Mogen allen één zijn

H. Petrus Damianus (1007-1072)
kluizenaar en daarna bisschop, Kerkleraar
Opuscule 11 « Dominus vobiscum », 6

Petrus DamianusPetrus Damianus

“Opdat ze één zouden zijn, gelijk Wij één zijn”

 

De heilige Kerk, hoewel verschillend in de veelheid van personen, is verenigd door het vuur van de Heilige Geest. Als zij uiterlijk verdeeld lijkt in verschillende families, kan het mysterie van zijn diepe eenheid niets verliezen van zijn compleetheid: “Want de liefde van God werd in onze harten verspreid door de Heilige Geest die ons werd gegeven”, zei de heilige Paulus (Rm 5,5). Deze Geest is zonder enige twijfel, zowel één en menigvuldig, één in de essentie van zijn majesteit, veelvoudig in de gaven en het charisma welke aan de heilige Kerk worden toegekend, en die Hij met zijn aanwezigheid vult. En deze Geest geeft aan de Kerk, dat zij tegelijkertijd één is in zijn universele verspreiding, als geheel in elk van zijn leden…

Lees verder Mogen allen één zijn

Mozes de profeet

MOZES DE PROFEET

Mozes profeet8

Mozes (Hebreeuws: מֹשֶׁה Mosje, Oudgrieks: Μωυσῆς Mōysēs of Μωσῆς Mōsēs, Latijn: Moyses of Moses, Arabisch: موسى Moesa) was volgens de Tenach de grootste profeet.[1] De Hebreeuwse Bijbel beschrijft hem als de leider van de Israëlieten bij de uittocht uit Egypte en tijdens de doortocht door de woestijn tot aan de grenzen van Kanaنn. Traditioneel worden aan Mozes ook de eerste vijf Bijbelboeken toegeschreven (de Thora), waardoor de gehele wetgeving van Israël door zijn autoriteit werd geschraagd. Ook Psalm 90 wordt aan Mozes toegeschreven.

Lees verder Mozes de profeet

Augustinus

H. Augustinus (354-430)
bisschop van Hippo (Noord Afrika) en kerkleraar
Sermon over het evangelie van Johannes, nr. 25, 14-16

augustinus57

“Willen jullie ook weggaan?”

 

“Ik ben het Brood des Levens, het echte brood dat uit de hemel neerdaalt en leven geeft aan de wereld” (Joh 6,32-33)… Verlangen jullie naar dit brood uit de hemel, jullie hebben het bij jullie, en eten het niet. “Ik zeg jullie: jullie hebben Mij gezien en toch geloven jullie niet” (Jn 6,36). Toch verwerp Ik jullie niet; heeft jullie ongeloof de trouw van God teniet gedaan? (Rom 3,3) Zie, namelijk: “Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik niet buitenwerpen” (Jn 6,37). Wat is dat voor een innerlijkheid waar men niet uitgaat? Een diepe inkeer, een zoet geheim. Geheim zonder moedeloosheid, zuiver en zonder de bitterheid van slechte gedachten, vrijgesteld van kwelling door een beproeving of lijden. Is dat niet het geheim waarin de trouwe dienaar gaat die hoort zeggen: “Ga de vreugde van de Heer binnen” (Mt 25,21)?…

Lees verder Augustinus