkste manier. Daarom zouden wij, zonder andere formuleringen tekort te doen, willen aanraden alleen het woord ‘Jesus’ te gebruiken.

 

4. Wanneer we dus in het vervolg spreken over het Jesusgebed, bedoelen we de eerbiedige en veelvuldige herhaling van de heilige naam, het enkele woord ‘Jesus’ zonder verdere toevoegingen. De heilige naam zélf is het gebed.

 

5. De naam Jesus nu kan men ofwel met de lippen uitspreken, ofwel slechts in stilte denken.

In beide gevallen is er sprake van een werkelijk bidden van de heilige naam; in het eerste luidop, in het tweede alleen met het hart. Deze manier van bidden maakt de overgang van het mondgebed naar het louter inwendig gebed zeer gemakkelijk; ja, alleen al het langzaam en aandachtig herhalen van die heilige naam met de mond, brengt ons tot het overwegend gebed en bereidt de ziel voor op de contemplatie.

 

II. HET JESUSGEBED IN DE PRAKTIJK

 

6. Overal en ieder ogenblik kunnen we de naam Jesus uitspreken: op straat, in de fabriek, op onze kamer, terwijl we wandelen, enz. Naast dit niet aan regels gebonden zeggen van de heilige naam, is het goed een bepaalde tijd en plaats te reserveren met de uitdrukkelijke bedoeling zich toe te leggen op het bidden van het Jesusgebed. Wanneer men enige vordering gemaakt heeft in deze manier van bidden, kan men hiervan afzien, maar voor beginnen- den is het noodzakelijk om vooruit te komen.

 

7. Wanneer we dagelijks dus een bepaalde tijd vaststellen voor het aanroepen van de heilige naam (buiten de spontaan opwellende gebedjes, die zo veelvuldig mogelijk moeten zijn), dan moeten we hiervoor, wanneer de omstandigheden het maar even toelaten, ook een eenzame en rustige plaats kiezen: ‘Wanneer gij bidt, ga dan in uw binnenkamer, sluit de deur achter u en bidt uw Vader in het verborgene’ (Mt 6, 6). De lichaamshouding is hierbij van weinig belang. Men kan lopen, liggen of knielen. De beste houding is die welke de lichamelijke ontspanning en geestelijke inkeer het meest bevordert. Het kan daartoe nuttig zijn een houding aan te nemen die nederigheid en eerbied uitdrukt.

 

8. Alvorens de naam ,Jesus aan te roepen brenge men zich in een toestand van volmaakte rust en ingekeerdheid en bidt om de ver lichting en leiding van de Heilige Geest. ‘Niemand kan zeggen dat Jesus de Heer is, dan in de Heilige Geest’ (1 Kor 12, 3). De naam Jesus kan niet echt doordringen in een hart dat niet vervuld is van de zuiverende adem er het vuur van de Heilige Geest. De Geest zelf zal in ons de naam van de Zoon ademen er

doen lichten.

 

9. En dan maar beginnen, simpelweg. Wil men gaan wandelen dan moet men de eerste stap zetten en wie wil zwemmen moet het water in. Zo is het ook met het aanroepen van de heilige naam. Spreek die uit met aanbidding en liefde. Hou dat vol. Herhaal het. Denk er niet aan dat u bezig bent de heilige naam aan t’ roepen, denk alleen aan Jesus zelf. Noem zijn naam, langzaam, zachtjes en rustig.

 

10. Een veel voorkomende fout bij beginnenden is, dat zij het bidden van het Jesusgebed steeds willen ervaren met sterke innerlijke bewogenheid. Zij trachten het te zeggen met grote kracht. Maar de naam Jesus mag men niet schreeuwen of geforceerd uitbrengen, al is het dan maar alleen inwendig. Toen Elias voor God moest verschijnen, brak er eerst een hevige storm los, maar Jahweh was niet in de storm. Na de storm ontstond er een aardbeving, maar Jahweh was evenmin in de aardbeving. Op de aardbeving volgde de bliksem maar ook in de bliksem was Jahweh niet. Toen suisde er een zachte bries, en zodra Elias dit

hoorde, bedekte hij zijn gelaat met zijn mantel en ging naar buiten, want Jahweh ging voorbij (1 Kon 19, 13). Overdreven inspanning en het najagen van gevoelige vertroosting zijn zinloos. Wanneer u de heilige naam voor uzelf herhaalt, richt er dan rustig en geleidelijk uw gedachten, gevoelens, heel uw wil, ja heel uw wezen heen. Laat deze naam uw ziel doordringen, zoals een druppel olie zich uitbreidt in een kleed en het doordringt Laat niets van uw wezen daaraan ontsnappen. Geef uzelf geheel over, sluit u a.h.w. in die naam op.

 

11. Men moet bij de praktische beoefening van dit gebed de heilige naam niet steeds maar onafgebroken herhalen. Is de heilige naam eenmaal uitgesproken, dan moet de sfeer daarvan zich uitbreiden en voortzetten in seconden of minuten van stilzwijgende rust en aandacht. Men zou het herhalen van de heilige naam kunnen vergelijken met de vleugelslag, waarmee een vogel de lucht doorklieft. Dat gaat niet moeizaam, geforceerd, overhaast of klapwiekend, maar soepel en licht en in de letterlijke zin van het woord gracieus. Heeft de vogel een bepaalde hoogte bereikt dan gaat hij over in glijvlucht en beweegt alleen maar van tijd tot tijd zijn vleugels om in de lucht te blijven. Zo moet ook de ziel, wanneer zij zich eenmaal op Jesus heeft geconcentreerd en van Hem vervuld is, het herhalen van de heilige naam onderbreken en rusten in onze Heer. Men moet er slechts weer toe overgaan de heilige naam te herhalen, wanneer verstrooiingen de gedachte aan Jesus dreigen te verdringen. Dan begint men opnieuw de heilige naam aan te roepen om zo weer nieuwe stimulans te ontvangen.

 

12. Zet dit aanroepen voort zolang als u kunt of wilt. Natuurlijkerwijs wordt het gebed door vermoeidheid afgebroken. Forceer dan niets, maar neem het later weer op wanneer en waar het ook moge zijn, zodra u er weer neiging toe voelt. Eenmaal zult u gewaar worden dat Jesus’ naam u spontaan op de lippen komt, en bijna voortdurend in gedachten is, zij het ook heel rustig, onbewust. Zelfs uw slaap zal worden vervuld van de heilige naam en de herinnering aan Jesus. ‘Ik sluimer, maar mijn hart waakt’ (Hoogl 5, 2).

 

13. Wanneer we een poosje bezig zijn met deze methode van bidden, ligt het voor de hand, dat we hopen op en verlangen naar een zeker positief en waarneembaar resultaat, nl. te voelen dat wij een werkelijk contact tot stand hebben gebracht met de persoon van O.L. Heer. ‘Als ik alleen maar de zoom van zijn kleed aanraak, zal ik genezen zijn’ (Mt 9, 21). Deze zegenrijke ervaring is de verlangde eindpool van het aanroepen van de heilige naam:

‘Ik l
aat u niet gaan, tenzij gij mij zegent’ (Gen 32, 26). Toch moeten we een overdreven verlangen naar dergelijke gewaarwordingen vermijden; religieuze emotie kan gemakkelijk ontaarden in een gevaarlijk soort genotzucht en sensualisme. Laten we vooral niet denken onze tijd te hebben verspild of vruchteloze pogingen te hebben gedaan, wanneer we enige tijd het aanroepen van de heilige naam in praktijk hebben gebracht zonder iets te ‘voelen’. Integendeel, dit ogenschijnlijk dorre gebed is God misschien aangenamer dan ogenblikken van verrukking, omdat het vrij is van elk zelfzuchtig zoeken naar geestelijk genot. Het is het gebed van de harde, naakte wil. We moeten derhalve doorgaan met iedere dag een vaste tijd te besteden aan het aanroepen van de heilige naam, ook al komt het ons voor dat

dit gebed ons koud en dor laat. Zulk een ernstige toeleg van de wil, zulk een sober wachten op de heilige naam laat ons zelden lang in een staat van dorheid. Al degenen die dit hebben volgehouden geven toe, dat het vaak vergezeld gaat van een ervaring van diep inwendige vreugde, warmte en licht. Men heeft de indruk te wandelen in het licht. Er is in dit gebed niets vermoeiends, niets smachtends, niets ongeduldigs. ‘Uw naam is het kostbaarste aroom, . . neem mij mee, laat ons vluchten!’ (Hoogl 1, 3-4).

 

III. HET JESUSGEBED ALS GEESTELIJKE WEG

 

Door Jahweh maak ik hem sterk; in zijn naam trekken zij op (Zach 10, 12).

 

15. Het bidden van de naam Jesus zou alleen maar een episode van ons geestelijk leven kunnen zijn (‘episode’ betekent etymologisch:iets wat onderweg voorvalt). Het zou ook één van de vele wegen van het geestelijke leven kunnen zijn. Het kan echter ook dé geestelijke weg zijn, die we definitief en bij voorkeur (eventueel zelfs exclusief) kiezen: m.a.w. het aanroepen van de heilige naam kan voor ons iets voorbijgaands zijn, een gebed dat we gedurende een bepaalde periode verrichten om het later weer door een ander te vervangen; het kan ook – méér dan een bepaalde losstaande akt – een methode zijn, die we gedurende langere tijd, maar tegelijk met andere

gebedsvormen, gebruiken. Tenslotte kan het ook de methode worden, volgens welke we uiteindelijk heel ons geestelijke even opbouwen en organiseren. Dat hangt allemaal af van onze persoonlijke roeping, omstandigheden en geaardheid. We schrijven hier voornamelijk voor beginnelingen, voor degenen dus die eens willen kennismaken met dit gebed en een eerste contact zoeken met de heilige naam, maar ook voor hen die reeds dit eerste contact gelegd hebben en nu de weg zelf begeren te gaan. Zij die het aanroepen van de heilige naam reeds praktiseren als gebedsvorm, eventueel zelfs als de énige methode, hebben onze raadgevingen niet meer nodig.

 

16. We moeten niet zomaar uit een willekeurige opwelling tot het aanroepen van de heilige naam overgaan. Wij moeten door God daartoe geroepen en geleid worden. Wanneer wij het aanroepen van de heilige naam willen beoefenen als onze voornaamste geestelijke oefening, dan behoort dit besluit genomen te worden in gehoorzaamheid aan een zeer bijzondere roeping. Een geestelijke weg die gebaseerd is op een gril, zal jammerlijk doodlopen. Maar als we ons onder leiding van de Heilige Geest aangetrokken voelen tot de naam Jesus, dan zal het aanroepen van de heilige naam in ons de vrucht zijn van de Heilige Geest zelf.

 

17. Er is geen onfeilbaar teken waaraan wil kunnen zien of wij geroepen zijn tot de weg van de heilige naam. Er zijn echter bepaalde aanwijzingen van deze roeping, die wij nederig en zorgvuldig behoren te onderzoeken. Zo mogen wij, niet zonder grond, veronderstellen, dat de weg van het aanroepen van de heilige naam ook voor ons is bestemd, wanneer wij ons getrokken voelen tot het Jesusgebed en deze

praktijk in ons een vermeerdering bewerkt van liefde, zuiverheid, gehoorzaamheid en vrede, ja als het verrichten van andere gebeden zelfs wat moeilijk is geworden.

 

18. Eenieder die zich aangetrokken voelt tot de weg van de heilige naam, moet oppassen andere vormen van gebed niet minder waard te achten. Laten we niet gaan zeggen: ‘Het Jesusgebed is de beste manier van bidden!’ De beste manier van bidden is die, waartoe iemand zich door de Heilige Geest voelt aangespoord, welk gebed dit ook moge zijn. Wie het aanroepen van de heilige naam praktiseert, moet derhalve niet toegeven aan de verleiding van een onbescheiden en onberaden propaganda voor deze manier van bidden. Wanneer wij niet heel uitdrukkelijk met deze missie worden belast, moeten we niet te gauw tot God zeggen: ‘Ik wil uw naam verkondigen aan mijn broeders’ (P5 22, 22). Laten wij liever nederig de geheimen des Heren bewaren.

19. Wat wij in alle eenvoud en waarheid kunnen zeggen is, dat het aanroepen van de naam van Jesus ons geestelijke leven vereenvoudigt en centraliseert. Geen gebed is zo eenvoudig als dit ‘één-woord’-gebed, waardoor de heilige naam het enige brandpunt is van ons hele leven. Ingewikkelde methoden vermoeien en verstrooien vaak de gedachten, maar de naam Jesus neemt heel gemakkelijk alles in zich op. Zij heeft de macht te verenigen en samen te bundelen en de verdeelde persoon die kon zeggen:

‘Mijn naam is legioen, want we zijn met velen’ (Mk 5, 9), zal zijn eenheid herwinnen in de gezegende naam. ‘Verzamel heel mijn hart om uw naam te vrezen’ (Ps 86, 11).

 

20. Het aanroepen van de heilige naam moet niet worden gezien als een zgn. mystieke weg,

die ons van de plicht tot zuivering door ascese ontslaat. In het geestelijke leven zijn er geen binnenpaadjes. De weg van de heilige naam veronderstelt een voortdurende waakzaamheid over onze ziel; wij moeten de zonde vermijden. Er zijn in dit opzicht maar twee houdingen mogelijk om de heilige naam met groter aandacht en liefde te kunnen zeggen; anderen zullen de heilige naam zeggen om aandachtiger en inniger te zijn in hun liefde. Wij geloven dat de laatste opvatting de beste is. De heilige naam zelf i
s een middel tot zuivering en vervolmaking, een controle, een zeef, waar onze gedachten, woorden en handelingen doorheen moeten om ontdaan te worden van alle zondige elementen. Alleen dat zullen we kunnen aanvaarden wat verenigbaar is met de heilige naam Jesus. Laten we ons hart boordevol maken van deze heilige naam en de gedachte aan Jesus en laten we hem daarin als in een kostbaar vat bewaren en beschermen tegen iedere vervalsing en toevoeging. Dit is een zeer strenge ascese. In de mate dat de heilige naam in ons hart groeit, moeten we ons radicaler wegcijferen en sterven aan onszelf. ‘Hij moet groter worden, ik kleiner’ (Joh 3, 10).

 

21. Vergelijken we nu het aanroepen van de heilige naam met andere vormen van gebed. Over het liturgische gebed en gebeden voor bepaalde religieuze groeperingen voorgeschreven, zullen wij hier niet spreken, omdat we hier alleen het individuele en private gebed op het oog hebben. Dit wil niet zeggen, dat wij ook maar in het minst het liturgische gebed of andere voorgeschreven gebeden zouden onderschatten of afbrekend beoordelen. Het feit dat ze in gemeenschap verricht worden en in onafgebroken regelmaat terugkeren, maakt ze uiterst effectief. Maar de gelovigen en de leden

van dergelijke groeperingen moeten zelf uitmaken in hoeverre in hun geval het .Jesusgebed te verenigen is met de officiële gebedsformulen. We bedoelen hier meer een vergelijking te maken tussen verschillende vormen van privaat gebed. Wat b.v. te zeggen over het gebed van samenspraak, waarin wij luisteren naar en spreken tot God; wat over het zuiver kontemplatieve, woordenloze gebed, ‘gebed van rust’ en ‘gebed van vereniging’? Moeten wij deze vormen van gebed opgeven voor het .Jesusgebed of omgekeerd? Of moeten we ze er misschien mee combineren? Het antwoord hierop moeten wij voor elk geval in het bijzonder aan God overlaten. Zelden roept God iemand tot het aanroepen van de heilige naam met uitsluiting van alle andere vormen van gebed. Wij geloven dat in het algemeen gesproken, de weg van de heilige naam breed en ruim is. Meestal is deze praktijk zowel met het inwendig luisteren naar Gods woord in ons, als met het beantwoorden daaraan, te verenigen, evenzeer als met de daartussenliggende perioden van volledige innerlijke stilte. Tenslotte mogen we niet vergeten, dat het beste gebed dat wij kunnen verrichten op ieder willekeurig moment dat gebed is, waartoe wij door de Heilige Geest worden aangezet.

 

22. De raad en de discrete aanwijzingen van een geestelijke leider, die persoonlijke ervaring heeft van de weg van de heilige naam, zal de beginner meestal zeer ten goede komen. Persoonlijk zouden wij een dergelijke leiding zelfs aanbevelen. Dat wil echter niet zeggen dat ze onmisbaar is, want: ‘Wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, dan zal Hij u tot de volle waarheid leiden’ (Joh 16, 13)

 

IV. HET JESUSGEBED ALS AANBIDDING

 

Dan zal ik uw naam verheerlijken, voor eeuwig (Ps86, 12).

 

23. Tot nu toe hebben wij het Jesusgebed meer in het algemeen beschouwd. Nu moeten we de verschillende aspecten van deze aanroeping eens nader gaan bezien. Het eerste daarvan is dat van aanbidding en verering.

 

24. Maar al te vaak blijven onze gebeden beperkt tot smeking, voorbede inroepen en vergeving vragen. Ongetwijfeld kan de naam Jesus ook met al deze bedoelingen worden gebeden. Het gebed evenwel dat belangeloos opgaat in het prijzen van God omwille van zijn eigen glorie, de blik vol liefde en eerbied op Hem gericht, de uitroep van Thomas: ‘Mijn Heer en mijn God!’, behoort de voornaamste plaats in te nemen.

 

25. Het Jesusgebed moet de persoon van Jesus in onze geest binnenleiden. Deze naam toch is symbool en drager van de persoon van Christus. Ware dit niet zo, dan zou het aanroepen van de heilige naam louter woordvergoding zijn. ‘De letter doodt, maar de geest maakt levend’

(2 Kor 3, 6). Jesus’ tegenwoordigheid, ziedaar de wezenlijke inhoud, de levende kern van de heilige naam. Hem uitspreken betekent Jesus’ aanwezigheid en brengt die ook werkelijk teweeg.

 

26. Dit voert tot zuivere aanbidding. Met het uitspreken van de heilige naam beantwoorden wij de tegenwoordigheid van onze Heer. ‘Zij vielen ter aarde neer en aanbaden Hem’ (Mt 2, 11). Godvruchtig de naam Jesus uitspreken is er

 

kennen dat onze Heer alles is en wij niets. En in dit bewustzijn zullen wij Hem aanbidden en vereren. ‘Want God heeft Hem verheven en Hem een naam gegeven, hoog boven alle namen, opdat in de naam van Jesus iedere knie zou buigen’ (Phil 2, 9-10).

 

V. DE HEILIGE NAAM ALS MYSTERIE VAN VERLOSSING

 

0 God, kom mij te hulp door uw naam! (Ps 54, 3).

 

27. De naam Jesus brengt ons nog meer dan zijn tegenwoordigheid. Jesus is aanwezig in zijn naam als Zaligmaker; het woord ‘Jesus’ betekent immers ‘helper’ of ‘redding’. Bij niemand anders is er redding want onder de hemel is geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor we zalig moeten worden’ (Hand 4, 12). Jesus begon zijn aardse zending door te genezen en vergiffenis van zonden te schenken, dat wil zeggen: mensen te redden. De proefondervindelijke kennis van onze Heer als onze persoonlijke Zaligmaker en Redder wijst er dan ook op, dat we begonnen zijn de
weg van de heilige naam te gaan. Het aanroepen van de heilige naam verlost ons uit al onze noodwendigheden.

 

28. De naam Jesus helpt ons niet alleen al datgene te verkrijgen wat we behoeven. (‘Wat gij de Vader ook moogt vragen, Hij zal het u geven in mijn naam. Tot nu toe hebt gij niets

in mijn naam gevraagd; vraag en gij zult verkrijgen en dan zal uw vreugde volkomen zijn’ (Joh 16, 23-24), de naam Jesus zelf is reeds vervulling en verwerkelijking van alles wat wij kunnen wensen. Wanneer wij de hulp van onze Heer nodig hebben, zouden wij zijn naam met geloof en vertrouwen moeten uitspreken in de overtuiging dat we al bezig zijn te ontvangen waar we om vragen. Jesus zelf is de verheven vervulling van al wat een mens maar kan verlangen en Hij is dat op het moment zelf dat we tot Hem bidden. Laten we ons gebed met betrekking tot de verhoring ervan niet zien als voorafgaand, maar als gelijktijdig aan de vervulling ervan in Jesus. Hij is méér dan de schenker van wat wij en anderen nodig hebben. Hij zelf is de gave. Ja, Hij is beide tegelijkertijd:

gever en gave, in Zich bevattend alle goeds. Wanneer ik honger heb, is Hij mijn voedsel. Heb ik kou, Hij is mijn warmte. Als ik ziek ben is Hij mijn gezondheid, word ik vervolgd dan is Hij mijn redding. Ben ik onkuis, Hij wordt mijn zuiverheid. Hij is ons immers door God tot wijsheid, gerechtigheid, heiliging en verlossing geworden (1 Kor 1, 30). Dat is heel iets anders dan wanneer Hij ons dit alles alleen maar had gegeven. Nu kunnen wij in zijn naam alles vinden wat Hij is. Daarom is de heilige naam Jesus, voor zover hij ons met Jesus zelf verbindt, al een mysterie van verlossing.

 

29. De naam van Jesus brengt ons overwinning en vrede wanneer we worden bekoord. Een hart dat reeds vervuld is van de naam en de tegenwoordigheid van onze Heer, zal geen zondig fantasiebeeld of gedachte binnenlaten. Maar we zijn zwak en maar al te vaak geven onze verdedigingslinies het op en de bekoring stijgt in ons als een stortvloed. Sla dan geen acht op de bekoring, redeneer niet met uw eigen verlangens, let niet op de storm, kijk niet naar jezelf. Zie naar onze Heer, klamp u aan Hem vast, beroep u op zijn naam. Toen Petrus over het water naar Jesus wandelend de hevigheid van de storm gewaar werd, ‘werd hij bevreesd’ (Mt 14,

30) en begon te zinken. Als wij in plaats van naar de golven te kijken en naar de wind te luisteren, rechtuit over het water naar .Jesus gaan, zal Hij zijn hand uitsteken en ons vastgrijpen. De heilige naam zal ons dan van groot nut zijn als een vast omschreven, concreet en machtig hulpmiddel, dat in staat is de krachtige betovering van de verleiding te weerstaan. Wanneer u bekoord wordt, roep dan de heilige naam met volharding aan, maar rustig en eerbiedig, niet ruw, angstig of hartstochtelijk. Laat de heilige naam uw ziel langzaam doordrenken, tot alle gedachten en gevoelens daarin te samen komen en zich rondom deze naam vastzetten. Laat hem zo zijn macht tot samen- bundelen uitoefenen. Het is de naam van de Vredevorst, hij moet dus in vrede worden aan- geroepen, dan zal hij ons de vrede brengen, of beter nog, hij zal (als degene van wie hij het symbool is) ons zelf tot vrede zijn.

 

30. De naam Jesus brengt ons vergiffenis en verzoening. Als we zwaar hebben misdaan – en des te eerder wanneer we licht gezondigd hebben – kunnen we in één ogenblik ons met berouw en liefde tot de heilige naam keren en die uitspreken met heel ons hart. De heilige naam, zo gebeden (waardoor we de persoon van Christus immers al bereikten), zal ons de vergiffenis waarborgen. Laten we na de zonde niet willoos blijven talmen en uitstellen. Laten we toch niet aarzelen, ondanks onze onwaardigheid, de heilige naam opnieuw aan te roepen. Op een vroege morgen staat Jesus aan de oever van het meer. ‘Als Simon Petrus hoort dat

het de Heer is . .springt hij in zee’ (Joh 21, 7). Doe als Petrus, zeg: ‘Jesus’ en begin een nieuw leven. Wij zondaars zullen onze Heer hervinden bij het aanroepen van zijn heilige naam. Hij komt tot ons op het eigen ogenblik, in welke toestand we ook zijn. Hij begint weer met ons vanaf het punt waar Hij ons verliet, of liever gezegd, waar wij Hem verlieten. Toen Hij na zijn verrijzenis aan zijn leerlingen verscheen, kwam Hij tot hen zoals zij toen waren: bang, eenzaam en ongerust, maar zonder hun hun ontrouw te verwijten kwam Hij eenvoudig opnieuw in hun leven van alle dag. ‘Hij vroeg hen:

Hebt ge hier iets te eten? en zij gaven Hem een stuk gebraden vis en een brok honingraat’

(Lk 24, 41). Zo gaat het ook als wij na een zonde of na een tijd van lauwheid opnieuw ‘Jesus’ zeggen; Hij eist geen uitgebreide verontschuldigingen, Hij verlangt alleen maar weer bij ons te zijn zoals vroeger en elk moment en heel de sleur van ons leven – dat zijn onze gebraden vis en onze honingraat – in zijn persoon en zijn naam op te nemen en opnieuw te doen uitgaan vanuit de ware diepte van ons wezen.

 

31. Zo brengt de heilige naam ons na onze zonden weer verzoening. Zo geeft hij ons echter tevens een weidser en dieper besef van de goddelijke vergiffenis. Wij kunnen in het bidden van de naam Jesus heel de realiteit leggen van het Kruis, heel het mysterie van de verzoening. Wanneer we de heilige naam zien vanuit ons geloof in Jesus als zoenoffer voor de zonden der wereld, dan vinden wij in de heilige naam het symbool van de verlossing, welke zich uitstrekt over alle tijden en over het ganse heelal. In deze naam zullen we dan ontdekken ‘het Lam dat geslacht is’ (Openb 13, 8), ‘het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt’ (Joh 1, 29).

 

32. Dit alles wil evenwel in het geheel geen afbreuk doen aan, noch kleinerend bedoeld zijn ten opzichte van de door de kerk aan alle gelovigen voorgehouden middelen tot boete en vergeving. Het gaat hier om realiteiten van zuiver innerlijke aard, een vorm van innerlijke absolutie welke verkregen wordt door het berouw dat uit de liefde voortspruit. Het is de vergeving die de tollenaar uit het evangelie verwierf op zijn gebied in de tempel: ‘Deze man ging gerechtvaardigd naar huis’ (Lk 18, 14).

 

 

VI. DE NAAM JESUS EN DE MENSWORDING

 

En het woord is vlees geworden (Joh 1, 14).

 

33. We hebben de verlossende kracht van de heilige naam beschouwd, nu moeten we nog verder gaan. Naarmate de naam Jesus in ons groeit, groeit ook onze kennis van de goddelijke mysteriën. De heilige naam is niet alleen mysterie van verlossing, vervulling van al onze zonden. Het aanroepen van de heilige naam is ook middel om deel te krijgen aan het mysterie van de menswording. Het is een krachtdadig middel van vereniging met onze Heer en verenigd-zijn met Christus is veel genadevoller dan alleen maar bij Hem te zijn of door Hem te zijn verlost.

 

34. U moet de naam Jesus uitspreken, opdat ‘Christus moge wonen in uw hart’ (Ef 3, 17). U moet, wanneer zijn heilige naam over uw lippen komt, de waarachtigheid ervaren van zijn komst in uw ziel: ‘Ik sta aan de deur en klop en wanneer iemand naar mijn stem luistert en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij’ (Openb 3, 20). U moet zijn persoon en zijn naam, als zinnebeeld van de persoon, in uzelf ten troon heffen: ‘Ze hebben er zich gevestigd en daar een heiligdom gebouwd ter ere van uw naam’ (2 Kron 20, 8). Hij is het ‘Ik in hen’ van het hogepriesterlijk gebed van onze Heer (Joh 17, 26). Zo moeten we onszelf verliezen in die naam en ervaren dat we de ledematen zijn van het lichaam van Christus en de ranken van de ware wijnstok. ‘Blijft in Mij’ (Joh 15,4). Het spreekt vanzelf, dat niets het verschil kan opheffen tussen de Schepper en het schepsel. Maar door de menswording is een waarachtige vereniging van het mensdom en van onze eigen persoon met onze Heer mogelijk geworden, een vereniging die in het gebruik van de naam Jesus uitdrukking en versterking vindt.

 

35. Er bestaat enige overeenkomst tussen de menswording van het Woord en de inwoning van de heilige naam in ons. Het woord is vlees geworden. Jesus werd mens. Wanneer de diepe realiteit van de naam Jesus door onze ziel is gegaan, gaat zij als het ware over in ons lichaam. ‘Bekleedt u met de Heer Jesus Christus’ (Rom 13,14). De levende inhoud van deze heilige naam straalt van ons uit. ‘Uw naam is als uitgegoten balsem’ (Hoogl 1, 3). Wanneer ik de heilige naam met geloof en liefde herhaal, wordt zij een kracht in mij, in staat ‘de wet der zonde, die in mijn ledematen heerst’ (Rom 7. 23) te verlammen en te overwinnen. Zo kunnen we onszelf de naam Jesus als een soort fysisch zegel indrukken, dat ons hart en ons lichaam zuiver en gewijd zal bewaren. ‘Druk mij als een zegel op uw hart, als een zegel op uw arm’ (Hoogl 8, 6). Maar dit zegel is geen stuk was of lood, het is het uitwendig teken, de naam van het levende Woord.

 

VII. DE NAAM JESUS EN DE GEDAANTEVERANDERING

 

…vol van Hen,, die alles in allen vervult (EI 1, 23),

 

36. Het bidden van de heilige naam vernieuwt niet alleen het bewustzijn van onze eigen vereniging met Jesus in zijn menswording, de naam is ook een instrument, dat onze blik verruimt op de betekenis van onze Heer t.o.v. alles wat God heeft gemaakt. De naam Jesus helpt ons de wereld in Christus om te vormen (zonder tot pantheïsme te vervallen). Dit is weer een nieuw aspect van het Jesusgebed, het is een weg tot omvorming.

 

37. Dit is zo ten opzichte van de natuur. We moeten het heelal beschouwen als het werk van de Schepper: ‘Jahweh schiep hemel en aarde’ (Ps 134, 3). Het kan worden gezien als het zichtbare teken van de onzichtbare goddelijke schoonheid. ‘De hemelen verkondigen Gods glorie’ (Pa 19, 1). ‘Zie de leliën op het veld’ (Mt 6, 28). En toch is deze opvatting onvolledig. De schepping is niet iets statisch, ze is altijd in beweging, streeft en groeit naar Christus toe als naar haar vervulling en voleinding. ‘Heel de schepping zucht en kreunt in barensweeën’ (Rom 8, 22) tot zij ‘bevrijd zal worden van de slavernij der vergankelijkheid om deelachtig te worden aan de vrijheid der glorie van de kinderen Gods’ (Rom 8, 21). Heel de levenloze wereld is mee opgenomen in deze beweging naar Christus toe. Alle dingen komen tezamen in de menswording. De natuurelementen en de voortbrengselen der aarde, steen en hout, water en olie, koren en wijn, ze ontvingen een nieuwe betekenis en werden zinnebeelden en dragers van genade. Heel de schepping spreekt op mysterieuze wijze de naam Jesus. ‘Ik zeg u, als zij zwijgen, dan zullen de stenen gaan roepen’ (Lk 19, 40). Het is het uitleggen van deze naam, dat de christen moet beluisteren in de natuur. Door de naam Jesus uit te spreken over de dingen der natuur, over een steen of een boom, een vrucht of een bloem, de zee of een landschap of wat ook, brengt hij die gelooft het geheim van deze dingen aan het licht, voert ze tot hun vervolmaking, geeft antwoord op hun lang en ogenschijnlijk zwijgend wachten. ‘Reikhalzend toch smacht de schepping naar de openbaring der kinderen Gods’ (Rom 8, 19). Zo zullen we de naam Jesus zeggen, tezamen met de hele schepping: ‘In de naam van Jesus zal iedere knie zich buigen, in de hemel, op aarde en onder de aarde’ (Fil 2, 10).

 

38. Ook de wereld van de levende wezens moet door ons worden omgevormd. Toen Jesus veertig dagen in de woestijn verbleef, ‘vertoefde Hij onder de wilde dieren’ (Mk 1, 13). We weten niet wat er toen gebeurd is, maar we kunnen er zeker van zijn dat alle daar levende wezens onder zijn invloed zijn gekomen. Zelf zegt Hij van de mussen dat ‘geen enkele daarvan door God wordt vergeten’ (Lk 12, 6). We lijken dan op Adam, toen hij alle dieren een naam moest geven. Toen vormde Jahweh-God uit klei alle dieren op het land en alle vogels in de lucht en voerde ze naar de mens om te zien hoe hij ze zou noemen’ (Gen 2, 19). De biologen gaven ze een wetenschappelijk verantwoorde naam. Wanneer wij echter over de dieren de naam van Jesus uitspreken, geven wij ze hun oorspronkelijke waardigheid, die we zo gemakkelijk vergeten, terug, de waardigheid nl. van levende wezens te zijn, door God in Jesus e
n voor Jesus geschapen en in het leven gehouden.

 

39. Vooral de mensen kunnen we op deze manier omvormen. De verrezen Christus verscheen verschillende malen aan zijn leerlingen in een gedaante die zij tot nu toe niet van Hem gewoon waren. ‘Daarna verscheen Hij in een andere gedaante..’ (Mk 16, 22), de gedaante van een reiziger op weg naar Emmaüs, of van een tuinman bij het graf of van een vreemdeling, staande op de oever van het meer. Het was echter telkens in de gedaante van een gewone mens, zoals wij die ook in ons dagelijks leven ontmoeten. Hiermede benadrukte Jesus een belangrijk aspect van zijn tegenwoordigheid onder ons, zijn tegenwoordigheid nl. in alle mensen. Zo realiseerde Hij wat Hij had geleerd: ‘Ik was hongerig en ge gaaft Mij te eten, Ik was dorstig en ge gaaft Mij te drinken., naakt en ge kleedde Mij. Ik was ziek en ge hebt Mij bezocht. Ik was gevangen en ge kwaamt tot Mij. Wat ge de minste van mijn broeders gedaan hebt, dat hebt ge Mij gedaan’ (Mt 25, 35-36, 40). Jesus verschijnt ons in onze dagen in de gelaatstrekken van mannen en vrouwen, Inderdaad deze menselijke vorm is nu de enige waarin iedereen naar believen elk moment en op iedere plaats het gelaat van onze Heer kan herkennen. De moderne mens is realistisch georiënteerd; hij kan niet leven van abstracties en schijn; wanneer de mystieken hun vertellen: ‘Wij hebben de Heer gezien’, antwoorden zij met Thomas:‘Alleen als ik.., mijn vinger kan steken in opening van de spijkers en mijn hand in de zijdewonde, zal ik het geloven’ (Joh 20, 25). En Jesus neemt die uitdaging aan. Hij laat zich vinden en aanraken en toespreken in de persoon van al zijn menselijke broeders en zusters. Evenals tot Thomas zegt Hij tot ons: ‘Kom hier met uw hand en steek hem in mijn zijde en wees niet ongelovig maar gelovig’ (Joh 20, 27). Op de arme, de zieke, de zondaar en in het algemeen op alle mensen wijzend, zegt Jesus ‘Zie mijn handen en voeten., raak Mij aan en overtuig u, want een geest heeft geen vlees beenderen, zoals ge ziet dat Ik heb’ (Lk 24,39). Mannen en vrouwen, zij zijn het vlees en beenderen, de handen en de voeten, de doorstoken zijde van Christus, zijn mystiek lichaam. In hen kunnen we de realiteit ervaren de verrijzenis, de werkelijke tegenwoordigheid (zonder deze nochtans te vereenzelvigen met zijn wezenheid) van onze Heer Jesus. Wanneer we Hem niet gewaarworden, dan komt dat van ons ongeloof en onze verstoktheid van hart. Hun ogen werden weerhouden zodat zij Hem niet herkenden’ (Lk 24, 16). Welnu de naam Jesus is een concreet en krachtig middel om de mensen te zien in hun verborgen en meest innerlijke werkelijkheid. We moeten alle mensen benaderen met de naam Jesus op de lippen, op straat, in de winkel, op kantoor, in de fabriek, in de bus en vooral hen die ons hinderlijk en onsympatiek zijn. We moeten over hen allen de raam Jesus uitspreken, want dat is hun echte naam. Noem hen met deze naam, in zijn naam, en sfeer van aanbidding, toewijding en welwillendheid. Aanbid Christus in hen, dien Christus in hen. In veel van deze mannen en vrouwen – in de boze en misdadige – is Jesus geboeid. Bevrijd Hem door Hem in hen te erkennen en te eren. Iedereen zal ons als omgevormd en getransfigureerd voorkomen, wanneer wij door de wereld gaan met deze nieuwe blik, terwijl we ‘Jesus’ zeggen over iedere mens, terwijl we Jesus zien in iedere mens. Hoe meer we bereid zijn onszelf aan de mensen weg te schenken des te helderder en klaarder zal deze nieuwe blik worden, maar onze overgave is de voorwaarde voor dit inzicht. Terecht zei Jacob tot Esau, toen zij verzoend waren: ‘. . als ik genade gevonden heb in uw ogen, neem dan het geschenk van mij aan; want, daar ge vriendelijk voor mij waart, heb ik uw gelaat gezien, zoals men Gods aanschijn aanschouwt’ (Gen 33,10).

 

VIII. DE NAAM JESUS EN DE KERK

 

…om alles wat in de hemel en op aarde is, in Christus weer samen te brengen (Ef7, 10).

 

40. In de naam Jesus ontmoeten we al degenen die met onze Heer verenigd zijn, al degenen van wie Hij gezegd heeft: ‘Waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden’ (Mt 18, 20).

 

41. We kunnen alle mensen vinden in het hart van Jesus en in zijn liefde. Alle mensen kunnen we in zijn naam samenbrengen en ze daarin omvangen houden. Het is niet nodig uitbreid voor hun intenties te bidden, we behoeven slechts de naam Jesus uit te spreken met de naam van degene die in bijzondere nood verkeert. Alle mensen en alle goede gebedsintenties zijn reeds besloten in de naam van onze Heer. Jesus aanhangen is één worden met Hem in zijn zorg en liefdevolle attentie voor hen. Zich aasluiten bij Jesus’ eigen voorspraak voor hen is veel beter, dan Hem te smeken namens hen.

 

42. Waar Jesus is, daar is de kerk. Wie in Jesus, is in de kerk. Is het aanroepen van de heilige naam een middel tot vereniging met onze Heer, het is ook een middel om zich te verenigen met de kerk, die in Hem is en die door geen menselijk kwaad kan beroerd worden. Dit wil niet zeggen dat we de ogen sluiten voor de problemen van de kerk hier op aarde, voor de onvolkomenheden en de verdeeldheid der christenen. Maar we denken hier alleen aan de eeuwige en geestelijke en ‘onbevlekte’ zijde van de kerk, die besloten ligt in de naam van Jesus. De kerk, aldus beschouwd, gaat boven iedere aardse werkelijkheid uit. Geen schisma kan haar verdelen. Jesus zei tot de Samaritaanse vrouw geloof Me, er komt een uur, waarin gij

noch op deze berg, noch te Jerusalem de Vader zult aanbidden.. er komt een uur, en het is er reeds, waarin de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid’

(Joh 4, 21, 23). Er is een duidelijke tegenspraak in de woorden van onze Heer; hoe kan het uur

nog komende zijn en er toch al zijn? Deze paradox wordt verklaard uit het feit dat de Samaritaanse vrouw voor Christus stond. Van de ene kant was er nog de historische tegenstelling tussen Jerusalem en Gerizim; en Jesus, Wel verre van dit als onbeduidend te beschouwen, benadrukt de hogere roeping van Jerusalem: ‘Gij aanbidt wat ge niet kent. Wij aanbidden wat wij kennen; want het heil komt uit de Joden’ (Job 4, 22). In deze zin was het uur nog niet gekomen. Van de andere kant was het uur er reeds, omdat de vrouw voor degene, die groter is dan Jerusalem of Gerizim, degene, ‘die ons alles zal verkondigen’ (Job 4, 25) en in wie alleen we ten volle kunnen ‘aanbidden in ge
est en waarheid’ (Joh 4, 24). Dezelfde verhouding ontstaat, wanneer we door het Jesusgebed ons met zijn heilige persoon verenigen. Zeker, we geloven allerminst, dat al de tegenstrijdige interpretaties, die er op aarde over het evangelie verkondigd worden, gelijktijdig waar zijn, en evenmin, dat de gescheiden groepen van christenen in gelijke mate het goddelijke licht bezitten. Maar wanneer wij de heilige naam van Jesus in zijn volle betekenis uitspreken, geheel en al overgegeven aan zijn persoon en zijn verlangens, delen wij tegelijkertijd in het geheel van de kerk en ervaren zo haar wezenlijke eenheid, die dieper ligt dan al onze menselijke verdeeldheid.

 

43. Het Jesusgebed helpt ons in Hem weer te ontmoeten, al degenen, die ons door de dood ontvielen. Martha zag niet diep genoeg, toen ze, sprekend over Lazarus, tot de Heer zei: ‘Ik weet dat hij zal opstaan op de jongste dag’ (Job 11, 24). Met voorbijzien van wat er reeds was, stelde zij haar vertrouwen in wat komen moest. Jesus hielp haar uit de waan: ‘Ik bén de verrijzenis en het leven’ (Joh 11, 25). Het leven en de verrijzenis van de overledenen zijn niet louter toekomstig (hoewel de verrijzenis van de lichamen dat wel is). De persoon van de verrezen Christus is reeds de verrijzenis en het leven van alle mensen. In plaats van te trachten in ons gebed of in onze herinnering of verbeelding direct met de overledenen zelf geestelijk contact tot stand te brengen, moeten we trachten hen te bereiken in Christus, waarin nu immers hun werkelijke leven te vinden is. Daarom kan men zeggen dat het beste gebed voor de overledenen het Jesusgebed is. Omdat de aanroeping van Jesus’ naam onze Heer tegenwoordig stelt, zullen ook zij dan bij ons tegenwoordig zijn. En wanneer wij hun naam verbinden met de heilige naam, verrichten wij een liefdewerk ten opzichte van hen.

 

44. Deze overledenen wiens leven met Christus verborgen is, vormen de hemelse kerk. Zij behoren tot de volmaakte en eeuwige kerk, waarvan de strijdende kerk op aarde maar een heel klein deeltje uitmaakt. In de naam Jesus ontmoeten wij heel de gemeenschap der Heiligen; ‘zijn naam zal op hun voorhoofd staan’ (Openb 22, 4). Wij ontmoeten daarin de engelen; Gabriël, die het eerst op aarde de heilige naam aankondigde toen hij tot Maria zei: ‘En gij zult zijn naam Jesus noemen’ (Lk 1, 31). Daarin ontmoeten wij de Vrouw, ‘gezegend onder de vrouwen’, tot wie Gabriël deze woorden sprak en die zo vaak haar Zoon bij zijn naam genoemd heeft. Moge de H. Geest ons het verlangen ingeven, de naam van Jesus in ons op te nemen, zoals de H. Maagd Maria hem voor het eerst in zich opnam, en deze naam te herhalen, zoals Maria en Gabriël hem hebben uitgesproken. Moge onze eigen aanroeping afdalen in deze afgrond van aanbidding, gehoorzaamheid en tederheid!

 

IX. DE NAAM JESUS ALS EUCHARISTIE

 

Doet dit ter, mijner gedachtenis (Lk 22, 79).

 

45. Het mysterie van de opperzaal was een samenvatting van heel het leven en de zending van onze Heer. Beschouwingen over het sacrament der Eucharistie liggen buiten het bestek van het werkje dat wij ons hier hebben voorgenomen. Maar er bestaat een ‘eucharistisch’ gebruik van de naam Jesus, waarin alle aspecten welke we tot nu toe hebben behandeld, zijn samengevat en verenigd.

 

46. Ook onze ziel is een opperzaal, waar op ieder moment een onzichtbaar avondmaal des Heren kan worden gevierd. Onze Heer zegt het ons, bedekt zoals altijd: ‘Met groot verlangen heb ik verlangd dit paasmaal met u te gebruiken’.. (Lk 22, 15). ‘Waar is de zaal waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan nuttigen?’.. (Lk 22, 11) ‘maak het daar gereed’ (Lk 22, 12). Deze woorden gelden niet alleen het zichtbare avondmaal des Heren, zij zijn ook toe te passen op de innerlijke eucharistie, die, weliswaar alleen geestelijk, niettemin werkelijk is. In de zichtbare Eucharistie wordt Jesus opgedragen onder de gedaante van brood en wijn. In de eucharistie binnen ons, kan Hij alleen worden betekend en aangeduid door zijn naam. Daarom kan de aanroeping van de heilige naam door ons tot een eucharistie gemaakt worden.

 

47. De oorspronkelijke betekenis van ‘eucharistie’ is ‘dankzegging’. Ons inwendig avondmaal des Heren, moet een dankbetuiging zijn voor de grote gave ons door de Vader geschonken in de persoon van zijn Zoon. ‘Door Hem moeten we een altijddurende dankofferande brengen aan God’ (Hebr 13, 15). De H. Schrift geeft onmiddellijk de aard van dit dankoffer aan: ‘..namelijk de vrucht van lippen die zijn naam verheerlijken!’ Zo wordt de heilige naam verbonden met de idee van dankzegging. Wanneer wij Jesus’ naam uitspreken, behoren wij niet alleen de Vader te danken voor het feit, dat Hij ons zijn Zoon heeft gegeven of onze lofzegging tot de naam van de Zoon zelf te richten, maar we moeten de naam van de Zoon tot het wezen en de drager maken van het offer van lof, aan de Vader gebracht de uitdrukking van onze dank en tegelijk ons dankoffer.

 

48. Iedere eucharistie is een offerande. Dan offeren zij Jahweh weer in gerechtigheid’ (Mal 3, 3). Wij kunnen de Vader geen beter offer brengen, dan de persoon van zijn Zoon. Alleen dit offer is de Vader waardig. Ons offeren van Jesus aan de Vader is één met het offer, dat Jesus zelf voortdurend aan zijn Vader aanbiedt; hoe toch zouden wij uit onszelf Christus kunnen offeren! Om aan ons offer een concrete vorm te geven, kunnen wij niet beter doen dan de naam Jesus uitspreken. Wij zullen God de heilige naam aanbieden alsof het brood en wijn ware.

 

49. Bij het avondmaal bood de Heer aan zijn leerlingen brood dat gebroken en wijn die ver- goten werd aan. Hij offerde een leven dat werd overgeleverd, zijn Lichaam en Bloed, gereed om te worden geslachtofferd. Wanneer wij inwendig Jesus aan zijn Vader offeren, bieden wij Hem altijd een Slachtoffer, tegelijk geslacht en ‘verheerlijkt: ‘Waardig is het Lam dat geslacht is, te ontvangen, macht., eer, glorie en lof!’ (Openb 5, 12). Laten wij de naam van Jesus uitspreken in het bewustzijn dat we gewassen en ‘Wi
t geworden zijn in het bloed van het Lam’ (Openb 7, 14). Ziedaar de eucharistische beoefening van het Jesusgebed. Niet dat we hiermee a.h.w. een nieuw sacrament van het kruis willen instellen. De heilige naam, sacramenteel gebruikt, is slechts een hulpmiddel om de vruchten van het offer, eens en voor altijd volmaakt gebracht, hier en nu op ons toe te passen. Het helpt ons de uitoefening van het universele priesterschap, het eeuwige offer van Christus geestelijk actueel te doen zijn en tegenwoordig te stellen. Het sacramenteel gebruik van de naam .Jesus zal ook het besef in ons levendig houden, dat we niet met Jesus, Priester en Offerande, verenigd kunnen zijn, wanneer we niet offeren, in Hem, in zijn naam, onszelf met lichaam en ziel: ‘Brand- en zoenoffers behaagden U niet, toen zeide Ik: zie Ik kom!’ (Hebr 10, 6-7).

 

50. Er is geen eucharistie denkbaar zonder communie. Onze inwendige eucharistie is eveneens wat de traditie noemt een geestelijke communie’, d.w.z. een spijziging door het geloof in het Lichaam en Bloed van Christus, zonder dat men de zichtbare gedaanten van brood en wijn tot zich neemt: ‘Want het brood dat uit de hemel neerdaalt, is het brood van God, dat leven aan de wereld schenkt.. Ik ben het brood des levens’ (Joh 6, 33, 48). Jesus blijft altijd het levensbrood, dat wij als voedsel kunnen ontvangen, zelfs als we de uitwendige gedaante niet kunnen nuttigen. ‘Het is de geest die leven brengt, het vlees brengt niets daartoe bij’ (Joh 6, 63). We kunnen puur geestelijk en onzichtbaar naderen tot het Lichaam en Bloed van Christus. Deze inwendige, maar zeer werkelijke wijze van communiceren is iets geheel onderscheiden van iedere andere manier van toenadering tot zijn persoon, want hier is sprake van een bijzondere gave en weldaad, een bijzondere genade, een buitengewone verhouding

tussen onze Heer, als degene die voedt en tegelijk voedsel is, en onszelf die deelnemen aan dat voedsel, zij het op onzichtbare wijze. Dit geestelijk eten nu van het goddelijke levens- brood, van het Lichaam en Bloed van de Zalig- maker, wordt gemakkelijker wanneer het tot uitdrukking wordt gebracht in de heilige naam, wanneer de naam Jesus er de vorm, omlijsting en drager van is. We kunnen de naam van onze Heer uitspreken met de speciale bedoeling onze ziel daarmee te voeden, of liever met het H. Lichaam en kostbaar Bloed, dat we daardoor trachten te benaderen. Zo vaak we dat willen, kan deze communie vernieuwd worden. Het zij verre van ons de H. Eucharistie, zoals deze in de kerk wordt gevierd en genuttigd, als overbodig voor te stellen of minder hoog aan te slaan, maar het is te hopen, dat iedereen, die de weg van de aanroeping van de heilige naam volgt, moge ondervinden, dat de naam Jesus een geestelijk voedsel is, dat aan de hongerige zielen het levensbrood meedeelt. ‘Heer, geef ons dit brood voor immer’ (Joh 6, 34). In dit brood, in deze naam, zulfen we verenigd zijn met al degenen die deelnemen aan dit Messiaanse maal: ‘Daarom zijn wij, hoe talrijk ook, één lichaam, want allen hebben wij deel aan het éne Brood’ (1 Kor 10, 17).

 

51. Door de H. Eucharistie ‘verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt’ (1 Kor 11, 26). De Eucharistie is een voorsmaak van het eeuwige gastmaal. Het ‘eucharistisch’ gebruik van de heilige naam, leidt ons tot het eschatologische gebruik ervan, d.w.z. tot het aanroepen van de heilige naam, gezien in verband met het ‘einde’ en de komst van onze Heer. iedere aanroeping van de heilige naam moest een vurige verzuchting zijn naar onze uiteindelijke hereniging met Jesus in het hemelse koninkrijk. Zulk een verzuchting staat in betrekking tot het einde van de wereld en de triomferende komst van Christus, maar het heeft nog meer direct betrekking op het ogenblikkelijke ingrijpen van Christus (laten we bidden dat dit steeds vaker zij!) in ons aardse bestaan op zijn wonderlijk krachtig binnendringen in ons leven van alle dag, en nog meer op zijn komst op het ogenblik van onze dood. Er is een manier om ‘Jesus’ te zeggen, die een voorbereiding is op de dood, een verzuchten naar de dood, opgevat als een lang verwacht verschijnen van de Vriend, ‘die ge liefhebt, hoewel ge Hem niet gezien hebt’ (1 Petr 1, 8); een vragen om deze suprème ontmoeting en nu reeds een verwijlen aan de andere kant van de levensgrens. In deze manier van ‘Jesus’-zeggen ligt de verlangende uitroep van Paulus: ‘Ik verlang ontbonden te worden en met Christus te zijn’ (Fil 1, 23) en van St.-Jan:

‘Kom Heer Jesus, kom’ (Openb 22, 20) al besloten.

 

X. DE NAAM JESUS EN DE HEILIGE GEEST

 

Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien dalen en op Hem rusten (Joh 1,32).

 

52. De naam Jesus heeft een zeer voorname plaats in de boodschap en de daden van de apostelen. Zij preekten in de naam van Jesus, genazen de zieken in zijn naam, zij baden tot God: ‘Nu dan Heer, verleen uw dienaars,.. tekenen en wonderen door de naam van Jesus, uw heilige Dienaar’ (Hand 4, 29-30). Door hen werd de naam van de Heer Jesus verheerlijkt’ (Hand 19, 17).

Pas na Pinksteren verkondigden de apostelen de naam ‘met kracht’. Jesus had hun gezegd:

‘Wanneer de H. Geest over u komt, zult gij kracht ontvangen’ (Hand 1, 8). In dit ‘pinkstergebruik van de naam van Jesus zien we duidelijk het verband van de Geest en de naam. Het blijft intussen niet beperkt tot de apostelen, maar van al ‘degenen die geloven’ geldt het woord dat Jesus sprak: ‘In mijn naam zullen zij duivelen uitdrijven, zij zullen vreemde talen spreken.. zieken de handen opleggen en zij zullen genezen’ (Mk 16, 17-18). Alleen ons gebrek aan krachtig geloof en liefde, weerhoudt ons ervan een beroep te doen op de heilige naam in de kracht van de H. Geest, Wanneer wij waarlijk de weg van de heilige naam gaan, moet er een dag aanbreken, dat we (zonder trots of aanmatiging) in staat blijken de glorie van onze Heer te openbaren en anderen te helpen door ‘tekens’. Hij, wiens hart een heiligdom is geworden van Jesus’ naam, moest niet aarzelen tot hen die geestelijk of lichamelijk hulp nodig hebben, de woorden van Petrus te herhalen: ‘Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb zal ik u geven in de naam van Jesus Christus van Nazareth, sta op en ga!’ (Hand 3, 6). 0, mocht de Geest van Pinksteren komen en de naam Jesus met vuur in ons hart schrijven!

 

53. Het ‘pinkster’-gebruik van de heilige naam is slechts één aspect van ons naderen tot de

H. Geest door middel van de naam Jesus. De heilige naam zal ons nog tot andere en inwendige ervaringen van de Geest voeren. Wanneer we de heilige naam uitspreken, mogen we een glimp opvangen van de betrekking tussen de H. Geest en Jesus. De H. Geest staat in een bepaalde verhouding tot Jesus, en Jesus in een bepaalde verhouding tot de H. Geest. Wanneer wij de naam Jesus herhalen, bevinden wij ons bij wijze van spreken, op het kruispunt waar deze twee ‘strevingen’ elkaar ontmoeten.

 

54. Toen Jesus werd gedoopt, ‘daalde de H. Geest in lichamelijke gedaante als een duif op Hem neer’ (Lk 3, 22). Het nederdalen van de duif is de beste uitbeelding van de verhouding van de H. Geest tot onze Heer. Laten wij nu trachten, wanneer wij de naam van ,Jesus zeggen, a.h.w. mee te gaan met de Jesus gerichte beweging van de H. Geest, met de Geest, door de Vader naar Jesus gezonden, kijkend naar Jesus en komend tot Jesus. Laten we trachten onszelf te verenigen, voor zover een schepsel zich met een goddelijke handeling verenigen kan, met deze vlucht van de duif (‘0, had ik vleugels gelijk een duif. .‘ Ps 55, 7) en met de tedere gevoelens die zij tot uiting brengt; ‘Men hoort de duiven al kirren’ (Hoogl 2, 12). Alvorens ons ‘te smeken met onuitsprekelijke verzuchtingen’ (Rom 8, 26), verzuchtte de H. Geest naar Jesus en zal in eeuwigheid naar Jesus blijven verzuchten. Het boek der Openbaring toont ons de H. Geest samen met de bruid (dat is de kerk) roepend om de Heer. Wanneer wij de naam Jesus uitspreken, kunnen we dat opvatten als het zuchten en verzuchten van de H. Geest, als de uitdrukking van zijn smachten en verlangen. Aldus zullen we, in overeenstemming met ons zwak menselijk vermogen, worden opgenomen in het mysterie van de liefdes- betrekking tussen de H. Geest en de Zoon.

 

55. Omgekeerd kan de naam Jesus ons ook helpen in te stemmen met de gevoelens van onze Heer ten opzichte van de H. Geest. Maria had Jesus ontvangen ‘van de Geest’ (Mt1, 20).

Gedurende zijn gehele aardse leven bleef Hij (en blijft Hij nog steeds) volmaakt openstaan voor de Gave, die de F1. Geest is. Hij laat zich door de Geest volkomen overmeesteren, ‘geleid als Hij immers wordt door de Geest’ (Mt 4, 1). Hij keert uit de woestijn terug ‘in de kracht van de Geest’ (Lk 4, 14). Hij verklaarde: ‘De Geest des Heren rust op Mij’ (Lk 4, 18). In dit alles toont Jesus een nederige volgzaamheid aan de H. Geest. Wanneer wij de naam Jesus uitspreken, kunnen wij ons, voor zover dit aan mensen gegeven is, met Hem verenigen in die overgave. Maar we kunnen onszelf ook één met Hem maken, als met het uitgangspunt, van waaruit de Geest tot de mensheid gezonden werd: ‘Hij zal van het mijne ontvangen en het u verkondigen.. Ik zal Hem tot u zenden’ (Joh 16, 15). We kunnen de naam Jesus zien als het brandpunt, van waaruit de Geest zijn levenwekkende stralen uitzendt naar de mensheid. Wij kunnen Jesus zien als de mond, van waaruit de Geest ademt. Zo kunnen wij ons bij het uitspreken van de naam Jesus verenigen met deze twee momenten: Jesus’ vervuld worden van de Geest, en Jesus’ uitstralen van de Geest. Voortgang maken in het aanroepen van de heilige naam is groeien in de kennis van ‘de Geest van de Zoon’ (Gal 4, 6).

 

XI. DE NAAM JESUS EN DE VADER

 

Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien (Joh 14, 9).

 

56. Ons lezen van het evangelie zal oppervlakkig blijven zolang wij er alleen maar in zien een boodschap gericht tot- of een leven gekeerd naar de mens. Het wezenlijke kernpunt van het evangelie is: de intieme verhouding van Jesus tot de Vader. Het geheim van het evangelie is:

Jesus gekeerd tot de Vader. Dit is het fundamentele mysterie van het leven van onze Heer. Het aanroepen van de naam Jesus staat ons toe in werkelijkheid, zij het dan zwak en als in het voorbijgaan, aan dit mysterie deel te nemen.

 

57. ‘In het begin was het Woord’ (Joh 1, 1). De persoon van Jesus is het levende Woord, van alle eeuwigheid door de Vader gesproken. Daar, door een bijzondere goddelijke beschikking, de naam ‘Jesus’ gekozen werd om het levende Woord, gesproken door de Vader, aan te duiden, mogen wij zeggen dat deze naam enigermate deel uitmaakt van die eeuwige zeg- ging. Op een wat antropomorfistische manier (die gemakkelijk te verbeteren is) zouden we kunnen zeggen dat de naam Jesus het enige menselijke woord is, dat de Vader eeuwig uitspreekt. De Vader brengt van alle eeuwigheid zijn Woord voort. Hij geeft zichzelf eeuwig in de voortbrenging van het Woord. Wanneer wij verlangen tot de Vader te naderen door het aanroepen van de naam Jesus, moeten wij, als wij de heilige naam uitspreken, op de eerste plaats Jesus zien als het voorwerp van de liefde en de gave van zichzelf van de Vader. Proberen we – op onze menselijke manier – het uitstromen van deze liefde en deze gave in de Zoon te ervaren. Wij hebben reeds de duif op Hem zien neerdalen. Blijft nog over de stem van de Vader te vernemen die zegt: ‘Gij zijt mijn welbeminde Zoon, in U heb ik mijn welbehagen’ (Lk 3, 22).

 

58. En nu moeten wij bescheiden trachten door te dringen in het zoonbewustzijn van Jesus. Nadat wij in het woord ‘Jesus’ het uitzeggen van ‘mijn Zoon’ door de Vader hebben ontdekt, moeten wij daarin van de andere kant Jesus’ uitzeggen van ‘mijn Vader’ trachten te beluisteren. Jesus kent geen ander verlangen dan de Vader te verkondigen en zijn Woord te zijn. Niet alleen zijn alle handelingen van Jesus gedurende zijn aardse leven akten van volmaakte gehoorzaamheid aan de Vader geweest: ‘Mijn spijs is de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft’ (Job 4, 34), niet alleen heeft de offerdood van Jesus aan de hoogste eis van de goddelijke liefde (waarvan de Vader de bron is) voldaan: ‘Groter liefde heeft niemand dan hij die zijn leven geeft’ (Joh 15, 13), niet alleen de daden van Jesus maar zijn hele wezen was een volmaakte weerspiegeling van de Vader. Jesus is de ‘afstra
ling van zijn glorie en de afdruk van zijn wezen’ (Hebr 1, 3). Het Woord was ‘tot God’ (Joh 1, 1); de vertaling ‘bij God’ is niet juist. Deze eeuwige gerichtheid van de Zoon op de Vader, dit eeuwig gekeerd zijn naar Hem, moeten wij ervaren in de naam Jesus. Er is nog meer in de heilige naam dan het gekeerd zijn naar de Vader. Wanneer wij ‘Jesus’ zeggen, kunnen wij enigermate Vader en Zoon tot elkander brengen, wij kunnen hun één-zijn realiseren en ons eigen maken. Op hetzelfde ogenblik dat wij de heilige naam uitspreken, zegt Jesus zelf tot ons, evenals Hij zegde tot Philippus: ‘Gelooft ge dan niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij?’ (Job. 14, 10).

 

XII. DE HEILIGE NAAM EN DE ALOM- TEGENWOORDIGHEID

 

– . dan zult gij vervuld worden van de ganse volheid (El 3, 19).

 

59. De voornaamste aspecten van het Jesusgebed hebben we nu gezien- Wij hebben ze gerangschikt tot een soort climax en we menen dat deze climax beantwoordt aan de normale voortgang van het leven der ziel. Niettemin, God, die ‘de Geest geeft zonder maat’ (Joh. 3, 34), overschrijdt al onze grenzen. Deze aspecten van de heilige naam lopen dooreen; het kan voorkomen, dat een beginneling direct wordt gegrepen door het diepste inzicht in de inhoud van de heilige naam, terwijl een ander die reeds jaren het Jesusgebed beoefent niet verder is gekomen dan de meest voor de hand liggende begrippen (dit is natuurlijk niet het allervoornaamste; het enige waar het op aankomt is: te doen wat God wil dat we doen). Daarom is het patroon, dat wij in grote lijnen volgden, iets kunstmatigs en heeft het maar betrekkelijke waarde.

 

60. Dit wordt heel duidelijk voor iedereen, die het Jesusgebed, van al de kanten die wij hier beschreven, heeft ervaren. Op dit niveau aangekomen (wat niet wil zeggen, dat dan ook tevens een hogere graad van volmaaktheid werd bereikt maar wel vaak een zeker intellectueel en geestelijk hoogtepunt en een bepaalde vlugheid van begrip en onderscheidingsvermogen met betrekking tot de goddelijke dingen), kan het moeilijk worden, zelfs vervelend, onaangenaam en saai, ja soms onmogelijk, zich nog te concentreren op dit of dat bepaald aspect van de naam Jesus, hoe verheven het in zich ook moge zijn. Ons aanroepen en beschouwen van de heilige naam vervaagt tot het zeer algemene. Wij worden ons ineens bewust wat in de heilige naam vervat is. Wij zeggen: ‘Jesus’, en rusten in de volheid en totaliteit van de naam van onze Heer. Wij zijn niet meer bij machte de diverse aspecten uit het geheel los te maken en afzonderlijk te bezien, maar toch voelen wij hen er allemaal in, als één samengevoegd geheel. De heilige naam is dan de drager van de hele Christus en voert ons binnen zijn alomtegenwoordigheid.

 

61. Deze alomtegenwoordigheid is meer dan de aanwezigheid van nabij zijn en inwoning, waar wij al over gesproken hebben. Het is het actueel ‘gegeven-zijn’ van alle werkelijkheden, waartoe de heilige naam voor ons een benaderingsmiddel is geweest: verlossing, vleeswording, gedaanteverandering, kerk, Eucharistie, Geest en Vader. Daarin zullen wij ons een denkbeeld kunnen vormen van de ‘breedte en lengte, de hoogte en diepte’ (Ef 3, 18) en zullen wij begrijpen wat wil zeggen ‘alles wat er is in de hemel en op aarde in Christus weer samen te brengen’ (Ef 1, 10).

 

62. Deze alomtegenwoordigheid omvat alles. De heilige naam betekent niets zonder de tegenwoordigheid. Wie in staat is bij voortduring te leven in het bewustzijn van de alomtegenwoordigheid van de Heer, heeft de heilige naam niet nodig. De naam is alleen maar een stimulans en steun om te komen tot het beleven van de tegenwoordigheid van God. Mocht het ogenblik zelfs hier op aarde al aanbreken, dat wij ook het roepen van de heilige naam kunnen nalaten om in sublieme vrijheid los van alle belemmeringen slechts het naamloos en onuitsprekelijk levende contact met de persoon van Jesus te genieten!

 

63. Beschouwen wij de verschillende aspecten van of afleidingen uit de heilige naam Jesus afzonderlijk, dan gelijkt ons aanroepen op de werking van een prisma, waardoor een straal wit licht in de verschillende kleuren van het spectrum uiteenvalt. Ervaren wij evenwel het aanroepen van de naam in zijn geheel, dan werkt de aanroeping om zo te zeggen als een

lens, die het witte licht in zijn geheel opneemt en concentreert. Door middel van een lens kan

men met een zonnestraal iets brandbaars ontsteken. De heilige naam is deze lens. Jesus is

het zonlicht, zijn naam bundelt en richt als een lens dit licht op onze ziel tot er een vuur

ontvlamt. ‘Ik ben gekomen om vuur op aarde te brengen’ (Lk 12, 49).

 

64. Op veel plaatsen belooft de H. Schrift bijzondere zegen aan hen die de naam van de

Heer aanroepen. Wij mogen op de naam Jesus toepassen wat gezegd werd van de naam van

God. Daarom herhalen wij: ‘Keer U tot mij en wees mij genadig, naar uw beschikking voor

hem die uw naam bemint’ (Ps 118, 132). En van ieder van ons moge de Heer zeggen, wat Hij

zeide van Saul: ‘Hij is Mij een uitverkoren werktuig om mijn naam te verkondigen..’ (Hand 9,

15).

 

 

 

INHOUD

 

Inleiding . . . 5

I. De vorm van het Jesusgebed . . 7

II. Het .Jesusgebed in de praktijk . . . 8

III. Het Jesusgebed als geestelijke weg . 12

IV. Het Jesusgebed als aanbidding . . 17

V. De heilige naam als mysterie van verlossing 18

VI. De naam Jesus en de menswording . 22

VII. De naam Jesus en de gedaanteverandering  24.

VIII. De naam Jesus en de Kerk . . . 28

IX. De naam Jesus als Eucharistie . . 32

X. De naam Jesus en de Heilige Geest . 36

XI. De naam Jesus en de Vader . . . . 40

XII. De heilige naam en de alomtegenwoordigheid . . . . . 42

Auteur: orthodoxeinformatiebron

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie

One thought on “ Het Jezusgebed/Een monnik van de Oosterse Kerk”

Reacties zijn gesloten.